Oet Dorp en Marke 2002 - 3

Inhoudsopgave

Van het bestuur
 . H. Maria Geboorteparochie Losser 1902 - 2002
Losser aan de Dinkel
(door W.H. Dingeldein)
(ingeleid en toegelicht door Thea Evers)
Uitgaven van de Historische Kring Losser


‘H. Maria Geboorteparochie Losser 1902 – 2002’. Het door Herman Bourgonje (onze secretaris) geschreven  en door de Historische Kring Losser uitgegeven boek dat op 29 augustus 2002 werd gepresenteerd.

Van het bestuur

H. Maria Geboorteparochie Losser 1902 - 2002

Het is een goede gewoonte om een jarige te feliciteren en een cadeautje mee te brengen. En dat geldt zeker voor een 100-jarige, die wordt extra in de bloemetjes gezet en krijgt de nodige publiciteit.

Als bestuur van de Historische Kring Losser willen wij dan ook graag onze gelukwensen overbrengen aan de H. Maria Geboorteparochie, die op 2 juni j.l. honderd jaar bestond en dit jubileum in de eerste week van september uitgebreid vierde.

Wij zijn verheugd als ‘cadeau’ voor de parochie een boek over haar geschiedenis te hebben kunnen uitgeven en zo parochianen en niet-parochianen een blik te geven op het ‘Rijke Roomse leven in Losser’ (zoals de Nieuwe Dinkellander zo plastisch ‘kopte’) van de afgelopen eeuw.

Het idee voor deze uitgave kwam eigenlijk van pastor Jacobs toen die in 1998 bij het verschijnen van ‘400 jaar Hervormden in Losser’ aan ons vroeg: “Jullie geven toch ook wel zo’n boek uit als onze kerk in 2002 honderd jaar bestaat?”

Een goede vraag, maar wie van ons moest het doen, wie zou dat het beste kunnen en wie had met dit onderwerp de meeste affiniteit? Al heel snel keken we allemaal naar de zelfde persoon: onze secretaris Herman Bourgonje, die al bijna heel zijn leven deel uitmaakt van de parochie. Hij voelde zich aangesproken, vond het een mooie uitdaging en zei “Ja, ik probeer het”.

En zo konden wij op 29 augustus 2002 in het parochiecentrum van de H. Maria Geboortekerk, in aanwezigheid van vele gasten - van Historische Kring én van het parochiebestuur - een prachtig boek presenteren, waar wij erg trots op zijn. Het eerste exemplaar werd aangeboden aan (de huidige) pastor Reerink en aan (de vorige) pastor Jacobs.

Jawel, mijnheer, ik noem mij katholiek,

En twintig eeuwen kunnen ’t woord verklaren …

De fierheid en de trots die in deze dichtregels (van Anton van Duinkerken) tot uiting komen, spreken ook uit dit boek. Ook echter weemoed over wat voorbij is en verloren is gegaan. Tegelijkertijd blijkt echter veel relativeringsvermogen en begrip voor het feit dat tijden nu eenmaal veranderen en dat niet alles altijd zo kan blijven. Milde spot en veel  humor zijn door de tekst verweven.

Maar bovenal is het boek geschreven met liefde, veel liefde voor het rooms-katholieke geloof en voor de H. Maria Geboorteparochie in het bijzonder.

Het is ook een universeel boek in die zin, dat iedereen die in de beschreven periode is opgegroeid binnen een rooms-katholieke gemeenschap, er zeer veel herkenbaars in zal vinden. En het is natuurlijk ook gewoon een (belangrijk) stuk dorpsgeschiedenis met aandacht voor de scholen en instituten, die van de parochie zijn uitgegaan. Losser was en is ook nu nog, grotendeels katholiek en tot iets meer dan 35 jaar geleden was de H. Maria Geboorteparochie de enige parochie van Losser. Veel Lossernaren hebben in deze parochie geleefd en hebben daar dus herinneringen aan en zij zullen in dit boek heel veel herkennen.

Het is een boekwerk geworden van 228 pagina’s, waarin ruim 200 foto’s zijn opgenomen, waarvan 16 in kleur en dat hebben we als Historische Kring nog niet eerder gepresteerd.

Bijzonder aan het boek is ook de beschrijving van de vele kunstschatten in de kerk.

Als Historische Kring Losser zijn we veel dank verschuldigd aan de schrijver, onze secretaris Herman Bourgonje.

Het bestuur

Losser aan de Dinkel (door W.H. Dingeldein)

In het tijdschrift "De wandelaar in weer en wind"; jrg.20, 1952, kwam ik een artikel tegen dat direct mijn belangstelling wekte. Een artikel over Losser en dan ook nog van de hand van een bekende streekhistoricus, dat maakt natuurlijk nieuwsgierig. En het was het lezen meer dan waard, oordeelt u straks zelf maar.

De auteur van het artikel is Willem Hendrik Dingeldein. Hij werd geboren in Denekamp op 18 augustus 1894 en stierf op 8 januari 1953. Dingeldein was een Denekamper in hart en ziel, maar tevens "een groot kenner van Twente, zoals er maar weinigen geweest zijn", aldus L.A. Stroink in "Stad en land van Twente".

Hij groeide op in een boerengezin waar meerdere generaties onder één dak woonden en het was daar blijkbaar vanzelfsprekend dat hij ging "doorleren". In die tijd kwam dat in dit soort milieus toch niet zo vaak voor. Er waren voldoende "handen" voor het boerenwerk en Willem Hendrik kon zich geheel wijden aan zijn studie.

Hij studeerde voor onderwijzer in Oldenzaal en behaalde zijn akte van bekwaamheid als Hoofdonderwijzer in 1917, waarna hij werd benoemd tot onderwijzer aan de school in Noord-Deurningen, in die tijd, zoals alle scholen, nog een openbare school. In 1923, na de scheiding tussen openbaar en bijzonder onderwijs, volgde zijn benoeming tot hoofd van diezelfde openbare lagere school, in Denekamp ook de "jödd'n-school" genoemd, omdat de joodse kinderen daar traditioneel naar het openbaar onderwijs gingen. Curieus is dat in hetzelfde gebouw aan de achterkant het christelijk onderwijs werd gehuisvest. En Dingeldein was zeer betrokken bij de hervormde gemeente; hij was gedurende vele jaren zelfs kerkvoogd.

