Oet Dorp en Marke 2005 - 1

Inhoudsopgave

Van het bestuur
“Hier mede was de bevrijding van Losser een feit geworden…”
(Fragment uit dagboek van wijlen Johan P. Poorthuis - ‘n Vasterd)
“Mensen ga naar buiten, de bevrijders komen er aan”
(door Johan Bos)
“Chocolate for mama, cigarettes for papa en candy for the baby...”
(door Mieke Olde Scholtenhuis)
“Ik hop dak de Engelsen op mien vejoardag krieg”
(door Henny Damhuis)
“Thank you, thank you, very, very, much”
(door C. Meijerink-Hannink)
Omzien in Wrok of Vergeven?
(door Gusti Zurhorst)
Het verblijf van Zuster Timothee Gervink in de missie op Sumatra en haar internering in een jappenkamp
(door Marcel Nijland)
“…dat voor Koningin en Vaderland - en ook voor ons - is gevallen Bernard Hendrik Busser”
(door Georg van Slageren)
Oorlogsherinneringen van Vasterd’s Jenske
(door Johan Poorthuis)
Gevangen voor je Heiland in Ravensbrück
(door A.F. de Jongeburcht)
Wat mijn moeder mij vertelde over 1940-1945…
(door A.F. de Jongeburcht)
Ook in de Tiekerhook was het ’n groot’n pröttel
(door Cor Lem)
De Tweede Wereldoorlog ‘Van horen zeggen’
(door Thea Evers-Evers)
Wie één mens redt, redt de hele wereld
(door Jan de Groot)
De uitgave van dit bijzondere nummer
Uitgaven van de Stichting Historische Kring Losser

Van het bestuur

Tijdens de paasdagen van 1945, 1 en 2 april, wachtten de inwoners van Losser vol spanning op de bevrijders. Aan vijf jaar Duitse bezetting zou dan toch een einde komen.

In 1995, vijftig jaar na de bevrijding, heeft de Historische Kring Losser een boek gepubliceerd onder de titel “In Losser is niets gebeurd…”, geschreven door Johan Luizink (1920-2003) met als ondertitel “Getuigen, feiten en gebeurtenissen, 1940-1945”. Een indrukwekkende uitgave, waarin duidelijk tot uiting komt, dat ook de mensen in Losser, ondanks het feit dat er geen bijzondere oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden, dagelijks aan den lijve hebben ervaren wat het betekende om niet meer vrij te zijn, met alle materiële en geestelijke beperkingen.

Ook hebben mensen het verlies van hun dierbaren moeten verwerken, een verlies, vaak zo willekeurig, zo onbegrijpelijk en zo wreed, dat dit grote wonden heeft geslagen. De Tweede Wereldoorlog roept bij mensen die deze periode bewust hebben meegemaakt, begrijpelijkerwijze dan ook altijd nog veel emoties op.

In 2005 is het zestig jaar gelden dat er een einde kwam aan deze zwarte periode in de wereldgeschiedenis. Ter gelegenheid hiervan heeft de Historische Kring Losser haar leden opgeroepen om hun herinneringen aan oorlog en bevrijding op schrift te stellen. Want inmiddels is dat wel bijna een mensenleven geleden en wij vinden het van grote waarde dat deze herinneringen voor het nageslacht behouden blijven.

De bijdragen die wij mochten ontvangen stelden ons in staat om ter gelegenheid van “Zestig jaar bevrijding”een dubbeldik nummer uit te geven van ons tijdschrift ‘Oet Dorp en Marke Losser’. De persoonlijke herinneringen van Lossernaren, die daarin gepubliceerd worden, zijn geschreven vanuit zeer verschillende invalshoeken en geven een verrassend beeld van die oorlogsjaren en de spannende bevrijdingsdagen.

Wij hebben, zeker in ons grensdorp, al lang weer geleerd om met de mensen aan de andere kant van de “poal” als een goede buur samen te leven. In elke gemeente aan de grens waren natuurlijk altijd veel contacten over en weer. In Losser was dat niet anders. Men had familie en bekenden aan beide kanten en ook woonden er in Gronau Nederlanders en in Losser mensen met de Duitse nationaliteit. Wat de gevolgen waren voor een dergelijk gezin, is ook op schrift gesteld en tevens worden ervaringen uit Gronau verteld.

Dankzij financiële bijdragen van instanties en bedrijven, die u achter in dit tijdschrift vermeld vindt, is de Historische Kring in staat om dit dubbeldikke nummer van ‘Oet Dorp en Marke Losser’ huis-aan-huis te verspreiden in haar werkgebied Losser, Overdinkel en Glane (het oude dorp en de marke Losser). Wij hopen dat hiermee een steeds groter publiek geïnteresseerd zal raken in de geschiedenis van het eigen dorp.

Wanneer u deze herinneringen aan oorlog en bevrijding hebt gelezen komt u misschien wel tot de conclusie dat ook in uw eigen leven in die moeilijke periode veel is gebeurd: herinneringen, die het waard zijn om voor het nageslacht te bewaren.

Zet u het eens op papier of in de computer. De Historische Kring Losser heeft onder meer tot doelstelling om via haar tijdschrift de geschiedenis van Losser onder de aandacht te brengen en juist de verhalen van de gewone mensen zijn daarbij zeer waardevol, zoals ook blijkt uit het exemplaar dat voor u ligt.

Wij hopen dat dit initiatief van de Historische Kring ter gelegenheid van ‘Zestig jaar bevrijding’ door de inwoners van Losser gewaardeerd zal worden.

Bestuur Historische Kring Losser

Thea H. Evers-Evers / voorzitter

“Hier mede was de bevrijding van Losser een feit geworden…”

Tijdens een groot deel van zijn leven hield de vooral bij klootschieters bekende Johan P. Poorthuis (1903-1988) een dagboek bij van de dagelijkse gebeurtenissen in Losser en omgeving.

Johan Poorthuis (’n Vasterd) was als chef machinist werkzaam bij N.V. Textiel Maatschappij L. van Heek & Zonen, destijds de grootste werkgever van Losser. Omdat hij tegenover de fabriek woonde was hij bij het minste of geringste (en bij nacht en ontij) aanwezig in de fabriek, ook toen er in die onzekere oorlogstijd nog maar weinig mensen aan het werk waren.

Hieronder kunt u het authentieke verslag lezen van de dagen waarin de bevrijding van Losser een feit werd. (Met dank aan de heer Albert Poorthuis te Delden die deze dagboekfragmenten beschikbaar stelde).

“Mensen ga naar buiten, de bevrijders komen er aan”

Als kind heb ik de Tweede Wereldoorlog meegemaakt. Ik ben geboren in 1932. Het was een moeilijke, angstige en spannende tijd, maar soms ook wel avontuurlijk.

Sommige gebeurtenissen in je leven blijf je je altijd herinneren. Die wekken dan emoties op, emoties van vreugde in dit geval.

Zo’n gebeurtenis is de bevrijding van Losser op 3 april 1945. Er waren veel Duitsers in Losser gelegerd. Misschien wel meer dan 1000 man en er dreigde zwaar gevochten te worden. Aan de Enschedesestraat, waar ik toen woonde, waren veel soldaten gelegerd en die hadden hun intrek genomen in verschillende huizen, die gevorderd waren. Wij hebben ze altijd buiten de deur weten te houden omdat we met een groot gezin waren. Er waren acht kinderen en moeder was zwanger van het negende.

Op paaszaterdag wilden we nog wat wijwater halen in de kerk, maar toen we bij de mandenmaker Van der Wal kwamen (kruispunt Broekhoekweg - Enschedesestraat) was de straat opgeblazen en zijn we onverrichter zake maar weer naar huis gegaan.

Aan beide kanten van de straat waren schuttersputjes gegraven. Zo ook in de voortuintjes van de aanwonenden. Sommige putjes hadden wij weer dicht gemaakt, maar die moesten we op  last van de Duitsers weer dieper maken. Ook lagen er kabels voor de veldtelefoon langs de straat. Bij de inritten waren die dan licht ingegraven. De aanwonenden moesten ‘s nachts op kabelwacht om sabotage te voorkomen. Wij woonden overigens aan die straat op nummer M 452 (M staat voor ‘Marke’).

De St. Martinusschool stond ook aan de Enschedesestraat. Deze was gevorderd en bezet door de Duitsers. Wij moesten toen naar school in het jeugdhuis aan de Muchteweg, maar omdat daar meerdere scholen naar toe moesten hadden we maar één dag per week school. Wij gingen dan niet over de straat maar binnendoor over het Imenhof en door weiden en wallen. Wij zochten immers de kortste weg.

’s Middags, paaszaterdag dus, kwam er een colonne dwangarbeiders vanuit Enschede onder geleide van Duitse soldaten. Die werden door Engelse jagers beschoten. Het werd toen erg gevaarlijk voor de dwangarbeiders en de soldaten zochten beschutting achter de huizen. Enkelen hebben van de gelegenheid gebruik gemaakt om te vluchten, zo ook een man uit Utrecht herinner ik mij.

Mijn moeder zat tijdens de beschieting op de deel, onder de tafel van boer Becks aan de Oldenzaalsestraat. Bij boer Becks kreeg zij wel eens melk of rogge om brood te laten bakken en soms wel eens een stuk spek of worst. Ja, dat was een goede boer. Zij fietste daar naar toe over Java (Nederzettingsweg), dat was de kortste en veiligste weg. Overigens de Oldenzaalsestraat was bij de Smuddeweg ook opgeblazen.

De eerste en de tweede paasdag waren spannende dagen. De Duitsers waarschuwden ons dat er zwaar gevochten zou worden en dat we beter weg konden gaan, naar een veilige plek. Maar waar was die te vinden?

De Tommy’s waren al in Ledeboers bos, amper een kilometer bij ons vandaan. Zo dichtbij, maar toch nog heel ver weg.

Wij zochten een schuilplaats achter in het Kranengoor, op de heide. Wij zaten daar veilig in diepe pestvoerkuilen, totdat het begon te regenen. Wij gingen toen naar een nabij gelegen boerderij waar we mochten schuilen in het voorste deel van de schuur. Moeder vroeg aan de boer om wat melk voor de kinderen. Maar nee hoor, dat kon niet. De boer moest leveren aan de Duitsers, dat moesten we toch begrijpen. Dat begrepen wij dus niet…  We kregen een emmer water met een nap erbij om uit te drinken. De nacht hebben we toen doorgebracht in de grote kelder van de buren. Buurman Leuns had een klein boerderijtje, een paar huizen bij ons vandaan. Maar de Duitsers wilden ons liever weg hebben. Ze waren op zoek naar eten, want ze hadden niets meer dan alleen nog wat speculaaskoekjes. Misschien hadden ze die wel geroofd bij koekjes Johan, de grossier die ook in de buurt woonde. En ze hadden nog jenever - veel jenever, gallons vol. Dat werd dus ook erg gevaarlijk. Sommige soldaten werden dronken en stonden lukraak te schieten.

De nacht van 2 op 3 april sliepen we wel thuis. Beneden in de woonkamer, daar was het veiliger dan boven.

Op dinsdag 3 april, ’s morgens, stelde mijn vader voor om naar de kerk te gaan. Wij waren er met Pasen immers niet geweest en dat kon toch eigenlijk niet. Omdat mijn vader een vrome, katholieke man was, stemde ik in en ging met hem mee. Ik vond het ook nog wel avontuurlijk. De mis was om acht uur. Er waren heel weinig mensen in de kerk. Misschien niet meer dan tien. Onze vaste plaats in de kerk was in het middenschip, rechts bij de tweede pilaar van achteren af. Deze plaats was al sinds de opening van de kerk in 1902 gepacht door mijn overgrootmoeder Aaltje Bos-Haarsma. Na haar overlijden is de pacht overgenomen door mijn grootmoeder Hermina Bos-Luizink (Bos Mina). Na haar overlijden ging de pacht over naar mijn ouders.

Hoewel de bankenpacht al lang is opgeheven ga ik daar nu nog dikwijls zitten. Het was een stille mis (een mis zonder preek en zang) en het duurde maar een half uur.

Na de mis bleven we nog wat nabidden, dat was toen gebruikelijk. Al vrij snel kwam toen pater van Hal uit de sacristie en riep: “Mensen ga naar buiten, de bevrijders komen er aan”. We gingen naar buiten de Gronausestraat op en kwamen bij de Vereniging, de eerste tanks tegen. Het was toen pakweg 8.45 uur. Dit moment zal ik nooit vergeten. Uit de richting van de Muchte klonken nog wat schoten van de Duitsers, maar daar waren we niet meer bang voor. De Tommy’s waren er immers.

Ik verbaasde mij er over dat er ineens zoveel rood-wit-blauwe vlaggen waren. Iedereen was blij. En ik was blij dat ik mijn bevrijding had beleefd vanuit mijn kerkgang.

Johan Bos

“Chocolate for mama, cigarettes for papa en candy for the baby...”

Na het verzoek van de redactie om over de Bevrijding te schrijven wil ik me eerst aan u voorstellen. Ik ben Mieke Olde Scholtenhuis-Siemerink. Ik kom oorspronkelijk uit de wijk Zuid-Berghuizen (toen gemeente Losser; nu Oldenzaal) maar woon al 38 jaar in Losser.

