Oet Dorp en Marke 2002 - 2

Inhoudsopgave

Van het bestuur
 . Over LAGA 2003 en een verdwenen spoorlijn
Wij lazen voor u …
Van Syrisch-Orthodoxen en Christen-Turken in Losser
(door Georg van Slageren)
 . Inleiding
 . Geschiedenis van de Syrisch-orthodoxe kerk
 . Ontwikkelingen in Europa
 . Het klooster Sint Ephrem in Glane
 . De politieke geschiedenis van Turkije
 . Christen-Turken in Losser
 . Verantwoording
Over den formeelen klompennood in Berghuizen
(door Frans Jacobs)
Huishouden in oorlogstijd
(door Thea Evers)
Uitgaven van de Historische Kring Losser


Foto omslag: Sint Ephrem de Syriër, de ‘naamgever’ van het Syrisch-orthodoxe klooster in Glane.

Van het bestuur

Over LAGA 2003 en een verdwenen spoorlijn

In het jaar van de, door Losser en Gronau gezamenlijk te organiseren, Landesgartenschau (LAGA 2003)zal het honderd jaar geleden zijn, dat de spoorlijn (trambaan) Denekamp-Oldenzaal-Losser-Gronau werd geopend.
De Historische Kring Losser was van plan aan deze gebeurtenis aandacht te schenken door  het juli-nummer 2003 van ‘Oet Dorp en Marke Losser’ aan deze spoorlijn te wijden. Eén van onze redacteuren is al een jaar geleden begonnen met onderzoek in archieven en andere documentatie en het zoeken naar illustraties. Er is inmiddels al zoveel interessant materiaal dat een dubbeldik nummer er ‘dik’ inzit.

Het blijkt dat de tram op het moment dat in 1893 begonnen werd met de ontwikkeling van de plannen, voor Losser al van zeer groot belang was omdat toen al ongeveer 300 arbeiders vanuit Losser in Gronau werkzaam waren. Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog waren het er 1500!

Wij vinden dat deze ‘verbinding’ LOSSER-GRONAU in het kader van de LAGA extra geaccentueerd zou moeten worden door de publicatie van een ‘echt’ boek. Daarom hebben wij het plan voor de publicatie over de spoorlijn aangemeld bij de Stichting Evenementen LAGA (SEL) en om een bijdrage in de kosten gevraagd. De reactie van de SEL is zodanig positief dat wij er op dit moment van uitgaan dat er een echt mooi boek zal komen. Daarom ook willen wij aan het Duitse deel van de lijn meer aandacht schenken dan in eerste instantie de bedoeling was. Wij zullen contact zoeken met onze Gronause zusterorganisatie(s) en als zij net zo enthousiast zijn als wij wordt het boek misschien wel tweetalig.

Daarnaast hebben we zeer recent het plan opgevat om in het kader van LAGA een tentoonstelling te organiseren ter herinnering aan de opening van de spoorlijn op 18 juli 1903. Dat zou niet een ‘simpele’ fototentoonstelling moeten zijn, maar er zou ook spoorwegmaterieel te zien moeten zijn. Wij zijn inmiddels in gesprek met de Stichting Museum Buurtspoorweg (MBS) in Haaksbergen. Het toeval wil dat men in Haaksbergen graag wil beginnen met de restauratie van een historisch waardevol rijtuig dat speciaal voor arbeidersvervoer op ‘onze’ tramlijn gebouwd en gebruikt is: het rijtuig HSM C 905.

Dit rijtuig is door Werkspoor Amsterdam in 1901 gebouwd voor de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij (HSM) en was speciaal bestemd voor het vervoer van textielarbeiders op de ‘internationale tramlijn’ Oldenzaal-Losser-Gronau. Later heeft het rijtuig ook dienst gedaan op andere lijnen in Nederland. Rijtuig C 905 is het enige overgebleven exemplaar van de serie C 901 – 906. Het waren vierassige lokaalspoorrijtuigen met open balkons en voorzien van 4 langsbanken die plaats boden aan 98 personen.
De opbouw van de bak is van eikenhout en aan de buitenkant bekleed met staalplaat. Het interieur was één grote ruimte met houten banken, verlicht door vier gaslampen en de kleine ramen waren voorzien van gordijnen. Vloerbedekking of iets dergelijks en bagagerekken behoorden niet tot de uitrusting van deze rijtuigen. Wel was er voor het koude jaargetijde stoomverwarming aanwezig.
De C 905 werd na 1930 gebruikt als werkwagen door de Nederlandse Spoorwegen. In 1971 kwam het rijtuig in het bezit van de MBS en werd wegens ruimtegebrek gestald op het NS emplacement in Zwolle. Daar is door vandalen brand gesticht met als gevolg dat de C 905 thans in een deplorabele toestand verkeert. (Bron: een artikel in ‘Het Lokaalspoor’ Winternummer 2001, geschreven door de heer Pieter van de Griend. ‘Het Lokaalspoor’ is een uitgave van de Stichting Museum Buurt Spoorweg).

Hoe ‘deplorabel’ de toestand van het rijtuig is blijkt uit deze foto die ons ter beschikking werd
gesteld door de fotograaf, de heer P. van de Griend te Den Haag.

De restauratie van zo’n rijtuig is een kostbare zaak en op het moment van ons eerste contact met de MBS ontbrak er nog erg veel geld. Inmiddels is er een royale toezegging van de provincie Overijssel bij gekomen, echter onder de voorwaarde dat het dan nog ontbrekende bedrag wordt gegarandeerd door of via lagere overheden.