"Meester" Dingeldein was  wel de enige leerkracht, voor gemiddeld 20 à 25 kinderen. Maar met name in de beginjaren had hij beduidend meer leerlingen op zijn school, verdeeld over zes klassen. Assistentie kreeg hij pas in latere jaren en wel door een leerkracht die hij zelf betaalde!

Aan zijn onderwijsloopbaan kwam op uiterst triest wijze een einde, toen de joodse gezinnen werden weggevoerd waardoor hij nog slechts zeven leerlingen over had en zijn schooltje dus "practisch heeft opgehouden te bestaan", zoals hij in 1943, zelf schrijft aan de burgemeester. Dat het lot van de joodse kinderen hem zeer veel verdriet heeft gedaan blijkt uit zijn oorlogsdagboek. Zelf werd hij in de nacht van 1 op 2 mei 1943 als gijzelaar gevangen gezet in het kamp Vught, samen met een aantal willekeurige burgers uit de regio, maar hij werd op medische gronden vroegtijdig vrijgelaten.

Uit al zijn geschriften blijkt een grote liefde voor de natuur en voor de geschiedenis, een combinatie, die ook in dit artikel duidelijk tot uiting komt. Zoals de titel van het tijdschrift al aangeeft werd het geschreven voor de toeristische wandelaar, die Losser en omgeving wilde gaan verkennen. Die toerist werd, middels dit artikel uitgebreid geïnformeerd over de natuur en over de geschiedenis, toen blijkbaar een heel normale combinatie. Ook in de tegenwoordige tijd verschijnen er weer hele aardige gidsen, die deze gegevens goed combineren. Een mooi voorbeeld komt uit diezelfde gemeente Denekamp, nu Dinkelland geheten, die met de gids "Heeren en Boeren", op fraaie wijze een fietstocht onder de aandacht brengt.

W.H. Dingeldein heeft diverse publicaties op zijn naam staan. Samen met professor Döhmann publiceerde hij in 1934 een uitgebreid standaardwerk over Singraven. Ook van het Los hoes Groot Bavel uit de Lutte, dat in 1936 in de tuin van het Rijksmuseum Twente werd herbouwd, heeft hij de geschiedenis te boek gesteld.

Een volledige opgave van zijn geschriften is te vinden in het boek "Uit het leven van W.H. Dingeldein", een uitgave van de Stichting Heemkunde Denekamp, gepubliceerd in 1988.

In de laatste jaren van zijn leven was Dingeldein  regent en secretaris van de Stichting Edwina van Heek, genoemd naar de vrouw van Jan Bernhard van Heek (1863-1923), wiens schilderijenverzameling de basis vormde voor het Rijksmuseum Twente. De stichting bestaat nog steeds en beheert onder meer het voormalige woonhuis van het echtpaar, de prachtige villa Zonnebeek in het buitengebied van Enschede.

W.H. Dingeldein verzorgde in die jaren ook de  bibliotheek en het archief van de Oudheidkamer Twente.

Voor wie meer wil weten over W.H. Dingeldein verwijs ik naar het reeds eerder genoemde boek van de Stichting Heemkunde Denekamp, die in 1979 ook een bloemlezing uit zijn werk op de markt heeft gebracht.

Boeken van Dingeldein zelf kunt u af en toe nog tegenkomen in antiquariaten. Een overzicht is ook te vinden op Internet: www. Antiqbook.com

Het tijdschrift "De wandelaar in weer en wind", waarin het volgende artikel werd gepubliceerd, was ontstaan in 1950 door het samengaan van twee gelijksoortige tijdschriften getiteld: "De wandelaar" en "In weer en wind", dus de nieuwe titel was snel gevonden. Het blad bestaat inmiddels niet meer.

Het artikel over Losser maakt in een uitgebreidere versie onderdeel uit van Dingeldein's  boek "Het land van de Dinkel". Daar is het hoofdstuk getiteld: "Losser en zijn zandsteen".

Thea Evers

Losser aan de Dinkel

Onbekend maakt dikwijls onbemind. Dat mag ook van Losser en zijn omgeving gezegd worden. De streek van Losser geniet bij de Twentenaren en Buitentwentsen geenszins de bekendheid als het hieraan grenzende gebied van de Lutte. Sommigen in den lande kennen nauwelijks de naam en zullen vragen: Losser? Waar ligt dat toch?

Dat is eenvoudig te zeggen: het is een Dinkeldorp geheel in 't Oosten van Twente, dicht aan de Duitse grens, 8 kilometer ten Noordoosten van Enschede gelegen en even ver ten Zuidoosten van Oldenzaal. In een verloren uithoek van de wereld ligt het dus nauwelijks. En toch verheugt het zich niet in de goede reputatie als bijvoorbeeld dat andere dorp aan de Dinkel, dat Denekamp heet. Reeds een kleine vijftig jaar geleden begon de belangstelling voor dat laatste plaatsje met zijn rijk geschakeerde omgeving te ontwaken en te groeien en men weet, dat het vooral Bernink(1) met zijn eerste museumpje was, die duizenden wist te trekken.

Losser mist een dergelijk punt van attractie en geen V.V.V.(2) maakte er reclame voor. Dit is nu anders geworden. Een frisse wind is beginnen te blazen en wettigt de hoop op een goede toekomst.

Lang heeft men zich in Twente spottend of enigszins smalend over Losser uitgelaten en de schouders opgehaald over alles wat men in Losser deed of wat er was. Bepaalde zegswijzen weerspiegelen die lichtelijk geamuseerde houding tegenover "Loster"- zo is de naam in het dialect. "Wi doot net as in Loster, zoa 't am besten geet", is er één. "He koomp oet Loster, en he weet van niks" is een ander uit de allerlaatste jaren. En zo zijn er meer, niet bepaald vleiend klinkend in de oren van de Losserse burgerij. De oude toren, die zo moederziel alleen op het marktpleintje staat, was ook een voorwerp van spot en werd als "broodspinde" betiteld.

