Oet Dorp en Marke 2003 - 1

Inhoudsopgave

Van het bestuur
 . De HKL en LAGA 2003
Koninginnedag 1963 had een zwart randje
(A.F. de Jongeburcht)
Van Oorlog en Bevrijding
(Hans van Huizen)
ONS DORP
(P.E. de Kleijn-Koolen)
Uitgaven van de Stichting Historische Kring Losser

Foto omslag:
‘Op en om een klein stationnetje…’. Het door Georg van Slageren geschreven en door de Historische Kring Losser uitgegeven boek over de geschiedenis van ‘het spoor’ in Losser.

Van het bestuur

 

 

De HKL en LAGA 2003

 

Op 18 juli 2003 is het honderd jaar geleden dat de tramlijn Gronau-Glane-Losser-Oldenzaal-Denekamp werd geopend.

 

Omdat de tramlijn een belangrijke verbinding is geweest tussen Losser en Gronau organiseert de Historische Kring Losser, in dit jaar van LAGA2003, twee activiteiten.

 

Door middel van een bijzondere tentoonstelling zal tijdens de gehele LAGA (van 12 april tot 19 oktober 2003) aandacht besteed worden aan de inmiddels verdwenen spoorlijn.

 

Deze tentoonstelling zal te bezichtigen zijn in een historisch zeer waardevol rijtuig, dat in 1903 speciaal voor arbeidersvervoer op deze tramlijn gebouwd is. Dit rijtuig (HSM C 905), waarvan de restauratie pas kort voor de aanvang van LAGA 2003 klaar zal zijn, is ter beschikking gesteld door de Stichting Museum Buurtspoorweg (MBS) in Haaksbergen. Het rijtuig wordt samen met een locomotief op rails gezet op het terrein van steenfabriek ‘De Werklust’ in Losser.

 

Daarnaast is er de uitgave van een boek over ‘het spoor’ in Losser. ‘Op en om een klein stationnetje…’  gaat niet alleen over ‘het spoor’, maar door bijdragen van twee ‘gastschrijvers’ (Thea Evers en Hans van Huizen) wordt ook aandacht besteed aan de geschiedenis van het dorp ‘om het spoor heen’.

 

Over de door de N.V. Nederlandsch-Westfaalsche Stoomtram-Maatschappij (NWSM) aangelegde en door de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij (HSM) geëxploiteerde tramlijn Gronau-Glane-Losser-Oldenzaal-Denekamp is niet erg veel gepubliceerd. Wij hopen daarom dat het boek ook zijn weg zal vinden naar belangstellenden in tram- en (lokaal)spoorwegen buiten Losser.

 

Deze ‘spoorgeschiedenis’ van Losser is geschreven door de penningmeester van de Historische Kring Losser Georg van Slageren, die weliswaar de tram nooit heeft zien rijden maar er toch over schrijft alsof hij er vanaf 1903 steeds zelf bij geweest is.

 

Het boek telt bijna 160 bladzijden en is geïllustreerd met circa 65 foto’s, waarvan 10 in kleur. Daarnaast zijn er nog meer dan 20 tekeningen, kaartjes en andere afbeeldingen opgenomen.

De presentatie van het boek zal plaatsvinden op 23 april a.s. Dan zullen eerste exemplaren worden aangeboden aan mevrouw N.A. van den Nieuwboer-Langenkamp, burgemeester van Losser en aan de heer M.H. Bezema, voorzitter van de Stichting Museum Buurt Spoorweg in Haaksbergen.

Ook op deze plaats past een woord van dank aan instanties, bedrijven en instellingen die het project van de Historische Kring Losser, dat bestaat uit de uitgave van dit boek en de realisatie van de expositie tijdens LAGA2003 in het rijtuig HSM C 905, mogelijk hebben gemaakt:

         Gemeente Losser

         Stichting Museum Buurtspoorweg te Haaksbergen

         Prins Bernard Cultuurfonds Overijssel

         Gelderman Stichting te Oldenzaal

         Stichting Evenementen LAGA te Losser

         Deloitte & Touche te Enschede

         Rabobank Oost Twente te Oldenzaal/Losser

         Drukkerij Augustijn te Enschede

Het bestuur

Oproep aan onze leden

Vrijwilligers gevraagd

Voor het houden van toezicht tijdens openingsuren van de tentoonstelling worden nog steeds vrijwilligers gezocht die bereid zijn zo nu en dan een dagdeel bij te springen.

Materiaal gezocht

Voor de tentoonstelling zijn wij ook nog op zoek naar materiaal dat verband heeft met de spoorwegen. Ook foto´s zijn van harte welkom.

Aanmelding

Wanneer u als vrijwilliger wilt bijspringen of als u materiaal heeft waarvan u denkt dat het interessant kan zijn, neem dan contact op met:

Georg van Slageren
Hogeweg 36
7582 CH Losser
tel. 053 538 2850

Koninginnedag 1963 had een zwart randje

30 april 1963, Koninginnedag. Het begon zo mooi, een beginnend zonnetje en voor het eerst mocht ik als zelfstandig hofmeester tijdens de opleiding in het marine opleidingskamp M.O.K. te Hilversum bij de officieren aan het werk. Om 11.00 uur stond ik in de bottelarij voor het afhalen van groente e.d. bestemd ter bereiding van de middagmaaltijd voor enkele officieren.

