Oet Dorp en Marke 2003 - 4

Inhoudsopgave

Van het bestuur
De nijverheid in Losser in 1810.
(Thea Evers)
Losserse biografieën
 . Aleida Leurink
 . Mr. B.H.A.M. Plegt
Losser's 20.000ste inwoonster werd gisteren geboren
(Thea Evers)
Gelezen ...
(door Thea Evers)
Pibo Ovittius van Abbema
(Georg van Slageren)
In plaats van kaat’n
(J.D. Brilman)
Uitgaven van de Stichting Historische Kring Losser

foto: J.G.C. van de Meene
Foto omslag:
Als afsluiting van dit jaar, dat voor de Historische Kring Losser in het teken van ‘het spoor’ stond, een fraaie foto van het station Losser in 1959 (foto J.G.C. van de Meene te Zwolle).

Van het bestuur

“De LAGA is voorbij. Wat blijft is de herinnering.” Deze wat weemoedig klinkende woorden schreef De Twentsche Courant Tubantia enkele dagen na de sluiting op 19 oktober j.l. En ondanks alles wat mis ging kijkt Losser met trots en inderdaad soms al een beetje weemoedig terug op een evenement dat in onze streken zijn weerga niet kent. Het enthousiasme van de Lossernaren was veel groter dan de soms al te kritische media deden vóórkomen.

Bij verschillende maatschappelijke groeperingen, waaronder Ondernemend Losser, is de wens naar voren gekomen om een vervolg te geven aan de succesvolle LAGA-periode. Als u dit leest is er inmiddels een bijeenkomst geweest waar ook de Historische Kring Losser (HKL) vertegenwoordigd was. In de krant zult u er ongetwijfeld over geïnformeerd zijn.

Op het moment dat wij dit schrijven zijn de meeste zichtbare herinneringen aan LAGA al opgeruimd. De grote tent (het LAGA-paviljoen) is afgebroken, de bloembakken zijn uit het straatbeeld verdwenen, de groen-oranje LAGA-fietsen zijn onder dak gebracht en de meeste Koesterkoeien staan weer op stal.

Ook de ‘HSM C 905’ (het spoorwegrijtuig dat opgesteld stond in het entreegebied van de LAGA in Losser) is weer terug naar de stalling bij de Stichting Museum Buurt Spoor in Haaksbergen. En gelukkig ‘heelhuids’. We hebben geen schrammetje kunnen ontdekken en dat is een pak van ons hart …!
De HKL had - zoals u niet ontgaan kan zijn - tijdens de gehele Laga in het rijtuig een expositie ingericht die gewijd was aan de tramlijn Gronau-Losser-Oldenzaal-Denekamp. Midden in die periode viel de datum 18 juli 2003 toen het precies honderd jaar geleden was dat de tramlijn officieel in gebruik genomen werd.

Omdat niet op alle dagen en uren van de LAGA ‘surveillanten’ van de HKL aanwezig zijn geweest, hebben wij het aantal bezoekers niet kunnen bijhouden. We schatten dat aantal echter op ongeveer 12.500. In de eerste weken waren het vooral de Lossernaren die in groten getale kwamen kijken naar de (foto)tentoonstelling. En naar het prachtig gerestaureerde rijtuig, dat in 1903 (speciaal voor ‘onze’ tramlijn!) werd gebouwd ten behoeve van het vervoer van textielarbeiders. Later waren het vooral spoorwegenthousiastelingen uit het hele land en natuurlijk de LAGA-passanten die kwamen kijken.

Op deze plaats willen wij nogmaals allen bedanken die hebben meegewerkt aan het slagen van onze expositie. In de eerste plaats de vijftien vrijwilligers die bij toerbeurt 27 weken lang op drie en tijdens de zomermaanden zelfs op vier dagen voor het ‘toezicht’ in de trein gezorgd hebben. Deze vrijwilligers waren voor ongeveer de helft afkomstig uit eigen gelederen en de andere helft bestond uit door ons lid de heer Jan Keppels ‘geronselde’ spoorwegdeskundigen. Onze dank voor de inzet en de trouw waarmee deze vrijwilligers hun werk gedaan hebben is groot.
Zonder vrijwilligers vaart niemand wel, maar als je geen geld hebt kom je ook nergens. Daarom vanaf deze plaats ook een woord van dank aan het Prins Bernhard Cultuurfonds Overijssel en de Gelderman Stichting te Oldenzaal die de tentoonstelling in de trein financieel mogelijk maakten.
En zonder trein zou er ook geen tentoonstelling geweest zijn. Daarom onze dank aan de Stichting Museum Buurt Spoor in Haaksbergen die de trein beschikbaar stelde en aan de gemeente Losser die destijds het laatste gaatje in de begroting voor de restauratie van het rijtuig heeft gedicht.

Het bestuur

Het rijtuig op deze fraaie foto is niet de HSM C 905 maar een ander bijzonder rijtuig. De rit met de locomotor (‘sik’) betreft een inspectierit van NS op 20 maart 1959 op de Gronausestraat in Losser. Het rijtuig is het voormalige salonrijtuig van koningin-moeder Emma, in dienst gesteld door de Nederlandsche Centraal-Spoorweg-Maatschappij (NCS) in 1900. Het werd in 1956 als dienstwagen 177502 in gebruik genomen door de Dienst van weg en werken (afd. Seinwezen). Toen in 1958 het Seinwezen een zelfstandige dienst werd kreeg het rijtuig het nummer 180002. Het rijtuig is na 1964 gesloopt. (Deze informatie is afkomstig van de heer J.G.C. van de Meene te Zwolle die wij daarvoor zeer erkentelijk zijn evenals voor zijn toestemming om de door hem gemaakte foto te gebruiken).
In het huis aan de linkerkant (met het uithangbord van Grolsch) was café Berghuis gevestigd. Later kwam op deze plek Baderie Zwijnenberg en nu is er een zonnestudio gevestigd.