Maar Losser noch zijn burgerij verdienen die minachting. Er wonen, voor zover ik ze ken, respectabele, arbeidzame en vooruitstrevende mensen, die druk doende zijn hun zo dierbare dorp "omhoog te stoten in de vaart der volkeren."

Het dorp is het bestuurscentrum van een uitgestrekte gemeente van die naam, die begint bij de Westfaalse industriestad Gronau en eindigt een kilometer bezuiden Denekamp. De onvolprezen heuvellandschappen van de Lutte, Berghuizen en Beuningen behoren ertoe; Oldenzaal is als een vis gevangen in het net van de landelijke gemeente Losser en tracht de mazen te verbreken, door naar annexatie van de Losserse buurtschap Berghuizen te streven - hetgeen een goede kans van slagen schijnt te hebben.(3)  Westwaarts stoot Losser aan Lonneker en de Esmarke, onderdelen van Enschede.

Men is bij de vorming der plattelandsgemeenten in en kort na  Napoleons tijd vreemd te werk gegaan naar onze begrippen, omdat men de grenzen der oude richterambten - te vergelijken met de tegenwoordige kantons - gemakshalve tot grondslag nam, toen men op een grote kaart van Overijssel de nieuwe gemeente- of schoutambtsgrenzen trok. Zodoende zijn zowel de dorpen Denekamp als Losser in een uithoek van hun gemeente komen te liggen, en dit betekent in vele opzichten - denk slechts aan de distributietijd en de burgerlijke stand - groot ongerief.

Hierboven een foto van enkele "respectabele, arbeidzame en vooruitstrevende mensen
die druk doende zijn hun zo dierbare dorp omhoog te stoten in de vaart der volkeren".
(vlnr: B. Lussing, bruidegom G.Kroeze, H. Hoeben en G. Elsjan tijdens de Twentse week van 1950)


Ten Zuiden van het dorp Losser, bij de Glane, komt de Dinkel in Nederland. Maar even stroomopwaarts hebben de Gronause textielfabrieken en het gemeentelijk riool haar op minder frisse wijze bedacht, door er in te lozen, wat ze anders niet kwijt konden. Dus: de Dinkel is vervuild. Hier geen helder water, dat over de goudbruine rimpeltjes van het rivierbed kabbelt, maar troebel nat, dat allerlei twijfelachtige en ook vergiftigde stoffen bevat, afkomstig van de fabrieken, en onfris riekt. De midden-Twentse beken lijden aan een zelfde euvel, maar in nog heviger mate. Alleen kostbare zuiveringsinstallaties zullen zowel hier als ginds verbetering kunnen brengen. Merkwaardig blijft het echter, dat het water al stromend weer schoon wordt en dat onder normale omstandigheden het organische leven zich reeds weer hersteld heeft, voor het Lutterzand bereikt is. Maar er komen van tijd tot tijd ook abnormale omstandigheden voor, en dan kan het gebeuren, dat zelfs voorbij Singraven en het Almelose kanaal (4) de dode vis naar boven komt drijven, buit voor kokmeeuwen, die van uren ver naar het slagveld komen en als het ware ruiken, dat de tafel gedekt is.

Draaiend en kronkelend stroomt de Dinkel Noordwaarts, van de Glane naar Losser. Overal een gelijk beeld: oeverweiden met walheggen en bosjes, hoge roggekampen, die als een reeks eilanden uit de beekafzettingen als resten van het oude, nu versneden laagterras opduiken, en bij ieder kamp een eeuwenoude boerderij in haar geboomte. Dingeman (5) is het eerste erf op Twentse grond, dat de rij opent; Mulderman het tweede. Dit ligt vlak bij de mond van de Glanerbeek, en 't zou weinig verwonderen, als hier niet in de Middeleeuwen of wat later een watermolen heeft gedraaid op de beek.

Deze, en vele andere erven bij Losser waren oudtijds eigendom van de graven van Bentheim; later kwamen ze door erfdeling in handen van de zijtak Bentheim-Tecklenburg-Rheda, die toen ook de heerlijkheid Gronau bezat. Nog staat in Gronau het bescheiden kasteeltje (6), waar de weduwen der graven van Bentheim haar laatste dagen konden slijten en rustig de inkomsten van  de vele goederen in en rondom Losser en Gronau verteren.

De Glanerbeek komt uit het Zuidwesten en ontwatert het grensmoeras het Aamsveen of Amtsvenn, dat voor het grootste gedeelte op Westfaals gebied ligt, maar thans nagenoeg is ontgonnen. Glanerbrug, de grensplaats tussen Enschede en Gronau, ligt aan de beek; het nieuwe klooster Glane (7) volgt dan, en op de Oostoever de schamele resten van het oude, in de  zeventiende eeuw gestichte zusterklooster Maria-vlucht (8), dat bevolkt werd door de zusters, die uit het Catharineklooster te Almelo verdreven waren. Uit dit reeds lang opgeheven en tot op enkele resten na gesloopte klooster te Glane zijn dertien apostelbeelden, werk uit het begin der zestiende eeuw, overgebracht naar de tegenwoordige R.K. kerk van Losser, die aan de Noordrand van het dorp staat.

Geologisch is de bedding van de Glanerbeek merkwaardig, door de ontsluiting in het Oude Krijt 9). Hier snijdt zij mergelbanken van het Weald 10) aan, en kan men de platte Cyrena's (11), de torenvormige Melania's 12) en de geoden - knollen van kalk-ijzercarbonaat - uit het bed oplezen. En ook verderop in de Losserse omgeving is het een en ander uit de Middeleeuwen der aardgeschiedenis te zien.

