Oet Dorp en Marke 2004 - 1

Inhoudsopgave

‘Nijland Tichelleu’
(door Marcel Nijland)
 . Inleiding
 . Oorsprong van de familienaam Nijland
 . Hoe kwam men in het Voswinkel terecht?
 . Het begin van de steenbakkerij
 . Klei in Twente?
 . Stenen en veldoven
 . Waar bleven de ‘Nijland’ stenen?
 . Het einde van de veldoven
De Twentse Week in 1952
(door Thea Evers)
Losserse biografieën
Willem Frederik Anderson
Uitgaven van de Stichting Historische Kring Losser

Foto omslag:
Lambertus (‘Lutterherm’) Nijland, geboren 3 juni 1833, in 1890 stichter van een veldoven aan de Oldenzaalseveenweg in Losser

‘Nijland Tichelleu’

Inleiding

Nijland is een naam, die ruim honderd jaar was verbonden met de steenbakkerij in Losser. Lambertus Nijland, beter bekend als ‘Lutterherm’ was in 1890 de grondlegger van een veldoven aan de Oldenzaalseveenweg. Deze veldoven was de eerste in de omgeving van Losser. Mans Nijland had de laatste veldoven in deze regio. Mans moest zijn werk noodgedwongen stoppen in het begin van de oorlog in 1940.

Na de veldoven van Lutterherm, volgden er vele andere, namelijk die van Albertus Poorthuis in 1894, Determan en Glanerschulte in 1897, Bouhuis van de latere Werklust in 1897, Jan Gunneman in 1899 en De Jonge in 1903.

‘Tichelleu’ waren mensen die werkten bij een steenoven. ‘Tichelweark’ is de steenbakkerij en het gebied eromheen. In de regio vind je vele familienamen die lijken op Tiggeler en ook zijn er straten vernoemd naar een voormalig tichelwerk, bijvoorbeeld Tichelweg en Tichelwerk.

Ver vóór genoemde jaren was er in 1440 in De Lutte al een pottenbakkerij, ‘Potterink’ genoemd en lang vóór 1440 een steenbakkerij ‘Tijgkotte’. In Oldenzaal hadden ze in 1602 een ‘stadstechelmeister’ en zelfs in Losser was er in 1742 een tichelarij nabij het huis van Teijlers.

In de nabijheid van Oldenzaal en De Lutte waren in 1890 al enkele grote steenbakkerijen. Deze steenbakkerijen waren van Nieuwenhuis en Kistemaker, grootgrondbezitters en zeer rijke families. Mogelijk zal ik later over deze steenbakkerijen en veldovens in de gemeente Losser, ieder afzonderlijk nog een artikel schrijven. Ik heb naar deze steen- en pannenbakkerijen al enig onderzoek gedaan en materiaal verzameld. In eventueel volgende publicaties zal ik een beeld geven, waar deze hebben gestaan, hoe ze eruit zagen en welke mensen hier werkten.

De kleigaten in de nabijheid van deze steenbakkerijen waren van groot belang voor geologen, die hier bijzondere vondsten hebben gedaan. In de groeve van Mans Nijland en in de in de nabijheid liggende Glanerbeek werd een voor Twente bijzondere krijt(grond)soort gevonden, het zgn Weald. Ook in de groeve van Osse zijn belangrijke vondsten gedaan.

Lutterherm bakte tot 1923 stenen aan de Oldenzaalseveenweg samen met zijn vier zonen. Mans had daarna een steenbakkerij in de Beekhoek en de anderen gingen bij Lindenbaum aan het werk. Lindenbaum ging later over naar de familie Osse. De steenbakkerij van Mans Nijland was de laatste veldoven in deze regio. Annie Damer-Nijlant was de laatste in de familie Nijland, die verbonden was met de steenbakkerij. Aan deze betrokkenheid kwam in 2001 een eind door de verkoop van de steenfabriek van Osse aan de gemeente Losser.

Oorsprong van de familienaam Nijland

Nijland is een eeuwenoude Losserse familie naam. De oorsprong is terug te vinden aan de Gildehauserweg, waar de laatste Nijland, Bernardus Hermanus, roepnaam Herman op 30 april 1918 op 35 jarige leeftijd is overleden. Hij was getrouwd met Anna Elisabeth Hüning, die later hertrouwde met Johann Frericks beter bekend als “Möllenboer”.

De eerste Nijland die terug te vinden is in de doop- en trouwboeken is een zekere Digters Nijland, geboren tussen 1645 en 1655. Hij was de vader van Jan Nijland, die getrouwd was met Hille Nijhuis. Door het vroege overlijden van Jan Nijland  hertrouwde Hille met Hermen Kreasgenberg, die zich Nijland noemde. Om de genealogie niet al te breed te vermelden, volgt hierna een summiere opsomming van enkele namen.

In 1748 woonden er op het erf  “Nylant” onder meer een oude Moeder Hille, weduwe van Nijland. Ook woonden er op het erf ene Albertus geboren in 1727 en Janna geboren in 1729. Deze Albertus Nijland trouwde op 9 januari 1750 met Maria Ter Glane. Hun vijfde kind, Johannes Hermannus (Hermanni) Nijland trouwde met Joanna Schepers ook genaamd Meijerink. Deze familie woonde toen in Overdinkel. Het derde kind van Hermanni Nijland was Albertus Nijland, geboren op 13 oktober 1796 en getrouwd met Christina Welpelo geboren op 6 oktober 1798. Het vijfde kind van Albertus en Christina was Lambertus (Lutterherm) Nijland geboren op 3 juni 1833, die trouwde op 1 oktober 1859 met Geertruida Teussink, geboren op 18 april 1838.

Lambertus Nijland en Geertruida Teussink kregen negen kinderen:

- Johanna, geboren op 5 december 1860, getrouwd met Johannes Hendrikus Zwerink,  zij woonden op “Java”.

- Helena, geboren op 18 september 1862, getrouwd met Antonius Gervink, beiden  stierven op zeer jonge leeftijd en de kinderen werden door de familie opgevoed.  Hun dochter, zuster Timothee, is zeer oud geworden en overleed in 2001 op 97 jarige leeftijd in een klooster te Schijndel.