De nijverheid in Losser in 1810

In het archief van de HKL bevindt zich een document dat een beschrijving geeft van de nijverheid in Losser in het jaar 1810. Helaas is de auteur niet bekend. Vermoedelijk is de tekst afkomstig uit Hotel Smit, maar ook dat is niet zeker. Het lijkt er op alsof iemand zijn herinneringen op schrift heeft gesteld. Ik vermoed dat het stuk werd geschreven na de Tweede Wereldoorlog, gezien de verwijzingen in de tekst, die slaan op de toenmalige situatie. De cursieve toevoegingen zijn van mijn hand en bedoeld als een verduidelijking naar de huidige situatie.
Thea Evers

De bevolking had haar bestaan in landbouw en weverij. Dan was er een handeldrijvende stand, die ofwel als beroep, ofwel als nevenbedrijf naast landbouw of weverij werd gevoerd.
Als we beginnen bij de Dorpsbleek en gaan door de Brinkstraat, dan hadden we eerst een oude smederij Weemhof (Kotjaks), Kellerhuis (de grutter) bakker, kruidenier en grutter, Ter Rahe (Poepenberg) schoenmaker, evenals Vos (de stoffer). De schoenmakers looiden zelf het leer in een kuil, welke "koem" werd genoemd. Bij de koem was een eikmolen om eikenbast te malen. Ter Rahe bijvoorbeeld had een koem waar nu het huis van de familie Derksen staat (thans Gildehauserweg 2). (Hier wordt bedoeld het huis van de toenmalige gemeentesecretaris Derksen). In de Brinkstraat vonden wij Smit (Smitkes), logement en handel in jachtartikelen. Roberink (Jochems) bakker en kruidenier, Ten Breul (Platten Kuiper), kuiper. Dit kuipersbedrijf was een belangrijk bedrijf, alleen al omdat men toen geen emmers en teilen had.
De kuipers haalden het hout uit het Samenrott (een bosgebied ten zuiden van Bentheim). De Ten Breuls waren de beste kuipers uit de omgeving. Kuipers uit Westfalen kwamen ook hier uit de omgeving op markten en kermissen, maar waren de Ten Breuls aanwezig, dan kon de rest gerust inpakken, want de kwaliteit die de Ten Breuls brachtten, was veel beter. Elk jaar bezochten ze o.a. de Almelose kermis, de z.g. Bissing. Ook naar Ommen gingen verschillende vrachten. Tevens kwamen zij ter markt met kromhout voor de schuitenbouw. Tot de laatste Ten Breul, die het ambacht niet meer als zelfstandige beoefende maar op de bierbrouwerij in Enschede, werd hun reputatie gehandhaafd.

In de Kloosterstraat zat Nijhof (Teuns), kruidenier en caféhouder. Morsink (Klopman) was kramer, die zijn handelswaar meenam langs de huizen. Vos (Poetsen) was kleermaker, Wageler horlogemaker en handel in koloniale waren, die uitsluitend uit de koloniën afkomstig waren. Zilversmit (Matser) kremer, Wierink (Jannink) barbier, Kuipers (Witten) klompenmaker, Ter Beek (Heers) timmerman. Op de plaats van café Veldhuis (nu Dunhof) werd in die tijd door burgemeester Eekhout de oude handweverij gesticht. (In dit pand bevindt zich nu het Chinese restaurant Iris). Poorthuis (Zew) was wielendraaier en stoelenmaker, Blokhof winkelier en hotelhouder, Snoijink (Daowes) eierkramer. Verder was er in de St. Maartenstraat nog een drukker en verver. Deze verfde ook voor de fabrieken uit Enschede. De stukken werden gespoeld in de Dorpsbeek, het kanaal tegenover de Ned. Herv. kerk, waar een schut in de beek was geplaatst. Er werd gedroogd op de heg rond Blokhofsweide (nu Aloysiusschool).
Verder waren er nog verschillende zaken en bedrijven waarvan we vluchtig nog enkele noemen: Lemmink (Geerlings) smid en café, Hoogelucht barbier, Johanna Leurink (Smits Jannao) hostiebakster, Ten Venne (Heininks) smid, Thiehatten herbergier, ten Brink manufacturier en kruidenier, Lippinkhof (Berendlupper) vrachtrijder, Sachs (Judeheiman) voddenraper.

Uiteraard zijn er geen foto’s van Losser in 1810. Daarom nemen wij voor een illustratie bij dit artikel onze toevlucht tot een mooi plaatje dat ruim honderd jaar later gemaakt is. U ziet (staande voor de kapperswinkel van Herman Brilman aan de Gronausestraat in de Esch) v.l.n.r. Bernhard van den Berg, Herman Brilman, Truida Brilman-Pit, Siena Lassche en met de hond Jan van Herman (nu: de heer J.D. Brilman uit Oldenzaal). De baby’s zijn Niesje en Remie van Herman en Truida. De knecht Bernhard begon later voor zichzelf en trad toen op als prijsbreker: bij hem kon je je laten scheren voor 6 cent - normaal 10 cent.

Losser kende toen ook reeds weversbazen, o.a. Vrieler (Magreten), Bethlehem (Klaant), Schipholt (Klumper), Grunder (Vlake) en Spiele (Kotte Wieger). Deze weversbazen haalden van de fabrikanten uit Enschede cops en kettingen. Ze gaven deze aan de wevers uit en brachten de geweven stukken naar de fabrikanten terug. Hiervoor ontvingen de huiswevers dan een weefloon.
Wat de algemene handel betrof: deze strekte zich uit over de gehele marke Losser, waaronder vielen Overdinkel, Glane, Voor - Lutte, grootste gedeelte der marke Lonneker, Bardel en gedeelte Sieringhoek en de Brechte (onder Ochtrup). Smokkelhandel werd veel gedreven met het plaatsje Ohne. Losser had in die tijd een goede veemarkt. Deze werd gehouden voor runderen en varkens op de ruimte tussen de Hervormde kerk en de pastorie (het tegenwoordige Raadhuisplein). De schapenmarkt op het terrein van het oude burgemeesterhuis (naast het postkantoor) (Nu staat op deze plaats het atelier van Badmode Hanterink). Bij de schapenmarkt bevonden zich de zaagkuilen, waar bomen tot planken werden gezaagd, Meerdere bedrijven zijn er geweest: tot 1871 o.a. een tabakskerverij, waar vroeger Holst (nu bankgebouw) was gevestigd. (Het pand op de hoek van de St. Maartenstraat/Bernard Leurinkstraat, nu een makelaarskantoor). Ook hebben we een bierbrouwerij gehad, waar vroeger secretaris Hemmelder, nu Holst, woonde. (Het pand van Chr. Holst aan de Kerkstraat).

