Oet Dorp en Marke 2004 - 4

Inhoudsopgave

Van het bestuur
Weg noar ‘t verleden
(door Stien Meijerink)
De gevolgen van de verkeerde naam bij een erf
(door Stien Meijerink)
‘Kleine Cees’
(door A.F. de Jongeburcht)
De toestand der gemeente Losser over het jaar 1904
(door Thea Evers)
De idealist
(door J.D. Brilman)
Uitgaven van de Stichting Historische Kring Losser


Foto omslag: Muziekvereniging “Eendracht” te Overdinkel omstreeks 1951
Onderste rij
Jassies, Bonne Hankel, Andries v.d. Veen, Grietje Dokter, Jan Naberman..
2e rij
Gerrit ten Bruggencate, Egbert ten Bruggencate, John Veenvliet, Willem ter Haar, dirigent Cees de Jong, Roelof v.d. Berg, Klaas Bakker, Aard v.d. Wal.
3e rij
Ep v.d. Berg, Paul Dam, Freek Lassche, Bertus Lassche, Luwe Bakker, Hendrik v.d. Berg, Herman Fisschelier, Johannes Hankel, Bets Reuvers, Ep Bouwhuis.
4e rij
Willem Huuneman, Broer Grutter, Egbert Lassche, Johan v.d. Walle, Gerrie Grutter, Hans Hankel, Johan Knol, Chris van Attekum, Arie de Boer.
5e rij
Hendrik van Veen, Jan Dokter, Akkerman, Eggen, Jan Bakker, Piet Schipper, Tjibbe v.d. Berg, Hendrik van Baal, Frans de Jong, Jan v.d. Berg.

Van het bestuur

Convocaties

Tot nu toe is het gebruikelijk dat onze leden voor elke activiteit apart een uitnodiging (convocatie) ontvangen. Ook onze ‘buitenleden’. Dat brengt aanzienlijke kosten (porti) en moeite (drukken en bezorgen) met zich mee, terwijl een behoorlijk aantal leden niet deelneemt aan deze activiteiten. (Begrijp ons overigens niet verkeerd: over gebrek aan belangstelling voor onze ‘avonden’ hebben wij niet te klagen, ook de lezing van de heer Mulder van Natura Docet op 30-11-2004 was met bijna 90 bezoekers weer uitstekend bezocht!)

Met ingang van het jaar 2005 gaat de wijze van uitnodiging daarom veranderen. In principe zullen er voortaan geen convocaties meer worden rondgebracht of verzonden. In plaats daarvan treft u voortaan in Oet Dorp en Marke het programma voor de komende maanden aan. Als u de datums direct op de kalender of in uw agenda noteert kan er niets mis gaan en weet u al veel eerder dan tot nu toe het geval was waar u met de HKL aan toe bent. Het programma voor de komende maanden vindt u hierna. Uiteraard vindt u de agenda ook op onze website onder het hoofdstuk ‘Activiteiten’. Daarnaast proberen wij kort vóór een bijeenkomst nog aandacht te krijgen in de lokale media.

Wat gelijk blijft is dat alle bijeenkomsten worden gehouden bij Hotel Smit in de Brinkstraat.

Agenda

Maandag 3 januari 2005
Om 20.00 uur houdt de HKL de gebruikelijke Niejoarsvisite met knieperkes, boerenjongs en de onovertroffen quiz o.l.v. mevrouw Stien Meijerink-Hannink.

Dinsdag 15 februari 2005
Om 20.00 uur komt de heer A. Goutbeek uit Dalfsen ons vertellen over de prehistorie. Hij doet dat, op de van hem bij ons bekende wijze, aan de hand van een zeer professionele diapresentatie. Deze keer heeft de heer Goutbeek bovendien materialen bij zich die hij op een aantal tafels zal tentoonstellen.

Dinsdag 15 maart 2005

Om 20.00 uur maakt ons bestuurslid mevrouw Stien Meijerink-Hannink met behulp van dia’s met ons een tocht langs de gewaarde erven van de marke Losser.

Zondag 17 april 2005

Om 13.00 uur begint de jaarlijkse ledenvergadering. Zoals u van ons gewend bent duurt deze vergadering nooit lang. We staan even stil bij het afgelopen jaar (ook financieel) en kijken vooral vooruit. Na afloop gaan we op excursie naar een bezienswaardigheid in de buurt. De plannen daarvoor moeten nog uitgewerkt worden. Wel staat vast dat we niet op de fiets gaan en ook niet met een bus. Houdt u rekening met eigen vervoer (carpoolen)?.

Herdenking 60 jaar Bevrijding

Er is al veel kopij binnen gekomen en het belooft een mooi (dubbeldik) boekje te worden, het Bevrijdingsnummer van Oet Dorp en Marke Losser. Vat u het onderwerp trouwens niet al te beperkt op. Alle herinneringen aan de oorlogsjaren zijn van harte welkom.Als u nog een bijdrage zou willen leveren dan verzoeken wij u vriendelijk de tekst uiterlijk 1 februari 2005 in te leveren op het adres Hogeweg 36, 7582 CH Losser (of email: info@historischekringlosser.nl).

Waar we nog wel dringend behoefte aan hebben zijn illustraties. Mocht u foto’s of ander beeldmateriaal uit de oorlogsjaren in uw bezit hebben en dit beschikbaar willen stellen voor het Bevrijdingsnummer neemt u dan telefonisch contact op met Georg van Slageren (tel. 053 538 2850).

Het bestuur

Weg noar ‘t verleden

Al lang sluimerde binnen de redactie het idee om in Oet Dorp en Marke aandacht te besteden aan Losserse en Overdinkelse straatnamen. En dan niet aan ‘gewone’ namen zoals de Steenstraat, de Houtstraat, de Reigerstraat, de Tulpstraat, de Oldenzaalsestraat  etc. maar aan straatnamen die hun oorsprong vinden in de geschiedenis van onze dorpen en waarvan voor de meesten van ons niet bekend is waar die naam precies vandaan komt. Door een vraag, die binnen kwam via onze website, wordt dit idee nu leven in geblazen en beginnen we met de rubriek ‘Weg noar ’t verleden’. Ons bestuurslid Stien Meijerink-Hannink is de auteur van het eerste artikel in een (naar wij hopen) lange reeks.