Van de Westoever der Dinkel leiden van de Gronausestraat, die nagenoeg evenwijdig met de Dinkelvallei loopt, wegen Oostwaarts. Bruggen brengen de verbinding met de andere oever van de Dinkel tot stand en iedere brug biedt aardige, ja vaak bekoorlijke uitzichten op het speels draaiende riviertje met zijn welige plantenzomen.

In de zomer kleuren hier in bonte afwisseling geelwitte moerasspirea en karmijnrose kattestaart, wit duizendblad en walstro, met kalmoes en zeggen, met grijze bijvoet en goudgeel boerenwormkruid, waartussen vergeet-mij-nietjes en bitterzoet. Oeverweiden, vaak droog en dor, strekken zich Noord- en Zuidwaarts uit; wallen met bomen en bosschages begrenzen ze. Waar de houten brug dicht bij de Zoekerschool de Dinkel overspant, strekt een dikke peppel met kleine spitse bladeren zijn zware takken over zandweg en brug.

Al die Oostwaarts gerichte wegen leidden vroeger naar de heide, het Overdinkelse veld. Dat moet het vroegere Dinklo of Dinkelo zijn. Maar er is nu nauwelijks een lapje van het bruine veld overgebleven, want de kunstmest heeft hier een geheel nieuw beeld geschapen. Vennetjes en heiplassen zijn verdwenen en grasland geworden. In het uiterste Zuiden, nog geen kilometer van Gronau, lagen in het Tiekerveen brede plassen. Ze staan nog wel op de kaart, maar alleen laagten in het terrein herinneren er nog aan.

Een nieuw, langgerekt dorp is hier ontstaan langs de lijnrechte binnenweg van Losser Zuidoostwaarts naar de grens: Overdinkel. De snelle opbloei van de Gronauer nijverheid trok vele honderden uit de arme streken van de Noordelijke gewesten aan. Zij kwamen uit de kop van Overijssel, uit Stellingwerf, van de Friese heide, later ook uit de Zuidoosthoek van Drente. Velen staken ook de grens over, om zich in of bij Gronau een bestaan te verzekeren. Nagenoeg allen hadden het arm gehad en kwamen hier door de flinke lonen op een voor hen onbekend levenspeil. Gronau's schoorsteenpijpen en massale fabrieksblokken, huizen en torens, op tien minuten of een kwartier afstand van de grens gelegen, ziet men vlakbij, wanneer men zich op Overdinkels gebied bevindt.

Een nieuwe langgerekt dorp is hier ontstaan: Overdinkel.

Is het hier vrij kaal, even verder verandert het beeld. Daar is de vallei van de Ruenbergerbeek, een stroompje, dat uit Westfalen komt, ten Oosten van Overdinkel Twente binnenvalt en dan in een bochtige loop precies Noorwestwaarts stroomt, om dicht bij het dorp Losser in de Dinkel te vallen. Haar dalvlakte was, voor de ontginningen links en rechts inzetten, een groene oase temidden van het heideland, en tekent zich op vele plaatsen met hoge houtrijke randen duidelijk af. Aan de oevers der beek vestigden zich de boeren. Stromend water, gras en hout stond ter beschikking, en in de hoge heideruggen op de rechter oever zetten zij de hak en de spade en maakten er in moeizaam zwoegen bouwland van. In een lange rij liggen nu drie kampen, door laagten gescheiden, omringd door hakhoutwallen, loof- en naaldbosjes, en bij ieder kamp behoort een boerderij. Welpelo, Beernink en Luierink zijn de oudste; Beernink, oudtijds toebehorend aan de Bentheimse graven, was wel het belangrijkste; dan volgde in rang het Welpelo of Wilpló, dat eeuwen geleden aan de Kettelers op het Huis Lage (13) toekwam.

Ieder van de genoemde huizen ligt juist op de hoge rand van het beekdal, en ieder heeft een aardige houten brug over de beek. Dit is gelukkig nog een van de stroompjes, welke niet als riool worden misbruikt. Aan haar oever, vijfhonderd meter van de landsgrens, liggen de resten van het kasteel Ruenberg (14) .

Waar de grote driehoek gronds het verst naar het Oosten uitspringt, en de straat van Gronau naar Gildehaus de grens precies raakt, staat een oude grenssteen. Hier stoten de gebieden van Overijssel, Bentheim en Munsterland aan elkaar: een drielandenpunt dus, en geen wonder, dat het hier "Drieland" heet. Hier houdt de telling der grenspalen van Vaals af met nummer 862 op en begint een nieuwe telling langs de Nederlands-Hannoverse grens met nummer I, tot de Dollard bereikt is.

In keizer Karel de Vijfdes tijd kwamen de gecommitteerden des keizers en die van graaf Arnd van Bentheim op het niet ver van hier gelegen klooster Frenswegen (15) samen, om een eind te maken aan allerlei kleine geschillen over het beloop der landscheiding tussen Overijssel en Bentheim, bepaalden toen nauwkeurig haar beloop en de plaats der grensstenen van punt tot punt. Zij begonnen bij het Drieland de grens te controleren en legden toen vast, dat het begin zou worden gevormd door de kruiskuil in de Vleer (tegenwoordig het Fluier (16) geheten) - een kuil dus, in de vorm van een kruis gegraven. Aan zulke kuilen herinneren nog de kruisjes op de tegenwoordige landkaarten!

Drie kilometer verder naar 't Noordwesten, niet ver van het dorp Losser, stonden bij de boerderij Verbecke, die toen Barlebeck heette, ook eiken, die grensbakens vormden, en nog verder Noordelijk stond de befaamde "Sonnentelge", ook een eik, die eveneens een oud grenspunt was en die in 1824, toen er weer eens een grenstractaat werd gesloten, nog stond, op een "bergsken".

Op de grenspunten, in 1548 bepaald, werden zandstenen palen gezet, waarin aan de Twentse zijde een Bourgondisch kruis met een vuurslag en aan de andere de 19 penningen van het Bentheimse wapen werden  gebeiteld. Tal van deze eerbiedwaardige stenen staan er heden ten dage nog en spreken hun stomme taal van lang vervlogen eeuwen.