- Hermannus (Mans), geboren op 11 februari 1865, getrouwd met Engelina Johanna Gervink, woonde in de “Beekhoek” en had daar later zelf een veldoven.

- Johannes (Jans), geboren op 3 maart 1867, getrouwd met Maria Visscher, woonde aan de Snippertweg en had daar een boerderijtje.

- Bernardus Hendrikus (Zwarte Berend), geboren op 9 maart 1869 getrouwd met Helena Huttenhuis, woonde aan de Oldenzaalsestraat.

- Maria, geboren op 11 december 1872, getrouwd met Johannes Damhuis, woonde aan de Enschedesestraat.

- Marinus, geboren op 20 februari 1875, getrouwd met Johanna Kraesgenberg, woonde op het erf aan de Voswinkelweg.

- Gezina Johanna, geboren op 31 december 1877, getrouwd met Hendrikus Johannes Nijmeijer, woonde in het dorp Losser. Nijmeijer had daar een  aannemersbedrijf.

- Christina, geboren op 9 juli 1881, getrouwd met Gradus Johannes Vaanholt, kleermaker wonende aan de Enschedesestraat.

Hoe kwam men in het Voswinkel terecht?

Geertruida Teussink was de enige dochter van Hermannus Teussink, die zich ook “Lutterherm” noemde. Hermannus Teussink is afkomstig van de familie Teussink aan de Denekamperdijk uit de vroegere Marke De Lutte. Teussink woonde in Losser en had daar enkele percelen grond. Teussink kreeg rond 1850 diverse percelen in eigendom, die van Jan Luizink waren geweest. Deze Jan Luizink ook ‘Schrappert’ genoemd, had een klein huisje, een zogenaamde ‘kott’n’, op één van deze percelen in ’t Voswinkel.

Uit een bericht in de ‘Overijsselsche Courant’ van 24 februari 1843 (zie ook Oet Dorp en Marke 2000-4) blijkt, dat op 11 februari 1843 ene Jan Luizink is doodgeslagen met een geweer. Jan Luizink betrapte iemand, die in de buurt van zijn kott’n, op eenden had geschoten. Die stroper heeft Jan Luizink enkele dodelijke slagen op zijn hoofd gegeven.

Luizink was een arme man, die failliet was verklaard. Het Markebestuur gunde hem een plekje op de heide, waar hij samen met vrienden een hut bouwde. Deze hut stond ook bekend als ‘Schrapperskott’n’. Jan Luizink had een vrouw en vier kinderen.

Vermoedelijk is Hermannus Teussink toen in het bezit gekomen van deze hut en de percelen daar omheen. Op de plek waar de hut stond werd later een huis gebouwd door Lambertus (Lutterherm) Nijland. De latere bewoners waren de familie Wegman aan de Voswinkelweg. Uit de markeverdeling kreeg Herman Teussink ongeveer 6 1/5 ha heide en hakhout toebedeeld in ’t Voswinkel/Aalsgaarden. Herman Teussink was eigenaar en Lambertus Nijland en zijn vader Albertus Nijland waren vruchtgebruiker.

Het begin van de steenbakkerij

Perceel H 1831 maakte deel uit van deze 6 1/5 ha heide en hakhout. Dit perceel werd opgedeeld en de steenbakkerij werd in 1890 gebouwd op perceel H 2816.

Lambertus (Lutterherm) Nijland heeft op 16 mei 1890 bij de gemeente Losser ‘de noodige authorisatie’ aangevraagd om een steenbakkerij op te richten. Hij overlegde hierbij een tekening, waarbij op eenvoudige wijze een veldoven en een drooghut waren ingetekend. Tegenwoordig moet men ingewikkelde tekeningen overleggen met allerlei technische beschrijvingen. Lutterherm tekende twee vierkantjes in een perceel en dat was dat. In de directe nabijheid stond vroeger ook nog een hut die als woning in gebruik was. Dit huis werd door  Lutterherm in 1886 afgebroken en de gronden werden herenigd in weilanden en bouwland.

Hoe men tot het bakken van stenen is gekomen is niet geheel duidelijk. In die tijd werden her en der veldovens opgericht en werden er stenen gebakken. Destijds waren er wel veel Duitsers, die rondtrokken en hielpen op de boerderijen. Mogelijk, dat deze ‘Wanderers’ hebben bijgedragen tot het opzetten van de veldovens. Bij de aanvraag van de vergunning gaf Lambertus Nijland op dat hij met zeven personen werkzaam was op de steenbakkerij. Als we een optelsom maken, dan was hij samen met vier zonen. Later nam Marinus Nijland een knecht en blijft er nog één persoon over. Het is niet bekend wie dat geweest is.

De stenen werden gebakken door Lutterherm met zijn zonen Mans, Jans, Bernard en Marinus. De klei werd her en der afgegraven uit de percelen landbouwgrond rond de boerderij.  De kleiafgraving werd gedaan met de ‘bats’ of met een ‘steekschup’. De plakken werden dun afgestoken en naar een centrale plek gebracht. In de buurt van Losser zijn diverse laag gelegen weilanden met steile randen, vaak een oud kleigat. Om duidelijke redenen heeft men vroeger nooit diepe afgraving toegepast. Allereerst waren er geen transportmiddelen voor het vervoer van de klei naar de steenoven. Ook was het waterprobleem bij een ondiepe groeve veel eenvoudiger. Bij een diepe groeve zat men al gauw vast aan een waterpomp. Doordat de kleigroeven zo ondiep waren, zijn ze nu ook spoorloos verdwenen. Aan de Oldenzaalseveenweg waar de veldoven van Lutterherm stond, is echter nog zeer duidelijk te zien, dat de veldoven en de drooghut op een hoger gedeelte hebben gestaan en dat de klei eromheen werd afgegraven. De weilanden zijn daar nog steeds dieper gelegen.

Lambertus (Lutterherm) Nijland had veel hulp van zijn zonen. Van mijn vader en zijn neef heb ik oude verhalen gehoord, dat Lutterherm dan wel eens zei; "Kom jongens we moeten morgen weer samen klei uitgraven". De jongens begonnen aan het werk met de schop en Lutterherm was niet meer te bekennen en liet zijn zonen het zware werk doen. Het is duidelijk, dat Lutterherm de tichelbaas was en zijn zonen de kleistekers.