Samen met het bestuur van de MBS zijn wij daarom met de gemeente Losser in gesprek om te zien of dit laatste loodje van zijn gewicht ontdaan kan worden. Wij hopen dat het allemaal lukt want dan krijgt de Historische Kring Losser gedurende de LAGA van april tot oktober  2003 de beschikking over het rijtuig om te gebruiken als expositieruimte voor een ongetwijfeld schitterende tentoonstelling.

Over het hoe en wat en waar hopen wij u een volgende keer meer te kunnen vertellen. En als u ons nu al kunt helpen met informatie, foto’s of materialen voor boek en/of tentoonstelling dan houden wij ons van harte aanbevolen. U weet ons wel te vinden!

Met vriendelijke groet,

Het bestuur

Wij lazen voor u …

In Tubantia
Nieuws- en Advertentieblad voor Twenthe
(woensdag 9 mei 1900)

Losser, 7 Mei. Door onbekende oorzaak ontstond heden middag, omstreeks halfvier uur, brand in een in dorp Losser gelegen perceel, bestaande uit twee woningen en in eigendom toebehoorende aan den landbouwer B. Luijerink alhier. In weinige oogenblikken kreeg het vuur een kolossalen omvang, zoodat het daarnaast gelegen gebouw, bestaande uit drie woningen en waarvan de Hervormde gemeente alhier eigenaresse was, mede aangetast werd en spoedig daarop zelfs het torentje der in de onmiddellijke nabijheid gelegen Hervormde kerk eveneens in brand geraakte. Beide percelen werden in de asch gelegd; van de kerk is alleen het torentje met zijn inhoud verwoest. De schade wordt door assurantie gedekt.

Noot van de redactie: Uit dit krantenartikel blijkt dat een rectificatie nodig is van het artikel over de klokken en het uurwerk van de hervormde kerk in Oet Dorp en Marke aflevering 2002-1. De brand in de toren vond niet plaats in 1902 maar in 1900 en is niet door blikseminslag veroorzaakt.

Van Syrisch-Orthodoxen en Christen-Turken in Losser

Door Georg van Slageren

Inleiding

Op maandagavond 15 april 2002 bracht de Historische Kring Losser een bezoek aan het Syrisch-othodoxe klooster Sint Ephrem in Glane. Dat dit doel een schot in de roos was blijkt uit het aantal deelnemers: ruim 60 leden gingen mee. Een record voor de gebruikelijke excursie na afloop van de jaarlijkse ledenvergadering. Dat de belangstelling niet alleen ‘kwantitatief’ maar ook ‘kwalitatief’ groot was bleek uit de vele vragen die aan pater Saïd, de rondleider, werden gesteld.

“Zo dichtbij en toch zo onbekend”, verzuchtte iemand na afloop en enkele dagen later werd ik door een ander lid gebeld met de vraag of ik misschien wist of Syrisch-Orthodoxen dezelfden zijn als de (uitgeprocedeerde) ‘Christen-Turken’, die zo’n twintig jaar geleden in Losser enkele maanden ‘kerkasiel’ kregen. Ook op dit moment  houdt het onderwerp ‘uitgeprocedeerde asielzoekers’ de gemoederen (ook in Losser) erg bezig. Redenen genoeg dus om aan Syrisch-Orthodoxen en/of Christen-Turken in Losser een artikel in Oet Dorp en Marke te wijden.

Geschiedenis van de Syrisch-orthodoxe kerk

De geschiedenis van de Syrisch-orthodoxe kerk gaat terug tot de kerk van Antiochië, de eerste grote christelijke gemeenschap buiten Palestina. In Handelingen 11:26 wordt vermeld, dat in Antiochië de discipelen voor het eerst Christenen werden genoemd. Vanuit Antiochië (het huidige Antakya in Zuid-Turkije) verspreidde het christendom zich over heel Klein-Azië en Mesopotamië. Als oprichters van de Syrische kerk gelden Petrus, Paulus en Barnabas. Petrus wordt officieel in het jaar 37 als de eerste bisschop erkend en tegelijkertijd patriarch van de Syrisch-Orthodoxe kerk genoemd. De huidige patriarch Ignatius Zakai I Iwas is de 122e patriarch en opvolger van Petrus op de stoel van Antiochië.

De Syrisch-Orthodoxen zijn etnisch verbonden met de van oorsprong semitische Arameeërs, die uit Mesopotamië stammen. Het begrip Syriër heeft niets met de huidige staat Syrië te maken. De namen Syriër en Arameeër worden door elkaar gebruikt en verwijzen naar hetzelfde volk. ‘Arameeërs’ verwijst naar hun oorspronkelijke ‘echte’ nationaliteit. ‘Syriër’ geeft meer de christelijke identiteit aan. Als stamvader van de Arameeërs geldt Aram, de jongste zoon van Sem, zoon van Noach. Aartsvader Abraham is een afstammeling van de Arameeërs (Deuteronomium 26:5).

De taal van de Syrisch-orthodoxe kerk is het Aramees, één van de oudste talen van de wereld. In de tijd van het Assyrische rijk was het Aramees een internationale taal. In het begin van onze jaartelling was het Aramees de omgangstaal van de joden. Het was dus ook de taal van Jezus.
De Syrisch-orthodoxe kerk van Antiochië viert haar liturgie volgens de ritus van de H. Jakobus (de broer van Jezus) in het Aramees. De Syrisch-orthodoxe liturgie is de oudste nog gebruikte rite van het christendom.