Maar voor we de grensstreek Noordwaarts volgen, is het dienstig eens een kijkje te nemen in Losser zelf. Zoals reeds gezegd werd, ligt het dorp Westelijk van de Dinkel op de hogere gronden. Ten Noorden ervan strekt zich het bouwland van het Kopshover Rot (17) uit, ten Zuiden dat van de Losserse Es 18). Het is ver uit elkaar gebouwd en heeft een onregelmatig en weinig overzichtelijk wegenplan.

In het oude centrum staat op een pleintje een alleenstaande, vrij lage toren. Van baksteen met versieringen van zandsteen is hij gemetseld, en in plaats van een spits draagt hij een zadeldak. Een vreemd verschijnsel in Twente, waar iedere dorps- en stadstoren door een vierkante of achthoekige meer of minder slanke spits is bekroond, doch niet vreemd voor het nabije Westfalen. Toen de toren gebouwd werd, omstreeks 1500 (19), moet hij wel de gebruikelijke spits hebben ontvangen, maar bij een brand in 1665 gesticht door de soldaten van het binnenvallende leger van de Munsterse bisschop Christoffel Bernhard van Galen, moet ze door het vuur zijn vernield, en daarna vervangen door het tegenwoordige eenvoudige dak. Eenzaam staat de toren er nu, want de kerk die erbij behoorde, is in 1900 (20), toen ze te klein was geworden voor de R.K. gemeente, afgebroken. Zijn toestand is niet al te rooskleurig, doch naar wij menen, zal 's Rijks Monumentenzorg weldra ingrijpen en voor een waardige restauratie zorgen. Stellig zal dan ook het lelijke aanbouwsel met zijn schuine dak geraseerd worden.

Zuidelijk van het dorp, loopt de grond langzaam op naar de langgerekte Losserse

Es. Een zandweg loopt er in de lengte overheen; een korenmolen, de Lakerinkmolen, staat op het hoogste punt, maar geen wieken draaien er meer; de molen is deerlijk geschonden en niet langer een karakteristiek oriënteringspunt in het landschap.

Een wandeling over de es is niet zonder bekoring en naar de Westkant heeft men wel een aardig uitzicht over de akkers en weiden heen tot aan de bosranden in de Broekhoek, waar boerderijen liggen, onder welke het erf Boerrichter genoemd mag worden. Een laagte, waardoor een tot waterleiding gedegradeerd beekje stroomt, verdeelt de es in twee stukken. Dat is het Hekkelkremersgat (21), en daaraan is de overlevering verbonden, dat er een reizende koopman of kremer in hekels (22)  zou zijn verdronken.

Roggebindsters aan de Hogeweg (bij de molen van Lakerink / Kellerhuis) in 1948.
Geheel rechts Marie Louise Kellerhuis, die tot het laatst op de molen heeft gewoond
en er uiteindelijk door de gemeente is uitgezet


Dan begint de Zoeke, een afzonderlijke buurt van Losser. Dicht bij elkaar liggen er aanstonds enige boerderijen in het hout, onder welke de Wigger, Wensman en Zwaferman. De naam Zoeke, die op vele plaatsen in Twente voorkomt, is ontstaan uit Zoedewyc, dat is Zuidwijk of Zuidelijke hoek der boerschap. Elders heeft men ook wel een Noordijk, een Oostrik (in Mander zelfs een Oostenriek), een Westrik.

In de Zoeke valt de Elsbeek of Zwafermansbeek met haar houtrijke oevers, die van de Lonneker heuvels komt, in de Dinkel. Even ten Zuiden der beek, bij een viersprong op de Haar, is het niet pluis; dat is een spookplaats, die vroeger gemeden werd bij nacht en ontij. De sage weet hiervan iets te vertellen. Toen het Christendom hier met harde hand werd ingevoerd, omstreeks 800, zouden de boer op het erve Werensing of Wensman en zijn gezin de laatsten zijn geweest, die hun knieën niet wilden buigen. Zij zouden toen als straf voor hun volharding bij de Wodansdienst zijn terechtgesteld (verbrand, zegt de sage), waarna hun overschot in de heide zou zijn begraven. Sindsdien zweven de zielen dezer laatste Losserse heidenen er rond.

Wellicht mag er verband worden gezocht met het onomstotelijke feit, dat twee erven in Lutheri, dat is Losser, namelijk Wensman en Zwaferman, reeds vroeg eigendom waren van Ludgers stichting, de rijke abdij van Werden (23) aan de Ruhr, gelijk zo vele andere in Oost-Twente. Reeds 1000 jaar geleden staan zij als de hoeven van Dagmar en Hrodgeld geboekt in de oudste inkomsten- en goederenlijst der abdij. Zou het mogelijk kunnen zijn, dat de bewoners van het Wensink-erf werkelijk zijn terechtgesteld en dat het goed toen als straf voor hun weerspannigheid door de abt van Werden in beslag is genomen? Oude sagen bevatten dikwijls een kern van waarheid en moeten niet geheel als bakersprookjes terzijde worden geschoven, al zijn de zakelijke gegevens niet meer te achterhalen.

Spookplaatsen zijn er bij Losser méér; zo bij Roesthuis (24) in de buurt van de Bethlehemse beek. Mijn zegman vertelde, dat hier dikwijls de paarden weigerden verder te gaan, tenzij er een bezweringsformule uit het Evangelie van Johannes werd uitgesproken! "Want dat is een sterk evangelie!"

Merkwaardig is de Losserse Es door zijn bodem. Graaft men hier in de grond, dan stuit men spoedig op vast gesteente. Geelachtige, soms roestkleurige zandsteen is het, van dezelfde soort als die, waaruit de Molenberg van het naburige Gildehaus bestaat. In het Beneden-Krijt is hij als zeezand hier neergelegd en veel later is dat zand samengekit tot vaste steen. Op mariene vorming wijzen de zeer talrijke schelpen, slakkenhuizen en enkele ammonieten, benevens de talloze sponsnaaldjes, die de Losserse zandsteen onderscheiden van de fossielarme Bentheimer zandsteen, die ouder is en van de eerste door een leemlaag wordt gescheiden.