Om over de bevrijding te kunnen schrijven, zal ik met de oorlog moeten beginnen. Ik was zes jaar toen de Duitsers ons land binnenvielen. Ik zie ze nog zo op hun zware motoren rijden over de Enschedesestraat in Oldenzaal, waar wij woonden. Deze straat was een belangrijke doorgangsweg naar het vliegveld en naar Enschede. Binnen de kortste keren hadden ze op de oude spoorlijn Oldenzaal-Losser hun ‘Flak’ geïnstalleerd. Dat was pal tegenover onze slagerij. Van daaruit schoten ze Engelse vliegtuigen uit de lucht, wij lagen dan ook constant onder vuur, de hulzen van de kogels lagen achter ons huis. Ook hadden ze een fabriekje aan de overkant bezet. De H. Hartschool, de huizen van de buren, ondergedoken spoorwegarbeiders, overal zaten de Duitsers en wij zaten er midden tussenin. De kelder was onze schuilplaats. Mijn vader had hem helemaal gestut met zware palen. Op de pekelbakken, waar hij spek in pekelde, lagen planken, daarop matrassen en dekens. Een rek vol kleding en mondvoorraad, voorzover die er al was. Heel veel nachten, als het nodig was, sliepen wij (4) kinderen hier met onze ouders. Hoewel, mijn vader was vaak weg, op kabelwacht in de De Lutte en hij was ook bij de luchtbescherming. Als er geschoten of gebombardeerd werd zat onze kelder vol met buren en klanten uit de winkel.

Wij als kinderen hebben ook gesaboteerd door zand in de benzinetanks van de Duitse vrachtwagens te gooien. Ook gapten we turf die door Poolse gevangenen naar de Duitsers moest worden gebracht.

De grote razzia heb ik voorbij zien komen. Ik zie mijn vader nog wat voedsel aan bekenden geven. Mijn vader was vrijgesteld omdat hij ‘Metzger’ was en een witte jas droeg. Hij heeft nog veel mensen met een vals ‘Ausweis’ van het Oldenzaalse voetbalveld gekregen, waar de mannen waren samengedreven.

Ook heb ik op 22 december 1944 de piloot, beschreven in het boek van Joh. Luizink (blz. 245), op honderd meter van mij af, brandend neer zien storten. Hij ligt begraven op de r.k. begraafplaats in Losser.

Op 22 december 2004, precies 60 jaar nadat de Nieuw-Zeelandse piloot Stafford ‘Bill’ Williams, op 24-jarige leeftijd, boven Losser dodelijk verongelukte werd op diens graf op de begraafplaats bij de H. Maria Geboortekerk een krans gelegd. Bij de kranslegging was ook Mieke Olde Scholtenhuis-Siemerink, de schrijfster van dit artikel, uitgenodigd.

Met dank aan Twentsche Courant Tubantia (Foto Carlo ter Ellen)

Nog veel meer heb ik meegemaakt, maar nu over de bevrijding.

Wij zaten tussen twee café’s in, Kothman en Olde Weghuis. Hier hadden de Duitsers zich teruggetrokken. We hadden gehoord dat de bevrijders dichtbij zaten. De Duitsers waren heel nerveus, je zag ze al terugtrekken met oude kinderwagens en (onze) fietsen, helemaal volgepakt. Tussen ons en de buren was een breed pad. Daar reed op eerste paasdag 1945 een vrachtwagen met daarop een geslachte koe. Zo, open en bloot. De Duitsers verstopten zich achter de huizen en daar waren ze vlees aan het braden, niemand had vlees… Wij zaten met ons paaseitje dicht bij de kelder want het werd spannend.

Vanuit de beide cafés´s reden motoren met officieren steeds richting vliegveld, maar ze kwamen al gauw weer terug. Steeds meer Duitsers kwamen voorbij, richting oostgrens. Het begon steeds meer te rommelen vanaf Enschede. Die nacht van eerste op tweede paasdag gingen we niet slapen, we lagen achter het hakblok in de winkel stiekem te wachten op de bevrijders. Tegen de morgen hoorden we tanks ratelen. De eerste tanks waren gesloten, maar daarna zagen we de eerste hoofden er bovenuit steken. Ze reden heel hard Oldenzaal in. Mijn moeder had al die tijd een oranje strik bewaard en, na een poosje, wij naar buiten met die strik. Waar al die mensen toen vandaan kwamen weet ik niet. Ik zag alweer onderduikers en van die strik hield ik maar een klein stukje over. Iedereen haalde er wat af.

En terwijl wij allemaal stonden te juichen was er opeens een enorme explosie. De Duitsers hadden hun kanon, dat in de Eekte stond, opgeblazen. Wij allemaal plat op de grond in het zand. Alle ruiten bij de cafés lagen er uit, beelden waren van de kast gevallen, een enorme ravage.

Toen het rustiger werd en de tanks stil stonden, begonnen wij te bedelen. Chocolate for mama, cigarettes for papa en candy for the baby... Wij hadden geluk dat mijn oom naast ons een eierpakhuis had, want de bevrijders waren gek op eieren en daar konden wij mooi mee ruilen.

De volgende morgen toen wij uit bed kwamen konden we de kamer niet meer in. Er zat namelijk een deur voor de trap en omdat de hele kamer vol lag met bevrijders in slaapzakken, kon de deur niet meer open. Ze moesten zich allemaal scheren en wassen maar wij kregen wel echt wittebrood van hen, het smaakte naar cake, en echte thee.

De dagen van de bevrijding was er feest in de stad. Er werd gedanst en gezongen. En wij kinderen gingen daar ook naar toe. Maar we deden nog meer, we gingen met hele groepen op strooptocht naar het vliegveld om te kijken of er nog wat te halen was. In de kelder van de basis lagen allemaal muffe, natte koekjes en die gingen we dan thuis in de oven weer opwarmen. En we aten ze nog op ook. Bah! Op weg naar het vliegveld, op de Noordergrensweg, zijn we vreselijk geschrokken. Er kwam opeens een Duitse soldaat uit de bosjes, vies en ongeschoren met een geweer in zijn hand. Hij is de weilanden in gevlucht. Of hij zijn vaderland heeft bereikt, weet ik niet.

Eén niet zo fijne herinnering heb ik overgehouden aan de bevrijders. Ze kwamen in de dichtgespijkerde cafés kijken naar de ravage. Ik was toen elf jaar en ben daar aangerand door een soldaat. Dat vergeet ik ook nooit meer.

Aanvulling

Nog even een vervolg op het verhaal van de bevrijding.

Ik wil hiermee zeggen dat niet alle Duitse soldaten slecht waren. Ze moesten, ook al wilden ze het niet.

Zo hebben wij heel goede contacten overgehouden met Anton Roubic uit Recklinghausen. Toen een jonge soldaat, pas getrouwd. Bij ons aan de overkant stond hij op wacht. Mijn vader vroeg dan “Anton kom je een kopje thee drinken?” Hij was dan zo dankbaar. Ook heeft hij eens een foto van ons gezin gemaakt. Op een gegeven moment moest hij naar het Oostfront. Jaren hebben we niets van hem gehoord, tot na de oorlog. In onze slagerij stonden vreemde klanten voor de toonbank. Mijn vader vroeg of hij ze kon helpen. Toen hoorde hij “Gerard kennst du mich nicht mehr?” en haalde de ‘vreemde’ klant de bewuste foto te voorschijn. Groots was het weerzien en dat is levenslang zo gebleven. Vaak zijn we met het hele gezin naar Recklinghausen geweest en we waren altijd welkom. Ook kwamen zij ons vaak bezoeken. Helaas kwamen ziekte en ouderdom om de hoek kijken. Anne, zijn vrouw, werd dement en hij is zelf in 1991 overleden. Vaak denken we nog aan hen, het waren bijzondere, lieve mensen.

Mieke Olde Scholtenhuis-Siemerink

“Ik hop dak de Engelsen op mien vejoardag krieg”

Ja ik ben van voor de oorlog.

Als veertienjarige heb ik de bevrijding meegemaakt.

Of het spannende dagen waren?

Allereerst iets over de oorlog zoals wij die hebben meegemaakt.

Dat is een oorlog zoals die bij ons in de straat werd gevoerd. Van het grote wereldgebeuren hoorden wij wel, maar veel belangrijker was wat er om ons huis heen gebeurde en dan moet je het zien vanaf het (oude) gemeentehuis tot aan de steenfabriek en de Enschedesestraat tot aan café Nijhof.

Vreemde namen? Ja als je over 60 jaar terug gaat schrijven kom je andere namen en andere bewoners tegen.

Zelf woonde ik toen op D 25, later werd dat Oldenzaalsestraat 38. Tegenover wat nu de Aalsgaardenstraat is.

D stond voor Dorp, D 1 aan de Oldenzaalsestraat was het huis van Hannes Weijerink (rooie Hannes). Nu staat daar het huis van Willem ter Denge. Met al die Weijerink’s was het wel nodig om de naam van de vrouw erbij te noemen of de bijnaam. Want wist jij waar M (Marke) 536 was?

Ook na de oorlog werd deze nummering aangehouden, toen kregen wij er een R bij van het Rot, de Meidoorn-en de Lijsterbesstraat.

Nu dan naar Pasen 1945, 1 april. Weet u waarom ik dat nog weet? Mijn vader, Tinus, was op 1 april jarig en dat viel in 1945 op eerste paasdag.

Niet dat het toen zo gemakkelijk was om aan cadeaux te komen, Zo schreef je in die tijd toch cadeau’s?

Mijn vader zei daags voor Pasen: ”Ik hop dak de Engelsen op mien vejoardag krieg.”

De eerste paasdag leek het er goed op. Vanaf Oldenzaal hoorden wij het knarsen en ratelen van een pantserwagen. Schommelend kwam hij in zicht, maar het was een Duitse. Pech dus. In het kielzog van deze pantserwagen vele andere wagens die kanonnen trokken en ook paarden met wagens. Vlak bij onze woning werd een kanon opgesteld met de vuurmond richting Oldenzaal. Het kwam te staan op de grond van Bevers, naast het huis van Hogelucht, ongeveer waar nu Henk Golbach woont (hoek Tulpstraat).

Ook aan de Enschedesestraat stelden de Duitsers een kanon op in de weide van boer Schulten. Volgens onze waarneming hadden de Duitsers voor deze twee kanonnen maar één kogel, die met een bakfiets tussen de vuurmonden heen en weer werd gereden. De pantserwagen stelde zich op tegenover het huis van dokter van Schie. Onder de bomen die stonden tussen Manna Reimerink en ’t Zew. Dat is ongeveer waar nu de winkels en de apotheek aan de Bernard Leurinkstraat gebouwd zijn.

Zo nu was Losser tegen elke vijandelijke aanval beschermd. Zowel vanuit de richting Oldenzaal als vanaf Enschede was de straat goed te overzien. Op het muurtje bij de kerk, langs de opgebroken tramlijn, zaten de Duitse soldaten. Wat opviel was dat het geen soldaten in het ‘grau’ waren maar dat ze zwarte uniformen aan hadden.

Mijn vader vond het ‘s avonds toch een beetje link en zei: “Ik blijf vannacht in de kamer, Henny kan bij mij blijven op de divan. Dan kunnen Annie en Johnny bij jou (mijn moeder) slapen”. Kun je slapen met zo veel spanning?

Het is natuurlijk voor een jongen echt interessant. In het donker kwam een hele stoet mensen langs. Het waren geen militairen, schansers? Schansers waren meest dwangarbeiders die voor de Duitsers vestingwerken moesten graven. Ook mangaten om dekking te kunnen vinden tegen de jabo’s. ‘Jabo’ is een afkorting van jachtbommenwerper. . Een paar dagen eerder was een  colonne door vliegtuigen bestookt bij zwarte Beernke ( Nijland ) aan de Oldenzaalsestraat met doden tot gevolg. Zie hierover het boek van Johan Luizink ‘In Losser is niets gebeurd…’.

Maar terug naar zestig jaar geleden. In de donkere nacht ineens een dreunende knal. Iedereen klaar wakker. Wat was dat? Had het kanon geschoten? Vader ging voorzichtig op onderzoek uit. Toen weer zo’n harde dreun, met als gevolg dat de ruit bij ons in de kamer aan stukken naar binnen viel. Precies op de plek waar mijn vader even daarvoor had gelegen.

Terwijl vader de losse stukken glas uit de sponning pakte stond ineens een Duitse soldaat voor het raam met een smerig gezicht, helemaal zwart. Wisten wij veel van camouflage. Hij vroeg of er nog gewonden waren? Nee. Er zou nog zo’n harde knal komen. En weg was hij. Inderdaad even later weer zo’n dreun. Toen ging bij de buurvrouw de ruit er uit. Waar die knallen vandaan kwamen wisten wij niet en in het donker is het ook moeilijk communiceren. Vooral omdat je niet op straat mocht komen, spertijd.

Vader had nog een grote triplexplaat, die voor het raam getimmerd werd en met veel frisse lucht werd de morgen afgewacht. De oorzaak van de knallen werd de volgende dag bekend. Bij de boerderij van Holtkamp aan de Oldenzaalsestraat hadden de Duitsers de straat laten springen. Het huis van De Jong, de opa van de eigenaar van de tegenwoordige kado- en bloemenshop, was zo ernstig beschadigd dat het later afgebroken moest worden.

