Oet Dorp en Marke 2004 - 2

Inhoudsopgave

Koninklijke onderscheiding voor onze voorzitter
‘Het meisje in de Froenstraat… en andere Lossernaren’
Oproep
Het isolement van Losser
(door Georg van Slageren)
‘Tollen’ langs Losserse wegen
(door Georg van Slageren)
Een sollicitatiebrief uit 1885
Uitgaven van de Stichting Historische Kring Losser


Foto omslag:
Het meisje in de Froenstraat… (foto Norbert Klein).
(Voor meer informatie over deze foto en het naar deze foto genoemde project van de Historische Kring Losser: zie het artikel elders in dit boekje)

Koninklijke onderscheiding voor onze voorzitter

Thea Evers-Evers koninklijk onderscheiden

foto Wim Evers

29 april 2004: Thea H. Evers-Evers lid in de Orde van Oranje Nassau (foto Wim Evers)

Jawel! Dat is de voorzitter van de Stichting Historische Kring Losser, ónze voorzitter dus. En daarom vinden we het heel terecht om in ons boekje “Oet Dorp en Marke”, waarin zo dikwijls prettig leesbare bijdragen van haar hand zijn opgenomen, enige aandacht aan die onderscheiding te wijden. Of liever: aan de mens achter die onderscheiding en zo de kennismaking met onze voorzitter wat meer persoonlijke achtergrond te geven. Na 11 jaar voorzitter-zijn, waarin zoveel vrije tijd is opgegaan aan bezig-zijn-met, aan initiatief en begeleiding van activiteiten, mogen we elkaar eigenlijk best wat beter leren kennen.

We beginnen bij het begin en dat is op 15 februari 1945.

U weet het, zegt u: het bombardement op Enschede-Glanerbrug.

Maar u wist niet, dat omgeven door dat oorlogslawijt, in Glanerbrug zich nieuw leven aandiende in deze verstoorde wereld. Thea Evers, toen nog zonder voornaam, is uitgerekend die dag begonnen met haar tocht door ons aardse tranendal: donker, beetje klein, lekker mollig, erg lief….Eigenlijk is er niets veranderd zult u zeggen, maar zover zijn we dus nog lang niet. ‘Tranendal’ is gelet op de levensloop van ‘toen’ naar ‘nu’ misschien wat al te pessimistisch, want de boreling zet de eerste stapjes moeiteloos en de eerste stappen in onderwijsland gaan ongebruikelijk voorspoedig: ze mag zomaar een klas overslaan. En dan valt ook te begrijpen, dat Thea als 16-jarig meisje met haar einddiploma HBS-b van het St. Jacobuscollege naar huis fietst en een maand later als zeer prille medewerkster parmantig in de Bieb in Enschede rondstapt. 

Een loopbaan die nog steeds voortduurt: 1961….2004…?

Hier schiet het woord loopbaan echt tekort. De Duitsers hebben er misschien een betere omschrijving voor: Langlauf Piste. Thea’s belangsteling ging heel sterk uit naar letterkunde/literatuur/letteren, maar een universitaire studie was rond 1960 nog lang niet voor iedereen financieel bereikbaar. Toch speelt haar leven zich af temidden van boeken, de stoffelijke dragers van de geestelijke wereld van de letteren, en binnen die belangstellingswereld heeft zij intern alle mogelijke vakdiploma’s behaald, die haar ook inzetbaar hebben gemaakt voor lesgevende taken binnen de eigen organisatie en bij de Bibliotheekacademie in Deventer. In 1969 trouwt zij met de leraar Wim Evers en de achternaam alleen al leek haar voldoende borg te staan voor kwaliteit. Zoon Jan-Willem is inmiddels afgestudeerd aan de UT en is als ir. werkzaam op het terrein van waterkering en waterbeheer.

Tot zover de nadere kennismaking.

En nu….waarom een lintje?

Een heel verhaal!

Toen zoon Jan-Willem nog zo’n jochie was en leerling van het basisonderwijs, kwam zijn belangstellende moeder terecht in de oudercommissie. En van het een komt het ander, zeker als je wat inbreng hebt. Van de oudercommissie naar een sectie in het bestuur: de bouwcommissie, dan komt er een plaats vrij als secretaresse en uiteindelijk ga je verder als voorzitter van de Stichting Katholiek Onderwijs Losser en Overdinkel. Wel met de zorg voor zes basisscholen en alles wat daar bij komt: personeelszaken, verbouwingen, nieuwbouw, onderhoud, begrotingen, e.d.m.

Vrijwilligerswerk wordt dat genoemd en als het niet heel efficiënt wordt aangepakt loopt het uit naar een dagtaak. En nog steeds vraagt dit onderwijswerk haar volle aandacht.

Veel interesse heeft Thea ook voor historie en zeker ook waar historie raakvlakken heeft met lokale geschiedenis. Binnen het HKL bestuur kan heel goed wat deskundige hulp gebruikt worden bij het organiseren van excursies. Iemand die daar belangstelling voor heeft, de weg weet in boeken, communicatief is, weet waar te zoeken, zo iemand is daar geknipt voor. Vandaar dat Thea heel welkom is voor het organiseren van excursies, bijvoorbeeld het jaarlijkse uitstapje met de bus. Nog steeds, inmiddels samen met Hermien Scholten.

In 1991 legt na 17 jaar uitstekend voorzitterschap Mevrouw Scherphof de voorzittershamer neer. Haar mede-bestuursleden kijken, bezorgd en verwachtingsvol, eendrachtig dezelfde kant uit. Naar Thea dus. Die neemt ruim bedenktijd, maar neemt uiteindelijk de uitdaging aan. Inmiddels is ze alweer 13 jaar voorzitter en nog langer vertegenwoordigt zij de Historische Kring in de gemeentelijke Monumentencommissie. Inmiddels ook daar als voorzitter.