Ontwikkelingen in Europa

Vanaf het jaar 1960 zijn er duizenden Syrisch-Orthodoxen geëmigreerd naar West-Europa. De meeste van hen kwamen uit Turkije maar sommigen ook uit Syrië, Libanon of Irak. In West-Europa bestaan inmiddels vier bisdommen: twee in Zweden, één in Duitsland en één in Nederland. Het Nederlandse bisdom, dat zetelt in het klooster in Glane, omvat  de Syrisch-orthodoxe gelovigen in Nederland, Frankrijk, België, Zwitserland en Oostenrijk. Nederland telt nu ongeveer 10.000 Syrisch-Orthodoxen. De meeste behoren tot de zes Twentse parochies. Amsterdam telt twee parochies.

Het klooster Sint Ephrem in Glane

Het klooster werd in 1911 door Noorse zusters van de congregatie van de H. Josef van Chambery gesticht en kreeg toen de naam van St. Olaf, koning van Noorwegen.


Het St. Olafsklooster in de oorspronkelijke staat. Het
klooster werd gebouwd op grond van het gewaarde erve Schiltkamp,
gelegen aan de zandweg naar Glanerbrug. (Foto collectie HKL).

In 1921 werd het klooster overgenomen door de Paters Maristen. In de Tweede Wereldoorlog werd het kloostercomplex door de Duitsers gevorderd en werden de kloosterlingen bij particulieren ondergebracht. In 1964 werden de tweede en derde verdieping en een kleine kapel met bijbehorende kamers bijgebouwd. Toen het klooster in 1970 werd gesloten huurde het textielbedrijf Van Heek-Scholco het gebouw voor de huisvesting van Turkse gastarbeiders. Van Heek-Vastgoed B.V. kocht het pand in 1974.

In 1981 werd het hele complex voor één miljoen gulden overgenomen door de Syrisch-orthodoxe gemeenschap. Het geld kreeg men bijelkaar dankzij de inspanning van de hele Syrisch-orthodoxe gemeenschap, zowel in Nederland als in het buitenland, en met heel veel giften, ondermeer van andere kerken. De namen van de gulle gevers staan vermeld op een groot tableau. Zo weten we dat de Rooms-katholieke kerk in Nederland en de Nederlandse hervormde kerk elk 100.000 gulden bijdroegen.

In 1984 werd het klooster ingewijd door Zakai I Iwas, de patriarch van Antiochië. Het klooster kreeg de naam van St. Ephrem de Syriër. Deze Syrische heilige leefde van 303 tot 373 en heeft een belangrijke rol gespeeld in de Syrische kerk. Hij was dichter, theoloog en exegeet. Hij heeft de Syrische liturgie rijk gemaakt met zang en hymnen. Hij wordt ook wel de ‘harp van de Heilige Geest’ genoemd.

In 1994 werd een nieuwe kerk, met 1000 zitplaatsen, in gebruik genomen - de kathedraal van de H. Maagd Maria. In  aanwezigheid van bijna alle bisschoppen en priesters en ongeveer 15.000 gelovigen, wijdde de patriarch het gebouw in.
Het kloostercomplex dient nu als nieuw centrum voor de Syrisch-orthodoxe gemeenschap en omvat ook een begraafplaats. Bovendien heeft het klooster een uitgeverij die al meer dan 100 theologische en culturele boeken heeft uitgegeven. Sinds 1978 wordt een tijdschrift met de naam ‘Kolo Suryoyo’ uitgegeven. In het klooster aan de Glanerbrugstraat 33 in Glane zetelt de aartsbisschop Mgr. Julius Yeshu Çiçek en er woont een aantal monniken en nonnen.

De politieke geschiedenis van Turkije

Het grote Turkse rijk dat op het hoogtepunt van zijn macht van Wenen tot Marokko reikte, ontstond in de 14e eeuw. Overal, ook in Klein - Azië, vormden de Turken een minderheid die zijn macht slechts kon handhaven door de onderworpen volkeren een grote mate van zelfbestuur toe te staan. Na de bloei beleefde dit rijk echter van de 16e tot de 20e eeuw een constant verval.  Enerzijds kwam dit door de invloed van de grote imperialistische landen als Engeland, Frankrijk en Rusland. Anderzijds speelde de vrijheidsstrijd van volkeren als Serven, Hongaren, Bulgaren, Grieken etc. daarin een rol. De onafhankelijkheidsstrijd van de volkeren aan de randen van het rijk versterkte echter het wantrouwen tegen en de onderdrukking van de volkeren binnen het Klein-Aziatische kerngebied van Turkije: de Grieken, Armeniërs, Koerden en Assyriërs. Groeperingen binnen deze volkeren zochten daarom naar steun van buiten om de onafhankelijkheid te verwerven.

In de eerste wereldoorlog stond Turkije aan de kant van Duitland en Oostenrijk tegenover Engeland, Frankrijk en Rusland. Angst voor de ‘vijfde kolonne’ samen met een fanatiek religieus-nationalistische ideologie dreef de Turkse regering ertoe de minderheden tegen elkaar uit te spelen. Met behulp van Koerdische stamhoofden werd een ‘endlösung’ van het Armeense probleem uitgevoerd. Tussen 1 en 1½ miljoen Armeniërs kwamen om bij moord en deportatie, velen vluchtten. Van de 2 miljoen Armeniërs die in 1914 in Klein-Azië woonden, waren er in 1918 nog 200.000 over. Ook van de Syrisch-orthodoxe christenen werden vele tienduizenden vermoord.

Na de verloren oorlog was Turkije een grote ruïne. Grote gebieden waren in handen van de Engelsen en Fransen gevallen. De Koerden en de overgebleven Armeniërs riepen hun eigen staat uit en de Grieken in Klein-Azië zochten aansluiting bij Griekenland. Op de puinhopen van deze vernederende situatie ontstond een nationalistische volksbeweging onder leiding van Atatürk. Hij streed tegen de feodale verhoudingen binnen het Turkse volk en tegen de buitenlandse mogendheden en binnenlandse minderheden. De Grieken werden verslagen en naar Griekenland gedeporteerd, er werd gebied heroverd op Engeland en Frankrijk. De Armeense en Koerdische staten werden vernietigd.