Tegenwoordig woont daar de rustend huisarts Horsthuis. Aan de Enschedesestraat had men de straat laten springen bij Van de Wal, tegenwoordig hoek Enschedesestraat doodlopende Hogeboekelerweg.

Hier zijn vier nieuwe woningen gebouwd. De derde knal was van het laten springen van de Hogeboekelerweg.

In de loop van de tweede paasdag werden de kanonnen weer achter de auto’s gehangen en ging het richting de Bardel. Er bleven nog wachtposten bij de gaten in de straten staan. Dat was ook wel nodig want toen ook die dinsdags na Pasen verdwenen waren, begonnen mannen uit de buurt (onderduikers) met het dichten van de gaten. Nog voor de middag kwamen in razende vaart drie lichte, open pantserwagens langs gestormd. Hoera, we waren bevrijd. Was dit wel zo? Kwamen de Duitsers niet terug? Heel sloom kwam een echte tank aangewaggeld. Vermoedelijk hadden zij geen munitie bij zich, want uit het ruim kwamen sigaretten, chocolade en andere lekkernijen tevoorschijn. Toen maar het dorp in.

Erkende N.S.B.- ers werden opgepakt, maar ook lieden die voor de oorlog lid van de N.S.B. waren geweest. Men had namelijk de vooroorlogse ledenlijst van de N.S.B. gevonden en alle namen die daarop stonden moesten in het hok. De N.S.B. was voor de oorlog een politieke partij met zetels in de Tweede Kamer.

Tot slot een opmerking van mijn vader. Het was in Losser de gewoonte om als begroeting  met het hoofd te knikken. Zo niet onze bevrijders. En nu de opmerking van vader: ”Dee soldoat’n nikt nich, dee howt met de kop”.

Henny Damhuis.

In augustus 1945 werd een groots bevrijdingsfeest gevierd. Op deze foto ziet u een beeld van de Bevrijdingsoptocht, de Vredeswagen van de buurt rondom de oude toren.

Op de foto bovenaan de ‘vredesengel’ HermienVos.
Links, van boven naar beneden: Annie v.d. Maarel, Mia Vos, Marga Bouma, Annemieke te Biesebeek, Lidy van Hoesel.
Rechts van boven naar beneden: Lies te Biesebeek, onbekend, Diny Beunders, onbekend, Elly Zurhorst

(Foto beschikbaar gesteld door mevrouw Hermien Scholten-Vos).

“Thank you, thank you, very, very, much”

De bevrijding staat mij helder voor de geest hoewel ik de oorlog niet heb meegemaakt.

Verhalen en telkens weer opnieuw verhalen horen en lezen, op lange winteravonden, zonder televisie, rond het fornuis in onze kleine keuken met wel tien personen dicht bij elkaar en lekker warm, hebben bij mij een beeld gevormd van een spannende, gevaarlijke tijd, waarvan niemand op dat moment precies wist wat de uitkomst was.

In mijn verbeelding zie ik avonden waarop alle ramen verduisterd zijn en zoeklichten de hemel afzoeken naar de vijand. Avonden waarop formaties vliegtuigen overkomen die zilverpapier uitgooien en later in de nacht terugkeren. Volgens ooggetuigen deed het geluid denken aan een zwerm bijen… joeng, joeng, joeng.

Verhalen van een Duitse jager, die van boven een Engelse formatie aanvalt, men ziet een brandend vliegtuig uit de formatie recht op zich aankomen. Er springen mensen uit, het vliegtuig maakt een wending en stort vervolgens neer in de buurt van Enschede.

Mijn ouders hebben ’s nachts een boom gekapt in het Haagse Bos omdat ze geen brandstof meer hadden om te koken. Mijn oom had daar in de buurt postduiven onder de grond verborgen, die hij elke dag ging voeren en water geven. Als de bezetter achter deze overtredingen kwam, waren de gevolgen niet te overzien! Hoe hebben ze het gedurfd?

Een ding was echter duidelijk: Hitler zou nooit overwinnen.

In de Goede Week van het jaar 1945 wisten de bewoners van Losser dat de bevrijding aanstaande was en men hield rekening met de kat in ’t nauw die nog rare sprongen kan maken en daardoor des te gevaarlijker wordt.

Op Witte Donderdag was er groot geschut aangekomen in Losser. De Duitsers stelden het grote kanon op ter hoogte van café Lippinkhoff, tegenwoordig “An ’n Labdiek” aan de Gronausestraat, om nog een stevig offensief te bieden aan de oprukkende “Tommy”.

De bewoners rondom het station werd aangeraden te vertrekken omdat er waarschijnlijk geen steen overeind zou blijven als het tot een treffen zou komen. De breekbare spullen zoals serviesgoed, die men niet mee kon nemen, werden in de kelder gepakt en toegedekt met beddengoed in de hoop dat er na het bombardement nog iets van over zou zijn.

De buurtbewoners vertrokken naar de boerderij van de familie Evertman in de Zoeke, waar het behoorlijk vol werd door de komst van een twintigtal mensen. De kinderen sliepen ’s nachts over de breedte van het bed en dan om en om.

Mijn zus weet te vertellen dat ze vanuit het bed zicht had op de zoeklichten die opgesteld stonden bij het vliegveld.

Mijn vader ging paaszaterdag met buurman Engeman poolshoogte nemen en maakte meteen van de gelegenheid gebruikt ter biecht te gaan voor Pasen. Vreemd dat men in zo’n ongewone en spannende situatie nog aan biechten dacht. Als ze aan de Gronausestraat komen staan de huizen er gelukkig nog, het straatbeeld is echter gevuld met zwaar gewonde mensen die met bebloed verband om hoofd, armen of benen of liggend op handkarren richting Oldenzaal trekken. Kapelaan Hobbelink wil graag weten wat dit voor mensen zijn en vader kan melden dat het hier gaat om gewonden van de ’Organisation Todt’ (een militair gedrild arbeidersleger), die vrijgelaten zijn uit het lazaret in Gronau.

Er cirkelt op dat moment in de omgeving van Enschede een vliegtuigje in de lucht. Omstanders bij de kerk in Losser weten te vertellen dat men daaraan kan zien hoever de Engelsen gevorderd zijn.

De bevrijding van Losser komt vanuit Glanerbrug.

Toen de Engelsen voorbij de fabriek van Van Heek waren, ging de heer Kleerebezem naar de fabriekstoren om de Nederlandse vlag uit te hangen. Het dundoek hangt nog niet in top of het wordt van alle kanten beschoten. Kleerebezem wacht enige tijd en probeert het dan opnieuw. Nu met goed gevolg, waarschijnlijk zijn de Duitsers, die zich aan de Dinkel verschanst hadden, gevlucht richting het thuisland.

Voor de dorpsbewoners schijnt het feit dat de nationale driekleur op Van Heek wappert, terwijl men in het dorp nog niet bevrijd is, een diep emotioneel gebeuren te zijn geweest.

De Binnenlandse Strijdkrachten (BS) liepen gewapend aan beide kanten van de weg langs de Gronausestraat richting dorp.

Ter hoogte van kapper Brilman komt iemand melden dat er zich in het huis van meester Pieterson, tegenover café Schorfhaar, nog Duitsers bevinden. Een aantal strijders gaat over de Hogeweg door de tuin en dringt via de achterdeur het huis binnen. Tegelijkertijd komen er ook bevrijders door de voordeur het huis binnen. Het ongeluk wil dat men van elkaar niet weet hoe men in deze situatie moet handelen zodat, toen een van de eerste mensen de schuifdeuren opende, de binnenkomende groep het vuur opende waardoor men elkaar beschoot met als dramatisch gevolg één dode.

Mevrouw Pieterson, die thuis kwam van een bevalling, ze was vroedvrouw, werd tegemoet gelopen met het bericht:”Juffrouw ie mot nich schrikken mer der ligt nen doden bie oe in de kökken”.

Lange tijd zijn de kogelgaten nog zichtbaar geweest in het huis.

Overdinkel werd bevrijd vanuit Glane. Mijn grootvader woonde aan de Goormatenweg, waar een dag of wat voor de bevrijding een groep Duitsers inkwartiering had gezocht. De pannen werden van het dak gehaald zodat men er een klein kaliber geschut op kon stellen. Er werd hevig gediscussieerd over hoe men de zaak aan zou pakken en of de Tommy’s de grens over zouden trekken. Plots komt er een gigantische tank de Glanestraat af rijden. Bij het zien van zo’n apparaat zetten ze het op een lopen richting grens al roepende: Tommy da, Tommy da.

Losser en Overdinkel zijn vrij, men kan het geluk niet op.

Voor mijn vader was het ultieme geluk een virginia-sigaret die hij kreeg toen hij een groep Tommy’s tegenkwam op de ‘opgeblazen’ Enschedesestraat, waar de ramen bestonden uit Mika omdat glas niet meer voorhanden was.

Al zijn zakken werden daarna ook nog volgepropt met tabak en hij wist niet anders te mompelen dan: “Thank you, thank you, very, very, much”.

C. Meijerink-Hannink

Aan de Bevrijdingsoptocht in augustus 1945 werd ook deelgenomen door deze grote groep uit

de Zoeke. Men beeldde een Twentsche Boerenbruiloft uit.

Van rechts naar links:

1e rij: Dirk Scheer, A. Vortkamp, J. Haarman, H. Heerink, B. Ekkelboom, Donker, H. Winters

(verl.  A. Vortkamp), Sannie Heerink, Joh. Snippers;>

2e rij: Toon Snippert, Anna Evertman, D. Spiele, A. Elferink, J. Heerink, en A. Wegman;

3e rij: H. Wegman, Trui Steghuis, Gr. Wolters, B. Benneker, H. Elferink, H. Elferink, A. Snippert,

H. Spijkerman, G. Wolters, R. Bulters, J. Kraesgenberg, S. Snippert, S. Heerink, M. Onderweegs,

H. Kuijer, Na Heino, L. Onderweegs, Tr. Oldenhof, H. Heerink, , Fr. Kuijer en H. Snieders (de Haak).

Deze foto werd beschikbaar gesteld door de heer Albert Poorthuis uit Delden.

Omzien in Wrok of Vergeven?

Het is 13 januari 1941. Samen met moeder Dina stonden Gusti, Hennie en Ellie omstreeks tien uur ’s morgens buiten in de kou om vader Heinz uit te zwaaien. Vader droeg een gabardinejas en had een hoed op. Achter op de bagagedrager van zijn fiets een tas met wat spullen. Moeder kon haar tranen bijna niet bedwingen, maar voor ons kinderen hield ze zich groot. Na een innig afscheid vertrok vader naar Oldenzaal om verder te reizen naar Zwolle, waar hij zich moest melden. Ik zie het beeld nog zo voor me toen hij bij de tuin van Ten Brink om de hoek verdween. Moeder had stil verdriet. Ze gaf mij een kop en schotel en zei: “Tante Feem is vandaag jarig. Loop jij maar even naar de Esch om haar te feliciteren. Ik ging op weg en hoewel ik nog geen zes jaar was, voelde ik dat er dingen stonden te gebeuren waarvan ik de reikwijdte natuurlijk nog niet kon bevatten.

Toen ik leerplichtig werd ging ik naar de Sint Martinusschool en had als meester de heer B. Omdat ik linkshandig was moest ik rechts leren schrijven en dat gebeurde op een bepaald niet lichtzinnige wijze. Ik moest regelmatig bij de lessenaar komen en kreeg een behoorlijk aantal tikken met de liniaal over mijn linkerhand en dat was pijnlijk. Telkens weer.
Midden in het schooljaar moest ik plotseling naar de school voor Rijksduitsers in Hengelo. Mijn moeder had brood voor mij klaar gemaakt, in papier gewikkeld, en thee in een glazen fles gedaan. Toen de bus bij de school aankwam stapten eerst de oudere jongens uit. Ik zag dat ze achteloos hun schooltas tegen een dikke boom op het schoolplein gooiden. Ik dacht dat dat normaal was en dus gooide ik ook mijn tas zonder nadenken tegen de boom. Toen we naar binnen werden geroepen pakte ik mijn tas op en merkte dat de fles met thee aan diggelen lag en dat mijn boterhammen kletsnat waren. Die dag heb ik echt honger geleden want ik durfde niemand om een boterham te vragen.

Omstreeks Pasen 1944 moest ik de eerste H. Communie doen en dat zou gebeuren in de kapel van het toenmalige St. Jozefziekenhuis in Enschede. Het was een zonnige dag toen moeder, tante Annie, zus Ellie en ikzelf op een open boerenkar vanuit Losser naar Enschede togen. Ellie was bruidsmeisje. Na de plechtigheid werden foto’s gemaakt in de voortuin (nu de parkeerplaats van het MST, locatie Stadsmaten).