De radio die aanstond met gezellige muziek, werd voor een reguliere uitzending onderbroken wegens de mededeling van de radionieuwsdienst van 11.00 uur van het ANP. Door de omroeper werd gemeld dat er op Hr. Ms. Rotterdam van de Koninklijke Marine, gestationeerd te Willemstad op Curaçao een tragisch ongeval had plaatsgevonden. Tijdens duikwerkzaamheden waren omgekomen de kwartiermeester H. Burger uit Den Helder en de kok der 1ste klasse G.W. ten Donkelaar uit Losser. Als door de bliksem getroffen stond ik aan de grond genageld in de bottelarij, dit kon niet waar zijn! Mijn vriend en collega Gerrit (spreek uit als ‘Gerriet’) dood. Natuurlijk realiseerde ik mij onmiddellijk dat het ANP geen fabels vertelde en dat het waar moest zijn.

 

Gerrit die geboren was te Losser op 14-11-1944, was de enige zoon van Meine ten Donkelaar en Bontje van de Wal. Tot hij bij de marine ging, woonde hij bij zijn ouders thuis aan de Scholtinkstraat. Gerrit die een paar jaar ouder was dan ik, was al een paar jaar bij de marine. Zijn dienstvak was kok, daarnaast was hij in het bezit van het brevet hulpduiker.

Gerrit ten Donkelaar, geboren te Losser op14-11-1944, overleden te Willemstad (Curaçao) op 30 april 1963.

Ik weet dat Gerrit het bij de marine erg naar zijn zin had, financieel zat het daar redelijk goed en je zag nog eens wat van de wereld was zijn stelling.

Dat het financieel goed zat bij de marine merkte je wel aan de uitgaven die hij deed bij de cafetaria’s Bulters en Scheffer. De doorsnee jongen van zijn leeftijd zat behoorlijk bescheidener in de slappe was dan Gerrit.

Tijdens zijn inschepingsverlof, voor hij in 1962 naar de West vertrok met Hr. Ms. Rotterdam, sprak ik hem nog, hij was vol verwachting over de reis en het verblijf op Curaçao, waar hij circa negen maanden zou verblijven. Hij raadde mij aan ook dienst te nemen bij de marine. Aan het einde van 1962 besloot ik, tegen de zin van mijn ouders, mij daarvoor aan te melden te Enschede.

De lezing hoe het ongeval is gebeurd, is de volgende. Hr. Ms. Rotterdam had haar trip op de Nederlandse Antillen erop zitten, zij werd afgelost door Hr. Ms. Dubois. Voorafgaand aan het vertrek zou er nog een peloton van Hr. Ms. Rotterdam deelnemen aan de in Willemstad te houden parade ter ere van de verjaardag van Hare Majesteit de Koningin.

Tijdens het opstellen en oppoetsen voor de parade werden de geweren tijdelijk afgezet op het dek, door enkelen werden ze tegen de reling geplaatst. Door de golfslag of anderszins viel er een geweer overboord. Omdat een spoedig vertrek na de parade naar Nederland op handen was, werd besloten tijdens de parade het geweer op te duiken van de bodem van de baai. Door de daarvoor bevoegde officier werd aan de duikmeester, de kwartiermeester Burger, opgedragen samen met de hulpduiker Ten Donkelaar deze klus te klaren.

Tijdens de duik van Gerrit merkte de duikmeester dat hij geen seincontact meer had. Hij besloot Gerrit na te duiken. Maar ook Burger kwam niet meer terug.

Achteraf is vastgesteld dat was vergeten de waterinnamepomp stop te zetten waardoor Gerrit door de zuigkracht waarmee de inname gepaard ging tegen en gedeeltelijk in het rooster van de inname buis is gezogen. De kwartiermeester Burger heeft Gerrit vermoedelijk vast zien zitten en heeft hem willen helpen wat ook hem noodlottig is geworden.

Na het stopzetten van de pomp is Burger vermoedelijk weggedreven want hij werd op enige afstand aangetroffen. De familie heeft nog pogingen gedaan Gerrit terug te halen naar Losser, dit is niet gelukt.

Op 1 mei 1963 werden Gerrit en Burger met militaire eer, onder grote belangstelling begraven op de militaire begraafplaats te Willemstad in de wijk Otrobanda op Curaçao. Door de opvarenden van Hr. Ms. Rotterdam werd bijgedragen aan het plaatsen van de grafsteen.

Toen ik in juni 1965 zelf met Hr. Ms. Poolster op Curaçao was, heb ik genoemde militaire begraafplaats bezocht en voor de ouders van Gerrit enkele foto’s gemaakt van het graf.

A.F. de Jongeburcht (Almelo)

Van Oorlog en Bevrijding

Wij woonden op het hoogste punt van Losser, heel toepasselijk ‘Hogeweg’ genaamd, van ouds een ‘heirweg’. In de oorlog was het nog een zandweg met karrensporen, bereden door boerenwagens en door de melkboer. Als trouwe wachter over onze buurt was er de korenmolen ‘De Hoop’. Aan de voet van de molen stroomde een snelvlietend beekje, waar we ‘de klomp met het zeiltje’ lieten varen. In de zomer was dit een idyllisch plekje, waar in de avonduren dikwijls muziek weerklonk. Gezellig op een bank bij ons huis speelden Rik Bloem (de buurman) en ik, voor ons gevoel althans, mooie muziek: hij op de tuba en ik op de klarinet. Wij waren namelijk enthousiaste leden van de muziekvereniging Sempre Crescendo.