De redactie

SMUDDEWEG

Het in verval geraakte boerenhuis, de Smudderij, dat midden in het weiland stond werd het laatst bewoond door de weduwe M. Osse - Reimerink met haar zoon Peter.

In de Hooimaten ligt zolang men zich dat kan herinneren de Smudderij en de bewoners van het huis noemden zich Smudde. Het is dan ook vanzelfsprekend dat een weg naar het huis de Smuddeweg wordt genoemd.

Vanuit Losser gaat men vanaf de Oldenzaalsestraat rechtsaf de Smuddeweg op langs de kleigaten van de Osse, over de Honingloweg waarna de Smuddeweg verandert in een bospad dat eindigt bij een weiland en het Smuddebos.

Midden in het pad verzonken moet nog een markesteen liggen.

Als men de toegangsborden van het Smuddebos mag geloven heeft men hier, door de ondergrond van klei, te doen met een van de rijkste bossen van Nederland.

De Smudderij lag op de grens van de marken Losser en de Lutte.

De familie Smudde komt in het Schattingsregister van 1475 en in het Verpondingregister van 1601 niet voor.

In de doop- trouw- en begraafboeken vindt men de naam Smudde voor het eerst in Oldenzaal  in het begin van de 18e eeuw.

De katerstede Smudde, wordt volgens het Landgerigt Oldenzaal in 1744 verkocht door de erven Potken – Muntz.

Het smudden of smodden was volgens Dijkhuis ‘Twents in woord en gebruik’ een proces waarbij men, in opdracht, linnengoed kleurde in gaten met water en rottende eikenbladeren. Van het eek uit het eikenblad kreeg het linnen een geel - bruine kleur.

Omdat de bodem van de Smudderij hoofdzakelijk bestond uit Eoceen klei, afgewisseld door midden-Oligoceen klei, was deze plek bij uitstek geschikt om kuilen te graven waarin het regenwater werd opgevangen en waar het water niet meteen weer uitliep. Het linnen kon daar rustig een paar dagen in smodden, zodat het een mooie geelachtige kleur kreeg.

Het linnen werd gedroogd en op rollen gewikkeld.

 

Aan de Smuddeweg,in het bos bevonden zich in de jaren zestig van de vorige eeuw nog steeds modderkuilen die gebruikt werden door de heer Bernhard ter Rahe, natuurgenezer, over wie de meest wonderlijke verhalen van genezingen nog steeds de ronde doen.

Stien Meijerink- Hannink

De gevolgen van de verkeerde naam bij een erf

In Oet Dorp en Marke 2003-3 werd bij het artikel van de heer H. Kok over een Losserse ‘maakmoalsbreef’ uit de 18e eeuw een (door de redactie uitgezochte) foto afgedrukt van ‘t Erve Zwafering. Bij de redactie kwamen opmerkingen binnen dat dit toch beslist niet het Erve Zwaferink, dat in de Soeke ligt, kon zijn. En dat blijkt juist te zijn. Daarom plaatsen wij de foto, die gemaakt is van een ansichtkaart, nog een keer met het verhaal erbij.

Zoals uit onderstaand verhaal blijkt is de boerderij op de foto niet het erve Zwafering maar het erve Schultinchof (‘Boer Smit’).

De boerderij op de foto is een deel van het erve Schultinchof. De foto siert ook de voorkant van het in 1996 door de HKL uitgegeven boekje over dit erf.

Het Erve Schultinchof werd in de 17e eeuw opgedeeld in de erven Greve en Smit, die waren gevestigd aan de huidige Scholtinkstraat, waar eens het “rode dorp” lag en waar momenteel bejaardenwoningen zijn gebouwd.

Het erve Greve is in het midden van de 19e eeuw verdwenen, maar de boer ‘Smit’ heeft het wat langer uitgehouden, tot het begin van de jaren twintig van de vorige eeuw.

De laatste bewoner was Bernardus Zwaferink, zoon van Johannes Zwaferink, die in 1873 trouwde met de weduwe Maria Leurink -Vaneker. Haar eerste man, die eerder getrouwd was geweest met Angela Beernink, heeft het erf in 1857 gekocht van J.R. van Coeverden, regeringsraad in Trier.

Bernardus Zwaferink verkocht het erf in 1919 aan Bernhardus Bulters, die het op zijn beurt in 1926 verkocht aan de woningvereniging Losser die er vervolgens 26 woningen (het rode dorp) op liet bouwen.

Men kan gevoeglijk aannemen dat de foto is genomen vóór 1919. De fotograaf vraagt alleen de naam van de boer en vernoemt vervolgens het erf op de ansichtkaart.

De fotograaf, te goeder trouw, heeft niet kunnen voorzien dat een dergelijke naam dan een eigen leven gaat leiden en verwarring zaait.

Stien Meijerink

PS

Als u meer over de geschiedenis van de Schultinchof wilt weten: het boekje is voor slechts € 2  te koop bij de penningmeester en in de plaatselijke boekhandel.

‘Kleine Cees’

In elk gehucht, dorp of stad zijn wel mensen die boven de normale doorsnee bevolking uitsteken, zich verdienstelijk maken of door zomaar een specialiteit, gedrag of historie in de aandacht en belangstelling van anderen staan.

Voor Overdinkel waren dit in eerste instantie de boeren/grondbezitters van de grotere boerenhoeven.

Nadat in de negentiende en de twintigste eeuw zich in Overdinkel door de vestiging van textielarbeiders een dorpskern ontwikkelde, vestigden ook winkeliers en andere ondernemers zich hier. Later gevolgd door dominee, pastoor en een dokter.

Uit de groep nieuwe bewoners ontstond langzamerhand een aantal dat ook ging behoren tot de bekende dorpsgenoten.

Ik denk hierbij aan pastoor Van Laak, dominee Van Doorn, dokter Brandenburg, politieagent Ter Laak, meester Steggink, wethouder Johannes Hassing, gemeenteraadslid Willem Game, Tjibbe Knol en een aantal personen uit het geslacht Klaver.

Ongetwijfeld zijn er meer bekende dorpsgenoten aan het bovenstaande rijtje toe te voegen, het leeuwendeel in positieve zin, een enkele negatief door hun oorlogs verleden of niet sociaal gedrag.