Sinds die tijd staan de minderheden onder een sterke druk om te ‘verturksen’. Die druk bereikte omstreeks 1980 onder de militaire junta een nieuw hoogtepunt.

De christelijke minderheden (Assyriërs en Armeniërs) lijden op dat moment onder een driedubbele onderdrukking: van de kant van de overheid omdat ze weigeren te ‘verturksen’, van de zijde van de plattelandsbevolking omdat ze geen moslims zijn en van de zijde van de Grijze Wolven omdat ze geen ras-Turken zijn. Tussen ‘Turkije voor de Turken’, ‘Turkije voor de Islamieten’ en ‘Koerdistan voor de Koerden’ worden de kleine christelijke minderheden vermalen. De gevolgen zijn moord, roof, ontvoering en afpersing. Als de overheid al ingrijpt is het niet ten gunste van hen. Velen verliezen door de vervolging familieleden, anderen ondervinden het aan den lijve of vluchten door wat er om hen heen met volks- resp. geloofsgenoten gebeurt.

Hoe ingeburgerd de Syrisch-Orthodoxen nu ook mogen zijn, gemakkelijk is dat niet gegaan. Het is nu net twintig jaar later nauwelijks voorstelbaar dat deze Christen-Turken eind zeventiger- en begin tachtiger jaren van de vorige eeuw een zware strijd hebben moeten leveren om hier toegelaten te worden. Het verzet van de toenmalige staatssecretaris van Justitie mevrouw Haars, bezorgde haar een slechte reputatie met name in kerkelijk Nederland. Zij weigerde verblijfsvergunningen te verlenen aan vele van de godsdienstige asielzoekers uit Zuid-Oost Turkije. Massaal doken de vluchtelingen, die met uitzetting werden bedreigd, onder. Daarbij fungeerden, vaak onder begeleiding van de Vereniging voor Vluchtelingenwerk, vooral plaatselijke kerken als toevluchtsoord.

Christen-Turken in Losser

Deze naam is in Losser bekend sedert in het voorjaar van 1981 aan een groep Christen-Turken ‘kerkasiel’ werd geboden door onderdak te verlenen in het Aleida Leurinkhuis naast de hervormde kerk aan het Raadhuisplein.

Eén van de gasten vertelde in april 1981 zijn verhaal aan Dagblad Tubantia. Die krant deed er als volgt verslag van.

“ De man was 27 jaar en kwam op 24 juli 1980 naar Nederland. Zijn vrouw en drie kinderen zijn bij hem. Het derde kind is in Nederland geboren. Zijn vrouw was hoogzwanger toen het gezin Turkije verliet.

‘De laatste jaren hebben we het in ons land erg moeilijk gehad. We woonden in Oost-Turkije waar we een kleine boerderij hadden. De Mohammedanen en Koerden dwongen ons de laatste jaren een deel van onze wintervoorraden af te staan. We zijn gevlucht toen in juni van het vorig jaar een groep Mohammedanen me de hele oogst en veestapel af wilde nemen. Ik heb me verzet, waarna ze me geslagen en met een mes in de buik gestoken hebben.
Na de aanval ben ik gevonden door een oom, die me naar een familielid in een ander dorp gebracht heeft. Daar ben ik gebleven. Mijn vrouw en kinderen zijn me ongeveer een maand later achterna gekomen. De boerderij ben ik kwijt. Alles hebben ze ons afgenomen of hebben we in Turkije achtergelaten. Het land, de oogst, de geiten, de schapen en onze koeien.
We zijn naar Nederland gevlucht omdat ons geen andere keus bleef. Om aan die onderdrukking te ontkomen konden we alleen nog maar vluchten. We dachten dat de christenen in Europa ons zouden helpen. En in Twente woont een oom van me. Vandaar dat we nadat we in Brussel waren aangekomen, daar naartoe zijn gegaan. In Nederland bestaat toch vrijheid? In Turkije konden we beslist niet langer blijven.
Mijn oom heeft ons in zijn huis opgenomen. Een paar dagen later heb ik me gemeld bij de Vreemdelingendienst. Tot nu toe heb ik geen bericht gehad of ik mag blijven, maar we zijn erg bang dat we ’s morgens ineens van ons bed gelicht worden en naar Turkije terug moeten. In dat geval zou ik me er trouwens tegen verzetten, ik laat me niet zomaar terugsturen.
We zijn daarom op Tweede Paasdag naar Losser gegaan, want hier in de kerk voelen we ons een stuk veiliger. We wachten nu maar af wat er gebeurt, maar ik zou graag in Nederland blijven. En als we hier niet kunnen blijven dan zou ik naar een ander land willen, als het maar niet Turkije is.’

Uit het relaas van de man spreekt duidelijk de angst voor de Nederlandse autoriteiten. Dat was overigens ook de reden voor de NH kerk van Losser om de deur voor de Syrisch-Orthodoxe christenen open te zetten. In het Aleida Leurinkhuis loopt alles op rolletjes. Vrijwel continu is iemand van de begeleidingsgroep aanwezig.