’s Winters, bij slecht weer, was het een ander verhaal: de weg veranderde dan in een modderpoel. Daar kwam bij, dat we tijdens de oorlogsjaren de strengste winters beleefden. Op het vliegveld Twente werd bijvoorbeeld op 15 februari 1941 een temperatuur van minus 24 graden gemeten. Het sneeuwde ook nog eens veelvuldig, met als gevolg: hoge sneeuwduinen. We baanden ons dan een weg naar de Gronausestraat en kwamen uit tussen de weverij van Holter en Weda.

Omdat er nog weinig bebouwing was hadden we een vrij uitzicht op de omgeving. Vele nachten hebben we op ons hoogste punt de oorlogshandelingen gevolgd. In het begin van de oorlog de felle stralen van de zoeklichten die rondom het dorp waren neergezet, o.a. bij café Nijhof (niet meer bestaand) aan de Enschedesestraat en bij ons achter in de richting Beekhoek. Het was fascinerend om te zien hoe de lichtbundels, bij de nadering van een Engels vliegtuig, elkaar kruisten, hoe het vliegtuig gevangen werd en dan door het afweergeschut werd neergeschoten.

Door de nabijheid van het vliegveld Twente waren er veel luchtgevechten.

In de richting ‘Ruhrgebiet’ zagen we menigmaal de lucht rood gekleurd door de uitgeworpen lichtkogels die de omgeving verlichtten. Dat ging soms avond aan avond tot diep in de nacht door. Het doffe gedreun van de door de Engelsen uitgeworpen bommen, was van een onheilspellende dreiging. We hielden ons verder onledig met het verzamelen van de uitgeworpen repen zilverpapier en pamfletten, zoals ‘De Vliegende Hollander’ etc.

Van m’n 16e tot m’n 21e levensjaar beleefde ik de oorlog op dit plekje grond aan de Hogeweg. Dat er in ‘Losser niets gebeurd zou zijn’ weerlegde Luizink al in zijn mooie en gedetailleerde boek, uitgegeven door de Historische Kring.

Beseffende dat er nog maar weinigen zijn, die het kunnen navertellen, volgt dan hier mijn verhaal van oorlog en bevrijding.

De eerste oorlogsjaren verliepen vrij rustig, tenminste…wat je in oorlogstijd ‘rustig’ kunt noemen. Het verenigingsleven was nog vrij normaal, maar de invloed van de bezetter liet zich toch op vele terreinen gelden. Een voorbeeld: bij de sportvereniging P.J. waar ik voetbalde kreeg men de mededeling, dat de naam ‘Prinses Juliana’ niet meer mocht worden gevoerd. Provocerend hebben we er toen ‘Losserse Boys’ van gemaakt, een naam die door de N.V.B.(de ‘K’ van ‘Koninklijke’ was ook verboden) werd geaccepteerd.

Door de strenge winters was er een groot gebrek aan kolen wat o.a. betekende, dat de kachel van de centrale verwarming van ‘Ons Gebouw’ niet kon worden gestookt. Gevolg was, dat de verenigingen die gebruik maakten van de grote zaal, moesten zoeken naar een uitwijkmogelijkheid. Wij moesten bijvoorbeeld met ‘Sempre Crescendo’ repeteren in de kleine bovenzaal, waar bij een klein kolenkacheltje geprobeerd werd toch nog mooie muziek te maken.

De textielfabrieken in Enschede werden ook genoodzaakt de productie te staken. Gevolg was dat de werknemers thuis konden blijven; wél moest iedereen zich elke morgen melden in het K.J.V.-gebouw in de Muchte. Er moest een presentielijst worden getekend en vervolgens werd het loon gewoon doorbetaald. En dat betekende dat men alle tijd had om de schaatsen onder te binden, want er was ijs genoeg. De ondergelopen weilanden langs de Dinkel waren een ideale ijsvloer en die strekte zich uit van achter het ‘Rooie Dorp’ tot aan café Esssenhuis in de Beekhoek, bij de ‘Peperbus’.

Vanouds was de kleine zaal van ‘Ons Gebouw’ een toevluchtsoord voor ons jongeren. We konden daar schaken, dammen, tafeltennissen en biljarten. Er bestond een biljartcompetitie, waar alle biljartbezittende café’s in Losser en Overdinkel aan deelnamen. Ook onze club, ‘De Klep’ zoals we ons home noemden, was elke dag van vroeg tot laat geopend. Het was een warm nest, waar we ons thuis voelden. De r.k.-Vereniging had eveneens een zaal waar de jeugd werd opgevangen. Daar kwam voor hen een eind aan door de vordering van het gebouw door de bezetter. In een speciale vergadering van de Protestantse Vereniging werd toen besloten om de r.k.-jongeren bij ons op te nemen en daar werd een dankbaar gebruik van gemaakt.

Bij alle zorgen en oorlogsellende was er ook de nodige ontspanning.