Voor het onderwijs hadden we toen het hoofd B. Holst en de hulponderwijzer-kwekeling Bonke. De oude school was gevestigd waar nu de Ned. Herv. Pastorie  staat. Later omstreeks 1880 was er "meester Bouwman", die tientallen jaren hoofd van de openbare school was. Hij was nog hoofd van de nieuwgebouwde school (thans huishoudschool) aan de Overdinkelsestraat. (De voormalig "Lange School", nu braakliggend terrein bij het appartementencomplex ABN/Amro bank).
Er waren in die tijd voor Losser maar vier kommiezen. Een dokter was er niet, hulp moest komen uit Oldenzaal.

In het document staan ook nog enkele aantekeningen uit de winkelboeken van 1862-1870 van de familie Roberink:
110 pond meel 00,95 - 5 pond rijst 00,40 - 1 pond stroop 0,14 - 1 pond tabak 0,17 -  1 pond zeep 0,91/2 - 1/2 pond koffie 0,17 - 1 pond vet 1,05 - 61/2 pond tabak 0,90 - 10 pond voertarwe 0,60 - lappen voor Hendrik Nusmeijer 1,89 - 2 mud rogge 14,00 - 6 mud haver 24,60 - voer turf 48.00,23 - voer turf 160,52 -
Vlak voor de eerste wereldoorlog waren de prijzen:
1 pond bloem: 0.09 - 1 pond boekweitgrutten; 0,08 - 1 pond rijst: 0,08 - 1 pond stroop: 0,12 - 1/2 pond tabak: 0,15 - 1 pond groene zeep: 0,12 - 1/2 pond koffie: 0,35 - 1 pond vet: 0.40 - 1 mud rogge: 5,40 - 1 ltr melk: 0,08 - 1 wittebrood van 800 gram: 0,15 - 1 krentebrood: 0,16

Tot slot, ter vergelijking, enkele cijfers uit het jaar 1950 (ontleend aan H.J. Keuning, Het Nederlandse ambacht, 1950).
Voor de gemeente Losser staan vermeld:
6 smeden, 5 loodgieters, 19 rijwielherstellers, 7 autoreparateurs, motorrijwielreparateurs, 4 electrotechnische installateurs, 1 kleine nijverheid op electronisch gebied, 2 uurwerkmakers, 1 opticien, 2 goud- en zilversmeden, 1 slijper, 2 banketbakkers, 21 broodbakkers, 7 slagers, 4 consumptie-ijs-bereiders, 7 molenaars, 5 landbouwambachten, 16 schoenherstellers 2 zadelmakers.

Losserse biografieën

De gezamenlijke Overijsselse bibliotheken willen in het kader van de ontsluiting van Overijssels (cultuur) erfgoed, een website bouwen waarin biografieën van bekende en minder bekende Overijsse1aars worden opgenomen.
Dit kunnen personen zijn die landelijke bekendheid hebben, maar ook personen die regionale bekendheid hebben verworven. De reeks personen kan gaan van Dr. Herman Schaepman tot Herman Finkers, van Rovenius tot Jos Lansink en van Ilse de Lange tot Herman Brood.

Een kleine honderd biografieën zijn al beschreven in de driedelige serie "Overijsselse biografieën" onder redactie van drs. J. Folkerts.
Veel biografieën van (iets minder) bekende provinciegenoten zijn echter nooit beschreven, terwijl ze plaatselijk of regionaal een grote bekendheid genieten of hebben genoten

Om dit project te realiseren is aan de historische verenigingen in Overijssel gevraagd de biografieën te schrijven van personen uit de omgeving die in aanmerking zouden kunnen komen voor opname op de website voor Overijsselaars.

Enkele van de bijdragen die de Historische Kring Losser aan dit project heeft geleverd kunt u hierna lezen. Ook in volgende afleveringen van Oet Dorp en Marke Losser hopen wij nog enkele Losserse biografieën te publiceren.

De redactie

Aleida Leurink

Aleida Leurink werd op 24 september 1682 geboren in Enschede, waar haar vader burgemeester was. Ze trouwde in 1698 met de 28-jarige Henricus Keller, die op 19 juni 1697 bevestigd was als predikant van Losser.

Aleida heeft gedurende 57 jaren een dagboek bijgehouden. De aantekeningen in het dagboek beginnen op 9 maart 1698, de trouwdag van Aleida Leurink en Henricus Keller, toen ze haar intrede deed in de pastorie van Losser. Ze was toen nog maar 15 jaar oud.
Het kindvrouwtje dat van het burgemeestershuis in Enschede verhuisde naar de pastorie van Losser, had het als domineesvrouw waarschijnlijk minder druk dan sommige van haar opvolgsters in latere eeuwen. Tot werk in de gemeente ter ondersteuning van haar echtgenoot werd Aleida niet geroepen. In die tijd telde Losser goed tweehonderd hervormden. De gemeente was dus te overzien. Tot haar taak behoorde wel het besturen van de huishouding en dat was geen eenvoudige taak. Een predikant genoot slechts een matig inkomen in geld en daarom had de vrouw van de dominee ook een agrarische nevenfunctie. De koe van de pastorie moest gemolken worden en er werd ondermeer rogge en vlas verbouwd.

