Oet Dorp en Marke 2002 - 1

Inhoudsopgave

"hetwelk natuurlijk met blijdschap en dankbaarheid is aanvaard."
(door Georg van Slageren)
 . De klokken
 . Sponsoringperikelen
 . Het uurwerk
 . Tot slot
De hervormde kerk van Losser
’t Hannekerveld
Hoe een rasechte ‘Tukker’ Veenendaler werd
(door A. Reuvers)
Wij lazen voor u …
De Staringgroeve
Uitgaven van de Stichting Historische Kring Losser


Foto omslag:
De zandstenen wijzerplaat in de gevel van de hervormde kerk van Losser, met het opschrift ‘H. BONKE DATUM’ (foto M. Kruithof).

“… hetwelk natuurlijk met blijdschap en dankbaarheid is aanvaard.”

(Over hervormde kerkklokken, een oud uurwerk en sponsoringperikelen)

De klokken

Op het moment dat ruim 6,6 miljoen Nederlanders zaten te kijken naar de televisie-uitzending van het huwelijk van kroonprins Willem-Alexander en Máxima Zorreguieta en ook in menige Losserse huiskamer een traantje werd weggepinkt bij het zien van de beelden van een ontroerde prinses Máxima tijdens het luisteren naar de muziek van de tango Adios Nonino (Vaarwel vadertje) nam Losser - zij het tijdelijk - afscheid van de twee klokken in de toren van de hervormde kerk.

foto George Nusmeyer van de Twentsche Courant Tubantia

Een actiefoto van het verwijderen van de klokken
uit de toren van de hervormde kerk op 02-02-02.
(foto George Nusmeyer van de Twentsche Courant Tubantia)

De klokken moesten in verband met vernieuwing van het ophang- en luidmechanisme naar het klokkenmakersbedrijf Daelmans in Stiphout overgebracht worden en voor het verwijderen van de klokken uit de toren had men nauwelijks een gunstiger moment kunnen uitzoeken. Het centrum van Losser was nagenoeg uitgestorven, zodat de grote rijdende kraan van Kraanverhuur Kuiphuis uit Oldenzaal door niets en niemand gehinderd in alle rust de 324 resp. 170 kilo wegende klokken uit de toren kon hijsen.

Wat achterbleef was het, enkele jaren geleden door vrijwilligers geheel gerestaureerde, uurwerk dat er vroeger voor zorgde dat de klokken elk half uur sloegen. Wanneer precies dat historische uurwerk voor het laatst zijn diensten bewees is niet bekend, maar waarschijnlijk is dat in de oorlogsjaren geweest. Wel is bekend dat in de periode  1937/38 de klokken ook lange tijd hebben gezwegen. Op 2 oktober 1938 schrijft namelijk P. Westerbeek, die kennelijk in de buurt van de kerk woonde, een brief waarin hij de kerkvoogden bedankt voor het feit dat de torenklok ter wille van voortdurende ziekte van zijn vrouw gedurende anderhalf jaar heeft stilgestaan. Nu is de klok weer in beweging gebracht en is haar toestand verergerd. Hij vraagt daarom beleefd of die klok des nachts van 10 uur ’s avonds tot 6 uur ’s morgens stopgezet mag worden. Hij wil zich zo nodig wel zelf met het stopzetten belasten. Een en ander zou overigens van korte duur zijn, want Westerbeek verwachtte begin november te gaan verhuizen. Het lijkt waarschijnlijk dat daarna de klokken weer, ‘de klok rond’, elk half uur hebben geslagen.
In de Tweede Wereldoorlog, op 10 maart 1943, kwam er echter een definitief einde aan het slaan van de klokken. Op die tweede woensdag in maart, ‘Biddag voor gewas en arbeid’, werden de klokken door de bezetters ‘geroofd’ om er kanonnen of ander oorlogstuig van te maken. In tegenstelling tot de veel oudere klokken uit de Martinustoren, zijn de klokken uit de toren van de hervormde kerk niet teruggekomen uit Duitsland.

Het zou tot 1954/55 duren voordat er nieuwe klokken kwamen. Dat gebeurde in het kader van de restauratie en verbouwing van het kerkgebouw. Deze verbouwing kwam in de plaats van de in de oorlogsjaren ontwikkelde plannen voor een geheel nieuwe kerk. De realisatie van de restauratie werd financieel mogelijk doordat de oude pastorie, ten behoeve van de bouw van een nieuw gemeentehuis, aan de burgerlijke gemeente was verkocht.

Op de afrekening van 2 november 1954 van Torenluidklok-Gieterij “Concordia” (Gebr. van Bergen) te Midwolda, aan wie de levering van de klokken was opgedragen, komt een post voor, die mijn nieuwsgierigheid opwekte :“Het aanbrengen van een nieuw opschrift op de klokken is een heel werk geweest en heeft gekost …ƒ 95,--“. Waarom zou het opschrift op een pas vervaardigde klok vervangen moeten worden? Als het een fout van de klokkengieter was geweest, zou de opdrachtgever het niet hoeven te betalen. Wat zou hierachter zitten?

Het antwoord op die vraag blijkt uit het volgende verhaal.