 

Cornelis de Jong (1907-1952)

Over één van de minder bekenden uit Overdinkel gaat onderstaande korte biografie. Het betreft de musicus Cornelis de Jong.

Cornelis de Jong, werd op 11 maart 1907 aan de Rijksweg (Hoofdstraat) te Overdinkel geboren. Zijn ouders waren Frans de Jong en Hendrikje Bron. De geboorte werd aangegeven door vader Frans, 21 jaar en fabrieksarbeider, die vergezeld was van de heren Cornelis Verboom, 52 jaar, van beroep koopman en Johannes Meijer, 48 jaar, van beroep koetsier, die als getuigen optraden.

Op 2 juni 1907 werd Cornelis gedoopt in de Hervormde Kerk te Losser.

In de eerste jaren na de geboorte, werd Cornelis gedeeltelijk door zijn grootouders, die in het Tiekenveen woonden, opgevoed. Frans en Hendrikje waren overdag werkzaam in de textiel te Enschede.

Cornelis die zeer klein van stuk was, als volwassen man was zijn lengte slechts 1,67 meter, werd meestal kleine Cees genoemd.

Zijn volledige leven heeft zich, behoudens een kleine onderbreking te Enschede, afgespeeld in zijn geboortedorp Overdinkel. Hij woonde daar op verschillende adressen, het laatst aan de Kerkhofweg, toen genummerd 189. Dit waren woningen van de heer Goorhuis, bedrijfsleider bij de firma Van Heek Verbandstoffen te Losser.

Nadat Cornelis de lagere school had doorlopen moest hij, ondanks protesten van de bovenmeester, de heer Steggink, aan het werk. De heer Steggink was van mening dat Cornelis beter door kon leren. Door vader Frans werd hij echter als leerling wever aangemeld bij weverij Jannink aan de Haaksbergerstraat  te Enschede.

De bovenmeester had het goed gezien, Cornelis kon het werk niet aan.

Vader Frans besloot, in overleg met meester Steggink, Cornelis nog een jaar naar school te sturen. Na dit schooljaar werd Cornelis opnieuw aangemeld als leerling wever bij de firma Jannink.

Bij Jannink heeft hij ook zijn vrouw, Grietje van de Haar, leren kennen.

Op 22 jarige leeftijd, 4 mei 1929 trad hij te Losser met Grietje in het huwelijk.

Het huwelijksfeest werd gehouden in het koffiehuis van oom Jan de Jong, die een koffiehuis had aan de Kerkhofweg te Overdinkel.

Uit het huwelijk werden twee kinderen geboren:

Dochter Hendrika Jacoba de Jong. Zij werd geboren op 20 september 1930 te Overdinkel en is getrouwd met Alb. ten Donkelaar, voormalig directeur van de Muziekschool “ De Sleutel” te Losser. Het tweede kind was een zoon. Albertus Frans de Jong werd geboren op 3 november 1946 te Overdinkel.

Zonder zich met politiek bezig te houden, ging Cees’ voorkeur uit naar het socialisme. Hij was afkomstig uit een rood nest: zijn vader was een van de oprichters van de SDAP in Overdinkel.

Al op zeer jonge leeftijd maakte de muziek deel uit van Cornelis’ leven. Deze muzikaliteit zal zeker gestimuleerd zijn door zijn vader Frans en de ooms Cornelis en Willem Pieter de Jong, die lid waren van de ‘Eendracht’ te Overdinkel.

De ‘Eendracht’ is ontstaan door de samenvoeging van een deel der leden van de toenmalige muziekverenigingen ‘Ons Genoegen’ en ‘Wilhelmina’ en werd opgericht op 18 november 1917. Cornelis werd in 1918 lid en speelde achtereenvolgens S-klarinet, piccolo en later dwarsfluit. Een aantal keren werd Cornelis bij de ‘Eendracht’ benoemd als kascontroleur. Op 14 januari 1930 werd Cornelis gekozen in het bestuur, op 13 januari 1931 gevolgd door de benoeming als onder-dirigent.

Vanaf 1931 gaf hij ook bij hem thuis aan leerlingen les op de piccolo.

Cornelis werd op 5 februari 1935 benoemd als dirigent van de ‘Eendracht’ en belast met de volledige directie over de vereniging, echter zonder daar enige bezoldiging voor te ontvangen. Door het bestuur van de “Eendracht” werd hem, voor zijn belangenloze werk op 3 mei 1936 voor het eerst een gratificatie van 10 gulden toegekend. Naast zijn dirigentschap van de “Eendracht” was hij kort dirigent van het zangkoor ‘Ontwaak’, dit beviel hem niet zodat hij daarvoor bedankte.

Een groepje muzikanten, leden van de muziekvereniging ‘ Eendracht’in het jaar 1926. V.l.n.r. Gerrit ten Bruggencate, Arie de Boer, Cees de Jong, Hannes Hankel. Dergelijke groepjes traden – in dorpen en steden dichtbij en veraf - op als straatmuzikanten om de verenigingskas een beetje te spekken.

Eerder was Cornelis op 7 april 1926 gekeurd voor de dienstplicht der lichting 1927. Onder het nummer 48 werd hij gekeurd. Bij openbare bekendmaking van 9 april 1926 werd hem ter kennis gebracht dat hij voorgoed ongeschikt was verklaard voor de dienstplicht.

Op 11 oktober 1929 behaalde Cornelis zijn rijbewijs A, waarmee hij gerechtigd was voertuigen op meer dan twee wielen te besturen. In het begin van de jaren dertig reed hij voor de firma Hassink fabrieksarbeiders naar Enschede. Hij en zijn vrouw kwamen zo gratis op hun werk.

In de crisistijd werd Cornelis door zijn werkgever ontslagen. Door de gemeente werd hij ingedeeld bij de werkverschaffing en geplaatst onder de Koninklijke Heide Mij en o.a. te werk gesteld te Bathmen voor het uitgraven van een kanaal en het ophogen van de spoordijk.

Hij was dan de gehele week van huis.

Regelmatig werden de werkzaamheden onderbroken voor het volgen van cursussen o.a.: timmeren, tekenen, schilderen, boekhouden en algemene ontwikkeling. In 1935 volgde hij de motorcursus gegeven door de heer Houtman. Deze cursussen werden gegeven in de Markeschool, door iedereen Zoekeschool genoemd.