Steen, bruikbare bouwsteen in Nederlandse bodem, die zo arm is aan exploiteerbare duurzame steensoorten voor huizenbouw en beeldhouwwerk! Zou die bij Losser gedolven kunnen worden? Dan zou men niet langer op de invoer van  dure Bentheimer- en ander zandsteen aangewezen zijn. Daarover heeft men lang geleden ernstig nagedacht, en reeds in 1846 heeft een commissie, aangespoord door Nederlands eerste geoloog Dr. W.C.H. Staring, geleid vooral door de Enschedese natuur- en werktuigkundige Coenraad ter Kuile (25), een onderzoek ingesteld naar de bruikbaarheid van de zandsteen bij Losser. Bij de molen begon men een kuil te delven, maar hoewel het werk goed vorderde en de proefput (26)  spoedig een diepte van 9 meter bereikt had en zelfs tot 11 meter ging, moest het werk worden gestaakt. In de eerste plaats kon men het opdringende grondwater niet de baas blijven en in de tweede vond men geen aaneengesloten vaste lagen, doch verbrokkeld gesteente. In November 1846 zond de Oldenzaalse burgemeester Eekhout (27), die ook in de commissie zat, een brok steen van 2500 oude ponden naar Zwolle ter beoordeling. Dit brok werd tot een siervaas bewerkt en niet lang daarna aan de Minister van Staat, baron Schimmelpenninck van der Oye, aangeboden als eerste voortbrengsel der groeve van Losser. Doch hiermede was ook het toppunt der onderneming bereikt, en - het werk werd gestaakt. In de Eerste Wereldoorlog, werd nogmaals een kuil gedolven, nu door een Nederlandse steenhouwersfirma, maar ondanks de betere hulpmiddelen beantwoordde ook nu het resultaat niet aan de verwachtingen. Ook op grotere diepte vond men geen compact gesteente en weer was de  aandrang van het welwater te sterk. En hoewel later de combinatie van waterwinning en steendelving werd aanbevolen, is men nog niet weer aan de slag gegaan. Vermoedelijk is hier de steenlaag niet dik en is zij ook op grotere diepte niet samenhangend. Misschien brengt de toekomst nog verrassingen.

Naar men beweert is eeuwen geleden wel bouwsteen uit de grond gehaald, en zou die, welke voor de Losserse toren is gebruikt, gedolven zijn in het Hekkelkremersgat. Enkele waterputten (28) in deze buurt zijn in het gesteente uitgehouwen. Men is in Losser nogal vindingrijk wat de keuze van straatnamen betreft, en zo heeft men de weg over de es onlangs tot "Hoge Zandsteenweg" 29) gedoopt. En een andere "Bourgondische grensweg" (30).

Het dorp heeft weinig oude huizen meer en is netjes geworden, doch belangstelling verdienen enige "akkerburgerhuizen" (31) uit de zeventiende eeuw, niet ver van het hervormde kerkje uit 1810, dat zo aardig zijn spitse torentje opsteekt uit het groen van de bomen. Een ervan heet het "Froonshuis", naar de familie Froon of Froen, die in de zeventiende eeuw uit Burgsteinfurt naar hier is uitgeweken. En dan is er het "Teylershuis" aan de Teylersstraat. Men brengt de nu in Losser uitgestorven familie Teyler of Teylers (32) gaarne in verband met het uit Engeland afkomstige geslacht van die naam, waaraan Teylers Stichting en Museum te Haarlem herinneren. Maar hoewel het vaststaat, dat de familie reeds drie eeuwen geleden te Losser was gevestigd, schijnt er geen relatie met de rijke Teylers uit Holland te bestaan. Desondanks verhaalt men te Losser, dat de eerste drager van deze naam van Engeland naar hier is gevlucht, hetzij als  bankroetier, hetzij als aanhanger van Maria Stuart; dat zou dus in de tijd van koningin Elisabeth (33) zijn geweest. Het Losserse Teylershuis, dat nu als garage in gebruik is, heeft nog een brede inrijdeur met ronde boog, waarin een sluitsteen is geplaatst met de inscriptie; ChrIstVs soLVs est serVator MvnDI - alleen Christus is de redder der wereld. De grote letters, als getalmerken samengesteld, leveren het jaartal van de bouw, 1672, op.

"Het hervormde kerkje uit 1810, dat zo aardig zijn spitse torentje opsteekt
uit het groen van de bomen".
Deze foto is overgens van iets latere tijd (ná de restauratie van 1954).


Aan de Oostrand van het dorp, waar de Dinkelweiden beginnen, ligt de frisse dorpsbleek, met brede sloten, die zelfs in de droge zomer van 1948 nog voldoende water hadden voor de spoelende en plassende vrouwen en meisjes, die hier op Maandag en Dinsdag druk in de weer zijn. Aan de weg bij de bleek staan een paar schilderachtige huisjes, in vakwerkbouw en met kleurige luiken, het Bleekhuusken en het Zommerhuusken. In het eerste woont sinds mensenheugenis de wachter van de bleek, die geen huur schuldig is, maar als tegenprestatie moet waken tegen diefstal van de bleekgoederen en de weiden met wasbruggen in goede staat houden. Zo'n bleekveld voor de hele gemeenschap is tegenwoordig een zeldzame instelling in Twente geworden. Rijssen bezit er ook een, nog veel uitgestrekter, de Wijert geheten, een naam, die men gemakkelijk in verband kan brengen met het Duitse Weiher of vijver.

Op de Losserse bleek gaan kinderen op Eerste Paasdag nog altijd eierschieten of eiertikken.

Niet ver van hier, op het splitsingspunt der wegen naar de Lutte en Denekamp, stond een oude standaardmolen, de Teylers- of Muttersmolen, die in 1917 is afgebroken. Eeuwenlang hebben daar, op het nog bestaande heuveltje, zijn wieken gedraaid in de wind, die over het Rot kwam, en hebben zijn stenen het koren van de boeren in de omtrek gemalen. Gelijk zo vele goederen was ook deze molen eigendom van de graven van Bentheim-Tecklenburg- Rheda. Maar ook deze is uit het landschapsbeeld verdwenen, wat wel een grote verarming betekent.