De weerslag van dit alles is terug te vinden in het dagboek van Aleida Leurink.
Tot en met het jaar 1722 geeft zij voor elk jaar slechts een korter of langer overzicht, maar in 1723 worden de berichten uitgebreider en van dag tot dag gegeven.
De weersgesteldheid interesseerde haar kennelijk bovenmatig. Ze vermeldt van elke dag tot in bijzonderheden hoe het weer is geweest. In 1749 heeft ze waarschijnlijk een thermometer en een barometer aangeschaft want vanaf die tijd noteert ze de standen daarvan.
Verder maakt ze aantekening van allerlei bijzonderheden over de prijs van landbouwgewassen, vooral over de rogge. Er is in het boek zelfs een lijst met de prijzen van de rogge van 1698 tot 1752.
Naast deze ‘statistische’ gegevens worden allerlei gebeurtenissen in Losser, Oldenzaal, Enschede en omgeving, maar ook uit andere plaatsen in ons land vermeld.
Aleida trachtte daarover van iedereen wat te weten te komen. Kreeg ze familiebezoek dan moest de voerman die de gasten bracht, haar alles vertellen over de plaats waar hij vandaan kwam. Vooral de classisbode uit Deventer die regelmatig boodschappen en brieven aan het kerkbestuur van Losser moest brengen, was een welkome gast en bron van informatie die trouw in het dagboek werd opgetekend.
Aleida Leurink overleed waarschijnlijk in augustus 1752

Het dagboek van Aleida Leurink is in particulier bezit maar is in het begin van de 20-ste eeuw voor een breed publiek toegankelijk gemaakt door J.J. van Deinse die er over ging schrijven in het Twentsch Dagblad Tubantia. In 1922 werden deze krantenartikelen samen met vele andere van deze schrijver, gebundeld in 'Het land van katoen en heide'.

“Het lezen van het dagboek van Aleida Leurink doet ons een blik slaan in het ouderwetsche, werkzame, gemoedelijke en degelijke leven op een dorpje in de achttiende eeuw. Daardoor heeft het mij eenige genoeglijke winteravonden bezorgd, te meer nog, omdat alles handelt over een leven in een bekend dorp en een bekende streek en ook, omdat men vele medegedeelde feiten kan vastknoopen aan de geschiedenis in ´t algemeen en die van Twente.”, zo besluit Van Deinse zijn publicatie over het dagboek in 'Het land van katoen en heide'.

Losser houdt de naam van Aleida Leurink in ere doordat de hervormde gemeente de naast de kerk staande woning, die sinds de restauratie van 1955  als kerkenraadkamer en jeugdgebouw in gebruik is, de naam ‘Aleida Leurinkhuis’ heeft gegeven.

Het Aleida Leurinkhuis naast de hervormde kerk in Losser

Mr. B.H.A.M. Plegt

Bernardus Henricus Antonius Maria Plegt werd in 1904 in Losser geboren. Zijn vader was hoofd van de lagere school en stuurde hem op 12-jarige leeftijd naar het klein-seminarie Culemborg. Hoewel de opleiding in Culemborg normaliter tot het priesterschap voerde haakte Bernard na zes jaar gymnasium af. Hij bekwaamde zich in het notariaat maar dat werd geen succes. Uiteindelijk kwam hij in de collegebanken van de Rijks Universiteit Utrecht terecht en voltooide daar zijn rechtenstudie. Aan het eind van de jaren dertig is hij manager (toen nog gewoon bedrijfsleider geheten) in het Oldenzaalse ziekenhuis ‘Tot Heil der Kranken’.  Na de tweede wereldoorlog krijgt hij in Wenen een baan aangeboden op het gebied van de advocatuur. Toen zijn koffers - bij wijze van spreken - al gepakt waren, kwam er een plaats vrij op de hoofdredactie van de Twentsche Courant. Hij koos voor de krant.

Het hoofdredacteurschap van de Twentsche Courant heeft een belangrijk deel van Plegts leven gevuld. Direct na de bevrijding zou er een eigen katholiek dagblad voor Twente verschijnen en de geboorte van deze krant moest bejubeld worden door alle katholieke gezinnen in deze streek. De pastoors stuurden vrijwilligers op pad om zoveel mogelijk abonnees te werven en niet zonder succes. Het gevaar bestond dat de krant een pastoorskrant zou worden, maar Plegt onderkende dat gevaar en was voorzien van een ‘dikke huid’ waarmee hij in voorkomende gevallen de gramschap van de heren geestelijken goed kon weerstaan. Plegt was mild in zijn oordeel en schuwde provocerende teksten. Schokkende artikelen van zijn hand zijn zeldzaam.
In het begin van de jaren zestig, toen de vernieuwing in het katholieke denken langzaam op gang kwam, raakte Plegt verzeild in een heftig meningsverschil met de Twentse geestelijkheid. Toen de katholieke landelijke pers de film ‘Zo begint het leven’ volledig afkraakte werd Plegt nieuwsgierig en ging de film zelf bekijken. Met de beste wil van de wereld kon hij er geen kwaad in ontdekken en gaf dat ook als zijn mening in de krant. Tot grote verbazing en ergernis van de Twentse geestelijkheid die de banvloek over hem uitsprak. Er werd een speciale bijeenkomst belegd om de hoofdredacteur tot de orde te roepen. Het pakte anders uit. Voordat de vergadering begon, vroeg Plegt aan de verzamelde geestelijken wie van hen de film zelf had gezien. Toen bleek dat niemand de film had gezien pakte Plegt zijn jas en vertrok, het illustere gezelschap in ontredderde toestand achterlatend.

De grote verdienste van Plegt is geweest dat hij zijn band met Twente zichtbaar heeft gemaakt in de krant. Hij wist mensen te binden en te motiveren maar bovenal een pioniersmentaliteit aan te kweken, waardoor de Twentse Courant kon uitgroeien tot een volwassen regionaal dagblad. Soortgelijke opmerkingen kunnen gemaakt worden met betrekking tot het Jaarboek Twente, waarvan Plegt vanaf de start in 1962 tot zijn dood in 1977 eindredacteur was.

In 1969 neemt hij afscheid van de krant maar komt na enkele jaren terug op de voorpagina, met elke dag een Twentse spreuk. Sommige zijn erg oud en authentiek maar het merendeel is zelf bedacht. Hij moet er enkele duizenden gemaakt en verzameld hebben. Met zijn Twentse spreuken heeft Plegt voor zichzelf een monument gebouwd, aldus Herman Haverkate in het Jaarboek Twente 1979. Datzelfde geldt voor zijn in dialect geschreven verhalen waarvan er enkele zijn gepubliceerd in het Jaarboek Twente en het grootste deel is uitgegeven in boekvorm onder de titel ‘Oet et oale doarp’. In twee delen gaat Bernard Plegt door het oude Losser, dorp van zijn jeugd.

Op 30 november 1977 kwam er door een verkeersongeluk een abrupt einde aan het leven van een man die veel heeft gedaan voor de bewustwording van de Twentse taal en cultuur.