Zo was er in café Schorfhaar een bioscoopzaal waar twee keer per week een film werd gedraaid. Ondanks onze weerzin tegen de bezetter genoten we daar toch van de zang van Zarah Leander en van de operettefilms met Johan Heesters, Paul Hörbiger en Heinz Rühmann. De oorlogspropaganda in de journaals namen we op de koop toe, maar we begeleidden ze wel met gejoel en gefluit.

Verder deed het fenomeen zich voor, dat in de oorlog de bekendste Nederlandse cabaretiers en toneelgezelschappen Losser bezochten. De reden daarvoor was de voedselschaarste in het westen van het land. In de grote zaal van Ter Denge (De Klomp) aan de Oldenzaalsestraat speelden regelmatig de bekende toneelgezelschappen uit Amsterdam en Den Haag, bijvoorbeeld het gezelschap van Jan Mus. Ook het bekende duo Tholen en van Lier gaf daar acte de présence. Bij café Koopman aan de Lutterstraat waren het de componist en schrijver van populaire muziek Henri Theunisse, Lou Bandy, Wiesje Bouwmeester, Peter Kallenbach en het duo Hofman, die daar regelmatig optraden. Bij de voorbereiding van deze uitvoeringen waren wij betrokken door het opbouwen van het podium en de coulissen. Interessant was voor ons natuurlijk het contact met de artiesten.

Een probleem uit die tijd was voor ons het gebrek aan tabak en sigaretten. Vrijwel iedereen rookte in de oorlog, want dat was heel gewoon. Niet voor niets waren de huiskamers altijd opgesierd met spreuken zoals: ‘Het is geen man die niet roken kan’,  ‘Een tevreden roker is geen onruststoker’ en ‘Smaakt de pijptabak U goed, dan zijt ge welgemoed’.

De rokertjes waren eerst op de bon, maar later was er helemaal niets meer te krijgen. Gelukkig had ik familie waar ik nog wel wat kon regelen. Tegenover de hervormde kerk woonde oom Pieter van Huizen; die had een kruidenierwinkel waar ik meestal door zoon Harm van rookwaren werd voorzien. In dit verband is het wel aardig te vermelden, dat in het jaar 1895 Johannes Gerardus van Huizen zich in dat huis  vestigde. Hij was van beroep barbier, terwijl zijn vrouw het edele handwerk van baakster uitoefende. Deze Johannes Gerardus was geboren in Haarlem, verhuisde van daar naar de gemeente Steenwijkerwold en woonde sinds 1895 dus in Losser. Hij is de stamvader van alle Van Huizens in Losser en Enschede.

Johannes Gerardus van Huizen met zijn vrouw Berendina Groenewoud

Met de rookwaren ben ik enkele keren per fiets de IJssel overgestoken om bij mijn oom in Oene (Gld) boter te halen. Mijn oom had daar een boerderijtje en was tevens botermaker in de melkfabriek. Met de rooktabak voor zijn pijp was hij altijd zeer verguld. Intussen was de nood onder de rokers zo hoog, dat op ieder stukje land wel tabak werd verbouwd. ‘Virginia’ voor shag en ‘Oude Amersfoortse’ voor rooktabak. Na de oogst werd het door ons verwerkt en naar Ootmarsum gebracht, waar het in de tabaksfabrieken van Bloemen en Heupink en Reinder werd klaar gemaakt en wij het keurig verpakt als shag en rooktabak terug kregen. Later fabriceerden wij het zelf!

De oproep ( ‘last’)  aan de schrijver van dit artikel om op maandag 3 november 1941 dienst te doen als kabelwacht.

Achterkant van de oproep ( ‘last’)  aan de schrijver van dit artikel om op maandag 3 november 1941 dienst te doen als kabelwacht.

Gaandeweg de oorlogstijd werden er meer en meer onprettige maatregelen genomen. Zo kregen in het najaar van 1941 de mannen vanaf 18 jaar het bevel om de militaire veldtelefoon te bewaken; de zogenoemde ‘kabelwacht’. Het was in de strenge winters een onaangename, koude opdracht. Dat alles viel in het niet bij het treurige nieuws dat de joden zouden worden opgehaald. In 1942 en 1943 werd dat werkelijkheid. Getalsmatig waren er weinig joden in Losser, maar het drama trof ons diep. Onvoorstelbaar dat onze slager Zilversmit van de ene op de andere dag weg was. De jongste zoon Siegfried voetbalde bij ons in de club en was een trouwe bezoeker van ‘De Klep’. Als militair vocht hij op de Grebbeberg en vertelde ons hoe hij daar ons land hartstochtelijk had verdedigd. Siegfried werd het laatst gezien met z’n koffertje op weg naar Enschede, waar hij zich moest melden. Aan de Gronausestraat woonde David Kosters. Het verhaal ging, dat zijn vrouw zich moest melden, maar dat David vrijstelling kreeg, omdat hij in de Eerste Wereldoorlog samen met Hitler in de Wehrmacht had gediend en hem in de loopgraven het leven zou hebben gered. Maar ook David hebben we zien vertrekken met z’n noodzakelijke spullen in de trekkar, richting einde!