Wij staan nu aan de rand van de grazige vlakte, die zich tussen dorp en Dinkel uitstrekt. "Kops Hoven Gaarden en de Maten" staat hier op de topografische kaart, een naam, die beter kon luiden "Kopshover Gaarden en maten", want de Kopshof was een oud erf in Losser, en dit terrein behoorde eronder. Ook spreekt men van de Welp. Een weg leidt Oostwaarts, langs de smalle en troebele Losser beek, die de Dinkel zoekt, en deze bereikt bij het erve Bosman. Voorheen slechts een pad met vondertjes, is dit in 1949 vervangen door een flinke weg, waaronder ook een nieuwe brug over de Dinkel is geslagen; het is de oude route, die langs de Ravenhorst naar Gildehaus en Bentheim leidde. Posteert men zich op de nieuwe Bossinkbrug, dan heeft men een goed uitzicht naar het Zuiden over de Dinkelvlakte. Links een hoge hol uitgeschuurde oever, rechts de weiden. Op de hoge rand ligt een lange kamp, waarop in de zomer het gele koren rijpt; hij is veroverd op het Zand, welks rand hier wordt aangesneden. Op de steile helling met haar droogteminnende flora staan bomen en struiken, en bijzonder fraai zijn hier de brede en hoge donkergroene hulstbossen. Naar het water toe wilgenstruiken en populieren, die overal de loop van het riviertje verraden.

De laagten in de weiden tussen Dinkel en dorp zijn herinneringen aan de vroegere Dinkellopen, en het is aan geen twijfel onderhevig, dat zij oudtijds veel dichter naar het dorp toe heeft gestroomd, ja, 't is waarschijnlijk, dat Losser vlak aan haar oever heeft gelegen. Maar evenals dit in het Lutterzand het geval is, heeft het riviertje altijd de neiging gehad, zich te verplaatsen en de hoge gronden aan de Oostelijke oever te beknagen. Waar nu de weiden liggen, hebben zich éénmaal zandbergen verheven.

Hier is men aan de rand van de Zandbergen of het Losserse Zand gekomen. Van de boerderij Bossink, die zeer schilderachtig onder haar eiken schuilgaat, lopen paden en wegen door het hoge oneffen terrein, dat begroeid is met heide, dennen  en berken, en, naar de Dinkel toe, met eikenstruiken.

Dan nadert men de Dinkel, die hier een grote lus naar het Zuiden beschrijft en daarna zichzelf zo dicht nadert, dat te gelegener tijd bij hoge vloed het water wel een kortere weg zal zoeken en het weiland van de Timpen in een eiland veranderen.

Hier zowel als elders in de buurt van Losser zijn de weiden in de zomer droog. Haar flora wordt dan ook gekenmerkt door vele xerofiele planten. Hier bloeien de rose steenanjers en het gele walstro, de steenbreek-bevernel en het stalkruid, het zilverschoon en de muurpeper - en tal van andere soorten. Aan de waterkant is de plantengroei weliger; hier overheersen boerenwormkruid en bijvoet, duizendblad en moerasdoorn, moerasspirea en kattestaart.

De mooiste partijen van het zand liggen echter aan de Oostkant van de "Timpen" en strekken zich uit tot aan en over de landsgrens. Men is hier al in de verboden 500-meterstrook en ziet het grote klooster van de paters Franciscanen in de Duitse boerschap Bardel vlak voor zich liggen. Het is hier een Lutterzand in het klein: met dennen en berken begroeide of kale zandbergen, steil aangesneden, waar de Dinkel er haar stroom op richt.

Aan de Zuidkant ligt het K.J. Smidoord (34), vroeger als vacantieverblijf ingericht door de Coöperatie "Tot Steun in de Strijd" te Enschede, maar sinds enige jaren door het departement van Sociale Zaken gevorderd als internaat voor de verwaarloosde jeugd uit Hollands grote steden, die hier een degelijke heropvoeding ontvangt. Twee boerderijtjes, het Zandhuis en de Vasterd, liggen eveneens in de Zandbergen. Die strekken zich op Twents gebied uit tot aan de brug in de weg, die van Losser langs de erven Bookholt en Nijland naar de Dinkel loopt, en hebben hun uitlopers tot een heel eind op Duits territoir.

Nu is men het erf Verbekke genaderd, dat sinds enige jaren verkeerdelijk Aarnink wordt genoemd naar een nieuwe bewoner, en Barlebeck heet op oude kaarten van Twente. In 1949, bij de grenscorrecties, waarover het rumoer in de Duitse grensstreek nog niet verstild is, is deze boerderij op Nederlands gebied komen te liggen. Dat is hier met een strook uitgebreid, die bij Verbekke smal begint, zich dan verbreedt tot een kilometer en vervolgens weer met een spitse punt uitloopt dicht bij de grensovergang de Poppe. De belangen van de Waterstaat en de douane hebben hier stellig de doorslag gegeven. Want de grillige Dinkel, die over een afstand van drie kilometer slechts door een smalle zoom van weiden van Duitsland werd gescheiden, en op een enkel punt zelfs de grens vormde, was moeilijk te controleren Nu heeft Waterstaat meer armslag gekregen. Het "Nieuwe Nederland", slechts enkele vierkante kilometers groot, is schaars bewoond en bebouwd en van grote landschappelijke schoonheid. De nieuwe grens loopt nu nagenoeg Zuid-Noord.

Bij het erf Verbekke valt de Ravenhorsterbeek rechts in de Dinkel, die door de boerschap Bardel stroomt en aan haar oever de resten heeft liggen van het kasteel Ravenhorst (35), dat lang zetel was van Bentheimse drosten, o.a. de Van Hoevels. Noordwaarts van Losser, op de Westelijke oever van de Dinkel, begint weer een lange rij boerderijen: Kraesgenberg, Snoeyink, Binkhorst, Teussink, van welke de drie laatste al in de Lutte liggen. Bij deze erven weer hetzelfde beeld als bezuiden het dorp: houtopstanden, kampen, weiden en walheggen.