Alhoewel gerekend kon worden op een uitkering van de Mij. tot Financiering van het Nationaal Herstel (van oorlogsschade) kwam men nog geld tekort voor een stel waardige klokken en daarom werd een beroep gedaan op wat wij nu ‘sponsors’ noemen.
Als resultaat van een bezoek van dominee Postma en de heer (‘meester’) Snel, aan de directie van N.V. Textiel Maatschappij L. van Heek & Zonen te Losser, bleek deze bereid te zijn twee klokken aan de kerk te schenken. Van deze royale schenking wordt mededeling gedaan in de kerkenraadvergadering van 17 augustus 1954: “… hetwelk natuurlijk met blijdschap en dankbaarheid is aanvaard”.
De kosten van de twee luidklokken bedroegen ƒ 3.655,60. Voor de luidmachines kwam daar nog ƒ 1.260,-- bij en samen met montage- en wat andere kosten, kwam de totale kostprijs uit op ƒ 5.276,10. Van Heek betaalde hiervan ƒ 2.840,86 en droeg dus voor meer dan de helft in de kosten bij. Zonder meer een royale schenking! Om het bedrag naar het huidige prijspeil om te rekenen moet je het zeker met 20 vermenigvuldigen.

Toen bleek dat de kleine klok al klaar was en de grote klaar stond om gegoten te worden, ontstond een probleem omdat men (of dit de firma Van Heek was of het kerkbestuur is niet duidelijk) wenste dat er nog een opschrift op de klokken aangebracht zou worden ‘omdat deze geschonken zullen worden’. Paniek bij de gieterij, want de eerder opgegeven opschriften waren al in de klokvormen aangebracht en konden niet meer veranderd worden.

Die ‘eerder opgegeven’ opschriften van de klokken luidden als volgt:

Boven in de rand van beide klokken:
Gegoten door Jacobus van Bergen  Midwolda

Aan de voorkant van de kleinste klok:
ZALIG ZIJN DIE HET WOORD HOREN EN HETZELVE DOEN

grootste klok:
IK ROEP U KOMT EN HOORT NAAR ’T EVANGELIEWOORD

Aan de achterkant van beide klokken:
1943
De OUDE KLOKKEN WEGGEVOERD
1954
De NIEUWE KLOKKEN GEPLAATST

De teksten voor de voorkant van de klokken zijn gelijk aan de teksten op de ‘geroofde’ klokken. Dit blijkt o.a. uit een getypte aantekening op briefpapier van de School voor Chr. Volksonderwijs Losser. Het kan haast niet anders of meester Snel heeft die aantekening gemaakt voordat de klokken door de Duitsers werden meegenomen. Helaas zijn er, voor zover mij bekend, geen foto’s bewaard gebleven van de oude klokken. Die oude klokken waren overigens nog niet echt oud, want ze dateerden van na de, door bliksem in 1902 veroorzaakte, brand in de toren.

Zoals gezegd waren de opgegeven opschriften al in de klokvormen aangebracht en konden niet meer veranderd worden. Daarom stellen de Gebr. van Bergen voor om de teksten die herinneren aan het wegvoeren in 1943 en het herplaatsen in 1954, na het gieten van de klokken te verwijderen en daarvoor in de plaats een niet te groot ander opschrift op de klokken te beitelen. Dit voorstel, dat in onze ogen blijk geeft van een ontstellend gebrek aan historisch besef, wordt door kerkbestuur en schenkers goedgekeurd.

Op 23 september 1954 schrijft de directie van Van Heek aan dominee Postma: "dat wij de randopschriften van de beide klokken gaarne als volgt aangebracht willen hebben: op de grootste klok Geschonken door (in het Latijn aan te brengen) H.J.P. van Heek en L. van Heek HJPzn. op de kleinere klok: Geschonken door (in het Latijn aan te brengen) L. van Heek Jr. en J.H. van Heek Lzn."

Als Latijnse vertaling van  ‘geschonken door’ staat met de hand geschreven op de brief: ‘donaverunt me’.

In een brief aan dominee Postma van 4 oktober 1954 bevestigt de firma Gebr. van Bergen het aanbrengen van het nieuwe opschrift en het verwijderen van het aan de gebeurtenissen in 1943 herinnerende opschrift. Zonder tegenbericht wil men de volgende morgen al met de werkzaamheden beginnen.
Kennelijk is men echter, om in ‘klokkentaal’ te spreken, om ‘vijf voor twaalf’ nog tot het inzicht gekomen dat het zo toch niet kon. Veertien dagen later zijn de klokken al in Losser en kan de kerkenraad ze bekijken. Dan blijken alle oorspronkelijk opgegeven opschriften gehandhaafd te zijn en is de Latijnse tekst inzake de schenking door de Van Heeks niet als opschrift (in de plaats van) maar als (toegevoegd) randschrift op een op de klokken gesoldeerde metalen band geplaatst.
De kerkenraad bezichtigt de klokken op 19 oktober 1954 in de catechiseerkamer (aan de pastorie) omdat gebleken was, dat deze buiten niet veilig waren. De kleinste klok was ’s nachts in de struiken verstopt – een misplaatste grap, aldus de notulist van de kerkenraadvergadering. De klokken werden op 27 oktober 1954 in de toren geplaatst.

Op 25 oktober 1954 bezegelde de heer L. van Heek (met lange jas) door middel
van een handdruk met ds. Sj. Postma de overdracht van de luidklokken. Links
de heren P. van Heek en H. Wevers, president kerkvoogd. Rechts de heer L. van Heek Hzn.

Sponsoringperikelen

Het mag overigens een wonder heten dat de firma/familie Van Heek in 1954 zo welwillend tegenover de Hervormde Gemeente Losser stond. Zestien jaren daarvoor had zich namelijk op het gebied van ‘fondsenwerving’ iets voorgedaan waardoor de verhoudingen behoorlijk bekoeld waren.

