Oet Dorp en Marke 2003 - 2

Inhoudsopgave

Het molen- en maalgebeuren in Losser
(door J.J. Luizink)
. Watermolens
. Windmolens
. Molenaars
. Het recht van water en wind
. Graan accijns
. De eerste Losserse windmolen
. Wie streden er toen in dit gebied
. Hoe ging het verder
. Verdere bijzonderheden over de eerste Losserse windmolen
. Een laatste vaarwel aan de eerste Losserse windmolen
. Nieuwe bebouwing
. Tot slot
Uitgaven van de Stichting Historische Kring Losser


Foto omslag: Teylersmolen gezien vanaf de Denekamperdijk

HET MOLEN- EN MAALGEBEUREN IN LOSSER

Door: J.J. Luizink

De heer Johan Luizink heeft zich gedurende vele jaren verdiept in de geschiedenis van

de molens in Losser. Het resultaat van zijn naspeuringen is vastgelegd in een uitvoerig

manuscript, waarover de Historische Kring mag beschikken. Met zijn toestemming zullen

wij gedeelten hieruit in een beknopte bewerking publiceren. In deze aflevering van Oet

Dorp en Marke Losser de eerste publicatie. Aan het slot van de reeks zal een uitgebreide

opgave worden gedaan van de vele door de heer Luizink geraadpleegde bronnen.

Redactie: Thea Evers.

Watermolens

Hoe heeft men in Losser gerekend vanaf het jaar nul tot het einde van de 13e eeuw, toen de watermolens in wat grotere omvang gestalte kregen, zich van meel voorzien? Het aantal inwoners was klein, maar toch, zij waren er en moesten zich met de toen beschikbare middelen behelpen.

De rogge kende men al wel, maar hoe groot het aandeel was in het voedselpakket blijft een gissing.

In het prille begin moest men zich zelf behelpen om van graan meel, of wat daar op leek te malen. Aanvankelijk hebben de mensen, waarschijnlijk met hun eigen tanden, zoals men dat ook ziet bij primitieve volkeren, niet gemaald maar gekauwd. Maar spoedig zullen er handmolens in de meest primitieve vorm zijn gebruikt, zoals stampmolens, quetsmolens, wrijf- en rutsmolens en andere soorten hulpwerktuigen. In het Archeologisch museum Meppen (Dld) en het museum Molenhof in Münster zijn hier voorbeelden van te vinden.

De Romeinse ingenieur Vitruvius beschreef al in het jaar 20 voor Christus de onderslag watermolen.

De toepassing van de watermolens was in het oosten van ons land tegen het einde van de 13e eeuw nagenoeg voltooid. In Lage (Dld) wordt de watermolen ca.1274 voor het eerst genoemd. In Denekamp is dit in 1380. Dingeldein maakt melding van mogelijke watermolens bij Weleveld (1206) bij Markelo (1266) en Diepenheim (1237), de onderslag watermolen met een verticaal waterrad.

Over de opkomst van de Gronause watermolen die voor de meelvoorziening van de Losserse bevolking een belangrijke rol heeft gespeeld is echter weinig bekend.

In Losser en ook elders, heeft men zich ongetwijfeld beholpen met allerlei soorten hand- en watermolens aan de verschillende beken en stroompjes. Hoe precies en in welk tijdperk, daar is in de meeste gevallen weinig van bekend.

Herman Hagens- met zijn bekende boek “Molens-Mulders en Meesters”- waaruit ik met zijn toestemming mag citeren, heeft hier intensief naar gespeurd en zegt hierover het volgende:

"We kennen op het grondgebied van Losser zo’n 10 plaatsen waar sprake is geweest van molenwerkzaamheden":

De Hulsbeker watermolen (dit gebied behoorde tot 1955 tot de gemeente Losser)-Gammelkerbeek. De watermolen bij het erve Meuleman in Beuningen (Dinkel). De mogelijke watermolens bij het erve Schultinckhof (Dorpsbeek),  Schiltkamp   (Glanerbeek), Möllerman, nu Dijkhuis (Glanerbeek) Welpelo (Ruenbergerbeek), Scholtenfleer (Snoeyinksbeek), Hanhof (de Lutte), Teusink (de Lutte). En ook ten noorden van Oldenzaal lag vermoedelijk nog een watermolen. En voor Losser was dus ook belangrijk de Gronauer molen aan de Dinkel, midden in de stad.

Windmolens

Door wie en wanneer de eerste windmolens zijn gebouwd, daarover lopen de meningen van de historici uiteen. De ene stroming vermeldt dat de kruisvaarders (1095-1400) vanuit het Heilige Land de ideeën van het malen met molens met wieken, naar Noord Europa hebben overgebracht. De molens die ze in Palestina aantroffen waren uit steen opgebouwd en niet wendbaar, omdat de wind daar meestal uit dezelfde richting kwam.