De kinderen zijn dinsdag voor het eerst buiten geweest. Gisteren zijn de ouderen voor een wandelingetje door het dorp meegenomen. Dat gebeurde overigens nadat men zich ervan overtuigd had dat de Losserse politie niet in zou grijpen. Er wordt over die zaken met het rijkspolitiekorps overlegd. De politie is ook al binnen geweest.
De verzorging van de zestien, waaronder een tiental kinderen, wordt door de vrijwilligers geregeld. In het Aleida Leurinkhuis zijn matrassen, luchtbedden en dekens opgeslagen. Zowel de voor- als de achterkamer van het historische pand worden als slaapkamer gebruikt. In de keuken worden de gemeenschappelijke maaltijden bereid.

De Christen-Turkse vluchtelingen houden zich opmerkelijk kalm onder de grote spanning over wat er met hen te gebeuren staat.”

Overigens ging het in Losser in eerste instantie om de familie Bel aan wie een verblijfsvergunning was geweigerd. Het gezin bestond uit vader, moeder en hun vijf kinderen. Ze waren in 1980 gevlucht uit Odabasi in Zuid-Oost Turkije. Sinds de komst in Nederland woonde de familie in Hengelo en daarna in een pension in Lonneker. Daar werden ze op 6 april 1981 door de politie van Enschede van hun bed gelicht. De aanhouding leidde tot zulke emotionele toestanden dat de politie besloot zich terug te trekken en nadere instructie van het Ministerie van Justitie af te wachten.

Als reactie op deze gebeurtenis ontstond in Losser rondom dominee L. de Ru, toenmalig predikant van de Hervormde gemeente Losser, een groepje mensen - hervormden en katholieken - dat zich het lot van de vluchtelingen aantrok. Met instemming van de kerkenraad en met de hulp van een grote groep vrijwilligers, werden in het Aleida Leurinkhuis, gelegen naast de hervormde kerk, uiteindelijk 16 asielzoekers ondergebracht.


Paasmaaltijd Christen-Turken in het Aleida Leurinkhuis in april 1981.
(Foto collectie HKL/Fotoarchief Dagblad Tubantia).

In Rijssen gebeurde iets dergelijks. In de gereformeerde kerk werd daar onderdak geboden aan 37 Christen-Turken. Naderhand werd dit voorbeeld uit Twente  gevolgd door kerken in andere delen van ons land.

Het belangrijkste doel van deze acties was te voorkomen dat na afwijzing van een verblijfsvergunning deze mensen onmiddellijk opgepakt en het land uitgezet zouden worden. Het Ministerie van Justitie beschouwde de hele groep Syrisch-Orthodoxe asielzoekers als potentiële onderduikers: “De praktijk bewijst dat deze mensen geen redelijke termijn kan worden gegeven om het land te verlaten. Ze gebruiken die tijd om onder te duiken. Voor deze groep geldt daarom dat als een asielaanvraag is afgewezen, meteen tot aanhouding moet worden overgegaan”.  Zelfs mocht men de uitslag van een nog lopende beroepsprocedure bij de Raad van State niet afwachten. Daarmee werd hen ook de mogelijkheid ontnomen om een ander land te zoeken.

Eerder kregen asielzoekers drie weken de tijd om de uitzetting voor te bereiden. De politieactie in Enschede, waarbij onder andere de familie Bel zou worden opgepakt om hen over te brengen naar de Bijlmerbajes, veroorzaakte een paniekreactie onder de Christen-Turken in het land en deed velen van hen onderduiken.

De hulpactie in het Aleida Leurinkhuis werd in Losser ‘breed gedragen’. Dat blijkt ondermeer uit een brief van 24 april 1981 aan mevrouw Haars, de staatssecretaris van Justitie. In de brief wordt gepleit voor een verbetering van de procedures en een uitbreiding van de beroepsmogelijkheden. De brief is ondertekend door de voorzitters van alle plaatselijke afdelingen van de politieke partijen, van CPN tot VVD.

De acties in Losser en vele andere plaatsen werden een groot succes. Uiteindelijk werd bereikt dat op het Ministerie van Justitie een mentaliteitsverandering tot stand kwam. Dit had, volgens het verslag van een buitengewone vergadering van de kerkenraad  op 6 juli 1981, tot gevolg dat geen uitwijzingen naar Turkije meer zouden plaats vinden. Wel zou in een aantal gevallen emigratie naar andere landen mogelijk zijn. De Raad van kerken was bezig daar een plan voor te maken. De conclusie van de vergadering was ‘dat vanaf  9 juli bescherming van onze gasten niet meer nodig is’. Daarmee kwam op die datum een eind aan drie maanden kerkasiel in Losser.


Kerkdienst in de Hervormde kerk in Losser t.g.v. afsluiting Actie Christen-Turken in juli 1981.
(Foto collectie HKL/Fotoarchief Dagblad Tubantia).

Verantwoording

Bij het schrijven van dit artikel maakte ik gebruik van de fraaie folder van de Syrisch-orthodoxe gemeenschap die de bezoekers aan de rondleiding op 15 april meekregen.
Verder nam ik een grote stapel krantenknipsels uit het archief van de hervormde gemeente Losser door. Niet altijd waren de herkomst en de datum  van deze documenten even duidelijk. Deze laatste opmerking is niet van toepassing op een artikel uit CDActueel van 16 mei 1981 dat diende als basis voor de paragraaf over de politieke geschiedenis van Turkije.
Ook ontleende ik waardevolle informatie aan ‘De Syrisch Orthodoxe Gemeenschap’ door Fikri Sümer. Dit boek is in 1982 uitgegeven maar nog steeds verkrijgbaar in het klooster in Glane. Belangwekkend is ook een interview met aartsbisschop Çiçek in De Kerk in Kaart (Frans de Lugt, 1997).

Over den formeelen klompennood in Berghuizen.