In 1937 had men het plan opgevat om, mede ter gelegenheid van de herdenking van het 300-jarig zelfstandig bestaan van de Hervormde Gemeente Losser, het oude orgel uit 1724 een grote opknapbeurt te geven. Overheidssubsidies en monumentenzorg waren in dit verband nog nauwelijks bekende begrippen, de gemeente was armlastig en dus werden andere bronnen aangeboord: de Stroinks, de Ledeboers, notaris Zonnevylle, (oud) notaris Van Opstall, de Van Heeks en nog vele anderen worden aangeschreven. En het moet gezegd: de meeste genoemden reageren bijzonder positief; de toezeggingen bedragen meestal ƒ 25 en dat was in die tijd een bedrag waar je nog wat mee kon doen.

Van H.J.P. van Heek komt een briefje, mede namens zijn moeder mevr. C.M. van Heek - van Heek en zijn broer L. van Heek jr., waarin hij meedeelt zeer sympathiek te staan tegenover het idee om het oude orgel in zijn oude luister te herstellen. Maar daarna komt er nog een ‘oude aap’ uit de mouw: “Evenwel stellen wij er prijs op, U ons standpunt alsnog kenbaar te maken inzake de kerkelijke verdraagzaamheid, met het oog op de kerkelijke eenheid, te weten het Vrijzinnig Hervormde gedeelte der kerkelijke gemeente Losser eens per 2 maanden in de gelegenheid te stellen in het kerkgebouw te Losser een Vrijzinnig Hervormd Predikant te beluisteren, zoodat dus per jaar door de voorganger van deze richting 6 predikbeurten vervuld kunnen worden. Alvorens derhalve inzake Uwe vraag voor een financiëele bijdrage een definitieve toezegging te doen, zoude ik het op prijs stellen, Uw standpunt in dezen te mogen vernemen.”

Ter verduidelijking: In 1930 was in Losser een afdeling opgericht van de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden, waarbij al spoedig een dertigtal huisgezinnen was aangesloten. De afdeling stond onder leiding van H.A. Walles, procuratiehouder bij Van Heek. De afdeling deed direct vanaf het begin een groot aantal pogingen om in de hervormde kerk van Losser regelmatig vrijzinnige predikanten voor te laten gaan, omdat “Zooals U het wel bekend zal zijn veel leden der Kerk zich niet kunnen vereenigen met de verkondiging van het Evangelie zooals Uw eerwaarde voorganger Ds. V.E. Schaefer dit meent te moeten prediken.” (uit een brief aan de kerkenraad van 24 april 1930). Alle pogingen van de vrijzinnigen leden echter schipbreuk, omdat de kerkelijke colleges niet te vermurwen waren.

Na deze toelichting zal het u niet verbazen, dat dominee Schaeffer reageert alsof hij door een wesp gestoken wordt. De voorwaarde waaronder eventueel een gift tegemoet kan worden gezien schiet hem duidelijk in het verkeerde keelgat. Het formuleren van een zorgvuldige reactie heeft hem waarschijnlijk flink wat zweetdruppels gekost, want behalve een doorslag van het definitieve antwoord bevinden zich in het archief ook twee ‘afgekeurde’ versies.
“Het deed mij genoegen te vernemen, dat het ook voor Mevrouw uw Moeder als voor U en Uw Broeder een sympathieke gedachte is, dat wij ons oude orgel gaan restaureeren”, zo schrijft de dominee en vervolgt: “ Daarom spijt het mij te meer, dat het mij door U onmogelijk wordt gemaakt om Uwe eventuele medewerking te aanvaarden. Ik schrijf U mijn persoonlijke mening, zooals U ook mij persoonlijk Uw schrijven hebt doen toekomen; ik kan dus niet namens den Kerkeraad spreken, die tenslotte in deze zaak competent is. Laat ik dan trachten U mijn houding duidelijk te maken! Ik kan dat m.i. het beste door U even te citeren de belofte die iedere proponent, eer hij door het Provinciaal Kerkbestuur tot de Evangeliebediening in de Ned. Hervormde Kerk wordt toegelaten, moet afleggen, nl. “ dat hij ter verkrijging van eenige standplaats geen overeenkomst heeft aangegaan of giften “ heeft gegeven, of immer zal aangaan of geven en dat het hem niet bekend is, dat zij door “ iemand van zijnentwege of te zijnen behoeve aangegaan of gegeven zullen worden; en dat “ hij ook nimmer een standplaats zal zoeken of aannemen, welke hij kan vermoeden, dat door “ enige bedingen, beloften of welke middelen ook van voorafgegane overeenkomst, aan hem “ wordt opgedragen.
In deze belofte worden de richtlijnen aangegeven, die in het algemeen in onze Kerk gelden of behooren te gelden. Geestelijke en stoffelijke belangen moeten niet door elkaar gehaald worden.
Ik kan het wel begrijpen, dat U, met de beste bedoeling, Uw voorstel heeft gedaan. Maar ik vraag U dan ook te trachten U in de moeilijkheid in te denken, waarin Uw voorstel mij heeft gebracht. Het vast-koppelen van een eventuele gift aan een voorwaarde zooals U doet, verhindert mij in dit geval mijn medewerking te verleenen. In onze Kerk moet elke zaak op haar eigen waarde getoetst worden en mag zij niet vertroebeld worden doordat andere belangen: beloften of ook mogelijke dreigementen er door heen gehaald zouden worden. Bij een persoonlijk onderhoud had dit misverstand kunnen worden voorkomen. Op Uw schriftelijk en concreet voorstel kan ik helaas niet anders dan onder betuiging van leedwezen verklaren, dat thans helaas Uwe medewerking aan ons Jublileum onmogelijk is geworden.”