‘Na de plechtigheid werden foto’s gemaakt in de voortuin van het St. Jozefziekenhuis’.
Het jongetje in het midden, met een lap om zijn knie, is Gusti Zurhorst. Het kleine meisje, tweede van rechts op de eerste rij, is zus Ellie. De priester op de foto, dr. Fuchs, is in februari 1945 omgekomen bij de beschieting van een trein tussen Hengelo en Enschede. Zie elders in dit artikel. De dame is de lerares die ook in de trein zat. Hoe zij het er afgebracht heeft bij de beschieting is niet duidelijk. (Foto beschikbaar gesteld door de schrijver van dit artikel).


In de strenge winter van 1943 hoorde ik dat er 100 harde turven verkregen konden worden als je met de stamkaart naar het gemeentehuis ging. Omdat ik mij als oudste verantwoordelijk voelde ging ik naar mijn moeder om de stamkaart mee te nemen. Maar moeder wilde dat eerst niet. Na lang aandringen is ze toch gezwicht. Er stond een rij tot ver buiten het gemeentehuis. Langzaam maar doelgericht baande ik mij een weg langs de volwassenen en stond toen voor het bureau van de ambtenaar. Ik kon amper op het bureau kijken omdat ik klein van stuk was. “En jongeman”, riep de ambtenaar, “wat kom jij hier doen?” Ik vertelde hem dat ik ook 100 harde turven wilde ophalen bij de kolenboer, de Voute. Eerst aarzelde hij maar pakte tenslotte toch mijn stamkaart en vulde met potlood de gegevens in. Goed voor 100 harde turven. Daarna snelde ik naar huis, leende ergens een kar, ging naar de kolenboer, kroop voor en laadde de kar vol met 100 harde turven. Wat was ik trots.

De volgende dag merkte ik dat het geschrevene op de stamkaart makkelijk uit te gommen was. Toen dacht ik, als ik over twee dagen weer naar de gemeente ga, zit er misschien een andere persoon en dan haal ik nog een keer 100 harde turven voor moeder. Zo gezegd, zo gedaan. Toen ik bij het gemeentehuis kwam stond er weer een rij. Net als de vorige keer duurde het niet lang of ik stond weer vooraan. En ik schrok want het was dezelfde ambtenaar. Toen ik aan de beurt was en vertelde dat ik gehoord had … onderbrak hij mij en vroeg: “Was jij hier gisteren ook al niet?”  Ik zei ijskoud nee, wat moest ik anders? De man keek mij aan, pakte een potlood, maakte de punt nat met zijn tong en schreef op de stamkaart. “Goed voor 100 harde turven”. Ik dolgelukkig naar huis en herhaalde wat ik twee dagen eerder ook had gedaan. Toen ik later de stamkaart bestudeerde bleek dat hij een anilinepotlood had gebruikt en dat kun je niet uitgummen. Als ik het mij goed herinner was de naam van de ambtenaar Meijerink.

Hoewel moeder als echtgenote van een Rijksduitser recht had op dubbele stamkaarten, heeft ze daar nooit gebruik van gemaakt. Moeder heeft nooit een beroep gedaan op hulp van de gemeente. In één van zijn brieven naar het ministerie heeft burgemeester Van de Sandt dat later nog eens duidelijk onderstreept.

Op een dinsdag in februari 1945 kwamen we met de schoolbus uit Hengelo en reden omstreeks half twee over de Boddenkampsingel, waar een groot aantal huizen in brand stond. Het bleek dat er een bombardement was geweest met brand- of fosforbommen en die waren her en der terecht gekomen. Het was een verschrikkelijke aanblik. Schreeuwende en huilende mensen liepen op straat, terwijl men probeerde te redden wat er te redden viel. Die aanblik vergeet je nooit. Ook bleek omstreeks die tijd een trein tussen Hengelo en Enschede beschoten te zijn door vliegtuigen. In die trein zaten een priester en een lerares van mijn school. Oorlog is en blijft misdadig.

Toen de oorlog afgelopen was moest ik weer terug naar de Sint Martinusschool en begon in de vierde klas bij meester Bosman uit Boskoop. Maar ik had een groot probleem met Nederlands schrijven omdat ik de laatste jaren steeds had moeten lezen en schrijven in de oude Duitse taal. Via bijlessen van meester Mulderink, het toenmalige ‘hoofd der school’, heb ik mij moeten bekwamen in het Nederlands. Uiteindelijk is het allemaal op zijn pootjes terecht gekomen.

Voor de meeste mensen begon langzamerhand het gewone leven weer op gang te komen maar helaas niet voor mijn moeder en de kinderen. Zonder al te diep op het verleden in te gaan wil ik toch een aantal gebeurtenissen noemen die mijn leven er niet leuker op hebben gemaakt. Opmerkelijk is overigens wel dat Lies, de weduwe van Franz Benneker die vlak voor het einde van de oorlog door Duitse soldaten was doodgeschoten, een aantal jaren als huishoudelijke hulp voor mijn moeder heeft gewerkt.

Vader vertrok op 13 januari 1941 en kwam officieel terug in Losser in september 1947, ongeveer tweeëneenhalf jaar na de bevrijding. Moeder heeft gedurende zijn afwezigheid de kapsalon altijd voortgezet. Na de terugkeer van vader heeft deze het kappersvak weer opgepakt aan de toenmalige Voorstraat D 205 (nu hoek Brinkstraat/Bern. Leurinkstraat/ Martinusplein). Het werd hem in eerste instantie niet gemakkelijk gemaakt. Door tussenkomst van burgemeester Van de Sandt, die een aantal brieven aan het ministerie heeft geschreven, kwam er eindelijk rust in huize Zurhorst. Wij zijn die burgemeester veel dank verschuldigd.

Op 11 januari 1956 kreeg mijn vader de Nederlandse nationaliteit en dus ook zijn kinderen. Al vóór de oorlog had mijn vader het Nederlanderschap aangevraagd maar door de bureaucratie was dat toen helaas niet gelukt.
Veertien dagen nadat mijn broer en ik Nederlander waren geworden zaten we aan de Grundellaan in Hengelo, al een test te maken om te dienen in het Nederlandse leger!! Hennie werd afgekeurd omdat hij één centimeter te klein was. Ik werd ingedeeld bij de landmacht voor de AAT (Aan- en Afvoertroepen) en later, na mijn HTS opleiding bij de Genie, voor de officiersopleiding. Uiteindelijk ben ik als eerste luitenant op 1 oktober 1995 afgezwaaid bij de Koninklijke Luchtmacht, standplaats Vliegbasis Twenthe.

Toen ik in 1949 naar de MULO in Enschede ging ervoer ik de haat tegen de Duitsers. Er waren enkele leraren bij die dit niet onder stoelen of banken staken. Na het behalen van mijn diploma ben ik naar de toenmalige UTS (Huidige MTS) gegaan en heb mijn voornamen August Heinrich veranderd in Augustinus Hendrikus, omdat ik wilde voorkomen wat er op de MULO was gebeurd!

Omdat wij inmiddels de Nederlandse nationaliteit hadden verworven, heb ik toen ik naar de HTS ging mijn voornamen weer veranderd in - zoals ik heet - August Heinrich. En die zal ik nooit meer wijzigen. Ook de naam Zurhorst spreek ik op zijn Duits uit omdat ik mijn roots nooit meer zal verloochenen.

Na de militaire dienst was mijn eerste burgerbaan bij een heel bekende Joodse familie in Enschede. Ik heb daar ruim drieëneenhalf jaar gewerkt als manager. In de jaren negentig heb ik een andere Joodse familie leren kennen en daar heb ik ook voortreffelijke contacten mee.

Ten slotte wil ik nog memoreren dat Joop en Anna Kellerhuis (van de Vivo-winkel aan de Achterstraat) gedurende alle oorlogsjaren een steun en toeverlaat zijn geweest voor onze moeder en dat na terugkeer van vader de twee echtparen vriendschap hebben gesloten voor het leven! Mede door hun inzet heeft de toenmalige pastoor Poelman er voor gezorgd dat de ontmoetingen bij de grens in Glane (waar wij vader in de tijd vóór zijn officiële terugkeer naar Nederland in de weekends konden zien) niet meer hoefden plaats te vinden met een hoog hek als scheiding.

Op 5 mei 2005 zal het voor de meeste Nederlanders zestig jaar geleden zijn dat Nederland in zijn geheel werd bevrijd. En dat is een heuglijk feit. En hoewel het voor mij dan pas 57 ½ jaar geleden is, wil ik mij aansluiten bij de feestvreugde van alle Nederlanders, omdat vrede het hoogste goed is dat de mensheid kan overkomen.

Ik wil met dit schrijven over gebeurtenissen uit het verleden, die toch jarenlang mijn leven beheerst hebben, definitief een streep zetten onder dat verleden.

Gusti Zurhorst (Oldenzaal)

Het verblijf van Zuster Timothee Gervink in de missie op Sumatra en haar internering in een jappenkamp

Geertruida Johanna Gervink werd geboren te Losser op 27 december 1903.

Als zuster Maria Timothee trad ze in 1924 in, in het klooster van de Zusters van Liefde van Jezus en Maria, moeder van Goede Bijstand te Schijndel. In 1930 werd ze uitgezonden naar de missie op Sumatra. In 1976 kwam ze definitief terug in Schijndel, waar ze op 24 augustus 2001 is overleden.

Gezin Gervink

Geertruida Johanna Gervink was een dochter van Antonius Gervink en Helena Nijland - dochter van de steenbakker Lambertus ‘Lutterherm’ Nijland (zie Oet Dorp en Marke 2004-1). Zij woon­den aan de Scholtinkstraat in Losser (de latere Flamingostraat).

Vader Antonius Gervink en moeder Helena Nijland trouwden op 20 mei 1896. Ze kregen 3 kinderen, van wie Bernardus Hermannus op 29 juli 1913, op 16 jarige leeftijd overleed.

Geertruida’s moeder Helena overleed op 49 jarige leeftijd, op 28 december 1911. Haar vader overleed op 30 december 1913, op 46 jarige leeftijd.

Dit was een zware slag voor de beide overgebleven kinderen, die toen nog zeer jong waren.

Geertruida, of Truike zoals de familie haar noemde, en haar broer  Bernardus Johannes werden  bij een oom van hen, Bernard-oom Gervink en zijn vrouw Hermina Derksen in huis genomen. Zij woonden aan de Deppenbroeksweg. Daar groeiden ze op samen met de dochter van het gezin Gervink-Derksen.

Omstreeks 1922-1923 ging Truike in betrekking bij boer ‘Veekamp’ aan de Bethlehemweg in Losser. Hendrikus Roesthuis had hulp nodig, omdat zijn vrouw Johanna Veekamp ziekelijk was. Geertruida bleef daar tot ze het klooster in ging.

Het klooster en de missie

Geertruida ging op 4 augustus 1924, als zuster Timothee, het klooster in van de ‘Zusters van Liefde’ te Schijndel. In de jaren 1924 en 1930 behaalde ze enkele diploma’s en akten in Schijndel en Mierlo-Hout. Op 5 februari 1929 deed zuster Timothee haar eeuwige gelofte en in oktober 1930 werd ze uitgezonden naar de missie op Sumatra in Indonesië.

Zuster Timothee woonde van september 1930 tot juni 1948 in Bagan Si-Api Api en gaf daar onderwijs aan de Chinees-Hollandse school. Een van haar Chinese leerlingen is later ingetreden in het Klooster te Schijndel en verblijft daar nu nog steeds.

Voor haar werk aan deze school ontving ze van de Directeur van Onderwijs en Eeredienst te Batavia voor het jaar 1931 ƒ 135 subsidie.

Na de oorlog woonde ze van juli 1949 tot november 1976 in Pematang Siantar en werkte als onderwijzeres aan een school in Siantar, waar ze les gaf aan Batak kinderen.

Indonesië-Sumatra.

Sumatra is een van de vier grootste eilanden van Indonesië en de bevolking bestaat uit een groot aantal etnische groepen, waarvan de Maleiers en de islamitische volkeren de Acehers en de Minangkabauers de belangrijkste zijn. Noord-Sumatra is het thuisland van de Bataks en die zijn onderverdeeld in verschillende stammen. De Bataks kwamen 1500 jaar geleden naar Sumatra en waren afkomstig uit de Himalaya en boven-Birma. Daar werden ze verdreven. De Bataks namen de natte rijstcultuur over. Velen bekeerden zich onder invloed van Nederlandse en Duitse missionarissen tot het christendom.

>Vroeger heette Indonesië, Nederlands-Indië. Het was een kolonie van Nederland. Rond 1600 voeren veel Nederlandse schepen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) naar Indonesië om daar specerijen te kopen. Daar groeiden namelijk veel pepers, kruidnagelen, nootmuskaat enz.

De VOC was een groot handelsbedrijf, opgericht in 1602. Zij dreven handel en wilden hoge winsten behalen. Zij hadden veel macht en de vorsten en mensen in Indonesie moesten doen wat de VOC wilde. Na 1800 was de VOC er niet meer en ging de Nederlandse staat hiermee door.

De macht werd steeds groter en de mensen moesten zich onderwerpen. Het gebied kreeg toen de officiele naam Nederlands-Indië. De Nederlanders betaalden een lage prijs voor de verbouwde koffie en specerijen en verkochten die dan weer in Europa voor veel hogere prijzen. De Indische bevolking werd uitgebuit.