Door Frans Jacobs

Losser was vanouds een gemeente waar veel klompenmakers hun beroep uitoefenden. Als in februari 1920 de gemeente een verzoek ontvangt van het Centraal Bureau voor de Statistiek om een opgave te doen van het aantal klompenmakers in deze gemeente in 1919, stuurt men een lijst van 31 namen terug. Hoeveel er daarvan zelfstandige klompenmakers waren is niet duidelijk. Ook niet of ze het als hoofd- of nevenberoep hadden. Wel weten we dat het in de vorige eeuw vaak voorkwam dat de klompenmaker met zijn gereedschap van boerderij naar boerderij trok om klompen op maat te maken voor het boerengezin. De klompenmaker ontving naast zijn loon, kost en inwoning en hij sliep in het hooi voor de tijd dat hij op de boerderij  verbleef. De boer moest zorgen voor het hout, bij voorkeur een populier of wilgenboom. Per dag kon een ervaren klompenmaker zo’n zes paar klompen maken. (1)

Het C.B.S gebruikt de lijst om in Juni 1920 een enquête te houden. Alhoewel de vragen op het enquêteformulier eenvoudig zijn en van een korte toelichting voorzien, vraagt het C.B.S de burgemeester om ondersteuning “aangezien de mogelijkheid bestaat dat weinig-ontwikkelde lieden met de behoorlijke invulling daarvan eenige moeilijkheid zullen ondervinden”. Burgemeester van Helvoort besluit dat deze weinig-ontwikkelden zich tot de gemeentepolitie kunnen wenden.
Gevraagd wordt hoeveel paar klompen en klompschoenen men in 1919 heeft geproduceerd, hoeveel guldens die hebben opgebracht. Hoeveel kubieke meter populieren, wilgen, iepen of ander hout men daarvoor heeft gebruikt, hoeveel kilogram leer voor de klompschoenen en hoeveel lederen klompriemen, etc. Zijn er verfstoffen gebruikt? Hoeveel verpakkingsmiddelen en touw? Tenslotte wordt gevraagd of men uitsluitend met de hand of ook met een krachtwerktuig heeft gewerkt. De uitkomsten van deze enquête kennen we helaas niet.

Enige jaren later, op 15 november 1927 , bereikt Losser een brief van het Ministerie van Arbeid, Handel en Nijverheid. Daarin schrijft minister Slotemaker de Bruijne dat de klompenindustrie in ernstige moeilijkheden verkeert: Enerzijds is er een grote buitenlandse import tegen lage prijzen, anderzijds wordt veel populierenhout (ook van nog niet volwassen bomen) geëxporteerd. Een en ander zou kunnen leiden tot een gebrek aan de benodigde grondstof voor de vaderlandse klompenindustrie.
Het ministerie wil daarom een aantal gemeenten waar populieren in belangrijke mate voorkomen, vragen om een boomtelling te houden.
Burgemeester van Helvoort  stuurt  de vier gemeenteveldwachters, Ten Bos, Gerard, Ter Laak en Schurink op pad.


Het politiekorps van Losser in 1927: v.l.n.r. Ter Laak, Ten Bos, Schurink en Gerard met in hun midden burgemeester en hoofd van de politie Van Helvoort. (Foto collectie HKL).

Na deze ‘politieactie’ verstrekt de gemeente het ministerie de volgende gegevens:
Populieren: 7718
Waarvan op borsthoogte een omvang van 1.10 m: 1989
Aangeplant in de laatste 5 jaar: 2786
Er worden de laatste jaren niet meer bomen geveld dan voorheen, maar vanuit Berghuizen, de Lutte en Beuningen verdwijnt veel van het (zware) populierenhout naar Duitsland.

Vele jaren gaan voorbij maar in juni 1941 verzoekt de secretaris-generaal van het ministerie van Binnenlandsche Zaken de gemeente om wederom een opgaaf te doen van alle zelfstandige klompenmakers in Losser. Het aantal van 31 uit 1919 blijkt door de crisis behoorlijk gereduceerd: Er zijn er nog slechts 6 over. (G.J.Koop en W.L.Huttenhuis in Zuid Lutte, G.J.Snippert en H.Kuiphuis in de Marke en J.L.Koop en B.J.Engelbertink in Zuid Berghuizen.)

Het lijkt erop dat het, zoals met zoveel bedrijvigheid tijdens de Tweede Wereldoorlog, niet erg goed gaat met de klompenindustrie. Vanaf  februari 1943 krijgt de burgemeester van Losser een ware stroom brieven van burgers die problemen hebben met de aanschaf van klompen. Vooral in de wijk Berghuizen rijzen problemen: De klompenmakers daar leveren aan winkeliers in Oldenzaal, maar die op hun beurt verkopen alleen aan inwoners van Oldenzaal en niet aan die uit de gemeente Losser! Een enkele maal sommeert de burgemeester (“Ik draag U op …”) een winkelier om klompen te verstrekken maar veel kan van Helvoort niet uitrichten omdat klompen niet onder de distributie vallen.

Op 7 mei 1943 ontvangt de gemeente een brief van het Economisch Technologisch Instituut Overijssel dat een Nederlandsch octrooi (no.51640) bezit waarmee “versleten klompen waterdicht verzoold kunnen worden zodat practisch een nieuwe klomp verkregen wordt. Van verschillende zijden vernamen wij dat ten plattelande een zoodanig gebrek aan klompen heerscht, dat  van een formeelen klompennood gesproken kan worden. Zelfs kwam ons ter oore dat schoolkinderen niet meer naar school gaan wegens het ontbreken van klompen”.