Het is moeilijk voor te stellen dat er om dat alles heen nog tijd en ruimte overblijft om wat extra’s te doen. Kijkt u mee?

Het eerste fotoboek “Losser en zijn kerkdorpen in oude foto’s”,  uitgegeven in 1987, vermeldt in het voorwoord:….”Voorts past een woord van grote dank aan mevrouw Thea Evers-Evers die de tekst verzorgde.” Dus toen al!

Zij gaat op deze weg verder door haar tijd, interesse en schrijftalent ook in te zetten voor deel II in 1994.

In het najaar van 1991 schrijft voormalig burgemeester van Losser, J. Smit, een voorwoord in het door mevrouw Evers geschreven boek “Losser omstreeks 1890”. Hij karakteriseert haar werk als volgt:” …Het voorliggende is dermate enig, interessant en lezenswaardig, dat ik dit graag, voor een ieder die belangstelling heeft voor de geschiedenis - en in dit geval voor een bepaalde periode van de prachtige gemeente Losser - van harte aanbeveel.”

Het betreft hier een 127 pagina’s tellende studie die gebaseerd is op een landelijke landbouwenquête uit 1886 waarbij de gemeente Losser onderwerp was.

Bij het 75-jarig jubileum van de Bernardus Stichting schrijft Thea het boek

“Bernardus Stichting Losser – 1916/1991”. Het 150 pagina’s tellende boek legt op iedere bladzijde getuigenis af van de zeer grondige wijze waarop zij zich van haar taak heeft gekweten. Een belangrijke episode uit de Losserse zorg voor de zieke en oude medemens heeft in dit boek – ook geschiedkundig – zijn terechte plaats gevonden.

En in 2003, bij het 175-jarig bestaan van de Openbare Bibliotheek te Enschede, stelt Thea Evers een boek samen aan de hand van 175 foto’s, waarin oud Enschede tot leven wordt gebracht. Deze 175 foto’s vroegen wel om 175 teksten!

“Waarom een lintje”, was de vraag.

Wie zo gemotiveerd en wezenlijk bezig is en steeds weer inspiratie, tijd, werklust en energie weet te vinden en vrij te maken, om die blijvend in dienst te stellen van de Losserse gemeenschap, verdient een koninklijk schouderklopje om de dank van de gemeenschap te vertolken.

Vond de koningin. Het bestuur van de Stichting Historische Kring Losser ook.

Dus: Thea proficiat!

Het bestuur

‘Het meisje in de Froenstraat… en andere Lossernaren’

Onder deze intrigerende ‘werktitel’ is de Historische Kring Losser in april 2004 begonnen aan een nieuw project dat hopelijk zal leiden tot de uitgave van een zeer bijzonder (foto)boek.

In de jaren 1979 tot 1995 maakte ons lid de heer Norbert Klein, destijds actief in de - helaas ter ziele gegane - ‘Hifo’ (Historische Fotoclub Losser), een serie van 111 portretten van bekende en minder bekende Lossernaren. Onlangs zijn wij in het bezit gekomen van deze foto’s.

De gefotografeerde personen maken (zoals wij allemaal) ieder op hun terrein deel uit van een stukje geschiedenis van ons dorp in de tweede helft van de twintigste eeuw. De portretten zijn van zodanig hoge kwaliteit dat het erg jammer zou zijn om deze foto’s simpelweg in onze collectie op te nemen en er verder alleen incidenteel iets mee te doen.

Daarom heeft het bestuur besloten om er een boek van te maken. Gezien de naam die de Historische Kring Losser heeft opgebouwd met haar publicaties zal het een echt mooi boek moeten worden. De kwaliteit van de foto’s vereist een ‘luxe’ uitgave. Om de prijs ‘betaalbaar’ te houden moet er uiteraard wel voldoende belangstelling voor de uitgave zijn!

Bij elke foto zal ook een ‘geschreven portret’ worden opgenomen. Opname van foto en beschrijving zal uiteraard alleen plaats vinden met toestemming van de betrokkene of van haar/zijn nabestaanden. Om gegevens voor de beschrijvingen te verzamelen worden alle betrokkenen (of hun nabestaanden) vanaf april 2004 benaderd door bestuursleden van de HKL. Ook wordt dan de belangstelling voor aanschaf van het boek gepeild.

Belangstellenden zullen te zijner tijd in de gelegenheid worden gesteld om in te tekenen op één of meerdere exemplaren van het boek. Een lijst met de namen van de ‘intekenaren’ zal in het boek worden afgedrukt.

Wij hopen dat alle betrokkenen spontaan mee zullen werken aan de realisatie van dit unieke fotoboek. De lijst met namen van de geportretteerden is te groot om in dit boekje te worden afgedrukt. U kunt de namen te zijner tijd wel lezen op de website van de Historische Kring, die naar wij hopen in de maand september 2004 ‘in de lucht zal komen’.

Het bestuur

De prachtige foto, die zijn naam heeft gegeven aan het hiervoor genoemde project en die ook is afgedrukt op de omslag van dit boekje, is door Norbert Klein gemaakt op 20 mei 1979. Het meisje (haar naam is bij ons helaas niet bekend;kunt u ons helpen?), rent op het moment dat de fotograaf afdrukt toevallig voor de smederij van Lemmink langs. De smederij van Lemmink bevond zich aan de achterzijde van Hotel Lemmink (nu café ’t Raedthuijs aan de Sint Maartenstraat), dus aan de tegenwoordige Bernhard Leurinkstraat. In 1979 heette deze straat nog ‘Froenstraat’ naar vader Theodorus en zoon Henricus Froen, predikanten van de Hervormde gemeente Losser (van 1638 tot 1696).