Bernard Plegt (1904 – 1977)

Losser's 20.000ste inwoonster werd gisteren geboren

(door Thea Evers)
Zo luidde de  kop van Tubantia op 18 juni 1953, nu dus vijftig jaar geleden.

" 't Veul mi'j koold op de hoed"

Mijlpaal bereikt
“Losser heeft zich thans geschaard in de rij der 75 Nederlandse gemeenten, die minstens 20.000 inwoners hebben. Al enkele jaren was men dicht in de buurt van de 20.000ste, maar vandaag is die mijlpaal dan toch bereikt. Toch had het geen haar gescheeld of niet Gerda Theresia Kempers was de 20.000ste geworden, doch een ander borelingske. Immers een uur nadat deze baby werd aangegeven, werd het overlijden van een inwoner van Losser bij de burgerlijke stand bekend gemaakt.
Het merkwaardige geval zal zich waarschijnlijk voordoen, dat Losser op een zeker tijdstip in de toekomst opnieuw de 20.000ste inwoner gaat inschrijven, want als de grenswijziging tussen de gemeenten Losser en Oldenzaal doorgaat, zullen enkele duizenden Lossernaren Oldenzalers worden. Maar dat mag de feestvreugde van vandaag niet temperen.

Gezin telde reeds veertien kinderen
Vanmorgen om tien uur, toen de bel van zijn winkel aan de Kerkstraat even stilstond, maakte de heer B. A. Kempers zich vrij om op het gemeentehuis de geboorte van een dochter aan te geven. Hij had zijn kruideniersjasje maar aangehouden, want hij wilde gauw weer bij zijn klanten zijn. Al zestien maal had hij de geboorte van een wereldburger aangegeven en de praktijk was de laatste jaren zo geweest, dat hij de ambtenaar het trouwboekje overhandigde, de naam bekend maakte en zich onmiddellijk weer naar zijn zaak begaf. Later kon hij de acte dan wel tekenen. Maar ditmaal liet de ambtenaar van de burgerlijke stand, de heer A.A. Worsseling, hem niet zo gauw gaan. De heer Kempers moest binnenkomen, en er volgde een mysterieus telefoontje naar de burgemeesterskamer, waar hem enkele minuten later werd meegedeeld, dat Gerda Theresia Kempers, die gistermiddag om 3 uur het levenslicht aanschouwde, de 20.000ste inwoonster van Losser was.

" 't Veul mi'j koold op de hoed", zei de vader, toen hem dit voor Losser zo heugelijke feit werd meegedeeld. En de klanten moesten nu maar even wachten, want de acte werd keurig opgemaakt en in de kamer van de burgemeester voorgelezen in het bijzijn van het secretariepersoneel, voor zover de dienst dat toeliet. De heer Kempers was kennelijk beduusd van de onverwachte plechtigheid waarvan hij namens de jonggeborene het middelpunt was. Burgemeester J.P.A.M. van de Sandt sprak de heer Kempers toe en overhandigde hem namens de gemeente een spaarbankboekje met vijftig gulden voor Gerda Theresia. Er was uiteraard blijdschap dat Losser’s inwonertal de 20.000 heeft bereikt, maar de burgemeester wees toch ook op de schrikbarende woningnood, die er in Losser heerst. De toewijzing van het volume voor Losser is erg laag en daar komt nog bij dat men van de industriewoningen geen profijt kan trekken.
De bevolking van Losser is de laatste jaren met sprongen omhoog gegaan. Voor 1891 was het voor Losser moeilijk om de 5000 te bereiken, maar sedertdien is er sprake geweest van een grote aanwas. In 1909 telde Losser 10.000 inwoners. In 1932 15.000 en thans is de 20.000ste bereikt. De burgemeester sprak de hoop uit dat Gerda Theresia voorspoedig zal opgroeien en een lid van de Losserse gemeenschap zal worden, waarop iedereen trots kan zijn. Terwijl de burgemeester sprak werden van het gemeentehuis de vlaggen uitgestoken.
De heer Kempers dankte voor de vriendelijke woorden en spoedde zich daarop naar zijn winkel aan de Kerkstraat, waar de klanten al op de stoep stonden te wachten.
Op het gemeentehuis had men de heer Kempers gevraagd of hij zo langzamerhand een nieuw trouwboekje wilde hebben, want de 20.000ste inwoonster van Losser heeft nu niet bepaald een ereplaats gekregen. Zij staat namelijk op de achterkant vermeld. Maar de heer Kempers vond, dat dit tweede deel van dit boekwerkje hem maar moest worden gegeven in Augustus, wanneer hij zijn zilveren huwelijksfeest viert.
Intussen werden in de woning aan de Zweermanstraat vele bloemen binnengedragen. In de achterkamer lagen de moeder mevrouw R.M. Kempers-Smit en de baby, die het beiden goed maken. Vanmiddag om drie uur heeft het college van B. en W. het echtpaar Kempers zijn gelukwensen aangeboden en aan mevrouw Kempers een taart overhandigd met het gemeentewapen van Losser.
Van de zeventien kinderen, die uit het huwelijk zijn geboren, zijn nog vijftien kinderen in leven, zeven dochters en acht zoons. Hun namen zijn Annie 23 jaar; Truus 21 jaar; Bernard, die matroos is, 20 jaar; Piet 19 jaar; Herman 18 jaar; Johan 17 jaar; Gerhard 16 jaar; Mientje 14 jaar; Marietje 13 jaar; Albertus 11 jaar; Anton 10 jaar; Karel 8 jaar; Helena 4 jaar; Regina 2 jaar en Gerda Theresia 1 dag”.