Het instituut vraagt of de gemeente winkeliers (liefst één per woonkern) wil aanwijzen als agent (verzamelen, opsturen en distribueren).De burgemeester reageert onmiddellijk en kan op 18 mei de namen van 5 winkeliers, één in elke woonkern, doorgeven. Misschien dat deze reparaties enig soelaas boden maar in Berghuizen is zeker nog niet alle leed geleden.

K L 0 M P E N R E P A R A T I E.

VOORSCHRIFTEN VOOR DEN WINKELIER.

1. Elk in te leveren paar klompen moet voorzien zijn van een licentie-bewijs. Deze genummerde licentiebewijzen worden den winkelier verstrekt voor 6 cent per stuk. Elk bewijs bestaat uit twee helften met gelijk nummer. Op elke helft wordt duidelijk de naam van den winkelier geschreven. Vervolgens worden deze helften op de neuzen van de beide klompen stevig vastgeplakt. De winkelier legt een register aan van.de eigenaren der klompen, waarbij naar de nummers verwezen wordt. Op deze manier kan geen enkele klomp zoek raken.

2. De prijs van het bezolen bedraagt voor den klant f. 1.40 per paar. Hieronder is het licentierecht en de vergoeding van f. 0.20 per paar voor den winkelier begrepen. Wanneer de klomp aan den voorkant of den achterkant afgesleten is, worden houten kielen aangebracht.
Per paar kielen wordt f. 0.10 in rekening gebracht. De prijs wordt dus nooit hooger dan f. 1.60 per paar.

3- De klompen moeten paarsgewijze aan elkaar gebonden worden ingeleverd

4. De klompen moeten schoon zijn. Wanneer de klompen reeds met leder. of anderszins bezoold zijn geweest moeten de spijkers uit de zool zijn verwijderd.

5. Het beste leenen zich voor de reparatie klompen, die nog niet door-gesleten zijn. In sommige gevallen kunnen ook klompen waar een gat in geloopen is worden bezoold. Den klanten moet evenwel worden medegedeeld, dat er kans bestaat,dat deze klompen onbezoold worden teruggezonden. De 6 cent voor licentie moet dan toch door den klant worden betaald, omdat hetzelfde bewijs niet twee keer gebruikt mag worden.

6. Licentiebewijzen kunnen worden aangevraagd bij de onder 7 genoemde timmerfabriek.

7. De klompen moeten worden verstuurd naar de firma Eshuis en ter Horst,  Vriezenveenscheweg 158 Almelo . De bodekosten naar de fabriek zijn voor rekening van den winkelier. De terugzendkosten worden
door deze fabriek betaald. De klompen worden onder rembours teruggezonden.

8. Door den winkelier kan voor eigen rekening worden geadverteerd. In advertenties of bij andere reclame gelieve men te vermelden:
"Afgesleten klompen kunnen opnieuw van een waterdichte houten zool worden voorzien. Lever Uw oude schoongemaakte klompen in bij . . . . . . . . . “

E.T.I.O. ZWOLLE.

Klompenmakers mogen niet meer direct aan de klant leveren. Als J.L. Koop in de “fout” gaat (hij ventte meer dan 70% van zijn klompen huis aan huis) wordt hij als officiële klompenmaker geschrapt. De schrapping wordt 17 mei 1943 gelukkig ongedaan gemaakt maar de directeur van het Rijksbureau voor Leder en Huiden verwacht wèl dat Koop zich in het vervolg stipt aan de voorschriften zal houden!


Een kijkje (ca. 1950) in de klompenmakerij van Koop aan de Lossersestraat 70 in De Lutte.
(Met dank aan de Historische Vereniging “De Dree Marken” die de foto ter beschikking stelde).

Gevolg is dat Koop zijn klanten nu naar winkelier Veldhuis (“bij Oldenzaal”dus in Berghuizen) stuurt maar die weigert klompen te verkopen aan “menschen die ik nog niet eens ken”. De 60 paar klompen per 2 maanden zijn alleen voor zijn vaste klanten. Als Burgemeester het anders wil dan moet hij maar zorgen voor 150 paar per maand ! (“liefst jongensklompen”). In oktober 1943 doet de burgemeester inderdaad verzoeken om meer klompen aan de winkeliers in Berghuizen ter beschikking te stellen maar zijn verzoek wordt afgewezen.

Een enkele keer intervenieert van Helvoort zoals t.b.v. de geëvacueerde M. Lahnstein, die nu al lijdt aan suikerziekte, aan de maag en last heeft van koude voeten. Zijn schoenen zijn verteerd door het lopen op de boerderij waar het verschrikkelijk nat is en veel drek, bagger en modder. Als er geen klompen komen “hept ik nog kans als dat ik hier nog remathiekig wordt”. En dat wil de burgemeester niet en hij draagt winkelier Oude Weghuis op om Lahnstein klompen te verstrekken.

De situatie wordt steeds nijpender, de twee winkeliers Veldhuis en Oude Weghuis lijken het zwarte schaap te zijn en brieven over hun onheuse behandeling van Berghuizenaren blijven de burgemeester bereiken.

Op 2 februari 1944 richt de burgemeester zich nogmaals tot het Rijksbureau Leder en Huiden, afd. Schoenen, sectie Klompen.