Oproep

De afgelopen jaren is Oet Dorp en Marke, naast artikelen van redactie- en bestuursleden, ook regelmatig gevuld met bijdragen van ‘gewone’ leden. Dat wordt gezien de reacties die wij ontvangen erg gewaardeerd en ook wij stellen die bijdragen op hoge prijs. Wij willen dat hierbij weer eens uitdrukkelijk uitspreken en noemen daarom nog een keer de namen van die schrijvers sinds aflevering 2000-2: J.D. Brilman, Hermannus J.P. Elferink, Hans van Huizen, Frans Jacobs, A.F. de Jongeburcht, P.E. de Kleijn-Koolen, H. Kok, Joh. Luizink (helaas inmiddels overleden), Marcel Nijland, A. Reuvers, H.Z. Scherphof-Bekker.

Dat wij deze namen op dit moment in herinnering roepen is niet toevallig maar heeft een heel praktische oorzaak: Het lijkt er een beetje op dat de vijver gevuld met leden, die wel eens een stukje schrijven, aan het opdrogen is. Dit nummer is alleen gevuld met bijdragen van het bestuur en van redactieleden.Van ‘gewone’ leden ligt ook niets meer ‘op de plank’.Tenminste niet bij ons …

Vandaar deze oproep aan al onze leden. Schroom niet, trek de stoute schoenen aan … of beter neem de pen ter hand en schrijf iets voor Oet Dorp en Marke. Het hoeven geen hoogstaande journalistieke producties te zijn, maar uw verhaal moet natuurlijk wel ‘een beetje’ passen bij de doelstelling van de HKL. En als het nodig is schaaft de redactie (uiteraard in overleg met de schrijver) de tekst wel een beetje bij.

Herdenking 60 jaar Bevrijding

Volgend jaar is het 60 jaar geleden dat er een eind kwam aan de Tweede wereldoorlog en Nederland bevrijd werd van 5 jaren bezetting. Het zal niet meer zijn zoals 10 jaar eerder toen wij vele Canadese en Engelse oud-strijders ‘again’ welkom mochten heten en de Historische Kring Losser dat prachtige boek van Joh. Luizink ‘In Losser is niets gebeurd… 1940-1945’ mocht uitgeven.

Wel willen wij aflevering 2005-1 van Oet Dorp en Marke Losser geheel wijden aan ‘Losserse’ onderwerpen die met de oorlog en de jaren daarna te maken hebben. Ook de oorlog in Ned. Indië en de inzet van Nederlandse soldaten voor, tijdens en na de politionele acties zouden aan bod kunnen komen.

De redactie heeft al enkele ideeën, maar niet voldoende om een heel nummer te kunnen vullen. Daarom is de oproep “Schroom niet, trek de stoute schoenen aan … of beter neem de pen ter hand en schrijf iets voor Oet Dorp en Marke.”  in het bijzonder gericht aan die mensen die ons willen helpen om van Oet Dorp en Marke 2005-1 een waardig ‘Bevrijdingsnummer’ te maken. Ook suggesties voor onderwerpen zijn van harte welkom. U kunt contact opnemen met de (eind)redacteur Georg van Slageren, tel. 053 538 2850.

De redactie

Het isolement van Losser

(bij het begin van de 20ste eeuw)

Afgezien van de komst van de tram  in 1903 was er met betrekking tot de wegverbindingen in Losser eigenlijk nauwelijks iets veranderd ten opzichte van de situatie omstreeks 1890, die wordt beschreven in het verslag dat de Oldenzaalse burgemeester mr. J.H.A.M. Essink maakte voor het door een Staatscommissie ingestelde ‘Onderzoek naar den toestand van den Landbouw in Nederland’. En die situatie was niet florissant!

Maar nauwelijks een jaar nadat op 18 juli 1903 de tramlijn Gronau-Glane-Losser-Oldenzaal-Denekamp in gebruik was genomen, had de gemeenteraad van Losser een besluit genomen over de verharding van een aantal belangrijke verbindingswegen. W.D. (wijlen de heer Willie Dijkhof) schreef in De Nieuwe Dinkellander van 12 november 1972 een verslag over een raadsvergadering uit 1904, zo levendig alsof hij er zelf bij geweest was.

Georg van Slageren

Telde de gemeente Losser in 1892 nog 5200 inwoners, in 1915 was dat aantal gestegen tot bijna 12.500, wat betekent dat de bevolking in minder dan 25 jaar meer dan verdubbeld was. De oorzaak van deze grote toename was de vestiging van grote aantallen textielarbeiders. De oorzaak van deze bevolkingsaanwas was hoofdzakelijk de sterke uitbreiding van de textielindustrie in het Duitse grensgebied na de Frans-Duitse oorlog en vooral in de jaren tachtig van de negentiende eeuw. Er werden in deze jaren in Gronau, Nordhorn enz. grote fabrieken gebouwd.

Deze bedrijven trokken, nadat de eigen arbeidsmarkt was uitgeput, eerst een groot aantal Duitsers uit andere streken aan en vervolgens Nederlanders. Voorzover Losser nog thuiswerkers kende, werden deze allemaal door de Duitse fabrieken ‘opgeslokt’, evenals honderden gezinnen uit de Kop van Overijssel, Drente en het Friese veengebied.

Een groot deel van de Hollandse immigranten ging wonen in Gronau. Een ander deel vestigde zich op Hollands grondgebied in het Losserse Veld, de onbewoonde heidestreken over de Dinkel in het zicht van de Duitse fabrieken. De overigen vestigden zich in of nabij het dorp Losser. In de verslagen van een staatscommissie van 1890 wordt al gezegd, dat er veel volk uit Drenthe, Friesland en Steenwijkerwold enz. naar de gemeente Losser trekt en bij de Pruissische grens op Hollands grondgebied in keten woont, maar ook dat er behoorlijke woningen voor hen worden gebouwd.