Hier in het westen kennen we verschillende windrichtingen en zo werd de Standaardmolen geboren, waarbij de wieken op de wind gezet konden worden.

Andere onderzoekers hebben daar een andere mening over en denken dat voor die theorie niet voldoende bewijs is te leveren.

In 644 is in Seistan (Azië) al sprake van ontwerpen van windmolens, waarbij de molenstenen eerst boven en later onder een horizontaal windschoepenrad lagen. De windmolens zouden volgens een andere lezing juist uit Engeland in de derde kruistocht (1189-1191) naar Syrië zijn overgebracht, tot grote schrik van de plaatselijke bevolking.

Er is dus sprake van verschillende theorieën, maar nu terug naar onze eigen omgeving. Ootmarsum krijgt in 1314 het recht van water en wind (zie pastoor Geerdink blz. 232).

In 1294 wordt volgens de geschriften de eerste windmolen in Lochem gesignaleerd. De Graaf van Gelderland geeft dan een windmolen in pacht te Lochem en betaalt een rekening die betrekking heeft op het herstellen van deze windmolen. (Forens P.J. Studie in Ancien technologie Vol II Leiden 1955).

In Oldenzaal is van het prille begin van de windmolen (nog) niets te vinden, alhoewel die stad in zijn glorietijd 5 windmolens rijk is geweest. Toch is het aannemelijk dat de stad, die al voor 1249 stadsrechten kreeg, bij de eerste steden gerekend mag worden die over een molen beschikten. Het eerste tastbare bewijs vormt een acte van de notar van het Bisdom Utrecht van 1388 waarin sprake is van de Dames Molen aan de Deurningerstraat ( Archief Anhalt, Dld.).

Molenaars

De molenaars behoorden vroeger tot de toonaangevende ingezetenen van dorp en stad. De molen was ook de plaats waar nieuwtjes uitgewisseld werden door de wachtende boeren. De spreuk "wie het eerst komt, het eerst maalt" vond hier waarschijnlijk zijn oorsprong. Ook bekend is "Het nejste komt van de möl".  En “Der wot wat of kuiert bie de möl”. (Voor de niet Twentenaren: kuieren is iets anders dan kletsen-roddelen of lullen. “Mer, ‘t keump wal oet 'n zulfden praoatert”).  "Mer 't nejste nejs kömp van de möl" was toen de slogan. Langs drekkerige wegen naar de “möl” was ook een gezegde.

Het molenaarsvak was een specialistisch beroep. Daarnaast liepen molenaars- en bakkerswerkzaamheden vaak in elkaar over en treffen we ze beiden vaak onder één dak aan. In Wageningen was de vakschool waar de toekomstige molenaars en bakkers werden opgeleid. Zij moesten over de nodige technische vaardigheden beschikken, kennis hebben van de handel en uiteraard van de graansoorten die aangeboden werden. Een molenaar moest de algemene zuiverheid kunnen vaststellen, het percentage zieke en aangevreten korrels, zicht hebben op het percentage gekiemde korrels, het vochtgehalte kunnen bepalen (dit mocht maximaal 16% zijn), kortom een veelzijdig beroep.

Elk vak kent zijn grappen en grollen. Zo ook het molenaarsmetier.

Een molenaar die het niet zo nauw nam met het "mijn en dijn" hanteerde een buitenmodel grote schep bij het vaststellen van zijn maalloon. Gebruikelijk als loon voor het malen was 1/32 deel van de te malen hoeveelheid. De molenaar kreeg echter wroeging over zijn daden. Toen hij eens naar zijn biechtvader ging om daar zijn zonden te belijden, kreeg hij als penitentie ondermeer de opdracht om een stuk van zijn te grote schep af te zagen. Terug op de molen overpeinsde hij nog eens zijn zonden en dacht na over de opgelegde penitentie. Toen hij de (te) grote schop weer in handen kreeg en deze bekeek, bleek weer eens dat de geest gewillig is maar het vlees zwak. Een stuk van de schop zagen mompelde hij,  maar de pastoor heeft er niet bij verteld aan welke kant. U raadt het al...hij zaagde een stuk van het handvat af en had daarmee aan de opdracht van de pastoor voldaan en zich “zolf nich te kot doan”.

Rogge-oogst juli 1939

Het recht van water en wind

 De geschiedenis van de wind- en watermolens is onafscheidelijk verbonden met het recht van water en wind. De landheer was in de oude tijd tevens de eigenaar van het gebruik van water en wind.

Als iemand een molen wilde oprichten, moest hij bij de landsheer vragen en tevens de jaarlijkse pacht betalen. Eveneens bepaalde de heer waar de molen mocht worden geplaatst.