Na een uiteenzetting van de geografische situatie ( Berghuizen, met 4000 inwoners ligt als een schil om de stad Oldenzaal maar behoort tot de gemeente Losser) verzoekt de burgemeester “hetzij aan Koop, hetzij aan de 2 winkeliers Veldhuis en Oude Weghuis een kwantum klompen toe te wijzen wijl de toestand alhier inderdaad onhoudbaar is geworden. Hoe Berghuizen bij de winkeliers van Oldenzaal wordt uitgesloten moge bijgaande advertentie U laten zien, geknipt uit het Twentsch Nieuwsblad van 29 jan.jl”

De afdeling Schoenen, sectie Klompen antwoordt echter drie weken later het niet eens te zijn met de argumenten van de burgemeester en wil niet aan zijn verzoek voldoen. Wel is men bereid, om indien de nieuwe houttoewijzing van kracht wordt, Koop toe te staan alsnog een bepaalde hoeveelheid klompen aan particulieren af te leveren. T.z.t. zal men de gemeente in kennis stellen. Van Helvoort laat het er echter niet bij zitten en schrijft daags daarop :
Naar aanleiding van uw nevenvermeld schrijven, waarbij U mededeelt, dat door u niet kan worden onderschreven dat Losser voor den oorlog voor den aankoop van klompen op Oldenzaal was aangewezen, moet ik geheel afgescheiden van de vraag of meer klompen aan Losser kunnen geleverd worden, toch de opmerking maken, dat dit alleen is te onderschrijven wanneer men met de plaatselijke toestand bekend is, terwijl zulks alsdan niet te ontkennen is.
Mijn opmerking gold niet de gemeente Losser maar de buurtschap Berghuizen, dat 8 à 10 km. van dorp Losser verwijderd is en waarvan de bewoners vrijwel geheel op den winkelstand van Oldenzaal waren aangewezen. Het is een gesloten ring om de stad Oldenzaal, waar slechts een paar onbeduidende winkeltjes zijn gevestigd en die verder, behalve van het boerenvlek de Lutte op afstand van 5 km. , 10 tot 15 km van andere bebouwde oorden verwijderd ligt”

 Het antwoord van de sectie Klompen op 9 maart 1944 wordt er niet anders van.

19 Augustus 1944 komt er dan eindelijk wat verlichting: Het Rijksbureau geeft de burgemeester toestemming om in zeer dringende gevallen een beperkt aantal bomen welke eigendom zijn van de gemeente te kappen. Wel eerst even een kapvergunning aanvragen bij de directeur Staatsboschbeheer in Utrecht op de daarvoor bestemde formulieren en na ontvangst van de kapvergunning eerst contact opnemen met het Rijksbureau voor Leder en Huiden!!!!!
De gemeente maakt hier dankbaar gebruik van en op 20 november 1944 kunnen 8 winkeliers een extra portie klompen bij wethouder de Noo in ontvangst komen nemen.
Als in december 1944 de Enschedese timmerfabriek “Twente” een aanbod doet om klompen te maken van door de gemeente te leveren hout (220 paar uit 1 kubieke meter hout) reageert de gemeente daar niet op : kennelijk kunnen de Losserse klompenmakers het zelf wel af.(2)

Huishouden in oorlogstijd

Door Thea Evers

Over de Tweede wereldoorlog zijn bibliotheken vol boeken geschreven. Hoe het in Losser was is onder de intrigerende titel "In Losser is niets gebeurd ..." bijzonder aardig in beeld gebracht door Johan Luizink. Een boek van bijna 300 pagina's met veel foto’s dat in 1995 is uitgegeven door de Historische Kring Losser. Het boek is nog altijd verkrijgbaar bij de penningmeester en bij de plaatselijke boekhandel (voor slechts 12 euro! Het lijkt wel een voor-oorlogse prijs).

Hoe de Duitse bezetting door de gevolgen van de goederen- en levensmiddelendistributie - ook voor andere zaken dan klompen - ingreep in het dagelijks leven van de huisvrouw, blijkt uit een klein geschriftje:

VOORSCHRIFTEN EN RECEPTEN VOOR DE KEUKEN IN OORLOGSTIJD

Wat elke Huisvrouw in tijd van oorlog en distributie moet weten
Hoe bespaar ik op Koffie, Thee, Suiker, Boter en Gas ?”

Het was indertijd te koop voor de prijs van 16 cent.

Hoe verdubbelde de huisvrouw het boterrantsoen, hoe gebruik je een hooikist, welke pannen en welke spijzen zijn daarvoor geschikt en hoe bezuinig ik nog meer op gas. Allemaal vragen uit het toenmalige dagelijkse leven. Nu is er een vrekkenbeweging die met dit geschriftje zijn voordeel kan doen, maar toen was het voor een gezin bittere noodzaak.

Wij willen u een voorbeeld geven over het maken van koffie-extract. Koffie, nu een dagelijkse drank, waarbij het al lang niet meer blijft bij één of twee kopjes.
Toen ging het als volgt en men had de keus uit met en zonder suiker:

Wij maken zelf koffie-extract

2,5 ons basterdsuiker of gewone witte suiker; 1 ons gemalen koffie; 1,5 liter kokend water.

Men brandt de suiker zonder water tot ze geheel zwart ziet, voeg de koffie toe en laat alles, steeds roerende, nog eens branden; dan voegt men er langzaam het kokende water bij (vooral langzaam omdat het bruist) en roert dit terwijl het flink moet koken nog tien minuten, dan zeeft men het vocht door een netelsdoeklap en een trechter in een goed gesloten, liefst beugelfles en het extract is voor gebruik gereed.
Men doet een eetlepel extract in een kopje waarbij de normale hoeveelheid suiker gevoegd wordt. De melk kan zeer goed nog verdund worden met water hetgeen proefondervindelijk bewezen is. Het verdient aanbeveling om dan met de verdunde melk een mespuntje zout mee te koken. Hierdoor verkrijgt U een overheerlijke smaak aan Uw koffie.

Met dank aan Ans Gras voor het beschikbaar stellen van het boekje.