De veldoven was het centrale punt van het tichelwerk. Hier werd de klei naartoe gekruid en werd het op de bodem gestort. Dat was in de buurt van een waterput. Vermoedelijk is het dezelfde waterput, die nu nog aan de rand van het tichelwerk staat. In de directe nabijheid bevond zich een houten paal. De uitgegraven klei werd bij die paal op de grond gestort. De twee paarden van "Lutterherm" kneedden met hun hoeven de klei gemengd met het water uit de put tot een verwerkbare substantie, waarna de stenen met de hand werden gevormd. De paarden waren door middel van een riem of iets dergelijks verbonden met de paal. Door de riem op verschillende lengtes vast te maken, werd over een grotere breedte in een cirkel de klei gekneed. Vanwege de ouderdom en ligging in Losser, kent deze klei weinig organische verontreinigingen. Daarom kon de klei hier direct verwerkt worden en was er geen rottingsproces op een kleibult nodig, zoals bij andere steenbakkerijen.

Klei in Twente?

Waarom stonden de steenbakkerijen nou toch op die verschillende plaatsen in Twente?  In de eerste plaats moet er natuurlijk klei in de bodem zitten. Het is een zeer interessant stuk van de Twentse aardgeschiedenis. Twente was miljoenen jaren geleden een kustlijn. Deze kust werd gevormd door zandsteenrotsen bij Bentheim en Gildehaus en daarvoor lag een lage zandvlakte. Het ontstaan moeten we ons voorstellen in een kalme kustzee, waar veel klei bezonk. Zo kwam Twente steeds hoger te liggen door de stuwing van het landijs. In Holland lag de klei ongeveer 200 meter onder de oppervlakte. De klei bevindt zich onder geheel Twente en door die stuwing van het landijs komt de klei het dichtst aan de oppervlakte in de nabijheid van:

- de omgeving van Ootmarsum/Vasse en Tubbergen;

- een strook van enkele kilometers breed lopende vanaf Enschede over Oldenzaal naar de Lutte en Rossum;

- de omgeving van Hengelo en Borne;

- een gedeelte tussen Markelo en Rijssen;>

- tenslotte het gebied langs de Dinkel van Epe/Gronau via Glanerbrug naar Losser.

Hier was het heel gemakkelijk om klei af te graven en te gebruiken in de steenbakkerijen en veldovens. Heel bekend zijn de vele veldovens rond Rijssen, welke later overgingen in grotere steenfabrieken. De steenfabrieken van Smulders te Lonneker, Scholten in Ootmarsum en Rientjes in Hengelo zijn nog heel lang in werking geweest.

Stenen en veldoven

Het vormen van de stenen was op het tichelwerk van Lutterherm puur handwerk. Daar komt ook de naam handvorm of handsteen vandaan. De steenmaker nam een homp klei en gooide deze krachtig in een vorm en streek de bovenkant af.

Nadat de stenen gevormd waren werden ze te drogen gelegd in de nabijheid van de veldoven in de open lucht. Daarna werden ze in een drooghut gelegd waar ze nog ongeveer 6 à 8 weken  door de wind konden drogen. Daarna werden de groenlingen of op zijn plat gezegd ‘greune’ stenen  in de steenoven gebakken met een temperatuur van ongeveer 1000 graden.

De veldoven van ‘Lutterherm’  was een rechthoekige oven van naar schatting 5 x 10 meter van vermoedelijk met klei ‘gemetselde’ muren van los gestapelde tweede keus stenen. Willem van ‘De Klomp’ had nog ijzeren staven in bezit, die als rooster waren gebruikt in de veldoven van Lutterherm. Het rooster bevond zich midden in de oven en de greune stenen werden aan weerszijden van dit rooster opgestapeld.  Tussen de stenen werden steenkolen gelegd en bij de ovenmond werd hout gelegd. Na het aansteken van het hout verspreidde het vuur zich dan in heel de oven. De rook ontsnapte gewoon langs het dak. In andere delen van de regio werden de stenen op verschillende manieren gebakken. Bij de bouw van grote gebouwen was het vaak goedkoper om de stenen ter plaatse te bakken. Als er voldoende stenen waren gevormd, werden deze opgestapeld, waarna eromheen een muur werd gestapeld met stookgaten. Er werd turf in gedaan en de brand werd erin gestoken. Deze speciale techniek wordt ‘veldbrand’ genoemd.  Ook zijn er technieken waar de greune stenen in een iglovorm werden opgestapeld rondom een stapel brandhout. Aan de onderzijde werd ruimte vrij gehouden om turf en brandhout in brand te steken. De opening aan de bovenzijde deed dan dienst als schoorsteen.

De gebakken stenen uit de veldoven van Nijland waren dieprood van kleur. Dit komt door het hoge ijzergehalte in de klei. Als je de ‘Nijland’ ziet, dan zijn er verschillende soorten. De ene is hard en er zijn ook stenen bij die zeer zacht zijn. Dit komt, omdat de harde stenen dichter bij het vuur lagen en de zachte stenen verder van het vuur af lagen. De harde stenen zijn daardoor harder gebakken.

Vanaf de veldoven werd door Lutterherm een weg aangelegd, om zo direct van de veldoven op de Oldenzaalsestraat te komen via de kortste weg. Het viel voor de paarden niet mee om de zware lasten over de toenmalige zandwegen te trekken. Ter plaatse aan de Oldenzaalseveenweg is aan de eikenbomen nog te zien, dat die weg liep van de veldoven naar de Snippertweg. Deze weg werd ook ‘zwarte weg’ genoemd.

‘Lutterherm’ haalde zijn steenkolen uit Oldenzaal en bracht ook duizenden stenen naar Oldenzaal.

Dit is de plek waar de veldoven van Lutterherm stond. Rechts stond de veldoven en de droogschuur. In de nabijheid van de put werd de klei gekneed door de paarden.