In 1943 was het droefheid alom. De klokken werden uit de kerktorens gehaald en meegenomen naar de ‘Heimat’ om omgesmolten te worden tot oorlogstuig. De spoorlijn werd al in 1942 opgebroken en zo kwam er geen eind aan de somberheid.

Ook het voedseltekort werd in veel gezinnen nijpend. We gingen dan ook de boer op om te zien aan eten te komen. De omgeving werd afgestroopt en het gelukte soms om gebruiksgoederen te ruilen voor etenswaar. Het dagelijkse menu bestond bij velen uit roggepap, aardappelen en oorlogsbrood. Alles werd schaars, zo ook de benzine en dat vormde een groot probleem voor vracht- en streekvervoer. Vindingrijk als men was werd er toch gereden en wel met houtgestookte gasgeneratoren, die in karretjes achter aan de voertuigen werden gehangen. Dat had bijvoorbeeld bij de lijnbussen soms koddige slingerpartijen tot gevolg. Ook fietsbanden waren niet meer te krijgen. Om toch aan het fietsen te blijven werden repen van autobinnenbanden gesneden en om de velgen gelegd. Het was hard en hobbelig maar men kon rijden. Doordat het gevaar van bombardementen en luchtgevechten toenam, maakte we in de tuin een schuilkelder. De kelder werd zorgvuldig afgedekt met graszoden, zodat het niet opviel, dat er een schuilkelder onder lag. Toch zagen we dat bij ons in de buurt de verzetsman Frits Supèr bij een razzia uit zo’n kelder werd gehaald.

Op zondag 10 oktober 1943 werd Enschede getroffen door het zwaarste bombardement dat de stad gekend heeft in de oorlog. Het was prachtig herfstweer en wij stonden op het voetbalveld van Losser aan de Hogeweg te kijken naar een voetbalwedstrijd toen een eskader Amerikaanse bommenwerpers overkwam en richting Enschede vloog. Boven de stad raakten ze in een luchtgevecht met Duitse jachtvliegtuigen. Het rampzalige gevolg was, dat de toestellen hun bommen lieten vallen. De uitwerking was verschrikkelijk. Hele stadsgedeelten, zoals het Hogeland en omgeving, maar ook de binnenstad werden zwaar getroffen. Het aantal doden bedroeg 151, waaronder 2 van mijn collega’s. Verder waren er 450 gewonden, waaronder 104 zwaar gewonden. Er werden 158 huizen geheel en 231 gedeeltelijk verwoest.

Op een zonnige februarimiddag, om precies te zijn 22 februari 1944, fietsen m’n vriend Frits Timmerman en ik naar zijn familie in Enschede. Daar aangekomen kwamen we in een zwaar bombardement terecht. 36 Bommenwerpers wierpen bommen uit boven het Pathmos en de Haaksbergerstraat met alle zijstraten en verder tot aan het Schuttersveld. Bij dit bombardement waren 40 doden te betreuren, 42 zwaar en 100 licht gewonden. Er vielen 12.000 brandbommen en 5 brisantbommen. De brandbommen waren zeskantige staafbommen van een halve meter lengte. Ze vielen soms met hele bundels omlaag. De brand was niet te stuiten. Verwoest werden 5 textielfabrieken, 11 confectiebedrijven, 2 kartonnagefabrieken, 3 kerken, 3 scholen, de openbare leeszaal, het distributiekantoor Zuiderhagen en...wat niet erg was: de Ortskommandatur aan de Tromplaan. Het huis van de familie, waar we net waren aangekomen, stond tussen de beide ziekenhuizen in en dát deel van de stad werd met de beide ziekenhuizen gespaard. We beleefden een inferno van vuur en rook. Aan alle kanten van de stad woedden hevige branden, 1000 huizen werden verwoest en 1700 beschadigd. Gelukkig bleven wij ongedeerd en toen we laat in de avond versuft thuis kwamen zagen we pas hoe zwart we er uitzagen.

Het laatste jaar van de oorlog werd de situatie echt kritiek. Op 18 oktober 1944 luisterden we bij Jan en Frans in ‘t ‘Rooie Dorp’naar de Engelse zender, toen we bericht kregen van een aanstaande razzia. Ik rende daarop, achter de huizen langs, naar de Hogeweg en de andere mannen naar het Hannekerveld. Daar werden ze verrast door Duitse soldaten en ze sloegen in paniek op de vlucht. De soldaten openden het vuur en Frans Benneker liet daarbij het leven.

De drie maanden voor de bevrijding waren een aaneenschakeling van droevige gebeurtenissen. Op zondagmorgen 14 januari 1945 waren er boven Losser luchtgevechten tussen diverse vliegtuigen. Tijdens deze gevechten kwam een Duitse jager vanuit het westen, laag vliegend op het dorp aan. Hij vloog over het hervormde kerkhof en boorde zich in 2 dubbele woonhuizen aan de Dinkelstraat. Het vliegtuig was totaal vernield en de piloot kwam om het leven. Van het daar wonende gezin Stegge kwam de vader met 5 kinderen om het leven. Op hetzelfde tijdstip is er nóg een Duits jachtvliegtuig neergestort in de Zandbergen en ook hier kwam de piloot om het leven. Een vallende benzinetank van een vliegtuig vernielde verder nog een deel van het winkelpand van de familie Donker.