De cursussen werden georganiseerd en betaald door het comité werklozen en door de gezamenlijke bonden. Controle of de cursus wel werd gevolgd gebeurde doormiddel van een stempelkaart die men moest laten afstempelen door de heer Dokter.

Halverwege de jaren dertig kon Cornelis weer aan de slag bij de firma Molkenboer te Oldenzaal. Later ging hij wegens de betere verdiensten naar de firma Niehues & Dütting in Nordhorn, in 1939 gevolgd door Richtersbleek te Enschede.

Tijdens de oorlog, vanaf 28 april 1943 werkte hij bij Rawe & Co te Nordhorn, waar hij in ploegendienst werkte. Het werken in Duitsland als grensganger had het voordeel niet verder Duitsland ingezonden te worden. Regelmatig kon hij hier met Russische meisjes, die ook in Nordhorn werkten, lappen stof tegen vlees en vet ruilen. Zelfs het poppenwagentje van dochter Rie werd in Duitsland tegen sokken geruild.

In de tweede helft van 1944 bleef Cornelis van zijn werk thuis. Hij dook onder omdat de Duitse grenspolitie hem een aantal tanden uit de mond had geslagen vanwege het feit dat hij niet snel genoeg reageerde op zijn naamletter Jot.

Vanwege de Arbeitseinsatz vond er op 25 oktober 1944 in Overdinkel een razzia plaats. Vluchten was niet mogelijk omdat alles was afgezet door Fallschirm-Jäger. Alleen de mannen die thuis een goede schuilplaats hadden, ontsnapten aan de speurneuzen. Cornelis die niet in zijn schuilplaats op zolder, achter de schoorsteen, zat werd opgepakt en afgevoerd en lopend via de Glane naar de Eilermarkschool in Gronau gebracht. Een aantal bij razzia’s opgepakte Rotterdammers, was ook in deze school ondergebracht, o.a. de bekende liedjeszanger Eddy Cristianie.

Echtgenote Grietje liet het er niet bij zitten en zag kans van Dr. Van Schie een brief te krijgen waarin stond dat Cornelis leed aan de besmettelijke ziekte TBC.

Op 27 oktober 1944 werd hij in vrijheid gesteld omdat er blijkbaar toch wel angst was voor TBC. Hem ontbrak echter het bewijs niet aan de Arbeitseinsatz deel te hoeven nemen, met het risico opnieuw opgepakt te worden. Op 9 november 1944 wist Grietje met assistentie van de overbuurvrouw mevrouw Van Veen, die van geboorte Duitse was en zich goed verstaanbaar kon maken in het Duits, van de Deutscher Dienststelle beim Arbeitsamt, Dienstsitz Enschede een brief los te peuteren waarin stond dat C. de Jong, ‘am 27-10-1944 als untauglich zurückgefürt und hiermit zum Westwalleinzatz entpflichtet wird’.

Regelmatig melden bij het arbeidsbureau werd hem echter verplicht gesteld. Dit resulteerde wel in het lopen van kabelwacht of het bewaken van de distributiekantoren te Oldenzaal en Losser.

Tijdens de oorlog volgde Cornelis op zaterdag te Enschede muzieklessen bij de heer Langefeld om zich verder te bekwamen in het vak van dirigent. De heer Langefeld die o.a. Kapelmeester Leutenant was van de Politie kapel Enschede, verstrekte daarvoor op 29-10-1944  een schriftelijk bewijs.

Naast bovengenoemde studie volgde Cornelis na de oorlog nog een schriftelijke cursus dirigeren en componeren bij de bekende componist Piet van Mever.

Ondertussen liep de oorlog naar het eind. Op 7 maart 1945 staken de Amerikanen bij Remagen de Rijn over. Op 30 maart 1945 nam de bevrijding van Oost en Noord Nederland een aanvang. Op 1 april 1945 werd Enschede bevrijd. Overdinkel werd op 3 april bevrijd na een aantal schermutselingen tussen de Duitsers en de Engelsen, waarbij de R.K. kerk te Overdinkel twee voltreffers kreeg en  17 Duitsers het leven lieten.

Al voor de bevrijding was Cornelis benaderd om zich onmiddellijk na de bevrijding beschikbaar te houden voor de handhaving van orde en gezag te Overdinkel.

In eerste instantie van 1 april 1945 tot juni 1945 onder gezag van het grenscommando N.B.S. te Enschede, onder leiding van de heren Oosting en Bothenius Lohman.

Het plaatselijke gezag werd in eerste instantie uitgevoerd door de plaatselijke commandant te Losser, de heer M. Bolhaar.

In Overdinkel werd de orde geregeld door de heren Hassink, Game, de agent van politie Ter Laak en de douanebeambte Renderink.

Cornelis deed eerst dienst zonder bewapening, in burger alleen met een witte band om de arm met daarop B.S. Later werden ze wel voorzien van wapens. De taak bestond onder andere uit het mede-arresteren  en bewaken van gevangengenomen NSB-ers. Ook behoorde daartoe het verrichten van bewakingsdiensten op de bruggen te Overdinkel en de Glane, omdat hier veel onbetrouwbare personen probeerden te passeren. Het assisteren van de afdeling I en A bij het opsporen van clandestiene jeneverstokerijen en andere economische-delicten behoorde ook tot de activiteiten.

Op 1 juni 1945 werd Cornelis aangesteld als sectiecommandant van de derde sectie te Overdinkel. Zijn pelotonscommandant was de heer J. Bakker.

Cornelis ging op 1 november 1945 als sergeant van Speciale Diensten, oorlogsvrijwilliger, over naar de Koninklijke Landmacht, korps Gezagstroepen. Hij was gelegerd op het Vliegveld Twenthe en tijdelijk in het militaire kamp Vosschebos te Wierden, wegens een kadercursus voor onderofficieren van de Koninklijke Landmacht. In eerste instantie werd zijn taak die van wachtcommandant.

In opdracht van de Reserve Kapitein J.G. van Bussbach richtte hij de Stafmuziek der 4de militaire afdeling op, waarvan hij ook de eerste kapelmeester werd.

De Stafmuziekcorps werd later de huidige Luchtmachtkapel.(Zie ook het artikel over dit onderwerp in Oet Dorp en Marke 2000-4).

De afkeuring voor de militaire dienst bezegelde Cornelis’ lot. Hij werd per

1 augustus 1946 uit militaire dienst ontslagen.