Marinus reed de stenen afkomstig van de veldoven van Lutterherm, met paard en wagen naar Oldenzaal en omstreken, om ze af te leveren. Op de terugweg nam hij steenkolen mee, om als brandstof te dienen in de veldoven. Marinus liet zijn paard wel eens alleen lopen, net na de bebouwde kom van Oldenzaal, waarna hij de velden in ging om kievitseieren te zoeken. Marinus was een fervent kievitseieren zoeker en maakte speciaal kievitseieren van hout om in de nesten te leggen, zodat de kievit verder eieren bleef leggen totdat het legsel compleet was. Een kievit  legt altijd vier eieren en deze liggen met de punt naar binnen toe in het nest. Net voor Losser kwam Marinus zijn paard weer tegen en gingen ze verder samen richting Voswinkel.

Ze hadden op het erf een knecht, Benneker, met de bijnaam ‘Timmerke’. Hij is zijn hele leven op het erf gebleven en is op 65 jarige leeftijd overleden.

Marinus Nijland ontmoette deze Benneker toevallig bij een bezoek aan cafe Bolks ter hoogte van de Dinkel op weg naar Overdinkel. Marinus had in die tijd een knecht nodig en dus werd geregeld, dat ‘Timmerke’ bij Marinus op diens boerderij/steenbakkerij ging werken.

De bijnaam ‘Timmerke’ kreeg hij , omdat hij timmerman was. Timmerke leverde later ook stenen af met behulp van paard en wagen. De zware wagen heeft na de steenbakperiode nog lange tijd op de boerderij van Marinus gestaan.

Marinus was getrouwd met Johanna Kraesgenberg, die geboren was op het zeer bekende erve Kraesgenberg. Marinus is later de steenbakker die de dagelijkse leiding had. Zijn vrouw Johanna Kraesgenberg  nam de boekhouding over en hield hiertoe een kasboek bij van verkochte stenen en leem, ingekochte brandstoffen en afdracht van verzekeringen etc. Dat het in die tijd ook al niet eenvoudig was om al het geld van de klanten binnen te krijgen blijkt wel uit een afgesloten contract met de firma “Universo”, gevestigd te Amsterdam aan de Spuistraat 46. Op 11 mei 1911 sloot Marinus Nijland dit contract, waarbij “Universo” zich verbond om over te gaan tot inning van schuldvorderingen met rechtsvervolging.

De boekhouding, die Johanna Kraesgenberg bijhield van de veldoven, is door brand verloren gegaan. Wel zijn er nog stukken overgebleven, waaruit blijkt dat na de dood van Marinus in 1917 nog enkele jaren leem werd verkocht aan de boeren (voor ƒ 2,50 per m2). Het leem werd door ‘Timmerke’ Benneker bezorgd.

Waar bleven de ‘Nijland’ stenen?

De Luttermennekes, zoals Lutterherm en zijn zonen ook werden genoemd begonnen in 1890 met het bakken van stenen. Toen er drie jaar voorbij waren, was er nog bijna geen steen verkocht. De meeste stenen bleven in voorraad. In 1893 waren er plannen om in Losser een nieuwe ‘openbare’ lagere school te bouwen. Het gelukte Lutterherm en zijn zonen om alle stenen, die ze hadden gebakken, te leveren voor de bouw van de bekende ‘Lange School’. (In dit schoolgebouw, dat stond aan de Schoolstraat - tegenwoordig Langenkamp - was van 1930 tot 1957 ook de christelijke lagere school onder leiding van meester Snel gehuisvest. Op het laatst was hier de huishoudschool gevestigd).

Na deze transactie waren de broers hun voorraad kwijt en hadden veel geld ontvangen. Toen kon men weer verder werken aan een nieuwe voorraad. Van de ‘Nijland’ stenen werd onder andere het huis van dokter Frederiks (‘De Pil’) op de hoek van de Enschedesestraat en de Oldenzaalsestraat gebouwd. Later woonde hier dokter Van Blanken. Ook café Velthuis (Dunhof) en het huis van Plegt aan de Kerkstraat (Chrisjan Holst) werden van ‘Nijland’ stenen gebouwd. Andere voorbeelden zijn: de woningen van de familie Ter Denge (2 blokken van twee), het café ‘De Klomp’ aan de Oldenzaalsestraat, alsmede de woning van Straatsburg (nu Kienhuis) op de hoek van de Irisstraat en de Oldenzaalsestraat. De woning van Ter Heersche in het Voswinkel werd ook van ‘Nijland’ stenen gebouwd. Deze woningen lagen allemaal in de nabijheid van de veldoven. Ter Heersche en Ter Denge waren noabers van Nijland. Willem ‘van de Klomp’ bouwde zijn nieuwe woning van afgebikte ‘Nijland’ stenen.

De boerderij van Marinus en Johanna Kraesgenberg, met de dubbele kap aan ’t Voswinkel, werd in 1911 onder architect J. Lutke Veldhuis uit Losser gebouwd, uiteraard met deze stenen. De boerderij gold voor die tijd als zeer modern met volledige stenen gevels. Aan de Hogeboekelerweg (nu Broekhoekweg) werd ook een zestal afdakswoningen gebouwd. Deze werden door de familie verhuurd.

In 1902 werden duizenden stenen geleverd voor de bouw van de H. Maria Geboortekerk. Nota’s hiervan zijn bewaard gebleven in het archief van de kerk en daaruit is op te maken, dat er minstens 136.000 stenen werden geleverd. Het kerkbestuur betaalde voor die stenen tussen de tien en elf gulden per 1000 stuks. In 1911 werden wederom een kleine 100.000 ‘gare’ stenen geleverd aan het kerkbestuur, vermoedelijk voor de bouw van een school of woningen van de kerk.

Willem ‘van de Klomp’ vond nog enkele stenen uit de veldoven van Nijland met inscripties als:

"M. Nijland, Steenbakker 1890", "J. Nijland", "Nijland te Losser". Willem verzamelde allerlei oude zaken en vond deze stenen bij afbraak van woningen in Losser.

Het einde van de veldoven

Lambertus ‘Lutterherm’ Nijland overleed op 27 november 1922 op 89 jarige leeftijd.

Marinus stierf op 42 jarige leeftijd aan longontsteking. In het jaar 1917 hielp Marinus bij het blussen van een brand bij zijn broer Jans Nijland aan de Snippertweg.  Door een ongelukje met de kachel stond de boerderij van Jans Nijland in korte tijd in lichterlaaie. Marinus voelde zich nadien een lange tijd niet prettig en warmde zich vaak aan de oven, door er tegenaan te gaan zitten. Hij bleek een longontsteking te hebben opgelopen en overleed op 18 april 1917. De jongste dochter van Marinus en Johanna moest toen nog geboren worden.