Maar het leven ging verder…we moesten aan eten zien te komen en zo gingen we met veel dorpelingen aardappelen halen in Kloosterhaar. M’n vader en ik gingen met de trekkar en we deden er 2 dagen over. We overnachtten in een boerenschuur in de omgeving van Kloosterhaar. Heen en terug was dat een afstand van 105 km. De terugtocht met de kar met aardappelen werd op het eind wel erg zwaar, maar het resultaat loonde de moeite!

Het was 5 maart 1945 toen we hout gingen halen in de bossen van het erve Deppenbroek. Opeens zagen we Duitse busjes aan komen rijden. Mijn vader en ik doken in een veeschuur en wachtten in spanning af wat er zou gebeuren. De busjes, met naar later bleek S.S-ers, reden naar de boerderij van Rikhof en even later hoorden we schoten. Na nog een tijd in die schuur gebleven te zijn gingen we naar huis. Later bleek dat bij Rikhof de verzetsoffcier en geheimagent Henk Brinkgreve was doodgeschoten.

Er waren in Losser tijdens de oorlog al verzetsgroepen, maar het daadwerkelijke verzet in de NBS/SG  (Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten/Strijdende Gedeelte) heeft pas na de landing bij Arnhem gestalte gekregen. De grote gangmaker was Joop Lussing, die kort voor de bevrijding werd opgevolgd door M.J. Bolhaar, geassisteerd door H. de Vries.

Op 13 maart 1945 werden de fabrieken van M. van Delden in Gronau gebombardeerd, waarbij onze buurvrouw Anna Welpelo om het leven kwam. We zagen daarna hoe de mannen uit Oldenzaal in lange rijen naar Gronau werden gedreven onder bewaking van Duitse soldaten. Met de jongens uit de buurt sliepen we ’s nachts in de schuur van boer Holtslag. Een paar dagen voor de bevrijding zagen we hoe het Duitse leger in desolate toestand en volkomen uitgeput, slapende op kanonnen en gevechtswagens, richting dorp trok. Rondzwervende soldaten roofden alles wat los en vast zat; ze haalden bij onze buurman zelfs z’n fiets uit het huis. Volgens waarnemingen nestelde zich in Losser een afdeling van de Fallschirmjäger, bestaande uit ca. 1000 man, met de bedoeling weerstand te bieden. Aan de Hogeboekelerweg hadden zich massa’s Duitse soldaten, bewapend met pantservuisten, handgranaten en mitrailleurs, verschanst in de berm van de weg. Verschillende wegkruisingen werden opgeblazen; ook de kruising Enschedesestraat / Broekhoekweg. Daarbij werd Jan Schansert door een scherf dodelijk getroffen. De woningen aan deze kruising, bewoond door de families Van de Wal en De Vries, werden totaal verwoest.

De laatste twee nachten voor de bevrijding sliepen we met de hele buurt in de grote landbouwschuur van de familie Nitert. Ook overdag bleven we op deze plek. De reden was, dat in de molen de Duitse soldaten mitrailleurs hadden opgesteld met het vizier op Gronau. Een bijzonder angstig gezicht en voor ons zaak om weg te wezen. Aangezien we verstoken waren van iedere informatie over de toestand buiten ons terrein, was het angstig afwachten. Van slapen in de schuur kwam niet veel terecht, want in de richting van Glanerbrug en Gronau was het een onafgebroken gebulder van kanonnen tegen een vuurspuwende hemel.We verlangden erg naar de bevrijding en gelukkig was die heel nabij. Bij Ledeboersbos meldden zich de eerste verkennerswagens van de Tommies, komende uit bevrijd Enschede. Ze werden door de heer Ledeboer, die daar een schuilplaats had, geïnformeerd over de aanwezigheid van de grote aantallen Duitse troepen in dorp Losser. De Engelsen besloten daarop halt te houden. Ze hebben daar, naar later bleek, gevoetbald met Jan en Arie Vogel, de zonen van de jachtopziener. Intussen had ook de leiding van de BS/SG in Losser, de Engelse commandant in Gronau op de hoogte gebracht van de toestand in Losser. Deze wijzigde daarop de oorspronkelijke plannen en liet Losser links liggen. Zo trokken de troepen om het dorp heen. Daardoor waren we wel een paar dagen later bevrijd. Achteraf was dat maar goed ook! Stel je voor, dat ze in Losser in gevecht waren geraakt met de in het dorp gelegerde troepen: het leed was niet te overzien geweest. Op de morgen van de 3 april 1945, terwijl we in spanning de gebeurtenissen afwachtten, kwamen uit Glanerbrug mannen aangefietst die ons vertelden, dat ze al twee dagen vrij waren. Ze hadden sigaretten bij zich en ik rookte daar de eerste Engelse sigaret: Players Navy Cut! Een paar uur later was ook onze bevrijding een overweldigend feest!


Uit ‘De Kerkbode’ van 17 april 1945

Wat waren we gelukkig en blij toen we eindelijk onze bevrijders konden verwelkomen.

Vanuit de richting Gronau kwamen ze aanrollen: tanks, vrachtauto’s met geschut, brencarriers, jeeps, halfrupsvoertuigen, onderdelen voor de bouw van baileybruggen, met daarachter de geweldige machines voor de wegenbouw, de bulldozers etc.etc. Daar tussen door de motorrijders op hun Nortons en B.S.A’s, bezig het verkeer te regelen.