Na de afzwering van Philips II gingen de landsheerlijke rechten over op de Staten der Provincie. In een z.g.”Windbrief” werden de (weinige) rechten en de (vele) plichten van de stichter omschreven. In het octrooirecht werd tevens bepaald op welke afstand gebouwen gezet en bomen geplant mochten worden en ook werd aangegeven de afstand tot de wegen. Zo bleef de situatie tot de Bataafse Republiek. Toen werden bij staatsregeling alle heerlijke rechten afgeschaft. En verviel als zodanig ook het recht van water en wind. Voor de korenmolens verviel ook de z.g. ”dwangmalerij” waarbij aan de bewoners van een zeker gebied was geboden op een bepaalde molen hun graan te laten malen. In Losser kwam deze dwangmalerij nauwelijks voor.

In 1693 werd bovendien nog verzocht de molen een naam te geven, om plaatselijke verwarring te voorkomen.

Na een tussentijdse regeling van Koning Willem I, V.B. van 31 juni 1824  St. bl.19 (vergunning aan fabrieken en trafieken) kwam de Hinderwet in 1875, waarbij de gemeenten de vergunningen verleenden, aan de hand van bestaande voorschriften, zoals o.m. regels voor de omheining van het erf, om ongelukken te voorkomen.

Graan accijns

Overijssel had zijn Generale en Particuliere ordonnantiën en voorschriften van o.a.1627-1643-1661. Ook toen gold, evenals nu, dat het Rijk geld nodig had. Heffing op graan was één van de vele belastingen en iedereen had brood nodig, dus dat bracht altijd geld in het laatje. Heffen naar draagkracht was er toen nog niet bij. Hij die “greijnen" ter molen bracht moest eerst een “breefken”van de pachter of de collecteurs halen.

De provinciale ordinantie van 17 april 1759 hield nog in dat de molenaars niet langer mochten malen dan van zonsopgang tot zonsondergang en dan nog slechts met toestemming van de belastingpachter, behoudens "ërheftelicke reden” als bijvoorbeeld langdurige windstilte. De ordinantie van 1750 beperkte zich tot het voorschrift dat bij “de mol of te omtrent de kercke van het kerspel, moet bij de pachter der middelen een collecteur gestationeerd zijn”.

Nadien kwam de algemene rijkswet van 21 mei 1819 waarin de molenaars patentplichtig werden gesteld. In 1813 werd de belasting op het gemaal zodanig verhoogd, dat niet alleen de bevolking, maar ook de molenaars in onze streek er zeer grote nadelen van ondervonden. In Duitsland was het malen namelijk vrij van belasting. Nu bestond er weliswaar een bepaling, dat er toch belasting en soms nog meer betaald moest worden als men zijn koren buiten zijn woonplaats liet malen, terwijl bij het van buiten ingevoerde meel of brood ook een "schijn"  moest worden afgegeven, waaruit bleek dat de import betaald was. Maar het vervoer van 1 kg. meel per persoon van over de grens was vrij. Dit was voor een vrouw uit het Oldenzaalse Veen “Mel- Truj “ genoemd, aanleiding om een heel expeditiekorps van kinderen uit haar buurt te organiseren, waarmee ze enkele keren per week over de grens trok. Daar werd elk voorzien van 1 kg onbelaste bloem.

Pas in de vijftiger jaren van de 19e eeuw werd de accijns op graan afgeschaft.

De eerste Losserse windmolen

De oprichting van de eerste Losserse windmolen ging gepaard met allerlei strubbelingen en vertragingen.

Tot het jaar 1638 moesten de Losserse boeren met hun graan naar de watermolen in Gronau of naar de windmolens in Oldenzaal. En als in Gronau de zaak bevroren of "überschwemt” was, zoals de archiefstukken vermelden, of als er juist gebrek aan water was, "feurde” men langs mulle -of modderige wegen naar Oldenzaal om te hopen dat ze daar wind en water hadden om te malen. Soms moest men uitwijken naar Singraven en in uitzonderlijke gevallen was men op Bentheim aangewezen.

Overal in Twente was het met de wegen treurig gesteld en ook verder in Overijssel lieten de verbindingen veel te wensen over. Aan de weg van Almelo naar Zwolle was een herberg genaamd "de Mol" met een uithangbord "Al wroetend komt men er door”. Een geestige karakterisering van het toenmalige vervoer.

Losserse boeren moesten dus een lange en vaak moeizame weg afleggen om hun graan gemalen te krijgen.

Omstreeks 1590 probeerde de richter van Oldenzaal, Herman van Hoevel, die in 1575 Wolter van Heijden was opgevolgd, in deze situatie verbetering te brengen. Of hij dit deed uit sociale bewogenheid en zo het beleid van zijn voorganger wilde voortzetten, of dat hij een gat in de markt zag, wie zal het zeggen, wellicht een mengeling van beiden.

Overigens waren de Van Hoevels, zo blijkt uit hun familiedocumentatie, nogal "molen-minded". We zien in 1722 Johan Ernst Willem van Hoevel als bezitter van de molen in Goor en in 1683 verzoekt Otto van Hoevel, de toenmalige bezitter van de Ravenhorst in de Bardel, de graaf van Bentheim hem de maalrechten van de beide Gildehauser molens over te dragen, waar hij trouwens niet in slaagde.