De broers bleven na de dood van Marinus enige tijd doorwerken in de veldoven. Dat duurde tot omstreeks 1923. Johanna Kraesgenberg wilde wel dat er doorgebakken werd voor de verkoop maar de zwagers wilden dit niet.

De gebroeders Nijland hebben nog wel overwogen om de steenbakkerij van Lindenbaum over te nemen. De broers  hadden in die jaren een goed contact met de uit Gronau afkomstige Lindenbaum. Lindenbaum wilde zijn steenbakkerij verkopen en zijn twee zonen Willy en Hein hadden geen belangstelling. De broers Nijland waren alle drie al ver in de vijftig en hun kinderen waren eigenlijk nog te jong. Alleen de oudste zoon van Mans, Hans Nijland ging mee naar de steenbakkerij van Lindenbaum, samen met zijn vader Mans en zijn oom Bernard. De gebroeders Nijland wisten, dat de familie Osse zich in Losser had gevestigd en veel geld bezat. Zij brachten Lindenbaum in contact met Osse, waarna later op een veiling in 1923 de steenbakkerij overging naar Osse.

De gebroeders Osse kochten de veldoven van Lindenbaum voor een bedrag van ƒ 6.000.

Jans en Bernard hebben na de dood van Marinus, op hun veldoven in de jaren 1917 tot 1923 de laatste stenen gebakken. Jans heeft van deze stenen zijn boerderij aan de Snippertweg gebouwd en Bernard bouwde een dubbele woning aan de Oldenzaalsestraat. Bij dit werk hebben ze nog hulp gehad van Marinus Zwerink een neef van hen, die op  ‘Java’ woonde.

 Personeel van de steenfabriek van Osse (1923): v.l.n.r. Hans Nijland jr.,

 Mans Nijland sr., Bernard Nijland, H. Nusmeyer en Frans Osse.

Mans is na 1917 gaan werken bij een steenfabriek in Gronau en ongeveer in 1924 voor zichzelf begonnen met een veldoven in de Beekhoek aan de weg Glane-Glanerbrug.

Bernard heeft Mans in die tijd ook nog vaak geholpen in de Beekhoek.

Mans had een Casseloven. In 1940 moest hij het stenen bakken staken door brandstofgebrek. De oven moest gedoofd worden en ca. 70.000 stenen gingen verloren. Zijn zoon Hans ging later weer werken bij de steenfabriek van Osse en maakte elke dag zijn gang op de fiets, met de broodtrommel achterop, van de Beekhoek naar de Oldenzaalsestraat.

Mans heeft in de tijd tussen 1917 en 1924 ook nog gewerkt bij Osse.

Bernard Nijland stierf in 1937 op 68 jarige leeftijd aan longontsteling. Hij heeft tot zijn dood, bij Osse als stoker gewerkt. Net zoals Marinus stierf Bernard aan longontsteking.

Het werk op de veldoven, de verdeling daarvan, leverde ieder kind, een  flink bedrag op.  Bernard, Mans, Jans en de andere kinderen kochten elk hun stukje grond en bouwden daar hun woning met ‘Nijland’ stenen.

Vaanholt had een aantal woningen en Nijmeijer besteedde het geld in zijn timmerbedrijf.

De veldoven van Lambertus ‘Lutterherm’ Nijland, zijn zonen Hermannus (Mans), Johannes (Jans), Bernard (Zwarte Berend) en Marinus werd in 1923 gesloopt.

Wat rest is een grillig verloop in de weilanden. De eikenbomen, in een halve cirkel. markeren de plaats van het tichelwerk. De laagte, waar de klei werd afgegraven, eromheen. De eikenbomen in een rij, markeren de ‘zwarte weg’ waarlangs de stenen werden vervoerd. Een alleenstaande waterput in het weiland. Stille getuigen van de veldoven van Nijland, in ’t Voswinkel.

Marcel Nijland (Denekamp)

De Twentse Week in 1952

Tijdens de drukbezochte filmavond van de Historische Kring Losser op 17 februari j.l. heeft u onder meer kunnen kijken naar een impressie van de ‘Twentse Week’, zoals die in de jaren vijftig van de vorige eeuw door de Losserse middenstand werd georganiseerd.

In aansluiting daarop een artikel uit de krant van die dagen (Dagblad Tubantia van 18 juli 1952), waarin dit feestelijke gebeuren uitvoerig wordt beschreven. Lezing van het artikel roept de typische sfeer van die jaren vijftig op en daarom is aan stijl en spelling niets veranderd.

LOSSER WEET HET

TWENTSE WEEK MET VEEL FOLKLORE IN DE FABRIEKSVACANTIE

“Initiatief van de middenstand reeds traditie”

Niet Lossernaren hebben dat misschien niet zo gevoeld, maar de echte waarachtige inwoners van dit oude dorp vinden die goedmoedige, plagende zegswijze: "Hij komt uit Losser en weet van niets" niet prettig. Het steekt hen en het is dan ook niet verwonderlijk, dat zij gezocht hebben naar een middel om die woorden resoluut te logenstraffen. Uitgaande van de logische gedachtengang, dat men het "kwaad” bij de wortel moet aantasten om het uit te roeien, hebben zij gegrepen naar iets, waar zij in uitblinken en zo ontstond drie jaar geleden de idee om een Twentse feestweek te organiseren, waarin de folklore van Twente zou worden uitgedragen.

Het begon in een rondvraag

Het eerste jaar, in 1950 stond men nog een beetje vreemd tegenover dit initiatief en kwam men - ook al omdat het uitging van de middenstandsorganisaties - tot een marktweek, maar vorig jaar kon men toch werkelijk spreken van een folkloristisch feest. Dit streven heeft zich doorgezet en zo kan men voor de volgende week - het Twents feest wordt immers tijdens de fabrieksvacantie gehouden - er van verzekerd zijn, dat het oude Twente in Losser zal herleven.