Rond 1900 gingen de Nederlanders meer doen voor de ontwikkeling van de bevolking. Er kwamen ziekenhuizen en scholen voor de kinderen.

De zusters van Liefde uit Schijndel en andere Congregaties stuurden zusters naar de missie om te helpen in die ziekenhuizen en scholen. In 1928 werden de eerste zusters uit Schijndel uitgezonden naar de missie.

Zuster Timothee woonde eerst in Bagan Si-Api Api en na de oorlog in het hoofdklooster te Siantar. Zij werkte als onderwijzeres en bracht de kinderen daar de eerste beginselen van de Nederlandse taal en schrijven bij. Ze kwam nog vaak terug naar Nederland en bezocht dan in Losser de scholen om te vertellen over haar werk.

Zuster Timothee in het Jappenkamp te Padang en Bangkinang

Met de aanval van de Japanners op Pearl Harbor op 7 december 1941, begon de oorlog voor Nederlands-Indië. Op 8 maart 1942 kwam er een einde aan de strijd, doordat Nederland over te weinig militaire capaciteit beschikte en zodoende moest capituleren. De Japanners bezetten het land. De Nederlanders werden in kampen opgesloten en de Japanners namen de rijke olievelden en plantages in bezit.

Ook zuster Timothee werd met haar medezusters opgesloten in een jappenkamp.

Drie en een half jaar verbleef zij in het jappenkamp te Padang en nog in een ander kamp, Bangkinang.

De Jappen deelden de kampen in naar vrouwen en kinderen, mannen kampen en kampen voor krijgsgevangenen. Een kamp bestond uit houten barakken of hutten en was omgeven door een schutting en/of prikkeldraad.

De vrouwen moesten vaak hun tijd doorbrengen in de hut en mochten het kamp niet verlaten. Zij moesten de uniformen naaien voor de Jap en werden ingezet voor de rijst- en groenteteelt. Anderen verpleegden de zieken.

In Birma was de Birma-spoorweg zeer bekend. Maar op Sumatra bouwden de Jappen ook een spoorweg. Deze noemde men de Pakan-Baroe spoorweg, ook bekend als ‘Death Railway’. Aan deze 220 km lange spoorweg lagen veertien jappenkampen, van waaruit de kampbewoners tewerk werden gesteld aan deze Pakan-Baroe spoorweg. Deze spoorweg lag in de nabijheid van Padang en moest dwars door het oerwoud worden aangelegd. Tijdens de aanleg van de Pakan-Baroe spoorweg en het verblijf in de kampen kwamen meer dan 8000 personen te overlijden.

De geïnterneerden werden bewaakt door de ‘Kempetai’. Dat waren Jappen, die je kunt vergelijken met de Duitse Gestapo. Deze Kempetai was heel streng en sloeg en schold om het minste of geringste. Als je hen voorbij liep moest je ook altijd groeten, door heel diep te buigen. Als je dit niet deed, kreeg je slaag.

De gruwelijkheden, die de Jappen uitvoerden, leken heel veel op die van de Nazi’s.

In Indonesië, werden de Belanda’s (blanken) uit hun woningen gehaald en hun bezittingen werden in beslag genomen. Zij werden in kampen gestopt zonder voldoende medicijnen en levensmiddelen. Tijdens beide regiems was er sprake van dwangarbeid en rassendiscriminatie.

Overleven in een Jappenkamp

De zusters praatten niet graag over die verschrikkelijke tijd. Zij zaten allemaal in verschillende kampen en wisten helemaal niet waar de anderen zaten en of ze nog wel in leven waren.

Ze hadden daar een zeer moeilijk leven en werden niet ontzien. Ze sliepen op een rieten of een bamboe matje, in een houten barak waar de ruimte veel te klein was voor enige privacy. Eten kregen ze daar ook heel weinig. Het dagelijkse voedsel bestond vaak uit een papje  gemaakt van Tapioca-meel, zonder zout of suiker. Deze pap had geen voedingswaarde, doch vulde de maag. Soms kregen ze een bakje rijst te eten met wat groente. Vlees was helemaal niet denkbaar. Timothee vertelde wel eens, dat ze een rat vingen en dat men dit een delicatesse vond. Ook werden kikkers en slakken gevangen om te eten.

Ook vertelde ze later, dat de kleren die ze aan had gehad, gewoon waren weggerot. De vrouwen hadden eenvoudige jurken aan en de mannen liepen allemaal in een lendedoek.

De wc was in enkele gevallen een hurk-wc en anders bestond deze uit een plank met gaten, die over een sloot was gelegd.

In de moessontijd was het hele kamp één grote moddertroep.

Onder de gevangenen braken ook allerlei besmettelijke ziekten uit. Malaria, beri-beri en dysenterie. De mensen zaten door hongeroedeem onder de wonden, zweren en schurft. De zieken werden overgebracht naar een andere hut en lagen dan in hun eigen vuil. De gevangenen werden ook geslagen met takken waar de dorens nog aan zaten. Hierdoor kregen ze diepe wonden, die in dat warme land snel begonnen te zweren met alle gevolgen van dien. De doden werden in een bamboematje gewikkeld en begraven op een nabijgelegen begraafplaats.

Overleden Zusters

Vijftien medezusters van Timothee, uit een andere congregatie, zijn in de interneringskampen van ellende gestorven. Van de congregatie van zuster Timothee zijn geen zusters omgekomen.>

In de jaren 1943 tot en met 1945 overleden wel vijftien zusters van de congregatie ‘Zusters van Liefde’ uit Tilburg. De jongste zuster, Agathe (afkomstig uit Arnhem) was 38 jaar en de oudste zuster Euphrase (afkomstig uit Amsterdam), 89 jaar.

Op het gedachtenisprentje van deze zusters staat vermeld:

“ De Japanners veroveren Sumatra. Hun eerste werk is ontzetting van het Nederlandse bestuur en verwijdering van alle Nederlanders. En dan begint voor allen, Priesters en religieuzen worden niet uitgezonderd, de tijd van harde internering welke drie en ´n half jaar zal duren, tijd van ellende, van honger, van zware arbeid, van kommer en angst. Zeer bekrompen huisvesting, waar alles ontbreekt, ernstig tekort aan voedsel, oerbos rooien, land bebouwen, inzinking van lichamelijke krachten, besmettelijke ziekten, geen medicijnen, gemis aan Priesterlijke hulp. Velen worden ziek en sterven. Elf zusters van Padang en vier van Sibolga zijn gevallen als slachtoffer van ellende en ontbering.

Al deze zusters hadden vele jaren onvermoeid en vol toewijding het missiewerk gediend. Ze kenden echter de waarschuwing van Jezus, “Mij hebben ze vervolgd en gemarteld. Ook u zullen ze kwellen en in den dood jagen”. Op Jezus mochten ze gelijken. Met Jezus bleven ze ook in tegenspoed, in leven en dood verenigd. Geen tegenkanting, geen teleurstelling, geen dood kon haar scheiden van Jezus, Jezus was en is haar leven en hare verrijzenis, al liggen ze in verre wildernis begraven”.

De bevrijding

Nadat ze in augustus 1945, door Amerikaanse, Australische en Engelse militairen werden bevrijd uit de jappenkampen, werden de zusters overgebracht naar de veilige, beschermende hoofdstad van Sumatra, Medan.

De kampbewoners wilden het eerst niet geloven, dat ze waren bevrijd, doch toen de bewakers de wapens neerlegden en vluchtten, gingen ze voorzichtig buiten het kamp. Al spoedig werden de bewoners van de kampen langs de Pakan-Baroe spoorweg, per trein naar Padang gebracht. De anderen gingen per vliegtuig of trein naar Medan. In de ziekenhuizen werd medische hulp verleend. Vanuit deze plaatsen werden ze per vliegtuig of boot naar Holland gebracht.

Zuster Timothee keerde van Medan terug naar het moederhuis te Schijndel. Ze was geheel uitgeput en in slechte gezondheid. Ze vierde in Nederland haar zilveren jubileum op 4 augustus 1949.

Wat er van het klooster te Bagan Si-Api Api is overgebleven weet men niet. De zusters zijn daar nooit meer naar teruggekeerd.

Terug naar Sumatra

Korte tijd later in 1949, keerde Zuster Timothee voor de tweede maal terug naar haar geliefde Sumatra. Ze was daar heel graag en wilde voortdurend de hulpbehoevende mens helpen.

Hier ging ze wonen in het hoofdklooster te Pematang Siantar. Zuster Timothee pakte haar werk als onderwijzeres weer op en gaf les aan Batak kinderen.

Naast deze functie als onderwijzeres, werkte ze ook nog op een kantoor waar paters, broeders en  zusters een visum konden aanvragen, om op verlof naar Nederland te gaan.

Omdat de situatie in Indonesië grotendeels was veranderd na de oorlog, doordat Soekarno en Hatta de onafhankelijkheid hadden uitgeroepen, kwamen er politionele acties. Nederland kon echter de strijd niet winnen, waarna in 1949 Indonesië een onafhankelijke staat werd.

Tijdens de militaire actie hebben de zusters veel Neder­landse militairen opgevangen.

Om te kunnen blijven werken, liet Timothee zich in september 1961 tot Indonesische naturaliseren. Als ze dit niet gedaan had, dan bestond de kans, dat ze werd uitgezet.

Na ruim 45 jaar terug uit de missie

Tomothee verbleef met haar medezusters in Indonesië tot 1976. Ze kwam weer terug in het moederhuis te Schijndel op 6 november 1976. De missie in Pematang Siantar is overgenomen door 72 Indonesische zusters.

Zuster Timothee kreeg op 28 april 1977 het Nederlanderschap terug.Na haar terugkeer in het klooster te Schijndel reisde ze later nog vele malen naar Losser. Hier bezocht ze de families Gervink en Nijland. Ze was tot het einde van haar leven zeer belangstellend over alles wat in Losser gebeurde. Vaak vertelde ze haar verhalen over haar geliefde Sumatra en het mooie Toba meer. Ze bad elke morgen nog in het Maleis.

In 1994 vierde ze haar 70 jarig klooster jubileum in het klooster te Schijndel.

Tomothee overleed op 24 augustus 2001 op 97 jarige leeftijd te Schijndel.

Marcel Nijland (Denekamp)

“…dat voor Koningin en Vaderland - en ook voor ons - is gevallen Bernard Hendrik Busser”

Het eerste nummer van het kerkblad van de Hervormde Gemeente Losser na 10 mei 1940 is een korte editie en er wordt niet direct over de oorlog geschreven.

Wat - toen ik het voor de eerste keer las – wel veel indruk op mij maakte was het volgende bericht.

“In de kerkdienst van 26 mei 1940 werd, terwijl de gemeente eerbiedig oprees, namens de kerkenraad de volgende mededeling voorgelezen: Met diepe ontroering hebben wij vernomen, dat voor Koningin en Vaderland - en ook voor ons - is gevallen Bernard Hendrik Busser.”

Ik zie het verdriet en de ontreddering van de hele gemeenschap voor mij. En dan te bedenken dat op de Grebbeberg waar Bernard Busser is gesneuveld nog zeven andere jonge mannen uit de gemeente Losser zijn gevallen. Ook zij verdienen het dat wij ons hun namen blijven herinneren. Allen zijn begraven op het Militair Ereveld Grebbeberg.

Geboren

Grafnr.

Bernard Busser

11-09-1906

1:1

Johannes Engelbertink

02-11-1910

2:20

Hendrik Grunder (Beuningen)

27-06-1914

6:30

Hendrikus Hassink

21-08-1914

6:29

Gradus Keizer (Beuningen)

27-07-1914

6:70

Bernardus Olde Bolhaar (Overdinkel)

22-12-1913

1:50

Heinrich Spölmink

06-08-1918

2:64

Johannes Veldscholten (Beuningen)

18-06-1916

2:13

Bernard Busser werd geboren in Oldenzaal. De familie Busser kwam in 1918 naar Losser toen vader Gerard Cornelis hier stationschef werd. Bernard trouwde op 23 mei 1934 met Hilly Molendijk. Zij kregen twee kinderen, Betty (1936) en Joke (1939). Het gezin woonde aan de Oldenzaalsestraat, destijds genummerd D 44. Mevrouw Busser overleed in augustus 1986.

Bernard Busser met zijn dochtertje Betty achter de woning Oldenzaalsestraat D44. (Foto archief HKL)

Dat ik hier nu met name over Bernard Busser schrijf komt door het volgende. Enkele jaren geleden werd de Historische Kring Losser benaderd met de vraag of wij belang hadden bij ‘de’ grafsteen van Bernard Busser. Deze steen was op dat moment in het bezit van de buurman van (de toen dus al overleden) mevrouw Busser. Volgens de buurman ging het om de steen die oorspronkelijk op de Grebbeberg gestaan heeft. (Op de Grebbeberg staat nu de standaardsteen die op alle Nederlandse oorlogsgraven staat). Uiteraard hadden wij wel belang bij de grafsteen, in die zin dat het bestuur van mening is dat een dergelijk monument nooit verloren mag gaan. Helaas zagen wij op dat moment geen mogelijkheid om voor de steen een passende plaats te vinden. Dat werd anders toen in januari 2004 een oud gedeelte van de Hervormde Begraafplaats aan de Kloosterstraat geruimd werd. Tijdens de voorbereiding van die ruiming ontstond het plan om enkele grafstenen die nog in redelijk goede staat verkeerden of anderszins van betekenis waren, niet te vernietigen maar een plaats te geven op de plek waar de bij de ruiming nog aangetroffen stoffelijke resten zouden worden herbegraven. Het college van kerkrentmeesters van de hervormde gemeente (de beheerder van de begraafplaats) stemde volmondig in met ons voorstel om ook de grafsteen die herinnert aan Bernard Hendrik Busser op die plek een plaats te geven.