Na zijn ontslag als militair trad hij als wever in dienst bij de firma J.F. Scholten aan de Haaksbergerstraat te Enschede.

Ook het verenigingsleven in Overdinkel kwam weer op gang. Vanaf 29 oktober 1944 tot juli 1945 was ook zijn vereniging de ‘Eendracht’ niet actief geweest. In juni 1946 nam Cornelis het dirigentschap van de ‘Eendracht’ weer op zich, onderhand wel tegen een salaris.

In 1947 bij zijn 12 ½ jarig jubileum kreeg hij door de ‘Eendracht’ een ‘dirigeerstokje in kistje’ aangeboden. Onder zijn leiding werden regelmatig eerste prijzen binnengehaald. Zo ook op 29 augustus 1948 te Ootmarsum , met 110 ⅓ punten in de eerste afdeling. Tevens ontving Cornelis de ‘Zilveren medaille voor de Directeur, die met zijn vereniging het hoogste aantal punten behaalde over het hele concours, in de rubriek opvattingen’. Cornelis ontving bij de “Eendracht” vanaf 1949 een verhoging van zijn directiegeld. De vergoeding bedroeg toen
ƒ 40 per maand, voor elk concert ƒ 7,50.

Zaterdag 13 augustus 1950 bracht Cornelis de “Eendracht” op een concours in Ter Wolde in de Ereafdeling. Op 23 september 1950 gevolgd door een feestavond, waarvoor hij met een auto van huis werd.

Zondag 19 augustus 1951 werd op het muziek concours te Haaksbergen in de Ereafdeling een 1ste prijs behaald met 107 punten. Zondag 26 augustus 1951 werd de dirigent voor dit succes een serenade gebracht. Op 1 september 1951 gevolgd door de huldiging van Cornelis en rondrit door het dorp in een open koets. Hierna werd door de muzikanten met hun vrouwen en verloofden in ‘Ons Huis’ een feest gevierd.

Als waardering voor het goede werk van Cornelis werd op 1 september 1951 het directiegeld op ƒ 50 gesteld.

Ondertussen had Cornelis ook het dirigentschap van de Chr. Harmonie te Hengelo en Unisson te Boekelo op zich genomen, waar ook de successen niet achterbleven.

In de week voor Pinksteren 1952 werd Cornelis getroffen door een hartaanval en opgenomen in het ziekenhuis Stadsmaten te Enschede. Deze keer liep het goed af.

Kort voordat Cornelis het dirigeerstokje weer mocht oppakken, werd hij op 14 augustus 1952 tijdens de repetitie niet goed en begaf zich naar huis. Onderweg naar huis werd hij aan de schoolweg voor het huis van de familie Holtslag door een hartstilstand getroffen en is daar overleden. Later in de avond werd hij door de buren en bekenden op een ladder, zoals toen wel gebruikelijk was, thuis gebracht.

Het overlijden van Cornelis werd op 15 augustus 1952 aangegeven door Hendrik Gort, 71 jaar, aanspreker. Op 19 augustus 1952 vond de begrafenis plaats, Cornelis werd ter aarde besteld op de “Ebeltjeshof” te Overdinkel.

A.F de Jongeburcht

De toestand der gemeente Losser over het jaar 1904

Gegevens uit het uitvoerig en beredeneerd verslag.

Losser honderd jaar geleden. Enerzijds lijkt dat heel ver weg, maar voor ouderen is het tegelijkertijd ook nog heel dichtbij. Er zijn steeds meer “eeuwlingen”, en ook in ons dorp leven steeds meer mensen, die  “ruim in de negentig” zijn en zij weten uit die tijd nog veel “van horen zeggen”.

Losser was toen ongetwijfeld nog het “vergeten bloempje in de tuin van Nederland” zoals de latere burgemeester Van Helvoort het uitdrukte.

Maar de nieuwe tijd kwam wel met rasse schreden naderbij. In 1903 was de spoorlijn Denekamp – Oldenzaal – Losser – Glane – Gronau geopend en in november 1904 had de gemeenteraad beslist om de verdere ontsluiting ter hand te nemen door verharding van uitvalswegen (zie het artikel van Georg van Slageren in Oet Dorp en Marke 2004-2). 

Het isolement moest opgeheven worden om zo deel te kunnen nemen aan de groeiende welvaart die de opkomst van de textielindustrie in de omliggende plaatsen met zich meebracht.

Ongetwijfeld was het in alle opzichten een tijd van grote veranderingen.

Het aantal inwoners was vanaf 1890 snel gestegen door de komst van de arbeiders, die in de groeiende textielindustrie gingen werken. En dat aantal zou alleen maar meer toenemen. Dit moet in alle opzichten grote gevolgen hebben gehad.

Een cijfermatig beeld van het jaar 1904 geeft het gemeenteverslag, droge getallen weliswaar, maar toch een kijkje in de keuken van een gemeente zoals die er toen voorstond.

Om de financiële cijfers in verhouding te plaatsen: het weekloon van een wever in de textiel bedroeg in 1914 (tien jaar later) circa f 12,- Ik heb helaas geen cijfers uit 1904, maar dat was toen beslist minder, vermoedelijk omstreeks f 10,-

En voor de juiste beeldvorming moet vermeld worden, dat de oppervlakte van de gemeente toen beduidend groter was dan nu. Noord- en Zuid-Berghuizen behoorden  nog tot Losser. De stad Oldenzaal lag ingeklemd in de gemeente Losser.

Bevolking

31 december 1903: 4304 mannen en 4021 vrouwen = 8325 inwoners

31 december 1904: 4435 mannen en 4143 vrouwen = 8578 inwoners

Er werden 166 jongens geboren en 162 meisjes = 328

Er vestigden zich in de gemeente 281 mannen en 223 vrouwen = 504

Totale vermeerdering: 447 mannen en 385 vrouwen

Er stierven 86 mannen en 82 vrouwen = 168

Er vertrokken naar elders: 230 mannen en 181 vrouwen = 411

Totale vermindering: 316 mannen en 263 vrouwen = 579

Verschil: 131 mannen en 122 vrouwen = 253

Levenloos aangegeven: 9 jongetjes en 5 meisjes

Er stierven (zonder levenloos aangegeven) 85 mannen en 79 vrouwen

Er werden 75 huwelijken gesloten

1362 ingezetenen mochten deelnemen aan de verkiezingen voor de Tweede Kamer.