In deze periode breidde niet alleen de Duitse textielindustrie zich snel uit, ook de Enschedese en Oldenzaalse fabrieken groeiden en hebben daardoor de migratie gestimuleerd. De arbeiders die in Oldenzaal werk vonden, vestigden zich deels in Berghuizen op (toen nog) Lossers grondgebied.

Vóór de eerste wereldoorlog werkten ongeveer 1500 textielarbeid(st)ers uit de gemeente Losser in de Gronause fabrieken. Toen in 1915 de fabrieken moesten sluiten en de grens afgesloten werd, werden veel arbeiders werkeloos. Sommigen vonden werk in Enschede. Na afloop van de oorlog keerden veel arbeiders uit Losser terug naar de Duitse fabrieken, maar de oude toestand, dat wil zeggen de eenzijdige oriëntatie van Losser op Duitsland, is niet meer teruggekeerd.

Gezien het voorgaande is het belang van goede verbindingswegen van Losser naar Gronau, Oldenzaal en Enschede duidelijk. Toch ontbrak het Losser lange tijd aan goede verbindingen.

Interessante informatie over “De toestand der wegen in de gemeente Losser in 1890”

komt voor in het verslag dat de Oldenzaalse burgemeester mr. J.H.A.M. Essink maakte voor het door een Staatscommissie ingestelde ‘Onderzoek naar den toestand van den Landbouw in Nederland’. (Zie ook in ‘Losser omstreeks 1890’ van Thea H. Evers-Evers).  

”De spoorweg Almelo-Salzbergen doorsnijdt deze gemeente in de richting van het westen naar het oosten, echter wordt hier geen station gevonden. De naastbijgelegen stations zijn die te Oldenzaal en Gronau, respectievelijk op 1½ en 1 uur van de bebouwde kom van het dorp Losser gelegen. Een straatweg verbindt Oldenzaal met het dorp Losser; drie harde wegen doorsnijden de gemeente.

Eén der laatstgenoemde wegen, die het zuidelijk gedeelte van de buurtschap Berghuizen (toen nog behorend tot de gemeente Losser;GvS) doorsnijdt, verbindt Oldenzaal met Enschede; een andere die het westelijk gedeelte dier buurtschap doorsnijdt, verbindt Oldenzaal met Hengelo. Laatstgenoemde weg splitst zich te Oldenzaal in tweeën: de één loopt door het oostelijk gedeelte van de buurtschap Berghuizen, de Lutte en Beuningen over Denekamp naar de Pruisische grenzen; de andere loopt door het oostelijk gedeelte van de buurtschap Berghuizen door het midden van de Lutte in de richting van de Pruisische grenzen. Deze wegen verkeren in vrij goede staat.

Het dorp Losser wordt met de fabrieksplaats Gronau door een zandweg verbonden, die steeds goed wordt onderhouden.
De verbindingsweg tusschen Oldenzaal en de kom der gemeente Losser stond vroeger onder het beheer van eene Commissie van ingezetenen der gemeente Losser, of er thans nog eene Commissie bestaat is niet met zekerheid te zeggen. In de kosten van onderhoud wordt voorzien door de opbrengst van een tol, die maandelijks ƒ 25 à ƒ 30 opbrengt, en door een provinciale subsidie. (Over deze en de andere drie tollen, die Losser geteld heeft, kunt u meer lezen in een ander in dit nummer opgenomen artikel;GvS).

De zandwegen, welke het dorp Losser met Gronau verbinden en de groote buurtwegen worden in den regel goed onderhouden. Het onderhoud geschiedt geregeld door hand- en spandiensten.
De overige zandwegen verkeeren meestal in slechten staat.
Bij de verdeling der markgronden (in 1851; GvS) heeft men verzuimd flinke wegen aan te leggen.
De bestaande wegen komen meestal niet op den ligger der wegen voor, zoodat het gemeentebestuur geen voldoend toezicht op het onderhoud dier wegen kan uitoefenen. Het gevolg daarvan is, dat de waarde der eigendommen niet hoog is, terwijl door het goede onderhoud dier wegen de ontginning der woeste gronden, waarvoor vooral bij de groote grondeigenaren veel liefhebberij is, zeer zoude bevorderd worden.

Waterwegen bestaan hier niet. Het eenige riviertje van beteekenis is de Dinkel. Ook vindt men hier en daar een klein beekje, hetwelk zijn water in de Dinkel of Regge ontlast. Hier en daar wordt het water voor bevloeiing van het weiland gebruikt.”

J.A. Warnaars, burgemeester van Losser van 1870 tot 1906, was een man die heel goed begreep hoe belangrijk goede verbindingen voor Losser waren. Kort na zijn komst in 1872 was al besloten om de erbarmelijk slechte weg van Oldenzaal naar Losser beter begaanbaar te maken. En verder was hij al vanaf 1893 betrokken bij de plannen voor de aanleg van de tramlijn die in 1903 in gebruik zou worden genomen. (Zie ‘Op en om een klein stationnetje…’, het in april 2003 verschenen boek over de geschiedenis van ‘het spoor’ in Losser, een uitgave van de Historische Kring Losser en nog steeds verkrijgbaar).

En via burgemeester Warnaars komen we dan bij de in de aanhef van dit artikel al genoemde gemeenteraadsvergadering uit 1904, waarvan - 68 jaar later - onder de ‘pakkende’ kop:

 ‘Overdreven zuinigheid van raadsleden hield dorp Losser in isolement’

verslag werd gedaan in de Nieuwe Dinkellander.