Herman van Hoevel liet omstreeks 1590 door twee Oldenzaalse molenbouwers (de namen worden niet vermeld), een windmolen in onderdelen klaarmaken en naar Losser brengen om de molen daar ter plekke in elkaar te zetten. Hij kreeg daarvoor de medewerking van Graaf Arent van Bentheim, door op de erven Nijland en Beernink (toen Bentheims bezit) de "Stendert" en de "Stert" te mogen "houwen". Niemand legde hem toen blijkbaar een strobreed in de weg, behalve de Spaanse troepen. Die waren in deze periode op weg om Coevorden, Groningen en Delfzijl, plaatsen die toen belegerd  werden door Staatse troepen, te bewaken c.q. te ontzetten.

In deze tijd kon men deze troepen, bestaande uit soldaten van verschillende nationaliteiten, die soms maandenlang geen soldij kregen, op verschillende plaatsen in Twente aantreffen, o.a in Groenlo, Lochem, Enschede, Oldenzaal, Denekamp, Ootmarsum en ook in Losser en wel op 't Heuveltje, waar zij de materialen die daar klaar lagen voor een te bouwen windmolen, gebruikten voor verwarming en onderdak, zo blijkt uit verhalen van getuigen.

Weg dus de windmolen. Bij de Losserse boeren "gung de lamp wier oet" (wat het malen betreft)

Herman van Hoevel deed later geen nieuwe aanzet, zo vermeldt de historie, omdat de toestand nog lang "onseecker" bleef. Het was de tijd van de Tachtig jarige oorlog (1568-1648) en in die periode van roven en plunderen was niets veilig en hadden de boeren de grootste moeite have en goed veilig te stellen.

Wie streden er toen in dit gebied

Van Spaanse kant was het Fransisco Verdugo, sinds 1585 stadhouder en kapitein-generaal van Friesland, Groningen en Overijssel. Hij was in 1537 als zoon van een beul en van een darmenschoonmaakster in Talaverna de la Reina, in het koninkrijk Toledo, geboren en door zijn dapperheid en bekwaamheid opgeklommen tot deze hoge rang. Hij had de opdracht om de stad Groningen en diverse versterkingen zoals Coevorden, Steenwijk en Delfzijl te verdedigen.

Zijn tegenstanders waren Graaf Willem Lodewijk van Nassau (Calvinist en een veelbelovende staatsman, neef van Prins Willem van Oranje, op 13 maart 1560 te Dillenburg (Dld) geboren en op 4 februari 1584 benoemd tot luitenant-stadhouder van Friesland, Groningen en Drente) en Graaf Maurits van Nassau, Prins van Oranje (sinds 1618) en zoon van Willem van Oranje en Anna Van Saksen (geb. 1567 te Dillenburg). Graaf Maurits  had bemoeienis met alle militaire zaken en was een zeer kundig krijgsman.

Tussen 1589 en 1594 hebben deze partijen met wisselend succes elkaar onder de meest barre omstandigheden bestreden, waarbij duizenden doden vielen.

Op 7 mei 1594 van dat jaar heeft Verdugo met zijn leger van 4500 man voetvolk en 2000 ruiters zich terug getrokken op Oldenzaal. De historie verhaalt, dat tijdens deze veldtochten zijn soldaten het maandenlang zonder soldij moesten stellen en stad en land afstroopten om zichzelf van het nodige te voorzien.

Zonder twijfel zijn afdelingen of groepen hiervan schuldig aan het verbranden van de onderdelen van de eerste Losserse windmolen, die daar toen op of bij het Heuveltje klaar lagen.

Hoe ging het verder

Op 17 maart 1630 dient Pallick van Hoevel bij de Ridderschap en Steden een verzoek in om in Losser een ” Windmeule” te mogen zetten, gelijk zijn vader zaliger in 1588 van de Koning van Spanje geimpetreert (verkregen/afgedwongen/gesmeekt) had. Het verzoek wordt afgewezen, zonder nadere toelichting.

Maar Pallick van Hoevel hield vol en met succes.Op 28 maart 1638 staat vermeld, dat hij de ”windmeule" mag zetten onder de voorwaarde, dat hij jaarlijks anderhalve goudgulden aan het Rentambt van Twente overmaakt en niemand van de "ingeseetenen van het Landschap" schade mag ondervinden.

De molen wordt in korte tijd opgebouwd. Pallick had deze vanuit Haaksbergen laten "ansleppen".

Hoewel de vergunning was verleend en middels plakkaten bekend gemaakt, was dit de eigenaren van de andere windmolens blijkbaar ontgaan. Nu de molen er plotseling stond werden ze (wel wat laat) wakker en kwamen tot de ontdekking, dat zij voortaan wel zo'n 40 a 50 boeren op hun molens zouden gaan missen.