Van Heek reageert per ommegaande met een kort briefje: “ In mijn schrijven heb ik geenerlei voorstel, noch een belofte of dreigement gedaan. U heeft ons verzocht om een financiëele bijdrage en alvorens hierop nader in te kunnen gaan stellen wij het op prijs Uw standpunt te vernemen met betrekking tot de wenschen van het Vrijzinnig Hervormde gedeelte Uwer gemeente. Ik kan dan ook niet anders besluiten dan dat U mijn schrijven hebt misverstaan, doch lijkt het mij niet wenschelijk over deze aangelegenheid nog verder te corresponderen.”

Ds. Schaeffer reageert toch nog een keer. Hij schrijft er niet aan te twijfelen dat Van Heek alles wel met de beste bedoelingen gedaan zal hebben en het niet als een vermenging van tegenstrijdige bedoelingen heeft aangevoeld. Schaeffer hoopt echter dat Van Heek er iets van begrijpt dat hij het wel als zodanig aanvoelt. “En dan wil ik U dit wel zeggen, dat ik in zulk geval de sterke neiging heb om dubbel gereserveerd te zijn.”
En daar blijft het bij. Een bijdrage van Van Heek zal niet aanvaard worden.

Het uurwerk

Tot slot van dit artikel nog wat informatie over het uurwerk. De herkomst is niet bekend, maar het is aannemelijk dat het tweedehands werd gekocht, nadat de kerk in 1810 in gebruik was genomen. Het kerkgebouw was toen nog ‘verre van voltooid’. Wellicht is het uurwerk geplaatst toen in 1814 de toren werd gebouwd.

Het uurwerk staat, sinds de klokken in 1943 door de Duitsers werden weggehaald, werkloos op de kerkzolder. De tand des tijds (wat een mooie uitdrukking als het om een uurwerk gaat!) knaagt extra hard aan zaken die niet gebruikt worden en in 1992 constateerde men, dat het uurwerk hard op weg was een ‘bonk roest’ te worden. Sommigen twijfelden er zelfs aan of het nog wel weer aan het lopen te krijgen zou zijn. Maar twee enthousiaste vrijwilligers, Harrie Vorgers en Jan van der Star (helaas overleden in 1998) staken de handen uit de mouwen en slaagden er in, na een ‘investering’ van wel 400 uur per man, van de bonk roest weer een goedlopend uurwerk te maken.

Kerkvoogd Martijn Kruithof bij het gerestaureerde uurwerk
op de zolder van de hervormde kerk.
(foto Charel van Tendeloo van de Twentsche Courant Tubantia).

Het is alleen erg vervelend dat het uurwerk - om te blijven lopen - om de veertien uur opgedraaid moet worden. Er bleek niemand te vinden te zijn die dat voor zijn rekening wilde nemen! En daarom bleef het uurwerk werkloos. De oplossing voor het probleem van het opwinden is nu gevonden in een elektromotor. Als straks, na terugkeer van de klokken uit Stiphout, ook de verbinding tussen het uurwerk op de kerkzolder en de klokken in de toren wordt hersteld, keren de tijden van weleer een beetje terug en zullen de klokken voor het eerst sinds bijna 60 jaar weer ieder half uur slaan. Bijzonder is dat het slagwerk op het halve uur even vaak slaat als op het hele. Op het hele uur slaat echter de grote klok (lage toon) en op het halve uur de kleine (hoge toon).
Tenslotte zal ook de verbinding met de unieke zandstenen wijzerplaat in de gevel van de kerk hersteld worden. Deze wijzerplaat, die slechts één wijzer kent, waardoor alleen de uren worden aangeduid, werd geschonken door Hermannus Bonke, schoolmeester, koster, voorzanger, organist en nog veel meer van de hervormde gemeente in 1810, het jaar waarin de kerk in gebruik werd genomen. Van problemen rondom laatstgenoemde ‘sponsoring’ is overigens niets gebleken ..!  Wel heeft ook hier de gulle gever niet geheel en al onbaatzuchtig gehandeld, want hij heeft zijn naam aan de vergetelheid laten ontrukken door deze boven de wijzerplaat te laten graveren. Van de grond af is dat overigens alleen met een verrekijker te constateren, maar u als lezer van ‘Oet Dorp en Marke Losser’ kunt het vanuit uw luie stoel zien op de omslag van dit boekje.

Tot slot

Tot slot ‘de moraal van dit verhaal’. ‘Schenkingen vroeger’ en ‘sponsoring nu’ zijn en worden ogenschijnlijk niet altijd geheel belangeloos verricht. De gulle gever wil er soms wel iets voor terug ontvangen. Daar is meestal niet zoveel op tegen. Dat wordt anders als de tegenprestatie moet bestaan uit ‘invloed op het beleid’, zeker als het gaat om het beleid in een kerkelijke gemeenschap. Dan kan er heel wat aan vooraf gaan voordat een schenking “…  met blijdschap en dankbaarheid is aanvaard.”
Ik hoop echter vooral dat u na het lezen van dit verhaal eens met andere ogen naar boven kijkt als u straks om het half uur de hervormde kerkklok weer hoort slaan.

Georg van Slageren

De hervormde kerk van Losser

Nieuwsgierig geworden door het artikel over de “hervormde” kerkklokken, wilt u misschien  iets meer weten over het kerkje aan het Raadhuisplein. Daarom hierna in kort bestek iets over de geschiedenis van het gebouw. Deze informatie is ontleend aan het concept voor een lesbrief voor de basisscholen in Losser, waaraan wij momenteel werken. Meer informatie kunt u vinden in het boek ‘400 jaar Hervormden in Losser’, in 1998 uitgegeven door de Historische Kring Losser en nog steeds verkrijgbaar bij de penningmeester en  in de plaatselijke boekwinkels.