De grafsteen van Bernard Busser op de Hervormde Begraafplaats aan de Kloosterstraat in Losser. U vindt de steen in de linkerhoek van het eerste vak aan de linkerkant bij het begin van het middenpad. (Foto Georg van Slageren).

Georg van Slageren

Oorlogsherinneringen van Vasterd’s Jenske

We zitten in het kleine keukentje aan de Gronausestraat 274 - toen Marke M 246 – en warmen ons aan ’t fornuus. Het is winter 1944. De geallieerde luchtmachten vliegen onafgebroken hun tochten over ’n ‘poal’ naar het duizendjarige rijk. We zien en horen soms door de weerschijn van enorme branden en de dreunen het resultaat. Als niet al te goed wetende jongelui zongen we soms het nogal lugubere versje “In het oosten blinkt een rode gloed! Heel Duitsland staat in brand, hier gaat ie goed!”

Ons keukentje zit propvol: de gezinsleden en een ontsnapte West-Nederlandse dwangarbeider die zojuist, met hulp van de ondergrondse, de grens is overgekomen. Morgen wordt hij verder westwaarts geloodst.

Vader had een schuilplaats onder de vloer van de voorkamer gemaakt. Vindingrijk als altijd had hij enkele planken van de vloer verwijderd en daaronder was - tussen de balkenvloer en de bodem – een bekrompen ruimte gevoerd met stro en dekens, waar één persoon zich wel een tijdje schuil kon houden.

Plotseling trillen de ruiten: weer komt er een eskader vliegende vestingen over. Vader gaat naar buiten om met de verrekijker het spul nader waar te nemen, maar niet zonder de gebruikelijke woorden van moeder Gesina: “Kom toch bin’n Johan, ‘t is völ te geveurlik”. Maar voor deze woorden was de smid (mijn vader was chefmachinist bij de fabriek van Van Heek in Losser) altijd Oost-Indisch doof.

Na de talrijke razzia’s onder de bevolking werden de gearresteerden in colonnes als vee naar Duitsland gedreven. Eén gebeurtenis herinner ik mij nog bijzonder goed. Een transport op een vroege winteravond van een - in mijn jongensogen – oneindige rij mannen in burger geflankeerd door bewakers met de karabijn paraat. De colonne marcheerde van Losser richting Glane. Een van de bewakers zei met gedempte stem: “Ich sehe nichts und mein Kompel drückt ein Auge zu” waarop enkele durfallen de colonne uitstormden en tussen de huizen verdwenen.
Tijdens een huis-aan-huisrazzia stond er een gewapende Duitse soldaat voor en achter ons huis, terwijl een paar van hun kornuiten ons huis uitkamden.

De voedselvoorziening was ook een punt op zich. Men moest de boer op om melk, vlees en dergelijke te ‘organiseren’. Geldgebrek was er niet bepaald maar op de zwarte markt had het een schamele waarde. Vader deed veel smids- en reparatiewerk voor boeren. Als tegenprestatie ontving hij dan levensmiddelen. Vaak kwam hij laat thuis en zijn vaste opmerking was dan: “De but mot ’t mer volhool’n veur ’t ett’n.”

We hadden in de Zoeke veel plezier van onze moestuin en fruitbomen. Onder vaders leiding werd alles keurig onderhouden. Dat was ook nodig want groente, aardappels en fruit waren schaars en daardoor schreeuwend duur. Het ‘iemenschoer’ zorgde voor de zoete inval.
Als klap op de vuurpijl was er ook een ‘heukske’ met boekweit. Achteraf gezien, in mijn beleving, meer vanuit een nostalgische behoefte dan vanuit de noodzaak tot levensonderhoud.
Het gebrek aan tabak was ook een probleem. Er waren meer of minder smakelijke oplossingen. Het blad van varens stond bekend om zijn zachte smaak. Boze tongen beweerden dat dit kwam door gedroogde paardenmest waarmee de bladeren werden gemengd.
Weer was mijn vader spitsvondig geweest: Hij had een snijmachine voor de eigenbouw Virginia gemaakt. Bij boer Benneker (‘Schopbets’) kreeg ik mijn vuurdoop als roker met een dikgedraaide sigaret. Hoogstwaarschijnlijk is dit de reden waarom ik de rest van mijn leven nooit meer een sigaret of sigaar heb aangeraakt. Mijn latere zeeziekte op de Noord-Atlantische oceaan was kinderspel vergeleken met de verschrikkelijke maagkrampen van de aspirant-roker.

Vader had ook een originele oplossing gevonden voor een surrogaat fietsband: om de velg een strak gespannen tuinslang met als verbinding een rond klosje. Als ik er nu, na zestig jaar weer aan denk, knipper ik met mijn ogen en voel de stoten in mijn zitbeen.

Met kleren, klompen en schoenen was het ook ‘huilen met de pet op’. Mijn broer Herman en ik liepen eens bijna tot aan het spoor in De Lutte, naar de klompenmakerij, om daar nul op het rekest te krijgen omdat onze maat er niet was. Kousen stoppen (nu een onbekend begrip) tot er alleen nog maar ‘stop’ te zien was. Kleding die, met al zijn ‘lapperij’, leek op een moderne collage. En dan, in plaats van mutsen, de beruchte oorwarmers, met een veerstalen band, waar je haren zo lekker pijnlijk in verward konden raken.

De publicatie van de ‘Mededelingen’ van de bezetters was altijd een gebeurtenis die een kleine volksoploop teweegbracht. Eén van de gebroeders Schorfhaar (van het café) las in de open lucht, onder stijgende hilariteit van zeker honderd toehoorders, een aanplakbiljet met mededelingen voor. Deze mededelingen bestonden uit verboden en bedreigingen van de bezetter en de NSB. Schorfhaar besloot zijn ‘lezing’ steevast met het uitspreken van de naam van de ondertekenaar van de mededelingen: ‘Zes en een kwart’ (Seyss-Inquart), wat altijd een honend gebrul onder de toehorende Lossernaren veroorzaakte.

Arthur Seyss-Inquart, door de bezetter aangestelde Rijkscommissaris voor de Nederlanden, wordt hier gevangen gehouden bij de watertoren nabij kasteel Twickel in Delden.
(Foto beschikbaar gesteld door de heer Albert Poorthuis te Delden)

Johan Poorthuis

Bregnør (Denemarken)

(Ter verduidelijking: de schrijver van dit artikel is een zoon van Johan P. Poorthuis, ’n Vasterd. Zie het artikel“Hier mede was de bevrijding van Losser een feit geworden…”

elders in dit boekje).

Gevangen voor je Heiland in Ravensbrück

Aaltje Bron was bijna zeven jaar toen ze op 5 mei 1900 met haar ouders van Blesdijke naar Overdinkel kwam. Hier groeide ze met haar zusters en broers op tot ze in 1916 naar Oldenzaal vertrok als dienstmeisje. In Oldenzaal leerde ze haar latere man Herman Tollenaar kennen.

Op 17 augustus 1918 traden ze te Oldenzaal in het huwelijk en op 2 november daarop werd hun eerste, maar levenloze kindje, geboren.

Op 22 oktober 1919 was het in Oldenzaal feest, Aaltje en Herman konden hun geluk niet op, Herman jr. werd geboren. Een vijftal gelukkige jaren volgde, tot op 25 oktober 1923 kleine Herman kwam te overlijden. Aaltje en Herman stortten zich zeer bedroefd op de bijbelstudie en prediking.

 

Ik verloochen mijn Heiland niet

In 1870 werd in de Verenigde Staten door Charles Taze Russell een bijbelstudiegroep opgericht over de wederkomst van Christus. De leden houden zich vooral bezig met prediking en bijbelstudie, kennen een strenge moraal en grote discipline. Ze weigeren krijgsdienst en stemmen niet. Sinds 1931 is de naam van deze groep bijbelonderzoekers Jehova’s Getuigen.

Ook in Nederland ontwikkelde zich een beweging die zich bezig ging houden met prediking en bijbelstudie op basis van de ideeën en overtuiging van Charles Taze Russell. Aaltje Bron kwam in november 1922 en Herman in 1923 via de in Hilversum wonende Adriaan Block en Heini Bolks in contact met de bijbelonderzoekers.

Aaltje en Herman konden zich zo vinden in het voor hen ‘ware’ geloof dat zij zich in 1923 ook officieel met deze geloofsgemeenschap verbonden. Herman nam ontslag bij zijn werkgever en samen met zijn vrouw gingen zij voltijds predikend het land door.

De manier waarop zij door het land trokken was o.a. per boot de ‘Almina’, die eigendom was van het Wachttoren Genootschap. En ze werden zo als het ware ‘zendelingen’ in eigen land.

In de Tweede Wereldoorlog werd de verkondiging door de Jehova’s Getuigen door de Duitse bezetter verboden. In Duitsland was dit al vanaf 1936 verboden en werden de ‘vijanden van het volk’ waaronder de Jehova’s Getuigen vielen, naar concentratiekampen gedeporteerd.

Ondanks dit verbod gingen Aaltje en Herman door met hun prediking. Familieleden waarschuwden dat het misschien beter was te stoppen, Aaltje en Herman weigerden dit onder het motto :’Ik verloochen mijn Heiland niet’.

De bezetter liet zich niet provoceren. Tijdens zijn predikingactiviteiten werd Herman in september 1940 door de Gestapo te Amerongen opgepakt.

Na circa drie maanden opgesloten te zijn in de Polizei Gefängnis  te Scheveningen werd hij in januari 1941 naar het concentratiekamp Sachsenhausen-Oranienburg gedeporteerd. Volgens de inschrijvingskaart van de Effektenkammer S-O werd hij aldaar gestationeerd in block 12 en als gevangenisnummer kreeg hij het nummer 37248 toegewezen. Hij moest hier onder barre omstandigheden dwangarbeid verrichten.

In februari 1945 werd hij overgebracht naar Bergen-Belsen waar hij omstreeks mei is overleden. De persoonskaart van Aaltje geeft aan, huwelijk ontbonden 31-05-1945 te Bergen-Belsen. Toen de Britse troepen Bergen-Belsen op 15 april 1945 betraden troffen ze stapels lijken aan. Van januari tot april 1945 stierven daar 35.000 mensen.

Ondanks dat Herman was opgepakt ging Aaltje door met haar predikingactiviteiten. Toen ze in januari 1942 hiermee bezig was te Krimpen a/d IJssel, werd ook zij gearresteerd. In eerste instantie werd ze opgesloten in het hoofdbureau van politie aan de Haagsche Veer te Rotterdam om doorgestuurd te worden naar de Polizei Gefängnis Scheveningen. Omdat Aaltje niet wilde afzien van vervolgprediking deporteerde de bezetter haar naar Ravensbrück, waar ze veel vernederingen en ontberingen moest doormaken. Ravensbrück was een concentratiekamp voor vrouwen, waar 115.000 vrouwen zijn heengevoerd. Op de gevangenen werden medische experimenten uitgevoerd. Half april 1945 werd ze bevrijd en samen met andere gevangenen door het Rode Kruis overgebracht naar Göteborg in Zweden, om te herstellen van de verschrikkingen van het kamp.

In Amsterdam op het Museumplein is een herdenkingsmonument opgericht ter nagedachtenis aan de gevangen vrouwen van Ravensbrück

Na de oorlog werd via het blad ‘Appèl’  naar Herman gezocht. Aaltje wist in eerste instantie niet hoe het met Herman was afgelopen.

Na terugkomst in Nederland is Aaltje doorgegaan met haar evangelisatiewerk voor de Jehovah’s Getuigen in Nederland. Daarnaast sprak zij op vele zomercongressen in de jaren vijftig over haar ervaringen in het concentratiekamp in het kader van de Jehova’s Getuigen en van de geloofsstrijd van Christenen in die tijd.

Aaltje Bron (1893 – 1970)

Op 13 september 1970 overleed Aaltje te Alkmaar waarmee een einde kwam aan het leven van een gedreven en overtuigd Jehova Getuige, die in het dorp Overdinkel was opgegroeid.

A. F. de Jongeburcht (Almelo)

Wat mijn moeder mij vertelde over 1940-1945…

Drie rokken in een sloot

In het najaar van 1944 en het voorjaar van 1945 was in de omgeving van Overdinkel de voedselschaarste zodanig toegenomen, dat er regelmatig een tocht werd ondernomen richting Kloosterhaar, Bergentheim en andere plaatsen in die omgeving. De proviand die onderweg werd vergaard bestond veelal uit bonen, erwten, rogge etc. Alles werd in één zak gedaan en thuis uitgezocht. Met een beetje geluk kreeg men ook wat vet of spek. Later kwamen ook aardappelen in aanmerking.