De molens in Oldenzaal en Gronau (de weduwe van de graaf van Bentheim) waren uiteraard de meest gedupeerden. Zij tekenden dan ook protest aan en dat liep uit op een proces. Pallick van Hoevel krijgt het dan heel moeilijk, want die rechtsgang gaat zich uitstrekken over meer dan twee jaar, van 13 maart 1638 tot 29 augustus 1640 en omvat zo'n 17 zittingen.

Enkele wetenswaardigheden uit de rechtszittingen

Op de eerste zitting op 13 maart 1638 verklaren de getuigen Berent Kuper, ongeveer 80 jaar oud, Haus Hennick, 71 jaar, Berent Holtman, 70 jaar en Johan Holman, ruim 60 jaar oud, dat het molenhout daar zo'n 40 a 50 jaar geleden door de Spaanse troepen gedeeltelijk is verbrand. Het kleine hout is ten prooi gevallen aan de vlammen en het grote is blijven liggen.

Op de 3e zitting, 3 juni 1638, richt de Hoog geb. Frouwe Anna Elisabeth, Furstinne tot Anholt, mede in naam van de steden Oldenzaal en Enschede zich tot de heren Ged. Staten en protesteert tegen de verleende vergunning, die Zaliger Herman van Hoevel in het jaar 1588 van de Koning van Spanje heeft verkregen. Pallick van Hoevel benadrukt, dat de pastores van Oldenzaal er toen mee ingestemd hebben en ook de burgemeester ging er mee akkoord. Pallick zegt dat hij het "vremt" vindt, dat in die tijd de graaf van Bentheim de "Standerd" en de Stert" op zijn eigen erven Nijlant en Beerninck heeft laten "houwen" en toen aan Herman van Hoevel heeft "vereert" (geschonken) Hij verklaart dat de graaf nu markerichter van Losser is, terwijl een ieder weet en bij "ijder" bekend en kundig is, dat de markerichter geen heer van de gemeente is. En naar rechten niet meer heeft te vertellen dan de gewaarde erfgenamen. De boeren van Losser worden hiervan de dupe, aldus Pallick:

"Dwinchet daerdoer de ingesetenen van Losser met pericel (gevaar) van haer lijff, leven, wagen en peerde, buiten dese provincie ter molen te trecken, gelijck nog onlanch geschiet"

Hij verzoekt om de "ingesetenen" van Losser de helpende hand te bieden en te beschermen tegen "úijtheimse" betutteling. Hij verzoekt het protest af te wijzen. De molen staat er reeds en heeft hem enige duizenden gekost. Hij verzoekt verder de opposanten op te laten draaien voor de kosten.

Op 8 juni 1638 schakelen de boeren van Losser een schrijver Roelinck in en verzoeken Gedeputeerden van het Lantschap van Overijssel om de door Pallick van Hoevel gebouwde windmolen in Losser te handhaven. De arme "supplen" (indieners van dit verzoek) worden gepest, zoals Geert ten Hiddinck, die laatst op 26 mei de paarden, de wagen en het meel is afgenomen. Hermen Bloemen, ingezetene van Losser, is door de soldaten bont en blauw geslagen en de boeren moeten nog dagelijks dergelijke vernederingen ondergaan en boete betalen. (De soldaten moeten in verband gebracht worden met de Duitse Dertigjarige oorlog. De troepen waren ook in de grensstreek aanwezig en oefenden daar terreur uit).

Op 2 Juli 1638 roept Pallick van Hoevel een achttal getuigen op, zoals Engelberts Geert, "omtrent 100 jaar oud", Geerlich Lippinkhof, "omtrent 60 jaren" en Dick Berent, "omtrent 50 jaren".

Zij verklaren eveneens dat de planken en het "kleinholt" indertijd door de soldaten van Verdugo zijn verbrand en ook hier wordt bevestigd, dat de graaf de "Standard" en de "Stert" heeft geschonken.

 

Op de zitting van 16 augustus 1638 komen een vijftal getuigen, hoofdzakelijk uit de Lutte. Een enquête onder de boeren daar heeft uitgewezen dat ongeveer de helft van de boeren naar Losser zal gaan omdat de weg daar naartoe minder slecht is, aldus boer Toysinck.

In de zitting van 22 augustus 1638 geven Burgemeester, Schepen en de Raedt van Oldenzaal hun mening. Zij vrezen zo'n 50 boeren uit Losser en een twintigtal uit de Lutte te zullen missen. Voor hun eigen "bloetburgers" zouden twee molens voldoende zijn. Zij hebben zojuist grote kosten gemaakt voor de Hulsbeker molen en zij adviseren dan ook afwijzend.