 

“Losser – Op 4 november 1904 opende burgemeester J.A. Warnaars een raadsvergadering die van verstrekkende betekenis zou worden voor de gemeente Losser. Toen de vergadering nog maar enkele minuten oud was stond het nieuwe raadslid, de heer N.H. Nusmeijer, op om een vlammend pleidooi te houden voor verharding van een aantal verbindingswegen als Losser - Enschede, Losser - Gronau, Losser - Overdinkel en Losser - De Lutte.

Er ging een schok door de raadszaal toen de nieuwkomer zijn grootse plannen ontvouwde, want de behoudende en overdreven zuinige Losserse raadsleden hielden nog altijd angstvallig “de doem op de knip” want geld uitgeven maakte hen kopschuw. “Dat geet ja een boel geld kosten” fluisterden de zuinige raadsleden elkaar toe en ze maakten al plannen om het voorstel van Nusmeijer zo snel mogelijk onder de tafel te werken. De dreigende oppositie werd echter in de kiem gesmoord door de gezaghebbende stem van de heer Th. ten Brink, die het plan Nusmeijer steunde.

Herman Nicolaas Nusmeier, lid van de Losserse gemeenteraad van 1903 tot 1931


Volgens kleinzoon Hartmut Nicolaas Nusmeier (die ook de foto beschikbaar stelde) was zijn grootvader enig kind van ouders die woonden in een klein, armoedig huisje aan de Zwarteweg (nu: Gildehauserweg). Naast het ene kind telde het gezin ook één koe, die door zijn grootvader geregeld uitgelaten moest worden in de bermen in de buurt van het huis.

Al op zeer jonge leeftijd moest Herman aan het werk in de textielfabriek van Stroink in Gronau. De jongeman ontwikkelde zich daar zo goed, dat hij op een gegeven moment een functie op het kantoor kreeg aangeboden. De ervaring die hij daar op deed gaf hem al gauw zoveel zelfvertrouwen dat hij ‘voor zichzelf begon’.

Zijn bezigheden kunnen het best met het begrip ‘koopman’ omschreven worden. Onder dat begrip vielen onder meer een agentschap voor de Grolsche Bierbrouwerij, maar ook werkzaamheden als assurantietussenpersoon en als makelaar en taxateur. En verder alle handel waar wat aan te verdienen viel.
Als makelaar bemiddelde hij in 1926 bij de aankoop van de gronden voor de bouw van de Textielfabriek

L .van Heek & Zn te Losser. Aan deze transactie verdiende opa Herman zo goed dat hij daarna een auto kon kopen.

Over de schrijfwijze van de naam ‘Nusmeier’ bestaat veel verwarring. In het artikel van Willie Dijkhof in de Nieuwe Dinkellander van 12 november 1970 en ook in Losser voorheen en thans (C.J.A. van Helvoort, 1926) wordt de naam geschreven als Nusmeijer. Bovendien worden de voorletters N.H. gebruikt. De vader van Herman Nicolaas, te weten Frederik Bernard Willem (1843 tot 1916) schreef zich nog ‘Nusmeijer’. Bij de geboorteaangifte van Herman Nicolaas in 1875 is, volgens diens kleinzoon Hartmut, een fout gemaakt en de achternaam wordt sindsdien geschreven als Nusmeier. Beide namen werden kennelijk nog door elkaar gebruikt, want de handelsnaam waaronder Herman Nicolaas Nusmeier zijn zaken dreef was ‘firma H.N. Nusmeijer’.

De volgorde van de voorletters bij Van Helvoort en in diens voetspoor wellicht ook bij W.D. moet op een verschrijving berusten.

De raadsleden, overwegend bestaande uit vertegenwoordigers van de landbouwende bevolking, hadden maar weinig op met verharding van wegen. Zij dachten nog overwegend in de oude ‘markebegrippen’ en ze hielden zich verre van ‘nije flantuten’. Geld en bezit waren voor de plaatselijke volksvertegenwoordigers doorslaggevend en als het plan Nusmeijer niet door ten Brink was ondersteund had men er korte metten mee gemaakt.

Burgemeester Warnaars lachte fijntjes toen de raad het voorstel tot verharding van wegen aannam. Heel zijn ambtsperiode had hij gevochten voor wegenaanleg en eindelijk kwam er uitzicht op vervulling van zijn wensen. Maar hij zou het niet meer meemaken. Enkele jaren later, in 1906, overleed de burgemeester. De kogel was echter door de kerk, de raad had ‘A’ gezegd en moest nu ook wel ‘B’ zeggen.

De verbindingswegen waren nog steeds niet meer dan zandige voetpaden. In 1904 verkeerde alleen de weg Losser - Oldenzaal in vrij behoorlijke staat. Deze belangrijke verbindingsweg was in 1873 aangelegd ten koste van een zeer groot aantal bomen. Om aan het geld voor de wegverbetering te komen werden er niet minder dan 1025 eiken, 110 beuken en 13 berken gekapt. Er is toen veel natuurschoon verwoest maar de opbrengst van het hout was dringend nodig voor het in stand houden van de weg Losser - Oldenzaal. Toch is o.i. de prijs van 1025 machtige eiken te hoog geweest.


Met zijn voorstel, gedaan in 1904, heeft de heer Nusmeijer de draad opgepakt van eerder gedane voorstellen door een commissie uit de burgerij.

In 1866 bracht deze commissie een advies uit. Samen met B. en W. bestookte de commissie jarenlang de raad met cijfermateriaal en gegevens maar de raadsleden bleven halsstarrig. Toen de strijd haast uitzichtloos begon te worden kwamen de raadsleden eindelijk over de brug en gingen akkoord met een voorstel om de weg naar Enschede met keien te verharden. Grote vreugde uiteraard in het kamp der vooruitstrevenden. Toen het er echter op aankwam geld beschikbaar te stellen krabbelde de raad weer terug en de ingediende plannen werden met 4 tegen 3 stemmen verworpen.