Alles maakte op ons een overweldigende indruk!

Met verbazing en verwondering zagen we hoe die grote machines en werktuigen het stationsemplacement egaliseerden. Het terrein dat er na het opbreken van de rails in 1943 zeer verwaarloosd bij lag, werd in een mum van tijd omgetoverd tot een gladde parkeerplaats. Die werd daarna vol gezet met de machines nodig voor het herstel van wegen etc. De Canadezen hadden intussen hun intrek genomen in de openbare- en de christelijke school tegenover de parkeerplaats. Van hieruit gingen ze elke morgen met hun voertuigen via Oldenzaal /Denekamp naar het grensgebied om de schade aan de wegen te herstellen. ’s Avonds kwamen ze terug, met zo nu en dan wat goederen, die ze bij ons aan de openbare weg verhandelden voor bijvoorbeeld ‘eggs’!!

Losser was nu echt bevrijd van de vijf jaar lange onderdrukking door de vijand. De N.B.S.-ers in blauwe overalls, gewapend met stenguns of karabijn, waren inmiddels al druk doende de N.S.B.-ers en collaborateurs op te halen. 94 Personen werden in hechtenis genomen. Daarvan werden er 34 doorgestuurd naar de politieke gevangenis in Enschede. De anderen gingen naar de Mariaschool naast Hotel Hut. Uiteindelijk werden er 15 berecht. De opgehaalde mensen werden in een bus geladen en vervolgens naar de school gebracht. Daarbij deed zich de bizarre situatie voor, dat op een gegeven ogenblik de chauffeur uit de bus werd gehaald, omdat bleek dat hijzelf lid van de N.S.B. was geweest.

De N.B.S. had zich in de eerste dagen van de bevrijding gehuisvest in Hotel Smit, maar vestigde zich kort daarna in het voormalige kringhuis van de N.S.B, Hotel Hut. Daar konden dus de letters N.S.B. op de ramen van het hotel vervangen worden door de letters N.B.S. Deze N.B.S. ging al spoedig de woningen van de vrouwen en meisjes die hun diensten hadden aangeboden aan de Duitse militairen, beplakken met door de Engelse legerleiding verstrekte plakkaten. Daarin werd bekend gemaakt, dat deze huizen verboden waren voor de Engelse militairen. Vóór de deur posteerde zich dan een gewapende B.S.-er, die er op moest toezien, dat het verbod niet werd overtreden. Er speelden zich vervolgens komische taferelen af, want ’s avonds kwamen dan toch de militairen, joegen de B.S.-ers op de vlucht en gingen vrolijk naar binnen. Het was soms wildwest rondom deze buurten, want elke morgen werden de plakkaten vernieuwd en elke avond herhaalde zich het ritueel. Natuurlijk werd een en ander door ons met veel plezier gadegeslagen. Tot op een avond de zaak escaleerde! Een groep soldaten trok op naar Hotel Hut, gijzelde een paar uur de aanwezige N.B.S. en gooide alle huisraad van de bovenverdieping door de ruiten heen op straat. Het was een geweldige ravage, die door de gealarmeerde Engelse commandant met afgrijzen werd opgenomen. Naar aanleiding van deze gebeurtenis volgde dan ook een paar dagen arrest voor de daders.

Inmiddels was bekend geworden, dat het klooster in de Bardel volgestouwd was met geroofde Nederlandse goederen. Deze waren door de gevluchte Duitse troepen daar achter gelaten. Om de goederen terug te halen werden boeren met paard en wagen gevorderd om de geroofde buit naar Losser te vervoeren. De wagens werden geëscorteerd door de B.S. Door de Zandbergen ging het daarna naar Hotel Hut en naar de Aloysiusschool, waar de goederen tijdelijk werden opgeslagen. Onderweg verloren de wagens – gewild of ongewild – wel eens iets van hun lading, maar een kniesoor die daarop lette, want er was immers aan alles gebrek. De N.B.S. richtte zichzelf compleet nieuw in met meubilair en tapijten van de voorraad uit de Bardel. Aangezien er ook muziekinstrumenten bij waren, kregen de muziekverenigingen elk een nieuw instrument. Wij kregen voor Sempre Crescendo een kostbare waldhoorn. De goederen zijn een paar weken later naar een verzameldienst in het binnenland gebracht.

In ‘Ons Gebouw’ waren de Engelsen gehuisvest. De kleine voorzaal, waar wij ons ‘home’ hadden, bleef voor ons beschikbaar en samen met de ‘Tommy’s’ hadden wij daar een mooie tijd. Er werd een talenmengelmoesje gesproken dat soms hilarisch aandeed, maar gelachen dat we hebben! Het bleek trouwens, dat sommige jongens met alleen maar lagere school, nog beter met de Engelse taal overweg konden dan de Mulogasten. Een kwestie van natuurlijke aanleg en gevoel voor taal.