En zo gaan de pro's en contra's nog een tijd heen en weer, maar in de 14e zitting van 14 november 1638 verweert Pallick van Hoevel zich krachtig. Hij vindt de ingediende klachten belachelijk. Zijn molen is geen "dwancmolen". Iedereen kan gaan waar hij wil. Het verhinderen van de molen komt allen maar voort uit eigen gewin, tot schade van de Losserse ingezetenen. Hij vindt het maar vreemd dat iemand van buiten de landsgrenzen hier zodanige nering mag doen en dat geen ander zou mogen meedingen. Maar hij wint het niet. Op 29 augustus 1640 legt Pallick van Hoevel het hoofd in de schoot. Dan verklaren Christoffel van Bentheim, Furstlicher Gronauer Hofmeijer en Bernard Munick, rentmeester te Gronau, dat Jonker Pallick afstand heeft gedaan van het octrooi voor een windmolen, verleend door de Koninklijke Rekencammer in Roermond. Dit recht gaat dan voor de helft naar het Huis Gronau en de andere helft gaat naar de stad Oldenzaal. En zo worden de Furstinne van Gronau en de stad Oldenzaal eigenaar van de eerste Losserse windmolen, voor de totale som van 2000 Car. Gulden a 20 stuver het stuck, inclusief het recht van water en wind. Zo'n 17 gerechtelijke zittingen en 156 pagina's waren er nodig om de eerste Losserse windmolen rechtsgeldig te laten draaien.

De nieuwe eigenaren verpachten de molen. Een chronologisch overzicht van de pachters ontbreekt. Uit een acte van 1 oktober 1688 blijkt dat de graaf van Bentheim dan de halve Losserse windmolen als onderpand geeft. De pachter zat vermoedelijk in geldnood.

Maar ook de stad Oldenzaal was in geldnood en zo moest de halve Losserse windmolen op 6 maart 1730 in de verkoop. Jan Teylers uit Losser werd toen voor de helft eigenaar voor de prijs van ƒ 2.046.

Jan Teylers (1686-1751) was de zoon van de Enschedese burgemeester H.J. Teylers.

Jan Teylers trouwde met Maria Henrica Froens uit Losser en uit dit huwelijk werden geboren de dochter Janna en de zonen Theodorus en Henricus.

Deze twee zonen kopen in 1779 de andere helft van de molen van Maurits Casimir, graaf van Bentheim, voor de prijs van 300  Carolische gulden.

Voor de verdere wisselingen van de eigenaren van de molen volgt hieronder de daarop van toepassing zijnde genealogie van de fam. Teylers.

Henricus Teylers (uit 1.)

trouwde 17-4-1761 Aleida Stroink

geb:1739 te Enschede

overl: 22-7-1797. Losser

uit dit huwelijk geb. 7 kinderen, no.4 was

Jan Teylers (de latere Maire van Losser)

geb:13-4-1767. overl: 9-2-1817.

trouwde 16-9-1795 Johanna Hetmanna Cramerus

geb: 5-2-1765. Nordhorn

overl: 14-5-1819. Losser.

uit dit huwelijk geb. 11 kinderen, no.2 was

Theodorus Ernst Willem Teylers.

geb: 18-6-1797. Losser

overl: 6-7-1823. Losser.

trouwde 1e huw. 28-11-1819.

Anna Catharina Costers.        

13-3-1801 Gronau.

uit dit huwelijk geboren 2 kinderen

Jan Teijlers geb: 5-1-1821

overl: 12-7- 1899 Losser. (ongehuwd)

Theodora Ernestina Teijlers geb.5-1-1824 overl.1-3-1897. (ongehuwd)

Anna Catharina Costers, 2e huw. 28-1-1825.

Gerhard Heinrich Mutert, geb.  ?    overl.1847

uit dit huw.geb. 5    kinderen.

no.2. Johan Christiaan Mutert geb. 14-1-1829.

overl 22-5-1906. (ongehuwd)

no.5. Engelina Hendrika Mutert geb: 7-1-1839.overl. 1870.

Engelina Mutert trouwde met. G. Vermeulen (Commies te Losser)

Een kleinzoon van G.Vermeulen wordt later de eigenaar van de molen.

Hoelang de wieken van de molen gedraaid hebben is niet precies bekend. De komst van nieuwe energiebronnen en de onderhoudskosten van de oude windmolen zijn waarschijnlijk de aanleiding geweest, dat G.Vermeulen met zijn malerij naar het dorp verhuisde (toen Molenstraat nu Bernard Leurink straat).

In 1895 had hij daar al een malerij gevestigd, aangedreven door een 8 P.K. stoommachine met verticale ketel, zo vermeldt de aanvrage voor een hinderwet vergunning (dit is naar alle waarschijnlijkheid een zuiggas motor geweest). In 1901 verving hij deze door een petroleum motor. Het bewuste perceel, huis en erf was op 3 Februari 1875 door Anna Costers - wed. van Gerhard Heinrich Mutert - gekocht van J. Bremmers winkelier in Gronau voor de prijs van ƒ 1.400.