De Franse tijd bracht in Nederland veel veranderingen. Eén daarvan was de scheiding van Kerk en Staat. Tot die tijd was de hervormde religie de staatsgodsdienst. Lange tijd was het zelfs zo dat de rooms-katholieke godsdienst feitelijk verboden was in Nederland. Daardoor hadden de hervormden in Losser na de Reformatie in 1637 de oude van oorsprong rooms-katholieke Martinuskerk in hun bezit gekregen.

Op 1 januari 1810 moesten de hervormden dat kerkgebouw, in opdracht van koning Lodewijk Napoleon, weer teruggeven aan de rooms-katholieken die in Losser in de meerderheid waren.

Op dat moment was er nog geen nieuwe hervormde kerk. Wel had de koning beloofd ƒ 5.000 bij te dragen in de kosten van de bouw van een kerk. In het jaar 1810 hielden de hervormden hun kerkdiensten in het Teylershuis. Op 23 december 1810 was de bouw zo ver gevorderd dat dominee Jan Hendrik Hulsken er voor het eerst kon preken. Over een orgel wordt op dat moment niet gesproken. Misschien is het zo lang in de oude kerk blijven staan of is het ergens opgeslagen. Het heeft tot 1822 geduurd voordat de bouw werd besloten met het weer in gebruik nemen van het orgel. Het orgel werd toen bespeeld door Hermannus Bonke, de schoolmeester van Losser. Aan meester Bonke herinnert ook de stenen wijzerplaat in de gevel van de kerk, met de tekst ‘H. Bonke datum’ (dat is Latijn en betekent ‘geschonken door H. Bonke’) en het jaartal 1810.

Het orgel was afkomstig uit de oude Martinuskerk. De opdracht voor de bouw ervan werd op 10 juli 1724 gegeven aan Diedrich Martens, orgelbouwer in Vreden (Duitsland). Het had met Pasen 1825 klaar moeten zijn, maar het duurde tot 17 augustus van dat jaar voordat het in een feestelijke kerkdienst in gebruik kon worden genomen. De bouwkosten bedroegen ƒ 385. De vrouw van de orgelbouwer kreeg nog ƒ 4 om wijn te kopen en de knecht kreeg een “trinkgeld” van een rijksdaalder. De eerste organist was Hermannus Verbecke, hulponderwijzer in Losser, die voor zijn orgelspel ƒ 30 per jaar ontving.

Toen de Martinuskerk in 1810 teruggegeven moest worden aan de rooms-katholieken mochten de hervormden wel de inventaris meenemen. Van die inventaris resteren  – behalve het orgel – de preekstoel, de avondmaalstafel, de Statenbijbel op de kansel en een koperen kroonluchter. De twee laatstgenoemde voorwerpen werden aan de kerk geschonken door Hermanus Teylers (1774-1794). Nieuw zijn de borden met de namen van alle mannen en (sedert 1985) vrouwen, die in Losser dominee zijn geweest. Deze borden zijn in de kerk geplaatst toen in 1998 werd herdacht dat het 400 jaar geleden was dat er voor het eerst een hervormde dominee in Losser kwam.

’t Hannekerveld

W. ter Heersche

Bij Motters oude stenderkast
Langs ’t Jodenkerkhof heen,
Het ‘Algemene’ kon men reeds
Heel in de verte zéén.
Een groepje oude dennen stond
Daar saamgepakt opeen.
Door geen afrastering omgeven,
Een kei deed dienst als steen.

Een ruw houten dodenhuisje,
Een ekster echtpaar vloog er rond.
Dat in de kruin der oude dennen
Hun uitverkoren woning vond.
Romantiek omgaf deez’ rustplaats,
Geen afval, blik of vuil of smeer.
Wie zegt dat hier mooi is worden,
Geef ons het ouderwetsche weer.

De boeren gingen kultiveren.
De hei verdween, het gras dat kwam.
Waar eens een kudde schapen graasde,
Staat nu een paal met draad en kram.
Viervoeters loopen er te weiden.
Een beek doorsnijdt het oppervlak,
Die de ijsbaan heeft er doen verdwijnen
Omdat geen water er meer was.

De klank van ’t lieflijk kloosterklokje
Weerklinkt over de velden heen.
De groot dakspan der boerenhofstee
Kijkt hier en daar door ’t loover heen.
Ook Bookholts dannen vormen hier
Een onderdeel van ’t veld.
Het Vondelpark van Losser’s schoonen,
Hier geldt het liefde doch geen geld.

Maar trots alle moderniseering
Is er nog wat hei gespaard.
Voor een spel dat in den lande
Meer en meer verdwijnen gaat.
Klootschieten, Germaan en Heide,
Een drie-éénheid, een geheel,
In ’t verleden, in de toekomst
Waakt er voor, “Je Maintiendrai!”

Hoe een rasechte ‘Tukker’ Veenendaler werd

Onlangs kwamen wij in het bezit van een artikel, met bovenstaande titel, uit ‘de Rijnpost’ van  13 juli vorig jaar. De Rijnpost is de ‘Nieuwe Dinkellander’ voor Veenendaal e.o. In het artikel vertelt Anne Reuvers het verhaal van zijn leven aan de redacteur van de rubriek ‘Veenendaal Toen’.
De heer Reuvers blijkt te zijn geboren in Overdinkel, maar woont al meer dan vijftig jaar in Veenendaal en is sinds enkele jaren lid van de Historische Kring Losser.
Aanleiding tot het artikel was een eerder geplaatst verhaal van Wim van Roekel, een zwager van de heer Reuvers, over de Buurtsteeg in Veenendaal. In dat verhaal speelde Anne ook een rol, maar Wim had niet alles verteld. Dat moest Anne zelf maar doen. Met diens toestemming volgt hier het verhaal van Anne Reuvers ook voor de lezers van ‘Oet Dorp en Marke Losser’.