1361 ingezetenen mochten deelnemen aan de verkiezingen voor de Provinciale Staten.

1181 ingezetenen mochten deelnemen aan de gemeenteraadsverkiezingen.

Gemeente

Burgemeester: J.A. Warnaars.

De gemeenteraad bestond uit de volgende personen:

Lucas Elderink, Johannes Koop, Bernardus Antonius Leurink (die door zijn schenking later de bouw van het Bernardus Gesticht, het ziekenhuis en bejaardentehuis, mogelijk zou maken), Johannes Gerhard Luyerink, Gerardus Johannes Gilbers, Gradus Heghuis, Gerhardus Lambertus Scholten, Gradus Siemerink, Joseph Theodoor ten Brink, Klaas Jassies,

Herman Nicolaas Nusmeijer.

Met ingang van 15 april 1904 was tot 2e ambtenaar ter secretarie benoemd H. Bos, ter vervanging van F.H. Mather, die onderwijzer was geworden in Den Haag.

Tot onderwijzer aan de dorpsschool was per 27 april 1904 benoemd Arnoldus Lambertus Heinink en tot onderwijzeres in de nuttige handwerken aan de school in de Marke Cornelia Jassies.


Joseph Theodorus ten Brink, geboren 11-06-1872 te Losser en overleden aldaar 10-05-1957.
De heer ten Brink maakte van 1903 tot 1935 deel uit van de Losserse gemeenteraad en was vanaf 1905 tot 1935 wethouder. In laatstgenoemde functie had hij een groot aandeel in de aanleg van de wegen naar Enschede, Oldenzaal en Overdinkel. Naast bekend zakenman was de heer ten Brink in 1906 ook oprichter en directeur(tot 1957) van de Boerenleenbank. In 1951 vierde hij zijn gouden jubileum als lid van het rooms-katholieke kerk- en schoolbestuur. Verder maakte hij vanaf de oprichting deel uit van de raad van bestuur van het rooms-katholiek ziekenhuis in Losser. De heer ten Brink werd vereerd met de pauselijke onderscheiding Pro Ecclesia et Pontifice en hij was ridder in de orde van Oranje-Nassau.(bron:Kent u ze nog… de Lossernaren, Zaltbommel1974).

Geldmiddelen

De laatste door Gedeputeerde Staten afgesloten rekening:

Ontvangsten:  ƒ 34.550,28

Uitgaven:        ƒ 34.934,73½

Nadelig saldo:            ƒ 384,45½

De goedgekeurde begroting bedraagt:

Ontvangsten:  ƒ 41.524,51

Uitgaven:        ƒ 41.524,51

Waarschijnlijk saldo “nihil”

De gemeente had een aantal gebouwen in eigendom die in dit verslag aan de orde komen:

Het gemeentehuis voldoet aan de eisen en verkeert in goede staat. Aan het onderhoud werd

ƒ 48,50 uitgegeven.

De tuin bij het gemeentehuis is op 14 juni 1899 publiek verhuurd tot 1 januari 1914 voor

ƒ 12 per jaar.

De onderwijzerswoning te De Lutte (in 1902 gebouwd) verkeert in goede staat. “Aan het onderhoud werd uitgegeven “nihil”.

Over de school in Dorp Losser is men ook tevreden. Aan het onderhoud werd ƒ 19,35 uitgegeven.

De school in de Marke staat er ook weer goed bij. Zij is in 1904 vergroot en voldoet nu aan de eisen. De aanbestedingskosten bedroegen voor de bijbouw ƒ 4.998 en voor de schoolmeubelen werd ƒ 869 uitgegeven. Aan het onderhoud werd verder nog ƒ 3,79 besteed.

De school in De Lutte verkeert ook in goede staat en aan het onderhoud werd ƒ 24,94 uitgegeven.

De school in Oldenzaal voor kinderen in Berghuizen wordt ook goed bevonden. Onderhoudskosten: ƒ 25,76.

Voor de school in Beuningen werd ƒ 58,52 uitgegeven.

De toren van de buitengebruik gestelde R.K. kerk te Dorp Losser “verkeert in verouderden toestand”. Er werd geen onderhoud gepleegd. (N.B. In 1902 was de nieuwe H. Maria Geboorte kerk in gebruik genomen).

Het brandspuithuisje (dat stond aan de Kerkstraat) is in goede staat. Onderhoud was niet nodig.

De toestand van straten en pleinen voldoet nog niet helemaal aan de eisen, maar wordt toch bevredigend genoemd. De wegen vereisen voortdurend onderhoud, maar verkeren volgens de gemeentelijke visie toch in goede staat. Er werd ƒ 496,81½ aan uitgegeven.

Van de wegen buiten het dorp wordt vermeld: “De markewegen aan het onderhoud waarvan weinig wordt gedaan voldoen niet ten volle aan de eischen”.

Waterleidingen en riolen zijn er niet.

Op de  Algemene begraafplaats en het lijkenhuisje was niets aan te merken en onderhoud werd dan ook niet nodig geacht.

De begraafplaatsen der Ned. Hervormde Gemeente te Dorp en de R.K. Gemeente te Dorp en de Lutte verkeren beiden in goeden toestand.

Medische politie:

“De toestand van de openbare wegen, wateren, goten, riolen, secreten, urinoirs en van de openbare gebouwen oefenen geen nadeeligen invloed uit op de volksgezondheid”.

In de maand juli en in november kwam er een geval van “diphteritis” voor, beide met dodelijke afloop. Twee gevallen van roodvonk in de maand december liepen gelukkig goed af.

Het aantal doden dat ter aarde werd besteld:

Op de oude Ned. Hervormde begraafplaats te Dorp: nihil

Op de nieuwe Hervormde begraafplaats vonden 38 teraardebestellingen plaats.

Op de R.K begraafplaats te Dorp werden 59 mensen begraven.

Op de R.K. begraafplaats in De Lutte vonden 42 overledenen een laatste rustplaats.

Op de Joodse begraafplaats in het dorp vond 1 begrafenis plaats. En ook op de Algemene begraafplaats vond 1 begrafenis plaats.

Er zijn geen armen verpleegd in hun woning.