In 1887 begon het weer te dagen want in dat jaar ging de raad akkoord met een voorstel om van de Gebr. Dijkhuis in Glane een strook grond te kopen voor de prijs van ƒ 175,-- bestemd voor verbreding en verharding van het voetpad “door den Mulderinkskamp” naar Gronau. Overdreven zuinigheid was echter niet alleen een eigenschap van de Losserse raadsleden. Ook het rijk en de provincie zaten op de centen en de overheid weigerde om een deel van de kosten, zijnde ƒ 30.000,-- te subsidiëren. Hiermee ging ook dit plan weer prompt in de grote “plannenlade” van de toenmalige raadsleden.

Oudere ingezetenen herinnerden zich in 1972 nog zeer goed het rulle zandpad dat naar Gronau leidde. Na regenbuien ontstonden er grote modderpoelen waarin de argeloze wandelaar tot aan zijn enkels wegzakte. De jonge kerels toonden zich dan graag bereid om de blozende “wichter” in hun sterke armen te nemen en hen veilig over te zetten. Uiteraard stonden langs de weg naar Gronau de nodige cafeetjes waar de liefhebber voor drie of vijf cent een stevige borrel kon kopen. En als we de verhalen mogen geloven waren er in die tijd liefhebbers genoeg. Af en toe gingen door de borrel verhitte vrijers met elkaar op de vuist om na het beëindigen der vijandelijkheden broederlijk naar dokter Frederiks te stappen om de wonden door een bulderende dokter te laten behandelen.

Talrijk en onderhoudend zijn de verhalen en anekdotes uit de tijd dat de Gronausestraat nog een haast onbegaanbaar voetpad was. Lang heeft het geduurd eer de toenmalige raadsleden tot de ontdekking kwamen dat een goed wegennet noodzakelijk was om de gemeente uit een eeuwenlang bestaand isolement te halen. Verkeerde zuinigheid was de enige drijfveer om de vooruitgang tegen te houden.”

‘Tollen’ langs Losserse wegen

Tijdens de door de HKL ter gelegenheid van  de LAGA 2003 ingerichte tentoonstelling over de geschiedenis van ‘het spoor’ in Losser, werd regelmatig de vraag gesteld waar toch de naam ‘Tol’ van een halte aan de tramlijn van Oldenzaal naar Losser vandaan komt. Kennelijk had ook de zetter van de tekst van de eerste dienstregeling van de tramlijn problemen met de naam. In de officiële advertentie in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van maandag 13 juli 1903 wordt de naam geschreven als ‘Pol’. Dat het echt ‘Tol’ moet zijn blijkt uit de volgende bijdrage die ondermeer is gebaseerd op artikelen die in de jaren 1962, 1971 en 1975 werden gepubliceerd in de Twentsche Courant. Het artikel uit 1962 is geschreven door Dr. G.J.M. Bartelink en is ook gepubliceerd in diens ‘Uit Twente’s verleden’ (Twents-Gelderse Uitgeverij W.G. Witkam Enschede, 1973). Ook werden het jaarboek Twente 1963 en het internet geraadpleegd.

Georg van Slageren

Inleiding

In de Middeleeuwen werd de landsheer geacht eigenaar te zijn van alles waarop geen ander recht kon doen gelden. Woeste gronden, wegen, wild, water (en alles wat daar in was…), ja zelfs de wind waren van hem.

Wie er gebruik van wilde maken moest betalen. Zo moest ook een molenaar voor het recht van wind, voor elke zak meel die gemalen was ‘dokken’.

Reizigers stuitten om de haverklap op tollen. De landsheer inde de tolgelden meestal niet zelf maar verpachtte het tolrecht aan particulieren. Nadat de Nederlanden zich hadden vrijgemaakt van Spanje viel dit soort rechten toe aan steden of gewesten.

De meeste tollen langs de wegen zijn in het begin van de 20e eeuw geleidelijk opgeheven. In Twente waren er aan het begin van die eeuw nog talrijke te vinden. Volgens Bartelink meer dan in andere delen van de provincie. De tollen die toen nog bestonden waren geen overblijfselen van feodale rechten. (Die waren in de Franse tijd al opgeruimd!). Meestal waren ze in de 19e eeuw opgericht om de onderhoudskosten van (min of meer) verharde wegen te kunnen betalen.

Alles bijelkaar beschikte Nederland in 1800 over een schamele 200 kilometer verharde weg. Onder Koning Willem I begon daar verandering in te komen. Het rijk legde nieuwe wegen aan, gefinancierd uit leningen die uit tolgelden werden afgelost.

Particulieren werden aangemoedigd hetzelfde te doen. Gevolg was dat het wegverkeer in de 19e eeuw voortdurend moest stoppen voor doorgaans dure tolhekken.

Door de aanleg van spoorwegen, vanaf het midden van de 18e eeuw, nam het verkeer over de weg aanzienlijk af en daalde ook het gebruik van tollen. In 1900 werden alle rijkstollen afgeschaft. Door de toenemende mobiliteit en de grotere diversiteit van vervoermiddelen verdwenen ook de overige tollen langzaam maar zeker helemaal. Vele overgebleven tolhuizen herinneren nog aan de plaatsen waar vanouds tol werd geven.

Het is overigens niet mijn bedoeling om heel erg diep in de historie te duiken. Daarom beperk ik mij in dit artikel tot een kort overzicht van de tollen die er - voorzover bekend - op het grondgebied van de gemeente Losser geweest zijn.