Klaas Kelder en Trijntje Jongsma

Ik werd geboren op 27 maart 1927 in Overdinkel. Het was crisistijd en vader werkte in één van de Enschedese textielfabrieken. Daar ging ik ook naar de middelbare school: dat was elke dag zo’n vijftien kilometer fietsen. Wij zagen als schooljongens de Duitsers niet zitten en maakten daar wel eens een opmerking over. Op een dag werd ik opgepakt en kon meteen in Duitsland gaan werken. Dat was in Rheine. Ik had het geluk dat ik nog maar vijftien was, anders was ik in een concentratiekamp terechtgekomen. Ieder morgen werden we vanuit het kamp naar de fabriek gebracht. Ik liep al gauw met vluchtplannen rond. Op een mistige morgen werden we weer op een open vrachtwagen weggebracht. Een begrafenisstoet kwam ons tegemoet en dat was mijn kans! Ik sprong van de wagen af, de dikke mist in. Bij Gronau waar ik goed bekend was, stak ik de grens over en liep verder naar Overdinkel.

Eenmaal thuis moest ik onderduiken, want we hoorden dat de NSB was ingelicht. Mijn buurjongen was inmiddels ook ondergedoken in een oud leegstaand huis. Samen hebben we daar menig nachtje geslapen. Naast het huis was een kerkhof, waar we onder de bomen een tentje hadden neergezet. Dat was onze schuilplaats als de NSB weer actief was. Op een morgen waren we allebei even naar huis gegaan om een kop surrogaat koffie te drinken, toen plotseling het broertje van mijn buurjongen aan kwam hollen en riep: “Wegwezen, de NSB heeft mijn broer al te pakken”. Mijn buurjongen werd door de NSB-ers meegenomen naar het gemeentehuis in Losser. Toen ze daar aanbelden zag mijn buurjongen zijn kans schoon en sloeg op de vlucht. Tijdens de oorlogsjaren heb ik hem niet meer terug gezien.

Inmiddels was het november 1944 geworden. De geallieerden waren al tot de Rijn opgerukt en iedereen keek uit naar de bevrijding. In Overdinkel maakten NSB-ers echter nog steeds jacht op mij. Op een dag ontmoette ik een man die mij vertelde dat hij ook uit Duitsland was gevlucht. Hij was een paar jaar ouder en kwam uit Roosendaal, dat inmiddels was bevrijd. De man stelde voor om samen richting Arnhem te lopen en dan proberen de Rijn over te steken. Dat avontuur trok mij wel aan, hoewel mijn moeder er faliekant tegen was. Toch zette ik door.

Na een paar dagen bereikten we Vorden, waar we een zwaar bewaakte IJssel over moesten zien te komen. In Vorden gaven ze ons de tip om contact op te nemen met de plaatselijke bureauhouder. We mochten bij hem in het hooi slapen en we vroegen hem wat de beste manier was om de rivier over te steken. Hij zorgde er, via de ondergrondse, voor dat we valse papieren kregen waarmee we over de rivier kwamen. De volgende dag ging het richting Ede, waar we weer contact zochten met mensen die ons verder konden helpen. Uiteindelijk vonden we onderdak bij boer Werkman in Ederveen. De volgende morgen werden we opgehaald door een verzetsman uit Veenendaal, namelijk Jan ‘Piep’ Veldhuizen. Mijn maat werd ondergebracht bij familie Jan van Roekel, mijn latere schoonouders. Zelf was ik te gast bij de familie Mees van Ginkel, ook aan de Buurtsteeg.

Inmiddels was het gewapend verzet van Ede, Wageningen en Veenendaal bezig inlichtingen over ons te verzamelen. Dat gebeurde in Overdinkel en Roosendaal. Ze wilden weten wie we waren. Uit Overdinkel kwamen goede berichten want vader zat zelf in het verzet. Uit het reeds bevrijde Roosendaal kwam later het bericht dat Henk, zo heette mijn maat, als Nederlander in het Duitse leger had gediend en was gedeserteerd. Dat had hij mij nooit verteld. Dat was dom want nu was hij niet meer te vertrouwen. Als de Duitsers hem alsnog zouden pakken, was hij misschien wel in staat om de verzetsbeweging te verraden om z’n eigen hachje te redden. De commandant van de verzetsgroep nam geen enkel risico en Henk werd in een schuur doodgeschoten. Ze hebben hem aan de overkant van de Buurtsteeg begraven om na de oorlog weer op te graven. Waar hij herbegraven is weet ik niet.