Verdere bijzonderheden over de eerste Losserse windmolen

Op 28 oktober 1730 wordt de "stander van de molen vernieuwd" (dagboek van Aleida Leurink). Wie toen de nieuwe "stander" geleverd heeft, staat niet vermeld. Mogelijk zou dit een Gildehauser molenmaker kunnen zijn gezien de contacten met Gildehaus. Toen in 1917 de molen werd afgebroken stond onder de band van de "standert” het jaartal 1128. De betekenis van deze cijfers is nooit duidelijk geworden. Maar het heeft niets te maken met het jaartal van de molen.

Op 8 juni 1795 maakt Aleida Stroink wed. van Henricus Teijlers aan deze ‘gerichte’ (Landgericht Oldenzaal) bekend en geeft aan het versterf van haren zwager Theodorus Teylers die op 15 april is overleden en waarvan zij aangeefster ingevolge testamentaire depositie van den selven de dato 23 augustus 1794 opgericht en op den 5 mei j.l. gerichtelijk heeft aangeërfd de nagenoemde vaste goederen, als namelijk de Losserse windmolen met de daarbij staande huizen en schuren en onderliggende gaarden met alle daarbij liggende nieuwe grond. Het stukje bouwland op de Copshoven Rot, liggende aan de Molenstege. Een stukje bouwland in de Veldgaarden gelegen met Hooimate en de Middenmate op de Hasselt, gelegen met de grasgrond in de Patte, dat op de Bookholtscamp aan de Molenmate gelegen is, met een hooibrink in de Copshove aan de Welpendijk en nog een hele reeks erven en gronden met name genoemd.

1805. Vermeld wordt dat het maalloon schepper is één twee en dertigste deel is. De molenaar is meesterknecht.

In 1806 wordt Jan Teylers gepatenteerd als molenaar. Hij ontvangt dan vrijstelling voor het vervoer met geleidebiljetten voor het buitenland.

Jan Teylers is slechts 2 jaar molenaar geweest. In 1808 wordt hij betrapt op fraude op het gemaal en wordt zijn molenaarspatent ingetrokken. Hij heeft granen gemalen waarbij geen geleidebiljetten aanwezig waren.

Op 16 augustus 1808 wordt er Octrooi verleend aan Willem Witte als molenaar. Deze is waarschijnlijk afkomstig uit Gildehaus. Daar kwamen molenaars voor met de naam Witte.

In 1833 is Gerhard Muttert (zie genealogie) molenaar op de Losserse wind/korenmolen. De molen wordt in de volksmond de Mutters- of Teijlersmolen genoemd. Bij de sloop in 1917 zouden de nog bruikbare onderdelen gebruikt zijn voor de molen in Usselo.

Teylers molen kort voor de afbraak (1917)

Een laatste vaarwel aan de eerste Losserse windmolen

Ruim 270 jaar was hij een blikvanger geweest en had mede het dorpsbeeld bepaald. Waarschijnlijk waren zijn laatste dagen een beeld van ouderdom en verval. De moderne vervangers hadden zich in het dorp al aangediend. In 1917 was het dan zover. Niemand had er nog iets voor over. Een lot, dat ook talrijke andere molens trof. In die tijd was de Eerste Wereldoorlog nog in volle gang, men had wel iets anders aan het hoofd dan het behoud van een oude molen. Niemand trad toen op als hoeder van ons erfgoed, behalve de bekende streekhistoricus Van Deinse.

Onder de titel “de oude molen te Losser” wijdt hij een bijna lyrisch artikel als herinnering aan dit stuk historie. Hieruit de volgende samenvatting:

"Vele wandelaars en fietsers zullen met leedwezen vernemen, dat de oude schilderachtige standaardmolen, die even buiten het dorp Losser aan de grintweg naar de Lutte stond voor afbraak verkocht en verdwenen is.

Hij stond daar zo mooi, op een kleine verhevenheid aan den draai van den verharden weg, waar een brede zandweg in Noordelijke richting loopt en was een sieraad voor het Landschap. Het is een knap stuk werk zo'n standaardmolen met zijn zware eiken houten as en standaard, zijn balken en zijn kamraderen. Het aanbrengen van een nieuwe as of standaard moet een zwaar werk geweest zijn. Het laatste geschiedde door den molen op vier zware stutten te zetten, waarna men de standaard wegnemen en een nieuwe inzetten kon. Het moet een zware sterke eiken houten boom zijn, daar hij behalve de winddruk een gewicht heeft te dragen van zo’n 20.000 kg. Geen wonder dat Aleida Leurink er in haar dagboek daar melding van maakt. Men kan veilig aannemen dat het gehele dorp er bij geweest is. Nu ligt de lage molenberg verlaten aan de weg. Nog heeft men er zo’n mooi uitzicht op Losser met zijn oude merkwaardige toren aan de ene kant en de mooie heide aan de andere kant. Dichtbij ligt het eenvoudige kerkhof der Israëlieten te Losser, dat ook reeds in 1740 bestond. Althans het oude dagboek vertelt. 1740.  23 December, iets vroren en sneuwt, koude wint, als om 1 uur ‘ s middags, pint de Jode begraven is, bij den hogen kamp tegen Verbekkes land na de meulle.