Een vorstelijke indruk maakt het duizendjarige erf Binkhorst met zijn mooie bossen, en het iets verder gelegen Teussink, met zijn nieuwe behuizing, mag er ook zijn.

In de late Middeleeuwen behoorde het geslacht Binkhorst tot de lagere of dienstadel, evenals het geslacht Snoye, dat het erf Snoeyink tot stamzetel moet hebben gehad. Het verschijnsel, dat boeren in de adelstand werden verheven door hun landheer, de bisschop van Utrecht, is gewoon in Twente: men kent er de geslachten Van Losser, Duivelshof, de Baveler, van Boningen, van Vaelt (Volte), de Beyer (Tilligte), Borggreve (Tilligte). Tot de oeradel behoorden stellig de ridderlijke geslachten Van Arneth (Lemselo) en Van Agelo. Alle woonden in Oost-Twente, en deze rij zou gemakkelijk kunnen worden uitgebreid. Alle zijn uitgestorven en na 1500 worden zij zelden meer genoemd in de oude documenten. Ook het ten Noorden van Losser gelegen erf Scholte Honiglo, een Stichts leengoed, is zeer oud.

Ongemerkt zijn wij zo de grens van de oude marke Losser overschreden en in de Zuidoosthoek van de uitgestrekte marke de Lutte gekomen. De buurt heet hier de Hengeler heurne of huier, een der vier hoeken van de Lutte; de andere hebben de namen Roder-, Molter- en Elfterheurne. In die Hengeler heurne liggen een drietal oude boerderijen op een rij, tussen de straat en de Dinkel: Luttikhuis, Duivelshof en Hengelman.

De tweede is bijzonder merkwaardig. In een wijde kring rondom het huis, in de vorm van een onregelmatige rechthoek loopt een gracht; hier langs de rand van een hoog bouwland, ginds door bos en langs de bosrand, en in dit bos lopen een paar dwarsgrachten binnenwaarts. De kanten zijn steil, de diepte is aanzienlijk, de breedte wisselt van anderhalve meter tot vier meter. Binnen deze grachten lag de Middeleeuwse hof wèlbeschermd. Hij was de hoofdhof van de Hengeler  heurne. De sage verhaalt, dat hier een klooster heeft gestaan, maar blijkbaar is hier verwarring in het spel. Want Duivelshof en Luttikhuis (het kleine huis, dat wel door een afsplitsing van de hof zal zijn ontstaan) waren sinds het begin van de vijftiende eeuw eigendom van het klooster Frenswegen bij Nordhorn. Maar op de Duivelshof zelf hebben zich geen kloosterlingen gevestigd. Bij de boerderij zijn scherven van aardewerk gevonden, dagtekenend uit de tiende of elfde eeuw, en een hoog stukje grond vlak bij het huis heet "den Kerkhof". Ligt hier een begraafplaats uit de tijd van het heidendom? Alleen de spade van de archeoloog kan hier antwoord op geven.

Die heeft echter veel aan het licht gebracht op een terrein aan de Enschedesestraat bij Losser niet ver van het Pompstation der Waterleiding. Daar, onder de zode van een heideveldje, legde de conservator van het Rijksmuseum Twente, Dr. C.C. W.J. Hijszeler, een uitgebreide nederzetting (36) bloot. Gevonden werden een groot aantal zwarte plekjes in de grijze bodem, die zich tot kringen, ovalen en enkele afgeronde rechthoeken aaneenrijgen. Hier had een honderdtal hutten gestaan, wier wanden door een kring van palen, waartussen zich stellig vlechtwerk heeft bevonden, werden gevormd. Doch het houtwerk was volkomen vergaan, en alleen de donkere scherp begrensde plekken wezen op zijn vroegere aanwezigheid. Sommige palenkransen sneden elkander: teken, dat nieuwe hutten over de oude heen waren gebouwd. Enkele standsporen kruisten de kringgreppel van een vroeger in de heide bijgezette urn. Zelfs de wagensporen uit die dagen, dat het dorp hier gebloeid had, kwamen aan het daglicht, en ook de paalgaten van een stuk rechte omheining of palissade. Vondsten van aardewerk waren hoogst zeldzaam, op een enkele scherf na, die toeliet, de tijd van het bestaan dezer nederzetting omstreeks Christus' geboorte te dagtekenen. Te veel was er in de loop der eeuwen reeds vernield bij herhaalde afplagging van deze natte heide. Wie hierover meer wenst te weten, leze dr. Hijszelers verslag der opgravingen in "Verslagen en Mededelingen van Overijsselsch Regt en Geschiedenis" van 1946, dat door foto's en tekeningen is verduidelijkt.

De Westkant van Losser, waar dit terrein ligt, is vrij kaal en wordt grotendeels ingenomen door jonge ontginningen. De grote bossen beginnen naar de kant van Enschede en de Lutte en zijn in handen van grote grondeigenaars, die in de vorige eeuw heide en veen met groot succes bebost hebben.

Twee kilometer Noordwestelijk van het dorp ligt het mooie Smoddebos (37), dat een oud bos vertegenwoordigt en een zeer rijke plantengroei heeft, waaronder de anemonen, de primula's en de parissen niet ontbreken.

Langs de beken, die van de rand der Zuidelijker Lutter heuvels komen, de Bethlehemse en de Snoeyinkbeek, bloeien in het voorjaar op vele plaatsen in de oeverweitjes en bosjes de sleutelbloemen. Elders ziet men de bospaardestaart. In 't voorjaar stuwt hij zijn stammetjes, met sporenhouders aan de top, omhoog; in de zomer worden die gevolgd door de steriele planten, die nog fijner dan kamerdennetjes zijn. Ook in de Lutte en Beuningen groeit de bospaardestaart op niet te talrijke plekken.

En hier besluit W.H. Dingeldein zijn wandeling door de gemeente Losser.