De gemeentegeneesheer was in 1904 aangesteld voor een jaarwedde van ƒ 750. Daarvoor werd hij geacht gratis “doodsschouw en vaccinatie” te verrichten. Er werden 226 vaccinaties verricht.Voor verleende verloskundige hulp werd niets uitgegeven.

Het pomp-, put-, en welwater is helder van kleur en goed van smaak.

In de raad zijn voorschriften vastgesteld, zoals bedoeld in de woningwet, maar Gedeputeerde Staten hebben hier een aantal bedenkingen tegen. Burgemeester en wethouders hebben n.a.v de woningwet wel geïnventariseerd welke woningen ongeschikt zijn voor bewoning. De conclusie m.b.t de woningtoestand wordt over het algemeen echter bevredigend bevonden.

Gemeentepolitie:

Er vonden bij de politie geen personele veranderingen plaats en de dienst werd “met ijver en nauwgezetheid waargenomen”.

De brandblusmiddelen verkeren in goede staat. Er was twee keer brand in Berghuizen. De woning van B.J. Seiger te Weerselo, welke werd bewoond door de arbeider Johannes Davina met zijn gezin, werd door brand vernield. De oorzaak is onbekend. Het huis was verzekerd voor ƒ 1.200 en de inboedel voor ƒ 1.000,-

De tweede brand in deze buurtschap betrof het huis van de eigenaar/ bewoner Gerardus Johannes Olde Venterink, landbouwer van beroep. Ook hier is de oorzaak onbekend, maar de brand “nam zoo schielijk toe”, dat de bewoners zich met moeite in veiligheid konden brengen. De veestapel, bestaande uit drie koeien, een vaars en pluimvee kwam in de vlammen om. “De inboedel en een kleinen voorraad aardappelen en andere landbouwproducten benevens alle landbouwgereedschappen zijn een prooi der vlammen geworden”. Dit huis was verzekerd voor ƒ 1.600 en de inboedel voor ƒ 1.100.

Ook in De Lutte brandde een boerenwoning uit door onbekende oorzaak, eigendom van Maria Schophuis, weduwe van Gerrit Jan Grunder. Op enkele meubels na ging alles verloren. Bovendien was er niets verzekerd.

Onderwijs

Er zijn vijf openbare lagere scholen in de gemeente.

De school in het dorp heeft zeven onderwijzers, die de zorg hebben voor 205 jongens en 157 meisjes

De school in de Marke heeft vier onderwijzers voor 102 jongens en 106 meisjes.

In De Lutte zijn drie onderwijzers voor 110 jongens en 88 meisjes en in Berghuizen

gaan 96 jongens naar school en 79 meisjes, voor wie drie onderwijzers beschikbaar zijn.

Alle scholen hebben een onderwijzeres in “nuttig handwerken”.

Met ingang van 1 juni 1904 is er in het R.K Zusterklooster te Dorp-Losser een school voor bijzonder lager onderwijs voor meisjes opgericht, aan het hoofd waarvan een onderwijzeres is geplaatst, in het bezit der hoofdakte.

Als totale subsidie voor het onderwijs staat opgenomen: ƒ 7.476,16½

De jaarwedde voor onderwijzers bedroeg ƒ 16.056,15½

Dan werd er nog een vergoeding gegeven aan de hoofden der scholen wegens het gemis van een vrije woning, Hiervoor staat een post van ƒ 675. (Alleen in De Lutte was een onderwijzerswoning aanwezig. De andere hoofden van scholen kregen blijkbaar een tegemoetkoming in de woonkosten)

De kosten voor het instandhouden van schoollokalen bedroegen ƒ 173,76 en voor het stichten (verbouwen inbegrepen) van schoollokalen en onderwijzerswoningen werd ƒ 5.023,75 uitgegeven.

Aanschaf en onderhoud van het meubilair: ƒ 809,76

Boeken leermiddelen en schoolbehoeften: ƒ 779,33

Verlichting verwarming en schoonmaak: ƒ 582,64

Herhalingsonderwijs: ƒ 288

Aan schoolgeld kwam er binnen: ƒ 510

Kosteloos onderwijs genoten:

Te Dorp 51 jongens en 57 meisjes

De Marke 56 jongens en 59 meisjes

De Lutte 19 jongens en 18 meisjes

Beuningen; 11 jongens en 5 meisjes

Berghuizen 24 jongens en 29 meisjes

Landbouw

De toestand in de landbouw wordt als onveranderd beschreven.

De waarde van in het openbaar verkochte landbouwgrond was als volgt (per hectare):

Bouwland: van ƒ 600 tot ƒ 1.500

Hooiland: van ƒ 600 tot ƒ 1.650

Weiland: van ƒ 500 tot ƒ 1.050

Heidegrond: van ƒ 30 tot ƒ 150.

Er zijn nog geen maatschappijen en genootschappen tot bevordering van de landbouw. Wel bestaan er in De Lutte, Beuningen en Berghuizen afdelingen van de Nederlansche Boerenbond. Zij hebben respectievelijk 100, 60 en 50 leden.

Deze verenigingen hebben tot doel om voor gemeenschappelijke rekening landbouwbenodigdheden te kopen.

Er zijn geen tentoonstellingen gehouden, geen nieuwe gewassen, werktuigen of vee-rassen ingevoerd. Schadelijk gedierte is er ook niet geweest en ziekte onder gewassen en vee hebben geen noemenswaardige schade berokkend.

Tuinbouw wordt alleen uitgeoefend voor eigen gebruik.

Een bloemisterij bestaat hier niet en ook boomkwekerijen komen niet voor.

De houtteelt breidt zich uit. Met opgaand hout was bezet 533 h.a., met dennenbos 518,8 h.a. met akkermaalshout 30,50 h.a. en met ander hout 111,20 h.a.

Er werd in 1904 niet gerooid en er vonden ook geen ontginningen plaats ten behoeve van bouwland.

Aan weide en hooiland werd ontgonnen 20 h.a. en voor houtgewas werd 30 h.a. gecultiveerd.

De woeste gronden werden gebruikt als weide voor schapen, “alsmede voor mestspecie en brandstof”.

De toestand van de veestapel was gunstig.