Alles wat maar geruild kon worden werd meegenomen om aan eten te komen.

Zo waren mijn moeder Grietje de Jong en buurvrouw Dirkje Kalsbeek ook weer eens een keer onderweg voor eten. Ze waren op de terugweg en hadden een goede tocht gemaakt. Bij de familie Flim in de buurt van Bergentheim hadden ze twee zakken aardappelen meegekregen en was hun een maaltijd aangeboden. Verder was er hier en daar nog wat rogge opgescharreld. Omdat de tocht te ver was om in één dag te volbrengen werd er bij de familie Flim ook geslapen. De volgende dag was men al weer vroeg in de benen om de terugtocht lopend af te leggen. Met twee zakken aardappelen op de fiets en nog wat tassen met andere etenswaren was fietsen niet mogelijk.

De terugtocht verliep goed, ondanks dat een zware vermoeidheid toesloeg. Na Weerselo gepasseerd te zijn, kwam hun een Duitse legertruck achterop met soldaten die aanboden hen mee te nemen tot Oldenzaal. Mijn moeder voelde er niets voor om bij de soldaten in te stappen. Dirkje probeerde nog mijn moeder over te halen. Het scheelde zo’n stuk lopen. Maar omdat mijn moeder voet bij stuk hield stapte zij tot haar geluk ook niet op en bleef bij mijn moeder. Intussen passeerde, fietsend een Herder van een parochie uit Oldenzaal of omgeving.

Nog maar net was de legertruck verder gereden of er kwam uit het niets een Engelse jager die de legertruck bestookte met zijn boordwapens, waarbij de nodige gewonden en doden vielen. Moeder, Dirkje en de pastoor doken alle drie de sloot in om daar bescherming te zoeken. Dezelfde dag bereikten de dames veilig Overdinkel.

Slecht één keer ging mijn vader, Cees de Jong, mee op een dergelijke voedseltocht. Door zijn (later aan het licht gekomen) hartkwaal was een dergelijke tocht veel te zwaar voor hem. Op de terugweg, vlak voor Oldenzaal kon hij niet verder. De familie Siemerink, die vlak voor Oldenzaal een café met boerenbedrijfje had, nam mijn ouders zeer vriendschappelijk op en bood spontaan een bed voor de nacht aan.

Ik herinner mij dat ik als kind met mijn moeder in februari 1954 nog een keer bij de familie Siemerink ben geweest. Bijzonder was dat achter het huis veel grote en, in mijn herinnering, kwade kalkoenen liepen.

 

Eten uit de hondenbak

De ene tocht was de andere niet en zo kwam het ook wel eens voor dat er een hele dag was gelopen zonder dat er voldoende etenswaar was binnen gehaald. Op de terugweg naar Overdinkel, komende van De Lutte, besloten de buurvrouwen Grietje en Dirkje om de boeren in die buurt een bezoek te brengen en te vragen of die nog wat wilden afstaan. Bij de eerste boer ging het mis: “Wij möt ’t levern”. Dan maar op naar een  volgende. Hier werden ze goed ontvangen: “ Kom der in, hebben jullie al gegeten?”. Het gezin zat nog aan tafel en de boerin zei “Wij hebt ’t net op”.

Toen Dirkje zei dat dat niet het geval was, werd de hond aan de kant geschoven, bij wie het restant eten net in de bak was beland, met de opmerking “aan de kant jong, de wichter lust ook wel wat”. Of er werkelijk van gegeten is vertelt mijn verhaal niet.

 

Brood, lekkerder dan een gebakje

Oudejaarsavond 1944 werd met familieleden van vaderskant gevierd bij mijn ouders thuis aan de Kerkhofweg 104a. Moeder had tijdens de roggeoogst van verschillende boeren in de omgeving toestemming gekregen aren te gaan zoeken op het pas gemaaide roggeland. Verder werd nog rogge geruild tegen aardappelschillen. De rogge werd gemalen bij E. van Berg aan de Tjibbe Knolstraat. Vier pond voor een dubbeltje, zelf malen.

En er was heel wat opgezocht, genoeg om ook met oud en nieuw broden te maken. Het meel werd in linnenzakjes gedaan, niet gebakken, maar in water gekookt. En oudejaarsdag was het dan zover, de broden waren klaar. Iedereen verklaarde nog nooit zo heerlijk van brood te hebben gesmuld als die avond. En als klap op de vuurpijl, bakte moeder nog wat pannenkoeken, die ook als het lekkerste toetje naar binnen gingen.

 

Clandestien vlees

Getik tegen het raam in spertijd betekende vlees in de pan. Geert kwam langs, er was weer clandestien geslacht.

In het geheim werd ‘s nachts het vlees nog gebraden, de buren zouden het eens kunnen merken!

Volgens mij ruikt vlees bij het braden en ik denk dat de buren dachten hun eigen vlees, dat ze bij Geert hadden gekocht, te ruiken.

Na het braden werd het vlees ingemaakt, zodat verder ook zo nu en dan een stukje vlees op het bord kwam.

 

Cokes/bomen en stroom

Ook de brandstof werd in het laatst van de oorlog een probleem. In Gronau werd cokes gehaald om te stoken. Verder werd er hier en daar wel eens clandestien een boom in keizersbos omgezaagd om warm te kunnen zitten. Pa en mijn zuster vervoerden de boom op de fiets naar huis. Er was in die dagen geen stroom beschikbaar voor particulierverbruik en daarom werd die door de hele buurt afgetapt van de gemeentelijke stroomdraden, die bovengronds langs de weg hingen. Dit moest natuurlijk stiekem gebeuren omdat het verboden was.

 

Razzia

Bij dreiging van razzia in de avond of nacht lag pa uren in de wal van het hervormde kerkhof en overdag zat hij achter de schoorsteen op zolder.

Eén keer op 25 oktober 1944 ging het mis, van nerveusheid moest hij, toen hij achter de schoorsteen zat nodig naar de WC. Ondanks dat mijn moeder aandrong om te blijven zitten ging hij toch naar de WC die deel uitmaakte van het schuurtje achter het huis.

Bij het verlaten van de WC werd hij al opgewacht door Duitse militairen en volgde het onherroepelijke ‘Eingesperrt’. De mannen werden opgesloten in de Eilermarkschool te Gronau en daar bracht mijn zuster hem ’s avond wat warm eten, waarbij ze zich niet liet wegjagen door de bewakers. Gelukkig wist mijn moeder hem een paar dagen later met hulp van de huisarts, dokter Van Schie, vrij te krijgen.

Zelf ben ik van 1946, dus van na de oorlog en realiseer mij dat er over de oorlog weinig werd gesproken thuis. Omdat de kleding op de bon was, ruilde mijn vader aan de grens voedsel tegen babykleertjes, zodat mijn eerste kledingstukken van Duitse origine waren. Het contact met de Duitsers was niet zo moeilijk omdat we aan de 500 meter strook langs de grens woonden.

A.F. de Jongeburcht (Almelo)

Nog een foto van de bevrijdingsoptocht in Losser.

Het drietal volwassenen achter de koe bestaat uit (v.l.n.r.) Hendrik Wolters

(verkleed als vrouw), H. Vortkamp (Haak’n Hein) en H. Poorthuis.
Het jongetje op de voorgrond is Johan Poorthuis (Vasterd’s Jenske) de schrijver van
het artikel ‘Oorlogsherinneringen van Vasterd’s Jenske’, elders in dit boekje.

Ook in de Tiekerhook was het ’n groot’n pröttel’

De meeste mensen in Gronau waren de oorlog al lang meer dan zat. Grote brallende woorden van de minister voor propaganda kwamen niet meer aan. Kerst 1944 waren treurige dagen geweest. Aan alle dingen van alledag was gebrek. De laatste mannen tussen 16 een 60 jaar moesten voor de ‘Volkssturm’ aantreden of werden aan de westelijke verdedigingswal ingezet. De ‘Hitlerjugend’ probeerde nog steeds het feest van de Winterzonnewende in plaats van Kerstmis door te drukken. Bij voorkeur werd daarbij het lied ‘Hohe Nacht der klaren Sterne’ gezongen - gespeend van elk christelijk gevoel van waarde.

Vanwege de toenemende bombardementen en beschietingen werd later in de winter overwogen de ziekenhuizen te evacueren naar Lüdinghausen. Dit bleek een ondoenlijke zaak. Het was al te laat. Eind maart 1945 werd de binnenstad van Gronau enkele malen zwaar gebombardeerd. Na inleidende beschietingen van de artillerie op eerste paasdag door de Engelsen werden bijna alle bruggen opgeblazen en trokken alle Duitse eenheden zich terug uit de stad. De tijd was aangebroken dat de gewone burgers de rekening mochten gaan betalen voor de grootheidswaan van hun leiders.

Hans en Marlies kennen elkaar van ‘Oase’, het gemeenschappelijke project van de kerken uit Gronau en Losser, dat werd opgestart ter gelegenheid van LAGA 2003. Beiden waren aan het eind van de oorlog opgroeiende kinderen. Bewust hebben zij het een en ander meegemaakt.
Hans: “Tweede paasdag tegen 7.00 uur kwam ik uit de schuilkelder. Ik zag de Engelsen via het stadspark binnentrekken. Maar ook zag ik allerlei mij bekende gezichten, volwassenen, die achter de vreemde militairen aangingen om zo de binnenstad te plunderen”.

Marlies: “Mijn vader was douaneman in Driland. In Rusland is hij als soldaat aan zijn gezicht gewond geraakt. Nog even is hij thuis geweest. Hij moest zich weer melden in Rheine. Zijn fiets moest ik afhalen van het station Driland, maar ik werd overvallen door zwaar geschut. Wat ik allemaal gedaan heb weet ik niet meer. Via sloten en greppels kwam ik op een of andere manier weer veilig thuis”.

Aan alles was een eind gekomen, bestuur, voedselvoorziening, verkeer, water, stroom, gas, brandstof. Om verdere anarchie tegen te gaan stelde de Engelse bezettingsmacht een nieuwe burgemeester aan, advocaat Kurt Ackermann. Samen met katholieke en evangelische provisorische hulpverleners werd hij voor een haast onmogelijke opgave gesteld.

De Engelsen waren niet gekomen in het kader van een culturele uitwisseling met de nazaten van Goethe en Schiller. Dat was wel duidelijk. De troepen hadden strikte aanwijzingen zich niet met Duitsers in te laten. Hans: “Al gauw vond ik werk als jongmaatje bij spinnerij BSG. De aggregaten daar moesten aanvankelijk ook voorzien in enige stroom voor de burgerij. De Engelse bewaking at er goed van. Elke dag werden overvloedige etensresten in een kuil gegooid, met benzine overgoten en in brand gestoken. Daar stonden wij dan watertandend naar te kijken. Na verloop van tijd draaiden ze trouwens wel wat bij.

Tot een kilometer brede strook langs de grens moest onmiddellijk worden geruimd. Meer dan 400 families met ongeveer 1800 personen moesten binnen enkele dagen met hun huisraad op andere plekken worden ondergebracht. De woonwijk bij Tiekerhook werd hierdoor bijzonder getroffen. Veel vrouwen stonden er alleen voor, de mannen gesneuveld, in krijgsgevangenschap of invalide teruggekomen.

De controle was zeer scherp en gewapenderhand. Tegen de Kerst mochten de meeste families weer terugkomen om deze dagen op een houtje bijtend in hun eigen huis door te brengen. Marlies: “Voor ons in Driland heeft dit nog een jaar moeten duren. Waarschijnlijk lagen de douanewoningen te centraal om meteen weer af te staan. Ik bleef trouwens in dit vertrouwde gebied rondzwerven en de grens oversteken op zoek naar die heerlijke witte boterhammen, waar ik van droomde. Onwaarschijnlijk hoeveel vreemde mensen je wel niet rond zag scharrelen en schielijk wegduiken achter de bosjes”.

Voor het dagelijkse voedsel werden tuinen, akkers en velden leeggeplunderd. Bij lange na niet voldoende natuurlijk om de ergste honger te stillen. Dus was men aangewezen op ruilhandel. Ook de laatste kostbaarheden werden zo in eten omgezet.

Hans: “De Tommies bleken gek op verse eieren. Dat was onze redding. Konden wij ineens van alles met hen ruilen. Bovendien kregen wij van de fabriek af en toe wat garen voor persoonlijk gebruik. Een goudmijn. Voor een kilo garen kon je al gauw tot een paar honderd kilo kolen uit het Roergebied krijgen”. Levendige smokkelhandel met Nederland kwam slechts moeizaam op gang.

De brandstofvoorziening voor de komende winter was rampzalig. Dus werden tientallen hectares bos gekapt en projecten turfvoorziening uit het Amtsvenn op touw gezet. Daarmee bleef het natuurlijk behelpen geblazen. Gestolen werd er van hoog tot laag en van links tot rechts.

Hans: “Bij BSG werden ’s nachts door een bedrijf alarminstallaties aangelegd. De volgende ochtend ontdekten wij dan dat de grootste gauwdieven onder het personeel van dit bedrijf te vinden waren”.