De grenswijziging tussen Losser en Oldenzaal, waar de krant al op vooruitloopt, gaat inderdaad door. De annexatie van Noord- en Zuid Berghuizen vindt twee jaar later plaats in 1955. Dit kostte de gemeente Losser niet alleen een groot stuk van haar grondgebied, maar ook 4182 inwoners. Een ‘amputatie’ werd het genoemd. Het zwaard, dat al sinds 1919 telkens weer boven de gemeente had gehangen was nu daadwerkelijk neergedaald. Het inwonertal daalde hierdoor tot 16.292.
Losser  moet dan tot 1973 wachten om opnieuw de 20.000ste inwoner te kunnen begroeten in de persoon van  Tom Bernard Bruinink eerste kind van het jonge echtpaar Bruinink - Bloemen. Hij zag het levenslicht op zondag 9 september om 20.30 uur in het Dinkelziekenhuis. En in Losser werd de vlag gehesen, aldus De Nieuwe Dinkellander op 13 september.
De geboorteaangifte vindt plaats op maandagmiddag om vier uur en krijgt uiteraard een bijzonder cachet, in het bijzijn van  burgemeester J.P.A.M. v.d. Sandt, de wethouders H.J.A. Nijhuis, M.H. v.d. Woning, J.Kuperus en het hoofd van de afdeling bevolking de heer G. Bosz. Ook de dan twintigjarige Gerda Kempers, die in 1953 als eerste de 20.000ste volmaakte, is aanwezig.
Het is dan achttien jaar geleden dat de annexatie door Oldenzaal heeft plaats gevonden en dat zit nog steeds heel diep, zoals blijkt uit het krantenartikel:

"Nu achttien jaar later is de schade weer ingehaald. Hierbij mogen we ons wel de vraag stellen of over een jaar of twintig een derde 20.000ste kan worden ingeschreven. Onmogelijk is dat niet want het kerkdorp Beuningen ligt pal tegen Denekamp aan en het is dan ook niet denkbeeldig dat vroeg of laat dit deel van de gemeente Losser overgaat naar Denekamp. Oldenzaal kijkt al jarenlang met begerige ogen naar het fraaie kerkdorp De Lutte en de omringende bossen, velden, heuvels en dalen. Er zijn dus nog volop kapers op de kust. Maar burgemeester v.d. Sandt ziet een annexatie van Beuningen door Denekamp en De Lutte door Oldenzaal nog niet zo zitten. ‘Ik geloof niet’, zo vertrouwde hij ons toe, ‘dat men daartoe zal overgaan’. Gevraagd om eens een prognose te geven over de toekomstige groei van de gemeente zei hij: ‘Als zich geen onverwachte ontwikkelingen voordoen verwacht ik dat de gemeente Losser zo om en bij 1983 de 24.000ste inwoner kan inschrijven."

Hoe moeilijk het is om prognoses te geven blijkt wel uit het feit dat het inwonertal van Losser  in de Gemeentegids van 2002 staat vermeld als 22.702.

Gelezen …

door Thea Evers
… in Tubantia

Zaterdag 9 april 1887
Vonnissen Arrondissementsrechtbank, uitgesproken 5 april 1887.
B.P., zonder beroep te Losser, ter zake van vervoer van een blaas met vier liter gedistilleerd op het onvrije terrein en weigering van visitatie, tot 10 dagen gevangenisstraf, ƒ 5,- boete of 5 dagen hechtenis.- G.N., zonder beroep te Losser, ter zake van frauduleuze invoer van twee flesschen met gedistilleerd en verhindering van vistatie door een der door haar ingevoerde flesschen stuk te slaan, tot 10 dagen gevangenis, ƒ 10,- boete of 10 dagen hechtenis.- G.K., boerenknecht te Beuningen, gem. Losser, ter zake van het vervoer van een zak met drie blazen gedistilleerd op het onvrije terrein en verhindering van visitatie door den zak met blazen tegen den grond te werpen, zoodat een der blazen barste en het gedistilleerd wegvloeide, tot 45 dagen gev., met vrijspraak van de verhindering van visitatie.

Zaterdag 9 april 1887
Verhuring bij inschrijving voor den tijd van zes jaar van het Erve Lakerink te Losser, groot 40 bunder, waaronder ruim 13 bunder best Bouw- en Weiland.
De voorwaarden van verhuring liggen ter lezing, ten kantore van Notaris Peteri te Enschede en in het logement Blokhoff te Losser.
De inschrijvingsbilletten moeten vóór of op den 1 Mei 1887 ten kantore van genoemde Notaris Peteri worden ingeleverd.
Nadere informatien zijn ook te bekomen bij J. Spiele te Losser.

Oldenzaal, 30 maart 1888
De arbeiders der firma H.P. Gelderman & Zonen werden gisteren avond niet weinig verrast door eene circulaire van den volgenden inhoud:
Aan onze arbeiders!
Wij geven U hierdoor kennis, dat onze overleden heer H.P. Gelderman ter beschikking heeft gesteld van het reeds bestaande Pensioen- en Ondersteuningsfonds eene som van dertigduizend gulden om uit de rente daarvan de uitgaven van dit fonds te helpen dekken.
Buiten de rente die dit fonds zal afwerpen, zullen wij voortgaan daartoe bij te dragen.
Over 1887 werd daarvoor door ons eene som van 2000 gulden goedgeschreven.
Wij stellen van nu af vast dat iedere arbeider, mannelijk of vrouwelijk, die minstens twintig jaren bij ons gewerkt heeft en niet meer geschikt is om werk bij ons te verrichten het volgende zal ontvangen per week:
ƒ 1,50 bij een leeftijd van 60 jaren.
ƒ 2,-    bij een leeftijd van 65 jaren.
ƒ 2,50 bij een leeftijd van 70 jaren.
ƒ 3,-    bij een leeftijd van 75 jaren.
Indien arbeiders voor 60-jarigen leeftijd door een ongeluk in de fabrieken of andere omstandigheden niet meer in staat mochten zijn te werken, zal ter onzer beoordeeling staan om ook aan hen, hunne weduwen of onverzorgde kinderen, eene wekelijksche uitkeering uit dit fonds te geven.
In bijzondere gevallen kunnen bovenstaande uitkeringen door ons worden verhoogd.
Bij dronkenschap of wangedrag vervalt iedere uitkeering. Dit fonds blijft ten allen tijde onder ons beheer en kan nimmer door de arbeiders worden opgevorderd, bij ophouding onzer vennootschap wordt daarover door ons beschikt.
In het begin van ieder jaar zal door aanplakking worden kennis gegeven, hoe het fonds staat en hoe hetzelve heeft gewerkt.

H.P. Gelderman & Zonen
Nog heeft de heer Gelderman vermaakt aan de algemeene armen alhier ƒ 3.000; aan die te Losser ƒ 1.000; de Hervormde kerk ƒ 1.000; de Nutsbewaarschool ƒ 2000 en de Nutsbibliotheek ƒ 500.