Hoe is de idee ontstaan om in Losser deze traditie te vestigen? We vertelden hierboven reeds, dat men het daar niet leuk vindt om "van niets te weten" en inderdaad is dat de basis van het feest. In 1950 werd een gezamenlijke vergadering gehouden van Losser’s Zakenleven en de R.K. Middenstandsvereniging, waarin de onderwijzer Mulder uit Overdinkel, thans te Enschede, een causerie hield over het maken van reclame. En bij de rondvraag was er iemand die van dit onderwerp, dat in hoofdzaak bepaald was gebleven tot “eenmans-reclame campagnes”, in zoverre afstapte, dat hij de heer Mulder de vraag voorlegde hoe men Losser als gemeente naar voren zou kunnen brengen.

In een uithoek

Immers, men voelde heel goed, dat Losser min of meer in een uithoek ligt, waardoor het de stroom van “vreemdelingen”, die van de grote plaatsen uit naar recreatiegebieden als het Lutterzand trekken, aan Oldenzaal moet overlaten. Aan die ligging was niets te veranderen, zodat het noodzakelijk was om Losser zelf als trekpleister aan te kleden. Vandaar de vraag aan de heer Mulder.

Deze suggereerde het instellen van een marktweek en hoewel de mannen, die tot de verwezenlijking van dit plan inzetten, van stond nog iets meer wilden, bleef het voor het eerste jaar in hoofdzaak bij deze marktweek. Wel verbond men er enkele attracties aan, zoals een originele Twentse boerenbruiloft.

Het vorig jaar, toen de R.K. Middenstandsvereniging en Losser’s Zakenleven ontdekten, dat pogingen om afzonderlijk iets te organiseren weinig doel hadden en zij toch de handen ineen sloegen, werd de stap gezet, die een traditie ten gevolge zal hebben.

De folklore werd het belangrijkste onderdeel van het programma voor de Twentse Week. Deze naam werd gekozen, opdat aangegeven zou worden, dat in Losser niet iets speciaal “Lossers” maar een manifestatie van Twente’s rijkdom aan historische, culturele of folkloristische waarden wordt geboden.

De kopstukken, wier hoofden omlopen van alle zorgen, welke een grootscheepse organisatie als deze meebrengt zijn de heren K. de Jong (van de bloemenhandel) en H.H. Wevers, in Losser misschien wel beter bekend als “Zwik’s Hennik”. We hebben het gistermiddag gewaagd om hen even te storen in hun overleg, hun berekeningen, hun ach’s en wee’s en hun overpeinzingen van de vele, vele problemen, die zij en hun medebestuurders hebben op te lossen.

 

“De” Twentse Week

Maar wij komen er door en we zetten door ook, tot de Twentse week de Twentse week is geworden voor de “fabrieksvacantie” verzekerde Zwik’s Hennik met klem.

Het moet ons van het hart, dat de Losserse middenstand een slechtere keus had kunnen doen dan de folklore op de voorgrond te stellen, omdat het oude plaatsje zelf zulk een prachtig decor biedt.

Een sfeervol plaatje van de omgeving van de hervormde kerk en het

“Bekhoes” (nu Aleida Leurinkhuis) tijdens een Twentse feestweek (ca. 1950).

Niet nagemaakt

Kenmerkend is het volgende historische voorval in een trein. Twee heren, die vorig jaar Losser bezochten in de fabrieksvacantie hadden het over de oude geveltjes, die bij tal van huizen voor de muren geplaatst waren om het decor nog echter te maken. “Ik vond de gevel van het Froenshoes het mooist” was een van de heren van mening. “Maar dat was geen nagemaakte, dat was een echte” wist de ander en hij had gelijk, zoals een derde reiziger, iemand uit Losser kon bevestigen.

En in dit dorp, met zijn “natuurlijk” geëigend decor zal van morgen, Zaterdag, af een passend gevarieerd programma worden geboden. Uiterlijk is er momenteel nog niet veel van te bespeuren, behalve dat de kermisexploitanten reeds bezig zijn hun draaimolens, schiettenten en ander vermakelijkheidsinrichtingen op te stellen, maar dat verandert nog wel, verzekerden de heren Wevers en De Jong ons.

Nog geen feestkleed

Dat komt pas Zaterdagmiddag: “dan verschijnen de vlaggen wel en herkent u Losser niet meer”. Die versiering zal dan blijven tot volgende week Zondag, als met belangrijke klootschieterswedstrijden - die natuurlijk in ‘t programma thuis horen - om de prachtige Oude Toren plaquette (gestreden wordt) en een derde opvoering van Jan Vogel’s operette “Marijke” de festiviteiten gesloten worden.

Die operette, daar is Losser reeds geruime tijd vol van en dat is niet zo’n groot wonder, als men bedenkt dat zij door de eigen inwoners wordt opgevoerd. Door de talloze repetities, waarvan de generale a.s. Zaterdag voor de jeugd gereserveerd is en welke door zeker zevenhonderd leerlingen van scholen uit Losser en omliggende plaatsen zal worden bijgewoond is de operette het gesprek van de dag.

“Zware strijd”

Toch zal “Marijke” een “zware strijd” moeten leveren om het hoogtepunt te blijven van de gehele week, want er zijn andere evenementen te over, die haar naar de kroon kunnen steken. Het aanloopje tot het feest is Zaterdag a.s. de verwelkoming van de Duitse gasten, die Zondag deel zullen nemen aan de klootschieters- en boselerwedstrijden, de generale repetitie in het openluchttheater van “Marijke” en sportwedstrijden, zoals de voetbalmatch Quick (Oldenzaal) - Avanti (Glanerbrug). Zondag voorts de eerste opvoering van “Marijke”.

Maandag treedt een boerenkapel op en wordt een ballonwedstrijd gehouden. De bekende Achterhoekse boerendansers, die ook in het buitenland reeds veel bijval hebben geoogst en een aantal Twentse volksdansgroepen moeten Dinsdag de “honneurs” waarnemen. Natuurlijk ontbreekt vanwege de traditie de boerenbruiloft niet; de Woensdag is er voor gereserveerd en men verwacht er veel van, ook al omdat er een wagen meer dan vorig jaar zal zijn. Donderdag feestmarkt en wedstrijden voor jeugdige klootschieters en brandweerlieden; ieder op hun terrein natuurlijk. De schooljeugd gaat Vrijdagmorgen voetballen en ‘s middags zijn er schutterswedstrijden om het kampioenschap van Losser. Uit heel Twente komende de daaropvolgende Zaterdag wielrenners om elkaars krachten te peilen en wat er op Zondag 27 Juli de laatste dag van de fabrieksvacantie en de Twentse Week gebeuren zal, dat vertelden we reeds.