In die tijd leerde ik de dochters van Van Roekel kennen en werd smoorverliefd op Berendina. Over en weer schreven we briefjes waar haar zus Let ook aan meedeed. Toch besloot ik weg te gaan om de Engelsen te ontmoeten. Ik liep van Veenendaal naar Voorst om de volgende morgen bij Zutphen de brug over te steken. De brug stond vol Duitse soldaten en niemand mocht er over. Ik liep gewoon door en deed of ik gek was. In de meest letterlijke zin! Natuurlijk werd ik opgepakt, maar ik sloeg mijn armen om een Duitse officier en wilde hem kussen. De officier zei dat ik ‘ganz verrückt’ was, ze moesten me laten gaan. Toen ik weer richting Vorden liep, hoorde ik achter me een geweldige knal. Dat was de brug die ik een uur geleden was gepasseerd. Oververmoeid kwam ik in Overdinkel en lag twee dagen op bed terwijl iedereen feest vierde. Verliefd als ik was wilde ik natuurlijk zo snel mogelijk Berendina weer opzoeken. Nu op de fiets naar Veenendaal en later met de bus. Dat laatste kon slechts één keer per maand. Dat beviel me niet. Maar ik had geluk want ik kreeg werk in Enschede en was door toedoen van mijn chef op zaterdag vrij. Ik kon Berendina vaker ontmoeten.

Het werd 1947 en ik moest in dienst. Op 4 december voeren we met de ‘Sloterdijk’ uit naar Indië. Op 30 april 1950 was ik weer terug in Holland. Onder meer opgewacht door Berendina, mijn schoonouders en mijn zwager Wim van Roekel. Wat wilde ik nog meer?
Ik heb werk gezocht in Veenendaal. Eerst werkte ik in een bedrijf waar fietssloten werden gemaakt maar dat was niks voor een pennenlikker als ik ben. Door contacten met een adjudant uit Ede kreeg ik een baan bij de kantinedienst van de landmacht. Maar eerst gingen we trouwen. We hadden vier kinderen toen ik werd overgeplaatst naar Duitsland. Daarvoor had ik in twee kazernes in Nederland gewerkt. Ik kwam alleen in het weekeinde thuis. Ik kon wel een huis in Duitsland krijgen, maar mijn vrouw voelde er niet veel voor om daar te gaan wonen. Maar haar vader zei: ‘Waar je man is hoor jij ook te zijn’. Toen zijn we in 1967 naar Duitsland verhuisd. Daar hadden we het goed, geen weekendhuwelijk meer.

Toch waren we in de weekeinden vaak in Holland, want de gezondheid van mijn schoonvader ging hard achteruit. Ook mijn vrouw tobde, ze kreeg last van haar nieren. Het werd er allemaal niet gemakkelijker op. Uiteindelijk zijn we weer teruggegaan naar Nederland. Dat was ook beter voor de kinderen. In 1974 waren we weer terug in Veenendaal. Ik kreeg werk in het militaire hospitaal ‘Oog en Al’ in Utrecht. In 1983 werd ik door een ongeluk uitgeschakeld en na twee jaar invalide verklaard. Anderhalf jaar geleden verloor ik mijn vrouw. Ze had vijf jaar in Wageningen aan de nierdialyse gelegen. Menselijkerwijze gesproken kom je dit nooit meer te boven. Ze werd op de verjaardag van haar hoogbejaarde moeder begraven. Geen gelukkig slot van mijn verhaal, maar ik wilde dit verhaal toch graag vertellen.

A. Reuvers

Wij lazen voor u …

In Tubantia
Nieuws- en Advertentieblad voor Twenthe (juni 1902)

Oldenzaal. Maandagmiddag is te de Lutte een fiets gestolen. Een werkman, die aan den straatweg in de nabijheid van “het Zwaantje” bezig was met ’t opbinden van talhout, had zijn rijwiel aan den weg laten staan. Spoedig bemerkte men, dat het verdwenen was. Een paar personen, die iemand met een rijwiel in allerhaast in de richting Bentheim hadden zien wegrijden, waren den dief reeds per fiets nagereden, waarop ook nog een tweetal anderen per fiets op onderzoek uitgingen.
De heer Dijkstra, brigade-commandant der marechaussee alhier, telefonisch van den diefstal van de Lutte uit, in kennis gesteld, begaf zich onmiddellijk per trein naar Bentheim. Per draad werden ook de naburige Duitse plaatsen van ’t geval in kennis gesteld.
Dinsdag is de dader, een Duitser, door de gendarmerie gevat bij Gildehaus. De fiets is in beslag genomen.

De Staringgroeve

In het al eerder aangehaalde ontwerp van een lesbrief voor de basisscholen is ook een artikel  opgenomen, waarin de situatie in Losser van zo’n 135 miljoen jaar geleden aan de orde komt. Een bijzonder interessante periode. Het verhaal is vast en zeker ook voor de lezers van Oet Dorp en Marke Losser interessant. Bedenk bij het lezen wel dat het is geschreven voor kinderen in de basisschoolleeftijd.

Op de hoek van de Dr. Staringstraat en de Hogeweg sta je op een hoogte. Je kunt  zien dat de straat in de richting van de rotonde op de Gronausestraat naar beneden afloopt. En ook naar de kant van de Markeweg kijk je omlaag.  Op de fiets merk je het nog beter. Dan hoef je nauwelijks te trappen. Je staat hier op het hoogste punt van Losser, zo’n 36 meter boven NAP.

In het plantsoen op de hoek is een grote kuil uitgegraven. Eigenlijk is het een kleine steengroeve. De gelige aardlaag waar je tegenaan kijkt is maar liefst  130 tot 140 miljoen jaar oud. Toen was er op de plek waar je nu staat een grote binnenzee. Dat kunnen we ons haast niet voorstellen. Die binnenzee strekte zich uit tot in Duitsland, dus in de richting van de Gronausestraat, helemaal tot bij de Duitse plaats Steinfurt.
Ook het klimaat was in die periode  heel anders dan nu. We hadden hier toen een subtropisch klimaat. Dus stel je voor: lekker warm, een mooi geel strand en een grote binnenzee.
In dat  water leefden natuurlijk  allerlei zeedieren, zoals vissen, kreeften,  schelpdieren en nog vele andere levensvormen.