Aanwezig waren 85 veulenmerriën, 209 veulens en jonge paarden (beneden de drie jaar) en 673 werkpaarden. 64 springstieren, 2325 melkkoeien en vaarzen, 135 mestkoeien en mestossen, 1030 kalveren, pinken en hokkelingen, 16 trekossen en 2450 varkens.

Het aantal hoenders bedroeg 20.000, eenden 900, zwanen 1, kalkoenen 5 en ganzen 30.

De bijenteelt was slecht. Aanwezig waren 415 korven als overhouders. Het gemiddelde gewicht aan honing per korf was 4 kg. En aan was 1,5 kg.

Op de gehouden markten werd weinig aangevoerd, zodat een opgaaf van de gemiddelde prijs van veld- en tuinvruchten, ooft, vee, boter, kaas, hout en schors niet kan worden opgegeven.

De opbrengst van de gewassen:

Hoofdgewassen

Hectares

Hecoliters

Kilogrammen

Tarwe

3

48

3072

Rogge

1.431

25.758

1.777.302

Zomergerst

28

448

22.400

Haver

156

2.808

126.360

Boekweit

270

2.160

112.320

Boonen

7

31,50

2.047,50

Erwten

3

18

1.170

Stamboontjes

12

60

3.900

Aardappelen

468

58.500

3.802.500

Winterkoolzaad

5

15

900

Vlas

7

17,50

2.100

Voedergewassen

Hoofdgewassen Ha

Tweede gewas Ha

Wortels

28

23

Mangelwortels

8

23

Koolrapen

36

23

Stoppelknollen

36

420

Zomerspurrie

48

420

Herfstspurrie

48

250

Roode klaver

54

250

Witte klaver

25

250

Thea Evers

De idealist

Onderstaand verhaal speelt in de tweede helft van de jaren twintiger van de vorige eeuw. Het is voor waar opgetekend door ons lid, de heer J.D. Brilman uit Oldenzaal.

Oom Renze was lid van het hoofdbestuur en een fervent propa­gandist van de vroegere Sociaal Democratisch Arbeiders Partij, de S.D.A.P.

Jong en energiek, fanatiek en vol idealisme wierp hij zich op als voorvechter voor een rechtvaardiger leven en beloning van de "arbeidersklasse".

Vooral ten tijde van stakingen en parlementsverkiezingen was hij dagelijks op pad, om de minderbedeelden in de maatschappij te overtuigen van "het goede des levens" dat hun te wachten stond als men zou stemmen op de S.D.A.P. die hij vertegenwoor­digde.

Zelf leefde hij eenvoudig en sober, en bewoonde een heel oud huis met o.a. een zogenoemde "opkamer". Dat was een kamer boven de kelder, die te bereiken was via een trapje van zo'n vier à vijf treden, hetgeen tevens dienst deed als opklapbaar kelder­luik. Deze opkamer werd door oom Renze als kantoor ge­bruikt.

Als hij niet uithuizig was vertoefde hij al zijn vrije tijd in dit vertrek tussen een onvoorstelbare chaos van paperassen waarin hij alleen de weg wist…

Hier verzorgde hij zijn privé- en partijcorrespondentie, en schreef hij zijn propagandaspeeches.

Alleen voor de maaltijden verliet hij, zij het node, dit ver­trek.

Zijn echtgenote, tante Jikke, voorzag hem tijdens zijn noeste arbeid regelmatig stilzwijgend van koffie en thee. Zij had res­pect voor wat hij deed, en wilde hem geen moment storen.

Dat zou haar ook niet in dank zijn afgenomen.

Het "heilig ideaal" had oom Renze volkomen in de ban…!

Toch had hij, naar later bleek, ook af en toe nog tijd over om aandacht aan zijn geliefde echtgenote te besteden.

Het was namelijk een harmonisch huwelijk, waarin de vrouw volkomen achter het doen en laten van de man stond, en waarin de man een onvoorwaardelijk monogame leefwijze met zijn vrouw onder­hield. Deze harmonie bleek op een gegeven moment o.a. uit het feit, dat tante Jikke andermaal zwanger werd…

Het verloop van deze zwangerschap verliep vlot en zonder pro­blemen, zodat de tijd van baring zich op een zondagmiddag plotseling aandiende.

Oom Renze was op zijn "kantoor" geheel verdiept bezig met het opstellen van een toespraak die hij moest houden op een zeer belangrijke stakingsbijeenkomst van de Twentse textielarbei­ders.

Maandagmorgen zou er een algemene staking voor een beter loon en betere arbeidsomstandigheden uitbreken.

Het waren zware onderhandelingen geweest die niets hadden opgeleverd.

De staking was hun laatste troef...

Het was "d'r op of d'r onder..."

Het moest dus een "donderspeech" worden om zoveel mogelijk arbeiders over te halen om mee te staken!

Dat de vroedvrouw kwam, en de geboorte van zijn kind op til stond, ging schijnbaar aan hem voorbij.

En tante Jikke wilde ook niet dat hij daarvoor gestoord zou worden. Ze had vaker gebaard en wist dus van wanten...

En Renze, hij ploeterde voort, terwijl bepaalde geluiden zo nu en dan zijn "heilige der heiligen" binnen drongen...

Tot dat, net toen hij met de kwintessens van zijn speech bezig was te schrijven, de vroedvrouw voorzichtig een stap op het keldertrapje zette en bedeesd zachtjes, met een blij trillend stemmetje zei: "Meneer de Vries, er is u een gezonde zoon gebo­ren.....", waarop Vader Renze enigszins geprikkeld, maar, toch blij antwoordde: "Mooi, ik kom d'r zo àn...!".

Nog even, dan was zijn redevoering klaar...

Maar ja, hoe eindig je nu zo'n speech met een overtuigend slot...?

Hij was moe van het denken...

De juiste bewoordingen wilden hem niet te binnen schieten.

Talloze beschreven en in elkaar gefrommelde propjes papier lagen naast hem op de grond...

Maar dan, opeens, kreeg hij een helder moment!

Plotseling zag hij het weer zitten...

En juist op dat moment kwam de vroedvrouw andermaal het kel­dertrapje op en riep blij verrast: "Meneer de Vries, meneer de Vries, er is u nog een tweede zoon geboren ook…!!" Waarop Renze geprikkeld uitviel met de woorden: "Potverdorie, houdt dat gedonder dan nooit op....!!!".

VAN IDEALISME GESPROKEN....!!!

J.D. Brilman