De Twentse Week in Losser werd een groot succes, ofschoon er ook in de omgeving allerlei evenementen plaatsvonden. In Oldenzaal is er dan ook al een feestweek genaamd “Aha – Boeskool”, waarbij vooral de spannende wielerwedstrijden veel publiek trokken. Ook Denekamp organiseert twee dagen een braderie en “daar is veel te doen, dat de vacantiegast genoeglijke verpozing kan bieden”, aldus Tubantia. En de Enschedese Dinsdagmarkt was natuurlijk ook een grote trekpleister.

De krant besteedt veel aandacht aan Losser. De opvoering van de operette Marijke wordt een “geslaagd experiment” genoemd. Het was de eerste voorstelling in het openluchttheater Brilman’s dennen, “een kleurrijk schouwspel, gegeven met een routine, kleur en harmonie, alsof men het al jaren deed”. Er deden negentig medewerkers aan mee en het was groots opgezet, het toneel was bijzonder lang en diep uitgebouwd. Met name de omgeving wordt geroemd: “als het ware geschapen voor een openluchtspel, hoge bomen en forse struiken rond een wat lager gelegen open ruimte, die een verblijf van een paar uur tot een buitengewoon genoegen maken”. De zangeressen Rie Hanning en Gré van Leyden worden  geroemd, vanwege hun duetjes en ook de zang van de heer Venterink wordt geprezen.  “Een bijzonder woord van hulde komt wel toe aan de heer P.E. Homan, die vele uren heeft besteed aan de leiding van de operette (in januari was er al begonnen) en die terecht trots mag zijn op het bereikte resultaat”.

De klootschieterswedstrijd vond plaats op het Hannekerveld. De deelnemende verenigingen waren daar in optocht naar toe getrokken, voorafgegaan door de muziekvereniging Sempre Crescendo. “Er vielen goede verrichtingen te bewonderen, ten aanschouwe van een groot publiek”. En de verste worp werd gemaakt door de heer B. Brilman: 82 meter.

De sportwedstrijden (atletiek en voetbal) trokken ook veel belangstelling en worden zeer geslaagd genoemd. De 200 meter hardlopen werd gewonnen in 24.2 sec. en Quick won de voetbalwedstrijd, echter wel door het nemen van strafschoppen. Na afloop was er een feestavond in café Lippinkhof.

Een ballonwedstrijd op maandagmiddag en een boerenkapel  van “Sempre” trok daarbij door het dorp, “waar de gehele dag een gezellige drukte heerste”.

De winkeliers hadden voor hun gevel oud aandoende “nepgevels” geplaatst, om de sfeer te verhogen. Er stonden overal kraampjes waar allerlei waren aan de man werden gebracht. Een “nieuwerwets” iets in die tijd was ook de verkoop van warme knakworst. Naast het station stond zo’n kraampje met als opschrift “Heiss ,Heiss”.

De viering van de Twentse Week werd voortgezet met het optreden van verschillende bekende dansgroepen, o.a. uit Losser, Denekamp, De Lutte, Ootmarsum en Lattrop. En ook uit Ruurlo was een groep naar Losser gekomen.

Van de boerendansgroep uit Losser wordt vermeld, dat die vorig jaar december (1951) pas werd opgericht en “een goed figuur sloeg”. (Het is mij niet bekend welke groep dit is. Misschien een voorloper van de Losserse Böggelrieders en Daansers? Zij zijn wel voortgekomen uit de Twentse Week, maar gaan uit van het oprichtingsjaar 1954. Daar hebt u alles over kunnen lezen in de bijlage “Stad & Land” van de Twentsche Courant Tubantia, van 25 februari 2004).

Zo zag het straatbeeld (de Brinkstraat) er uit tijdens één van de

Twentse feestweken (ca. 1950).

Maar het hoogtepunt van deze week werd gevormd door de boerenbruiloft, waar zo’n duizend bezoekers getuige van waren. “De trouwplechtigheid had plaats in Ons Gebouw, dat alle belangstellenden echter lang niet kon bergen. De stoet bestond uit vier zeilwagens, enige landbouwgereedschappen, kippen en de bruidskoe. Nadat de ambtenaar het jonge paar had gewezen op de plichten van man en vrouw werd het huwelijk voltrokken tussen Zaejlöper Mans en Mijken van de Holtboer. Na afloop van de plechtigheid werd een rondgang door het dorp gemaakt met als einddoel de grote feesttent aan de Spoorstraat. Hier werd de grote krentewegge aangesneden en men dronk koffie uit ouderwetse boerenkoppen”.

Behalve de Duitse klootschieters waren er nog meer buitenlandse gasten naar Losser gekomen. Het Nordhorn's kamerkoor was op bezoek en trad op in de “fraaiverlichte tuin van Hotel Smit”. Op voortreffelijke wijze werden enkele nummer ten gehore gebracht. Mevrouw Koreman, zangeres van de Opera te Wuppertal zong tot slot “Ongeduld” van Schubert.

Een mooi contrast hiermee, vormde ongetwijfeld de gekostumeerde voetbalwedstrijd op het gemeentelijke sportterrein. “Voorafgegaan door een boerenkapel trok men eerst door het dorp. Op de wonderlijkste manieren uitgedost betraden de spelers het veld en de wedstrijd Losser tegen de rest van de wereld nam een aanvang. Losser won met 3-2”. En de publieke belangstelling was veel groter dan bij een normale competitiewedstrijd.

In zijn openingstoespraak op zaterdagmiddag, bij de ontvangst van de Duitse klootschieters, had burgemeester J.P.A.M. van de Sandt gewezen op de “grote inspanning die allen zich in Losser getroost hadden om deze feestweek tot een succes te maken. De Twentse Week wordt niet alleen ten bate van de middenstand georganiseerd. Een zeer ernstige bijgedachte is, deze week ook te maken tot een manifestatie op cultureel en folkloristisch gebied”. En de kranten uit die dagen bekijkend moet ik concluderen dat men daar goed in geslaagd is.