Oldenzaal, 30 juni 1888
Uit Oldenzaal wordt aan de N. Rott Ct. van 29 dezer gemeld:
Gisteren avond hebben de rijksambtenaren te de Poppe, gemeente Losser, eene goede vangst gedaan in een zoutsmokkelaar.
Van een pinkendiefstal te Oldenzaal gehoord hebbende, kwam hun de man bijzonder verdacht voor en werd hij aan de politie te Losser overgeleverd, die hem heden verder naar Oldenzaal transporteerde.
Hier ondervraagd, bekende hij al spoedig aan de diefstal schuldig te zijn.
Hij woonde bij een boer te Hasseloo, gemeente Hengeloo, waar de pink reeds geslacht en in stukken gesneden was.
Het vlees is gevonden en in beslag genomen, terwijl de boer en zijn knecht heden aan het gerecht te Almeloo worden overgeleverd.
Om geen opzien te wekken, moest de knecht het zout smokkelen, en was bij den inkoop het vel reeds verkocht. Of deze diefstal in verband staat met het stelen van schapen en kippen, zal nu wel spoedig opgehelderd worden.

Losser, 21 juli 1888
De gemeente Losser kocht eergisteren te Oldenzaal voor ruim f 1300,- grond, met het doel om daarop een school te bouwen, die het bezwaar zal opheffen dat omstreeks honderd kinderen genoodzaakt zijn van de gemeente Oldenzaal onderwijs te ontvangen, waarvoor jaarlijks bij de f 1600,- vergoeding door de gemeente Losser moet betaald worden.

Hoezo, meer geld voor het onderwijs?
Losser, 26 september 1888
De raad dezer gemeente heeft in zijn vergadering van heden besloten, om wanneer  hh. Gedep. Staten daaraan hun goedkeuring kunnen hechten, de jaarwedde van den onderwijzer D. Smit te de Lutte, met ingang van 1 Januari a.s. te verminderen en van ƒ 600 op ƒ 500 te brengen.

… in De Twentsche Courant
Op maandagavond 10 augustus 1925 werd Borculo getroffen door een hevige Cycloon. "Ontzettende tooneelen, Tien dooden, Honderden gewonden, 2000 dakloozen, Millioenen guldens schade", aldus de kop in de krant.
Dat de cycloon niet tot Borculo beperkt bleef, maar in meer of mindere mate heel Oost-Nederland teisterde, blijkt uit het volgende bericht uit de krant van vrijdag 14 augustus 1925

Uit Oldenzaal:
Op honderdtallen huizen en andere gebouwen was men Dinsdagmorgen bezig, de schade, door den storm veroorzaakt, enigszins te herstellen. Zielig was het te zien, dat van zoovele arbeiderswoningen heele of halve daken waren afgerukt en gevels ingedrukt. De storm heeft aan de noord- en zuidzijde onzer stad wel het ergste gewoed. De vernieling aan de boomen is overal wel het ergst. Nabij de Bleekstraat alhier is een rij van 46 wilgenboomen geheel ontworteld en tegen den grond gelegd. Op en nabij het buitengoed Kalheupink zijn de mooiste boomen verbrijzeld of ontworteld. Maar het ergste in deze omgeving zijn de lanen tussen Oldenzaal en de Lutte geteisterd. Daar liggen honderdtallen forsche boomen en zware eiken tegen den grond of zijn afgebroken, versplinterd of ontworteld. De Rijksweg Oldenzaal-De Lutte was zoowel voor rijtuigen en auto's als voor voetgangers door neergestorte boomen geheel versperd. Op het erve Haarman in de Lutte werd een man door den cycloon opgenomen en eenige tientallen meters verder neergeworpen. Geruimen tijd bleef hij daar bewusteloos liggen. Op het R.K. kerhof aan de Hengelosche straatweg zijn tal van steenen kruizen en grafmonumenten omvergeworpen of vernield. Tal van gevallen van blikseminslag werden gerapporteerd, wat bij onderzoek niets anders bleek te zijn dan stormschade. De ontzettende kracht,waarmede dakgedeelten werden afgerukt of gevels werden vernield, deden een inslaan van den bliksem vermoeden.

Uit Losser:
Het onweer, hetwelk over een gedeelte van Twente heeft gewoed, heeft alhier ook aardig huisgehouden. Verschillende boomen en dakpannen moesten het ontgelden, terwijl bij den landbouwer E. nog een koe in de weide werd dood geslagen. Natuurlijk zat men ook weer zonder electrisch licht en kracht, hetwelk Dinsdagmiddag pas was hersteld.

Gelukkig had Losser niet zoveel te lijden van het noodweer en daarom kon in 1929 dit mooie plaatje van het centrum van het dorp worden gemaakt.

Pibo Ovittius van Abbema

door Georg van Slageren

Pibo Ovittius van Abbema was de, in 1598 benoemde, eerste dominee van Losser (samen met Enschede). Pibo was een vreemde vogel, die door wijlen Herman Dalenoort werd beschreven als “zo’n Godvergeten charlatan, dat het zelfs nu nog moeite kost om in de kerkgeschiedenis van Nederland iemand aan te wijzen die een grotere ‘loegenaar, tovenaer, quacksalver en weerwolf’ was dan hij”. In ‘400 jaar Hervormden in Losser’ door de Historische Kring Losser uit gegeven in 1998, nuanceer ik dat beeld een beetje door Pibo te plaatsen in de politiek en religieus zeer chaotische tijd van de beginjaren van de Reformatie in de Nederlanden.

dr. P(aul) H.A.M. Abels (kerkhistoricus, met wortels in Twente en auteur van ondermeer ‘De broederen van Twenthe’ over de eerste Twentse dominees, schreef mij destijds dat hij met belangstelling had kennis genomen van mijn boek, vooral van de paragraaf over Pibo Ovittius van Abbema. De heer Abels heeft Pibo Ovittius ‘ontdekt’ in de kandidaatsfase van zijn studie geschiedenis en is sindsdien gefascineerd door diens fysieke en geestelijke omzwervingen. Pibo heeft hem nooit losgelaten. Hij vertelde ook dat hij probeerde de legpuzzel van Pibo´s levensverhaal verder te completeren en dat te laten volgen door een publicatie .”De speurtocht die daarvoor nodig is heeft al tal van wetenswaardigheden aan het licht gebracht die” - zo schreef de heer Abels -“mij in staat stellen een oordeel over Pibo te vellen dat veel dichter bij dat van Herman Dalenoort ligt dan u voor mogelijk houdt”.