Uit de beschrijving van de plek waar de overledene begraven is, zou men niet opmaken dat daar toen al een officieel Israëlieten kerkhof was.

Er ligt daar iets verder in de heide nog een kerkhof, dat men vanaf de molenberg herkent aan een groepje dennenbomen, hoog opstekend uit de heide. Dat noemt men in Losser " 'n Rommelingen kerkhof" waar men de doden begraaft, die niet in aanmerking komen om op een der kerkhoven van de drie godsdienstige gezindten te worden ter aarde besteld. Of landlopers die dood aan de weg worden gevonden, zelfmoordenaars en dergelijke. Een uit ruwe boomstammen gebouwd lijkenhuisje met een groot sterk ouderwets verroest ijzeren slot er op.

Dat kleine plekje grond waartoe een laag vervallen hekje vanaf de zandweg toegang geeft en dat omringd is door dennenbomen. Duidelijk tekenen de weinige graven zich op den bodem af. Elk bovendien aangegeven door een meer of minder zware veldkei. Wie zegt ons hoeveel leed er geleden is en hoeveel ellende er is doorstaan eer deze doden hier te midden ener schilderachtige heide hun laatste rustplaats vonden.

Het is jammer dat de oude standaard molens meer en meer verdwijnen. Ze zijn zo tekenend en hun vormen staan zo mooi in het Twentse Landschap.

’t Heuveltje in 1924. Rechts (met strohoed) meester Wooldrik, naast hem

mevr. Wooldrik-Lokker. (de naam van de andere dame is onbekend)

Nieuwe bebouwing

Op de kale verhoogde molenplaats bouwde omstreeks 1923 een gewezen ambtenaar uit het voormalige Nederlands Oost-Indië een eenvoudige houten optrekje. De naam van deze uit het zuiden van het land afkomstige ambtenaar was Balbian Verster. Een nogal on-Losserse naam en dat gaf de Lossernaren dan ook aanleiding deze te verbasteren tot “Boas Jan oet`t Venster”. Hij doopte zijn houten huisje met een voor Losser eveneens vreemde naam “Di Atas”. Toen ik een ambtenaar uit het voormalige Oost-Indië vroeg wat Di Atas nou letterlijk betekende, antwoordde hij, wijzend met de vinger naar boven: : "Meneer,  dat betekent 'Daar boven' ". Toen ik hem tekst en uitleg gaf van mijn vraag, vond hij deze naam heel toepasselijk. In het voormalig  Nederlands Indië, zo wist hij zich te herinneren, was het heel gewoon dat straatmuzikanten naast andere Hollandse liederen, ook liedjes zongen uit de bekende zangbundel ”Kun je zingen, zing dan mee”. En daar stond ook in “Daar bij die molen”.

Kenmerkend voor deze houten optrek waren de afmetingen (7 x 7meter) dus precies in een vierkant gebouwd. Het huisje was voorzien van een rieten dak.

De omgeving van het “Molen Heuveltje”, zoals het toen genoemd werd, was nogal kaal, zodat het huisje van alle kanten goed te zien was. Van 1924 tot 1927 werd het bewoond door mevrouw Lokker. Daarna jarenlang door de familie Nusmeijer, die het huis gingen uitbreiden en verbeteren. Vervolgens werd het bewoond door de familie Lenfert. De huidige bewoner is de familie Dove.

’t Heuveltje in augustus 1997

Tot slot

Loster, 't Hannekerveld

Door Hengel Wilm

 

Die Motters oude Stenderkast

lang 't oude Jodenkerkhof heen

Het "Algemene" kon men

reeds in de verte zeen.

Een groepje oude dennen stond

daar saamgepakt opeen.

Door geen omrastering omgeven.

Een kei deed dienst als steen.

 

Een ruw houten dodenhuisje.

Een eksterpaar vloog er rond,

Dat in de kruin der oude dennen,

hun uitverkoren woning vond.

Romantiek omgaf dees rustplaats,

geen afval, blik of vuil of smeer.

Wie zegt dat 't hier mooi is geworden,

geef ons het ouderwets weer.

 

De boeren gingen cultiveren.

De hei verdween en 't gras dat kwam.

Waar eens een kudde schapen graasde;

staat nu paal met draad en kram.

Viervoeters lopen er te weiden.

De beek doorsnijdt het oppervlak,

die de ijsbaan heeft er doen verdrijven,

omdat geen water er meer was.