Toch ging die Twentse Week na enkele jaren al weer ter ziele. De kosten en de verdeelsleutel daarvan tussen de horeca en de middenstand, vormden een bron van onenigheid. “De kasteleins hadden het geld in een teil achter het schap staan”, zo werd er in die tijd gezegd, en de middenstand was van mening dat die verdeelsleutel anders moest worden ingevuld. Het lukte blijkbaar niet om het hierover eens te worden en zo kwam er in de tweede helft van de jaren vijftig al weer een einde aan een feestweek, die in 1952 al een traditie werd genoemd, een traditie, die dus maar kort geduurd heeft.

Thea Evers

Losserse biografieën

De gezamenlijke Overijsselse bibliotheken willen in het kader van de ontsluiting van Overijssels (cultuur) erfgoed, een website bouwen waarin biografieën van bekende en minder bekende Overijsse1aars worden opgenomen.

Dit kunnen personen zijn die landelijke bekendheid genieten, maar ook personen die regionale bekendheid hebben verworven. De reeks personen kan gaan van Dr. Herman Schaepman tot Herman Finkers, van Rovenius tot Jos Lansink en van Ilse de Lange tot Herman Brood.

Een kleine honderd biografieën zijn al beschreven in de driedelige serie "Overijsselse biografieën" onder redactie van drs. J. Folkerts.

Veel biografieën van (iets minder) bekende provinciegenoten zijn echter nooit beschreven, terwijl ze plaatselijk of regionaal een grote bekendheid genieten of hebben genoten.

Om dit project te realiseren is aan de historische verenigingen in Overijssel gevraagd de biografieën te schrijven van personen uit de omgeving die in aanmerking zouden kunnen komen voor opname op de website voor Overijsselaars.

Enkele van de bijdragen die de Historische Kring Losser aan dit project heeft geleverd, heeft u in het vorige nummer van Oet Dorp en Marke kunnen lezen. In deze aflevering de biografie van:

Willem Frederik Anderson

Willem Frederik Anderson werd op 17 oktober 1908 geboren in Arnhem waar hij ook zijn jeugd- en studiejaren doorbracht. Hij trouwde eveneens in Arnhem op 7 augustus 1940 met Wilhelmina Hendrika Maiwald die op 3 november 1909 in Nordhorn (Dld) geboren was. In mei 1942 verhuisde het paar naar Wierden waar hij een aanstelling had gekregen bij de gemeentesecretarie.

Op 24 mei 1948 trad de heer Anderson in dienst bij de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) in Oldenzaal waar hij achtereenvolgens diverse afdelingssecretariaten, archieven en ook het personeelsfonds verzorgde. Toen de NAM in 1968 uit Oldenzaal vertrok, werd hij op eigen verzoek op 1 november vervroegd gepensioneerd. In 1974 verhuisde het echtpaar Anderson naar Losser.

Reeds op jeugdige leeftijd toonde Anderson grote belangstelling voor de geologie. Hij verzamelde stenen en fossielen en onderhield contacten met veel andere liefhebbers. Het was daarom eigenlijk vanzelfsprekend dat hij op 8 april 1946 in Arnhem aanwezig was bij de oprichting van de Nederlandse Geologische Vereniging en daar werd gekozen als penningmeester en excursieorganisator. Twee jaar later werd hem gevraagd secretaris te worden, wat hij, later met steun van anderen, tot 1982 is gebleven. Daarnaast organiseerde Anderson tal van excursies in binnen- en buitenland en zijn idee om met ‘Staringia’ een reeks wetenschappelijke publicaties uit te brengen heeft de Nederlandse Geologische Vereniging veel aanzien bezorgd.

Al ver vóór de verhuizing naar Losser had Anderson met veel energie en enthousiasme tal van Lossernaren en ook het gemeentebestuur van Losser overtuigd van de belangrijke rol die Losser op het gebied van de geologie in Nederland gespeeld had. Dankzij de ontdekking van de ‘Losserse zandsteen’ kreeg de geoloog dr.W.C.H. Staring omstreeks het midden van de 19e eeuw de kans om Overijssel en later ook geheel Nederland geologisch te onderzoeken.

Als gevolg van het enthousiasme en doorzettingsvermogen van Anderson kwam in Losser de Staringgroeve tot stand. Op 22 mei 1968 werd de groeve officieel als geologisch natuurmonument in gebruik genomen door de onthulling van een borstbeeld van dr. Staring.

In de Staringgroeve werden belangrijke geologische vondsten gedaan. Het zou te ver voeren om ze allemaal te noemen. In 1976 werd er de grootste fossiele schelp van Nederland gevonden met een afmeting van 23 cm.

Burgemeester J.P.A.M. van de Sandt met

W.F. Anderson (links), de stichter van het

Staringmonument tijdens de opening op 22 mei 1968.

Anderson was een doorzetter, een perfectionist en zeer kritisch. Hij is er in geslaagd om bij zeer velen belangstelling te wekken voor de geschiedenis van onze aarde en haar fossiele flora en fauna. Daarnaast heeft hij wetenschappers op dit gebied er van kunnen overtuigen dat ook amateur-geologen zeer waardevolle bijdragen kunnen leveren.

Anderson heeft veel gepubliceerd. De meeste artikelen op geologisch gebied verschenen in zijn lijfblad ‘Grondboor en Hamer’, tijdschrift van de Nederlandse Geologische Vereniging. Daarnaast publiceerde hij in ‘Shell-Venster’ waarbij hij met journalistieke vaardigheid onderwerpen als ‘Molenstenen’, ‘Steenhouwersbedrijf’ en ‘Tuinen van het Loo’ behandelde. Ook was hij een aantal jaren lid van de redactiecommissie van het Jaarboek Twente.

Vanwege zijn verdiensten voor de geologie in Nederland en voor Losser in het bijzonder werd nog tijdens zijn leven in Losser een straat naar hem genoemd. De Andersonstraat, grenzend aan de Staringgroeve.

 

De heer Anderson overleed op 28 oktober 1994 in Losser.