Tegeltableau in de Doelhofkerk in Oldeboorn dat herinnert aan Piboni Ovittius van Abbema (foto W. Nusmeijer)

Op 21 november 2003, na een 25 jaar (!) durende speurtocht was het eindelijk zo ver dat de heer Abels, momenteel voorzitter van de Vereniging voor Nederlandse Kerkgeschiedenis, de resultaten van zijn onderzoek naar de levenswandel van deze merkwaardige figuur kon presenteren. De wederwaardigheden van Pibo kunnen stuk voor stuk dienen als ingrediënten voor een schelmenroman. Hij werd geboren in Grouw, waar hij apotheker was, trouwde en kinderen kreeg. Oorlog dwong hem de wijk te nemen naar Groningen. Na zijn terugkeer in Friesland bleek dat hij in de Martinistad een tweede vrouw getrouwd had, bij wie hij ook een kind verwekte. Toen deze bigamie aan het licht kwam, werd hij door het Hof van Friesland gevangen gezet en na een proces uit de provincie verbannen.

Pibe (zoals zijn oorspronkelijke naam luidde) begon aan een eindeloze zwerftocht, waarbij hij eerst als medicus, daarna als pastoor en ten slotte als dominee in zijn levensonderhoud voorzag. Daarbij wist hij telkens weer voor korte tijd het vertrouwen van hooggeplaatste personen in de kerk en politiek van zijn dagen te winnen. In overeenstemming met zijn eigen devies handelde Pibe daarbij soms listig als een slang, dan weer zachtmoedig als een duif. Dat kon echter niet voorkomen dat hij steeds weer werd ingehaald door geruchten over zijn verleden, waardoor hij zijn zwerftocht moest voortzetten. Met betrekking tot zijn amoureuze levenswandel werd het steeds weer bekend, dat hij aan één vrouw blijkbaar niet genoeg had, terwijl hij in kerkelijk opzicht met even groot gemak twee heren kon dienen. Als medicus bezat hij gaven, die hem een twijfelachtige reputatie bezorgden van tovenaar en weerwolf. Bij dit alles was Pibe bij tijden een zorgzame vader en een inspirerende zielenherder. Kortom hij was een man met vele gezichten; iemand die zijn tijdgenoten in verwarring bracht met zijn voortdurende gedaantewisselingen. Deze metamorfosen doen denken aan het bekende veranderingsepos van de Romeinse dichter Ovidius, naar wie Pibe zich uiteindelijk ook zelf ging noemen, toen hij als predikant volgens de mode van zijn tijd koos voor een Latijnse naam.

Het door Abels geschreven levensverhaal van Pibe, dat door de Fryske Akademy is uitgegeven onder de titel Ovittius' Metamorphosen, is echter veel meer dan het levensverhaal van een zonderlinge figuur uit de vroege reformatietijd. Zijn lotgevallen worden geschetst tegen de achtergrond van de grote kerkelijke en maatschappelijke veranderingen die plaatsvonden in zijn tijd. Daarmee is het ook het verhaal geworden van het reformatieproces in de buitengewesten van de Republiek, waar naar heel eigen wegen gezocht werd tussen Rome en Reformatie. Het volgen van Ovittius' voetspoor geeft daardoor ook een bijzondere inkijk in de kerkgeschiedenis van Friesland (Grou, Aldeboarn), Noord-Limburg (Kessel, Roermond), Kleef (Orsoy, Weeze, Zevenaar), de Achterhoek (Terborg, Didam), Noord-Holland (Wieringen), Twente (Enschede, Losser) en de provincie Utrecht (Werkhoven, Hagestein, Nigtevecht, Zuilen).

P.H.A.M. Abels, Ovittius' metamorphosen. De onnavolgbare gedaantewisselingen van een zielendokter in de Reformatietijd. Een uitgave van de Fryske Akademy en uitgeverij Eburon, ca. 220 pagina's met talrijke illustraties. Het boek kost € 22,50 en als u een exemplaar zou willen hebben kunt u het via ondergetekende bestellen.

Georg van Slageren
Tel 053 538 2850

In plaats van kaat’n

t Is gloep'ns koald boet’n.
De weend boesket um’t hoes hen, en blös de stof snee oonder de deur duur. Het vrös dat ‘t knapt. Van oonder zint de raam’s kaant dichte vreur’n. De bloom’n zitt’er dik op, zoa da’j der nig duur hèn kunt kiek’n.
Midd’n in de kökk’n steet nen groot’n roond’n kachel op nen oale rooi’n tegelvloar woarop wit zaand is streuid.
Nen bak met braandhoolt steet’er neust, en de kachelpiep stek hoog boam’n in de schossteen.
Ne kettel water steet op 'n kachel eenteunig te zing’n, en zoa noe en dan heur ie nen koo hoost’n op de dèl.
Nen koal’n tocht trekt oawer de vloar.
Va hef klomp an en Moo zit met de veut op nen warme stoof.
Zoa hoalt ze de veut waarm …
A ‘j kot bie ‘n kachel zit, verbran ie bi kaant van vuurt’n en bevrees ie hoast van achter’n, want het tocht nig alleen oawer de vloar, mèr ok bie de raams en de deur’n.  
An de ene kaant van ‘n kachel zit Va de kraant te lèèz'n en Moo zit an de
aandere kaant ‘n moalke tuffel’n te schell’n.
“God”, zèèr Va opeens, “ik lèès net in de kraant dat Gait van de Naadsboer doad is …. !”
“Wat zeg's mie noe ...!”, zeg Moo, en zé lût ‘n tuffel en ‘t schelmeske in ‘t kûrfke vall’n.
Veraltereerd keek ze Va an en zèèr: “Gait zol ja venoamd nog bie oons komm'n hen kaat'n ...!”.
“Joa”, zèèr Va, “dat zolle ok ...; mèr ‘t steeter wa bie - IN PLAATS VAN KAAT'N !”.

J.D. Brilman (Old'nzèl)