De aarde veranderde  voortdurend, ook al ging het heel langzaam. De aardlaag kwam er heel anders uit te zien. Het gele zand van die binnenzee werd langzamerhand  in elkaar gedrukt. Er kwam kiezelzuur en ijzer bij en daardoor werd die zandlaag uiteindelijk steeds harder en veranderde in een zandsteenlaag. En daar bovenop kwamen weer allerlei andere aardlagen. Zo kwam de zandsteen steeds dieper in de bodem te liggen.

Ook het klimaat veranderde. Er kwam maar liefst drie keer een ijstijd. Rond de poolcirkel sneeuwde het zo hevig en zo lang, dat zich daar een geweldige ijskap vormde van honderden meters hoog. Die ijskap kwam langzaam in beweging en er waaierden allemaal gletsjers uit, die helemaal tot in Losser kwamen. Zo’n grote ijsmassa is heel zwaar en op hun tocht sleurden die gletsjers van alles mee. De kracht van het ijs was zelfs zo groot, dat het graniet van de Scandinavische bergen gedeeltelijk vermalen werd tot onder meer keileem. Soms bleven er grote brokken steen over en die werden ook meegevoerd tot in onze streek. Toen het ijs later ging smelten bleven die grote keien liggen. Wij noemen ze zwerfstenen. Soms zie je ze nog wel liggen bij een boerenerf.

Het grote gewicht van die ijsmassa’s zorgde ervoor dat dalen in het land werden gevuld en dat weer andere delen van het aardoppervlak omhoog werden geduwd, waardoor  heuvelruggen ontstonden.

Hier op de hoek van de Dr. Staringstraat en de Hogeweg, sta je op zo’n heuvelrug. En die geweldige natuurkrachten van de gletsjers hebben er ook voor gezorgd, dat  de zandsteenlaag, die vroeger veel dieper in de bodem lag, op deze plaats weer omhoog werd geduwd. Ook over de Duitse grens in de plaatsen Gildehaus en Bentheim vind je zulke heuvelruggen. De heuvelrug die vanuit Bentheim westwaarts loopt en eindigt ten noorden van Gildehaus, bevat zandsteen die ontgonnen wordt. Daar worden dus brokken steen uitgehouwen. Zandsteen wordt dat genoemd. En die zandsteen  kun je gebruiken om er mee te bouwen. Zo zijn er in vroegere tijden kerken, kastelen en paleizen gebouwd van zandsteen. Maar ook voor het bouwen van gewone huizen en boerderijen werd zandsteen gebruikt. En steenhouwers maakten er ook  de prachtigste beelden van.

In Gildehaus en Bentheim waren al sinds de 13de eeuw steengroeves in gebruik, waar grote brokken zandsteen werden uitgehouwen. Die steengroeves brachten welvaart in de streek.

In Losser was echter geen steengroeve. In de 19e eeuw was er in Losser een burgemeester, die wel eens wilde onderzoeken of ons dorp ook niet een steengroeve zou kunnen krijgen. De mensen waren heel arm en de verkoop van zandsteen zou welvaart kunnen brengen. Een geoloog uit die tijd, W.H.C. Staring kreeg opdracht om hier de bodem  te onderzoeken. Staring was een heel beroemd geleerde, die alles wist van de bodem van Nederland.
De burgemeester had al een proefgat gemaakt. Dat was niet hier, maar in de buurt van het Markedal/Kremersweg.  Staring kwam naar Losser en er werden allerlei monsters genomen. Zo kwamen ze tot de ontdekking dat de zandsteen uit Losser niet stevig genoeg was om mee te bouwen. De steen was veel te poreus. Er zat teveel lucht in. Je kon er heel gemakkelijk stukken afslaan. En met zo’n steen kon je natuurlijk niet gaan bouwen. Dat was heel jammer voor de burgemeester en ook voor alle andere mensen van Losser, want ze konden dus geen zandstenen gaan verkopen. De zandsteenlaag bleef gewoon in de grond zitten en de mensen bleven  nog heel lang arm. Pas aan het einde van de 19e eeuw kwam er meer welvaart. Toen konden de inwoners van Losser gaan werken in de textielfabrieken in Oldenzaal en Gronau.

In de Twintigste eeuw, omstreeks 1960, kwam er in Losser een nieuw uitbreidingsplan. De huizen die je nu om je heen ziet zouden toen gebouwd gaan worden. De zandsteenlaag zou dan onder die huizen terecht komen en niemand zou dan nog kunnen zien hoe bijzonder de bodem hier is. Want bijzonder is het. Nergens in Nederland komt het voor, dat de zandsteen zo dicht aan de oppervlakte komt. Een aantal Lossernaren leek het toen wel een leuk idee om hier een parkje aan te leggen met daarin een kleine steengroeve. De kuil werd gegraven door de mensen die hier toen woonden en zo is deze kleine steengroeve ontstaan. In de zandsteen kun je allerlei fossielen aantreffen. Overblijfselen van planten en dieren die vroeger in die grote binnenzee geleefd hebben. Een geoloog die hier in de buurt woonde, was vaak in de groeve aan het hakken op zoek naar deze bijzondere afdrukken. De kinderen uit de buurt mochten altijd helpen. Jammer dat de groeve nu gesloten is. Af en toe komen er nog geologiestudenten uit Nederland en Duitsland om naar deze bijzondere steengroeve te kijken. Zandsteenbrokken met daarin allerlei fossielen kun je vinden in de kelder van het gemeentehuis aan het Raadhuisplein.