Omdat ik veel in het gebouw verbleef om de conciërge (familie) te helpen, was ik een soort vertrouwenspersoon voor de Engelsen. Daarbij kwam dat ze behoefte hadden aan muziek en zang, waaraan ik met de aanwezige piano wel kon voldoen. Bij de Engelse liedjes die ik al kende, kwam er een hoeveelheid Engelse songs en swing bij, die ik via hun radio kon leren spelen. De songs, zoals: ‘We’ll meet again’ (Vera Lynn), ‘In the mood’ (Glenn Miller) en ‘When the Saints’ (Louis Armstrong), waren razend populair. Verder ook de muziek van Benny Goodman en Tommy Dorsay. We hebben samen heel veel gespeeld en gezongen, een heerlijke tijd. In het gebouw waren meestal twee keer in de week de zogenaamde ‘Tommy balls’ en dat waren geweldige dansfestijnen. Daar speelden de beste dansorkesten en meestal Engelse bands. Voor het begin van de dansavonden gingen de legerwagens door het dorp om de meisjes op te halen voor de dans. De Nederlandse jongens en de Canadese militairen werden geweerd. Voor mij gold dat niet, want ik was ‘zoon des huizes’ en genoot van de muziek. Het was meestal aan het slot van zo’n avond, dat de Canadezen de ruiten van de bewaarschool (= de ronde hoek van Ons Gebouw)

ingooiden uit ergernis, dat ze niet tot de dansavond werden toegelaten. De volgende ochtend kwamen ze dan aanzeulen met het nieuwe glas en werden de ruiten er weer vakkundig ingezet. Zo was dan alles weer pais en vree.

Er werd door de Engelsen veel gesport; naast het gebouw op het grasveld werd er gevolleybald. Een balspel dat wij toen nog niet kenden, maar dat al heel gauw ook voor ons een ‘must’ was. De Losserse ‘boys’ mochten ook mee doen en zo was het dansverbod spoedig vergeten. Er werd ook weer gevoetbald. Op het P.J.-terrein speelden we een wedstrijd tegen een Engelse combinatie met nogal wat profs. Maar het Losserse elftal had ook wat bekende voetballers opgesteld, spelers die tijdelijk in Losser verbleven. Zo stond Harm Pieters van Sportclub Enschede bij ons in het doel en verder hadden we op het middenveld twee bekende spelers van Heracles Almelo opgesteld. Dat we maar met 3 – 1 verloren was toch nog een goede prestatie.

In de eerste weken van de bevrijding was er naast vreugde ook verdriet. We treurden bijvoorbeeld om de dood van Joop Dijkhuis, een sportvriend en de beste atleet van Losser, een kei op de 1500 meter. Hij werd als verzetsman doodgeschoten bij de bevrijding van Hengevelde. Het leven ging echter door en vreugde en blijdschap hadden de overhand. Zo werd er niet alleen in Ons Gebouw gedanst, maar in alle Losserse danszalen. Dat waren toen: Schorfhaar, Lippinkhof, Koopman en Ter Denge. Zelfs de oudere Lossernaren gingen op dansles en genoten volop van het vrije leven.

Langzamerhand werd toch alles weer normaal; de militairen vertrokken en het verenigingsleven van vroeger werd weer hervat. Met Sempre Crescendo hadden we weer onze eerste repetities, maar nu gelukkig in de grote zaal van Ons Gebouw.

Op 29 juni 1945 volgde de feestelijke intocht van pasoor Schaafs en Willem Game vanaf steenfabriek De Osse. Willem Game zat naast de pastoor in een open landauer, die onder begeleiding van de muziekverenigingen Excelsior en Sempre Crescendo het dorp in trok. Op het bordes van de pastorie werden ze toegesproken door o.a. wnd. Burgemeester A. Mos. In Vught en in concentratiekamp Dachau hadden ze veel steun aan elkaar gehad, waarbij de communist Game de Losserse pastoor door een moeilijke tijd had heen geholpen.

Voor mij was het meteen een afscheid, want ik vertrok uit Losser.

De herinnering aan een onvergetelijke tijd zal echter altijd blijven.

Hans van Huizen (Denekamp) 

ONS DORP

In ons dorp staat een toren

Van een hele oude kerk.

Het pleintje met kinderkoppen en stenen

Is er mooi omheen gewerkt.

 

In ons dorp zijn vele winkels

Van alles is er te koop.

En het is er erg gezellig

Als je door de straten loopt.

 

In ons dorp is veel te beleven

Er is veel op cultureel gebied.

Zang, sport en verenigingsleven

Er is veel dat ons dorp ons biedt.

 

Kermis, Breugheliaans feest niet te vergeten

Carnaval vieren we drie dagen lang.

De avondvierdaagse wordt gewandeld

Drie dagen fietsen met de Rabobank.

 

En dan het Arboretum

Dat vol met mooie bomen staat.

Wandelpaden en een infocentrum

Waar je van alles vragen gaat

 

Lang kunnen we over ons dorp vertellen

Er is ook zoveel te zien.

Je gaat er gauw maar eens kijken

Ze zijn er vriendelijk bovendien.

 

De Laga komt al dichterbij

Er is heel hard gewerkt.

Alles komt er mooi uit te zien

Zodat je dat al merkt.

 

We maken er een mooi jaartje van

Heel Losser doet er aan mee.

De Laga is voor iedereen

En dat is dan okee.

 

P.E. de Kleijn-Koolen