Huttenhuis’ tol

Wordt tegenwoordig in Losser te pas en te onpas de vlag uitgestoken, in het jaar 1875 hadden de inwoners van Losser echt reden om te vlaggen. In dat jaar kwam er namelijk een groot ‘infrastructureel’ werk (het eerste in de gemeente) klaar: De verharding van de weg naar Oldenzaal.

Evenals andere dorpen in Oost-Twente was ook Losser nauw verbonden met de Plechelmusstad. De meeste Lossernaren gingen tot ver in de twintigste eeuw in Oldenzaal winkelen en togen er naar de markt.

De verharding van de weg naar Oldenzaal had heel wat voeten in de aarde gehad en bomen ontworteld – zie het artikel over het isolement van Losser elders in dit nummer. Om de onderhoudskosten te kunnen betalen besloot de gemeente tol te gaan heffen van weggebruikers. Dr. G.J.M. Bartelink schrijft hierover in ‘Uit Twente’s verleden’:

“Toen er in 1875 een verharde weg tussen Oldenzaal en Losser klaargekomen was, werd er door de gemeente Losser, op wier grondgebied de weg immers lag, een tol opgericht bij Huttenhuis. Met witte pannen heeft er tot in de laatste wereldoorlog “De Tol” op het dak gestaan en onder die naam was het huis in de omgeving bekend.”

Voor een hondenkar was het tarief, evenals voor een rijtuig met één paard, 10 cent. Voor een tweewielige wagen of een slee met één paard betaalde men 8 cent en voor een wagen met 2 paarden 15 cent.

Volgens het geldende reglement was er al tolgeld verschuldigd als men met een ‘tolplichtig voorwerp’ de tol tot op 50 meter genaderd was. Deze afstand werd met een witgeschilderde paal met het woord TOL aangeduid.

Men wilde de tol nogal eens ontduiken. Mensen met een hondenkar maakten soms een eind voor de tol hun hond los en duwden hun kar zelf voort, zodat ze geen tolrechten hoefden te betalen. Militairen, marechaussee’s, wageninspecteurs en postwagens waren vrijgesteld van het betalen van tol.

In 1886 bracht de Losserse tol ongeveer ƒ 400 op. Voor het beheren van de tol kreeg Huttenhuis ƒ 50 per jaar. In 1900 werd dit bedrag verhoogd tot ƒ 100.

Broers en zussen Huttenhuis van ’n Tol aan de Oldenzaalsestraat (huidige nummer 142). De woning staat aan een ‘aftakking’ van de Oldenzaalsestraat (eerste weg rechts na de Koopsweg als je van Losser naar Oldenzaal gaat). Het oorspronkelijke tolhuis is in 1906 afgebrand. Van de herbouwde woning is in 1953 bij de storm die ook de watersnoodramp veroorzaakte, het dak ingestort.

De foto is waarschijnlijk gemaakt omstreeks 1920. U ziet van links naar rechts: Aleida, Johannes, Lambertus,  Dina, Johanna Barbara en Gerhard. Dit zijn de 6 kinderen van Johannes Hendrikus Huttenhuis (1830 – 1882) en Geertruida Gunder. Johannes was de eerste beheerder van de tol.

 Lambertus (geb. 1869) was getrouwd met Geertruida Johanna Wegman. Laatstgenoemde beheerde naderhand de tol en beschikte ook over een vergunning ‘Verlof A’.( Met dank aan de heer Gerard Huttenhuis- kleinzoon van Lambertus en Geertruida - die de informatie bij deze foto beschikbaar stelde).

Toen vanaf 1903 de tram van Oldenzaal naar Losser en Gronau ging rijden  probeerden weggebruikers soms de tol over de trambaan te passeren (zonder te betalen). Al spoedig werd er toen, volgens Bartelink, een ijzeren hek over de trambaan geplaatst dat ’s morgens voor de eerste tram geopend moest worden. Toen Huttenhuis zich eens versliep vernielde de rijdende tram het hek.

Een aantal jaren na de aanleg was de toestand van de weg al weer zo slecht dat het klachten van weggebruikers regende. De reizigers waren niet alleen ontevreden over de slechte staat van de weg maar men beklaagde zich er vooral over dat men voor het gebruik van de verwaarloosde weg ook nog moest betalen. Men verlangde terecht dat de opbrengst van de tolgelden ook daadwerkelijk voor het onderhoud van de weg zou worden gebruikt. Op last van hogerhand (de provincie?) werd het tolhek toen verwijderd. Na het herstel van de weg werd het tolhek juist op de dag van de Oldenzaalse kermis weer herplaatst, wat ook weer de nodige deining veroorzaakte.

De tolheffing werd in 1910 beëindigd maar in 1962 werden, volgens Bartelink, de oude eikenhouten tolpalen nog als weidepalen gebruikt.

Kribbenbrug

Veel ouder was de tol die Oldenzaal op Lossers grondgebied heeft gehad. Deze bevond zich bij de Kribbenbrug over de Dinkel aan de voormalige weg van Oldenzaal over de Tankenberg naar Gildehaus.

Bij deze brug stond ook het bisschoppelijk tolhuis, zo genoemd omdat eertijds de tol van deze brug toebehoorde aan de bisschop van Utrecht. Pastoor J.G. Geerdink noemt als vroegste vermelding van deze tol het jaar 1006. (Kroniek van de Lutte, handschrift 1845).

Oldenzaal moest voor het onderhoud van de brug zorgen maar in 1735 nam Gerrit Brinckhorst uit De Lutte dit op zich, waarvoor hij een jaarlijkse vergoeding van 20 Carolusgulden ontving en het recht om als burger op de Oldenzaalse markt zijn inkopen te doen. In 1800 was de tol voor 71 gulden verpacht aan Jan Geerling.

In 1805 ontstonden ernstige moeilijkheden toen een aantal boeren de rechtmatigheid van de tolheffing betwistte. Het kwam tot een proces dat uiteindelijk in een schikking eindigde.

Wanneer de tol precies is opgeheven is niet bekend.

Ellermansbrug

In 1866 werd bij Koninklijk Besluit aan J. Kroesgenberg, weduwe van G.J. Elderink, concessie verleend tot het heffen van een brug- en weggeld voor de overgang van wagens over het erve Elderink en de Elderinksbrug over de Dinkel. (De tegenwoordige Ellermansbrug in de weg van Losser naar Overdinkel). Omstreeks 1880 is de in verval geraakte brug gekocht door de gemeente. Het bij de brug gelegen erve Elderink ging omstreeks 1887 over in handen van de familie Smudde.

De Rijkstol

Als laatste was er in de gemeente Losser ook nog een tol die eigendom was van het rijk. Deze tol bevond zich aan de weg Oldenzaal-Denekamp. Deze weg maakt deel uit van de grote route die vanuit Deventer via Hengelo en Oldenzaal naar de Rammelbeek loopt. De route is nog ontworpen door de ingenieurs van Napoleon en in 1823 was men met de aanleg begonnen. In 1830 was men tot Denekamp gevorderd.

Toen de weg in gebruik werd genomen kwam bij Beuningen boven op de hoogte, die volgens Bartelink ‘Tolbult’ wordt genoemd, het tolhuisje te staan.
Zoals bij rijkstollen gebruikelijk werd ook deze telkens voor enkele jaren verpacht. Isinkhof is de laatste pachter geweest. Jammer genoeg vermeldt Bartelink niet wanneer dat was. Wel sprak hij met een latere bewoner van het oude tolhuis, die zich nog aardige bijzonderheden kon herinneren. Zo konden van de voordeur het onder- en het bovenstuk afzonderlijk geopend worden, zodat de tolgaarder niet steeds naar buiten hoefde. Soms probeerde men langs binnenwegen de tol te ontduiken. Men kon echter beboet worden als men dan vóór het Sterrenbos weer op de ‘grote’ weg kwam.

Een sollicitatiebrief uit 1885

Uit: Losser omstreeks 1890, geschreven door Thea Evers-Evers (in 1991 uitgegeven door de Historische Kring Losser en helaas uitverkocht).

“…Maar sinds 1877 bestaat er al een vacature voor gemeentearts en zijn er geen gegadigden voor deze functie geweest.

Ongetwijfeld is dit mede veroorzaakt door de salariëring, want die was aan grote schommelingen onderhevig. In 1869 ontving J.B.W. Kleinsmit een aanstelling op een jaarwedde van ƒ 350. Maar het jaar daarop werd er direct aan het salaris getornd. De raad bracht het terug tot ƒ 200;een loonsverlaging van ruim 40%. Dokter Kleinsmit accepteerde dit en bleef tot zijn dood in 1877 zijn praktijk uitoefenen.

Dan volgt er een tijdperk zonder plaatselijke arts. Voor geneeskundige hulp waren de mensen aangewezen op een dokter in Oldenzaal. De raad zag wel in dat dit een zeer ongewenste situatie was en stelde zelfs een salaris van ƒ 1.000 in het vooruitzicht met daarbij een geschikte woning in Dorp Losser of De Lutte. Pas in 1898 wordt Jan Gerrit Frederiks als arts aangesteld op een salaris van ƒ 500.”

Uit onderstaande brief, waarvan wij via de heer B. Molthof een kopie ter beschikking kregen (waarvoor onze dank), blijkt dat er tussen 1877 en 1898 minstens één sollicitant is geweest. Waarom die niet werd aangenomen, geeft de historie (nog) niet prijs. Maar de brief is wel leuke lectuur.

De redactie

Gronau den 7 October 1885

Aan den Edel Achtbaren Raad der Gemeente Losser

De ondergeteekende F. H. Wessendorff dr. med.te Gronau neemt door deze de vrijheid U Ed. Achtb.Bestuur aan te bieden dat hij genege is op nadere bepalen vorwaarden s’jaars de wettelijke doodschouwing en Koepokinenting te

verrigten en tot behandeling der zieken 3 a 4 maal in de week op nader bepalen tijd des namiddags 2 uur lang in Uwe gemeente te vertoeven zo well in het dorp Losser als in de nabijheid der Lutter-Kerk.

De kosten der behandeling van zieken zullen sijn als volgt:

Voor het onderzoeken van een zieke incl. recept    0,45

voor het trekken van een tand                                 0,45

voor het openen van een gewon etterzak                0,45

voor een bezoek van een zieke in het dorp

of in de nabijheid                                                    0,60

voor minder bemiddelde                                         0,30

Bij grooteren afstand en expres verzoek

berekend hij de minst mogelijke prijs.

Voor eene verlossing bij de intekening                  1,00

en na het verrigten der verlossing                         4,00

voor hen die niet ingeteekend hebben                    8,00

voor grootere operatië een honorar zoo min mogelijk.

De door het Gemeente bestuur voor arm verklaarde zieken worden gratis behandeld.

De ondergeteekende verplicht zich een plaatsvervanger te stellen in enkele onvoorziene gevallen waarin hij verhinderd zoude zijn op den bepalen tijd te verschijnen, ook zal hij in het dorp Losser voor zijn rekening een persoon

disponibel stellen om bij overleden of bijzondere gevallen hem dadelijk kennis te geven.

Mocht het Gemeentebestuur nog andere bepalingen wenschelijk achten, dan gelieve U. Ed. Achtb. zulks den adressant mede te deelen om darover te oordelen en na wederzijdsch goedvinden vast te stellen.

Hierop gaarne U. Ed. Achtb. beluit verneemende     

teekend met de meeste hoogachting

F. H. Wessendorff
Dr. med.