Kerst 1945 naderde. Het ‘Wirtschafswunder’ was nog ver weg. Eerst zouden de burgers van Gronau, als industriestad, nog uitvoerig kennismaken met gedwongen inkwartiering van vluchtelingen en ontheemden. Pas in 1946 kon een centrale keuken voor de ergste noden worden ingesteld. De eerste naoorlogse feestdagen werden in armoedige sfeer doorgebracht. Men kon elkaar nauwelijks iets aanbieden. In elk gezin werden wel mensen smartelijk gemist.

Marlies: “Zo graag had ik nog iets ‘georganiseerd’. Maar aan het eind van mijn strooptocht doemde er een reus voor mij op - een Nederlandse commies. Hij sprak mij pedagogisch toe: ”Du musst weisen dies und du musst weisen das”. Toen liet hij mij gaan, maar ik heb niets uit het beloofde land kunnen meenemen”. Mijn grootvader: “Het was ‘n grootn pröttel”.

Cor Lem

De Tweede Wereldoorlog ‘Van horen zeggen’.

“Hou jij je maar stil. Voor jou heb ik nog zes weken naar De Lutte moeten fietsen om melk te halen”. Dat was de standaarduitspraak van mijn vader als ik als kind liet merken dat ik mij achtergesteld voelde bij mijn twee oudere broers. En als het helemaal erg was, dan voegde hij daar nog aan toe: “En dat waren hele andere fietsen als tegenwoordig”.

De Tweede Wereldoorlog “van horen zeggen dus”. En wat hij zei, was ongetwijfeld waar. Ik ben geboren op 15 februari 1945 in Glanerbrug en wij werden daar, net als in Losser bevrijd met Pasen, 1 en 2 april. Dus die periode van zes weken klopte wel.

Toen ik later in Losser woonde en hem vroeg waar dat dan precies geweest was, kwam ik er achter dat de betreffende boerderij halverwege tussen Losser en De Lutte ligt: de boerderij op de Duivelshof, indertijd bewoond door de familie Pleiter. “Dat waren goede mensen”.

Toen ik mijn moeder eens vroeg hoe laat ik was geboren, zei ik in één adem “of weet je dat niet meer?” Waarop ze heel beslist antwoordde: “ Nou, dat weet ik nog heel goed, want dat was me wat. Er vielen bommen en je vader en dokter Waardenburg (onze huisarts), die zaten maar te paffen, want je vader had nog een restant van die zelfverbouwde tabak. Wat een rommel was dat. En zij maar roken en ik lag daar maar”. In het boek van Johan Luizink “In Losser is niets gebeurd…” heb ik later gelezen, dat die bommen op Glane vielen. Een 35-tal brisantbommen werd afgeworpen. Er waren drie dodelijke slachtoffers te betreuren en zeven mensen raakten gewond. Circa vijfentwintig huizen in Glane waren verwoest of onbewoonbaar geworden. Ook hier dus: de Tweede Wereldoorlog “van horen zeggen”.

Toch heb ik een hele vroege herinnering die indirect met de Tweede Wereldoorlog te maken heeft en dat was de eerste keer dat mijn opa op bezoek kwam.

Mijn grootouders van moeders kant woonden in Gronau, aan de kant van Glane vlak bij de Dinkel. Hemelsbreed was dat maar een korte afstand, want wij woonden in Glanerbrug ook dicht bij de grens. Achterlangs lopen via de fabriek van Eilermark, langs de jeneverstokerij van Viefhues, het diepe water van de Schieferkuhle, de enkele jaren geleden afgebroken Spinnerei Deutschland, de weg naar Glane oversteken en je was in Marokko, zoals dat buurtje genoemd werd. Officieel heette het daar Spechtholtshook, naar het oude erve dat daar ligt, maar in de volksmond zei men Marokko. De huizen waren namelijk gebouwd ten tijde van de Marokkocrisis in 1910, en de textielfabrikanten gaven met dit soort benamingen wel vaker hun betrokkenheid aan bij het wereldgebeuren. De arbeidersbuurten De Krim en Sebastopol in Enschede zijn daar ook voorbeelden van.

Mijn ouders woonden dus in Glanerbrug. Toen de oorlog uitbrak waren zij ruim drie jaar getrouwd en hadden inmiddels twee zoontjes. De Tweede Wereldoorlog trok een grens tussen deze families. Maar ook binnen gezinnen werden grenzen getrokken. Mijn moeder kwam uit een “rood nest”. Mijn grootvader was politiek actief binnen de Gronause SDAP en voor de oorlog al lid van de gemeenteraad. Maar een van zijn zoons was wel pro Hitler. Hij is weliswaar gesneuveld bij Stalingrad, maar binnen een gezin moet dat, behalve veel verdriet ook een scheidslijn teweeg hebben gebracht.

Mijn vroegste herinnering heeft dus te maken met de komst van die opa. Ik moet nog heel jong zijn geweest. Mijn moeder droeg mij op de arm en we stonden samen boven, vanuit het slaapkamerraam naar buiten te kijken. Dat ik mij dit herinner heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat mijn moeder vol spanning stond te wachten op zijn komst, want zij hadden elkaar een hele tijd niet gezien, misschien wel de hele oorlogsperiode, vijf bange jaren. De grensbewaking was overgedragen aan de SS en de pascontrole was in handen van de Gestapo. Er kwamen natuurlijk wel berichten en geruchten over de grens. Zo had mijn ouders vlak voor de bevrijding het gerucht bereikt, dat mijn opa toch nog door de Gestapo was opgepakt. De spanning en de opwinding van dat eerste ontmoetingsmoment heeft ze ongetwijfeld op mij overgedragen, waardoor dit mijn eerste herinnering is geworden.

We woonden op een plein naast de Rijksweg vlak bij de grens en vanaf de “straat”, zoals dat in Glanerbrug genoemd werd, draaide er een motor het plein op. Daar stond hij dan, iemand die mijn moeder heel goed kende, maar voor mij was het een vreemde man, mijn opa uit Gronau. De motor waarop hij naar Glanerbrug was gereden, had hij ongetwijfeld geleend van de Engelsen, want zoals later uit dit verhaal zal blijken, was die beslist niet van hem.

In Gronau werd het Duitse leger, net als in Losser, ook met Pasen door de Engelsen verdreven. Daar trok het Engelse leger op tweede paasdag binnen, ’s morgens om 7 uur. Op 20 maart had het centrum van de stad zwaar te lijden gehad onder een bombardement. Er vielen ruim negentig doden en honderden gewonden. De mensen hadden daarna het centrum verlaten, uit angst voor nog meer bombardementen. Ze hadden het geluk dat het goed weer was. Wie geen onderkomen had gevonden aan de rand van de stad kampeerde bij de boer of had een schuilhut gemaakt in de bossen. De Wehrmacht had tijdens haar aftocht ook nog eens vier van de vijf Dinkelbruggen opgeblazen. Zo was de situatie toen de Engelsen binnentrokken, een chaos en plundering alom.

Na enkele dagen benoemde het militaire gezag de jurist Kurt Ackermann tot burgemeester. Hij vormde een comité, “Bürgerausschuss” genaamd, waarin ook mijn opa werd benoemd. Samen vormden zij het stadsbestuur en er kwam heel veel op hen af.

Er kwam een Sperrbezirk langs de grens. Een strook van 500 tot 1000 meter mocht niet bewoond worden. In enkele dagen tijd moesten 400 gezinnen, circa 1800 mensen, met hun huisraad elders ondergebracht worden. En de vrouwen stonden er vaak alleen voor, want de mannen waren nog niet terug.

Hemelvaartsdag kwam bij de burgemeester het bevel binnen dat de stad binnen drie dagen ontruimd moest zijn. Gronau zou Nederlands grondgebied worden, maar wel zonder de Duitse bevolking. Tegelijkertijd zouden in het noordelijke gedeelte van de stad 1000 Polen ondergebracht worden. De stadscommandant van Gronau, majoor Dempsy, vond dit geen goed plan. Hij gaf kapelaan Vietmeier een vrijgeleide naar Münster en door interventie van onder meer bisschop Van Galen, die bij de Engelsen groot gezag genoot doordat hij zich fel tegen de Nazi’s gekeerd had, vonden deze plannen geen doorgang. En dat alles naast de gewone zorgen om het dagelijkse leven. Want ook in Gronau was niets meer. Levensmiddelen, brandstof, vervoer, aan alles was gebrek. En daarbij kwam ook de vluchtelingenstroom uit het oosten op gang.

Daarnaast moest er  een zuivering plaats vinden van de gemeentelijke organisatie. Een commissie van drie personen nam deze taak op zich, waaronder mijn opa. Zij moesten mensen ontslaan, degraderen, korten op het salaris, overplaatsen, al naar gelang het politieke verleden van de ambtenaar. Er werden 22 personen ontslagen en tien andere maatregelen afgekondigd.

Er volgde nog een winter vol ontberingen met gebrek aan brandstof, ondanks het turfsteken in het Aamsveen, maar daarna zou het toch steeds beter worden.

In 1946 werd Franz Kerkhoff burgemeester van Gronau en mijn opa werd loco-burgemeester. De relatie met Nederland was uiteraard nog zeer moeizaam zo kort na de oorlog, en er speelde ook nog de annexatiekwestie. Op 23 april 1949 kreeg dit zijn beslag. De Duitse boerderijen van Aarnink en Overmann en de douanehuizen in de Bardel werden aan Nederland toegewezen en werden Lossers grondgebied. Deze situatie zou zo blijven tot 1 augustus 1963. Maar in Gronau haalde men opgelucht adem, dat het niet een groter gebied betrof.

Toen werd het langzamerhand tijd om de officiële betrekkingen tussen grensplaatsen weer voorzichtig te herstellen. En daar heb ik weer een persoonlijke herinnering aan.

Het huis van mijn grootouders in het Gronause Marokko, had een kleine voorkamer. Daar kwamen we als kind niet vaak. Eigenlijk alleen met Kerstmis. Dan stond daar de kerstboom, met daaronder de Weihnachtsteller, gevuld met noten, marsepein en ander snoepgoed en altijd een kerstman van chocola. Wij voelden ons als kind best bevoorrecht, om zowel een cadeau van Sinterklaas te krijgen als ook van de kerstman. Daar werden we door de buurtkinderen om benijd.

In die voorkamer stond ook het bureau van mijn opa en op dat bureau stond een foto, temidden van andere familiefoto’s. Maar deze foto was intrigerend. Er stonden zoveel mensen op die ik niet kende. Een gezelschap, gefotografeerd op een trap, met daarbij mijn opa en oma, allebei klein van postuur, rechts op de foto. Mijn oma staat nog een trede hoger dan mijn opa, want anders was ze helemaal in het niet gevallen in dit gezelschap. Pas later heb ik ontdekt, dat deze foto genomen is op de trappen in de hal van het stadhuis van Enschede. Voor het eerst na de bevrijding brachten de burgemeester van Gronau, de gemeenteraad en hoge ambtenaren een officieel bezoek aan Enschede. Op 23 november 1950 bericht Tubantia  over deze officiële ontvangst ten stadhuize. De Enschedese burgemeester M. van Veen hield een korte toespraak, “waarin hij herinnerde aan de oorlog en zijn gevolgen. Wij moeten echter langzamerhand tot andere en betere verhoudingen komen”.

Het eerste officiële bezoek van vertegenwoordigers van de stad Gronau aan Enschede, na de Tweede Wereldoorlog, op 23 november 1950.

In het midden, met ambtsketen, staat burgemeester M. van Veen van Enschede. Aan zijn rechterkant de burgemeester van Gronau Franz Kerkhoff. Rechts op deze foto staat loco-burgemeester Friedrich Rösgen met zijn vrouw.

Aan het eerste officiële bezoek waren andere bezoeken vooraf gegaan. Daarover werd bericht in het “Bürgerbuch Gronau und Epe” (1990), een verhaal dat hier verkort wordt weergegeven. En uit dat stuk blijkt duidelijk dat mijn opa beslist geen motor had.

“Die Bürgermeister auf dem Polizeirevier”

Wer kennt sie noch, die beiden jovialen Herren, Franz Kerkhoff, und Friedrich Rösgen (mijn opa)? Zu den “langen Kerls” gehörten sie gerade nicht. Aber aktiv und emsig waren sie schon, als es galt die demokratische Selbstverwaltung in Gronau nach dem Kriege wieder aufzubauen. Die beiden waren es denn auch, die nach dem Kriege über ihre niederländischen Vorkriegsfreunde erste Kontakte nach Enschede knüpften.

Mit dem Fahrrad hatten sie gemeinsam wieder einen Besuch in Enschede gemacht. Dabei war es spät geworden, und sie beeilten sich nach Hause zu kommen, denn sie hatten kein Licht an ihren Fahrrädern. Aber es kam, wie es kommen musste, die Dunkelheit überraschte sie doch. Ein niederländischer Polizist hielt sie an und drückte ihnen ein Verwarnungsgeld auf, zu zahlen in Gulden. Die hatten sie natürlich nicht, versprachen jedoch, das Geld später zu bezahlen. Als der Polizist ihnen aber weiterhin misstraute und sie nicht weiterfahren lassen wollte, meinte Franz Kerkhoff: “Sie können uns glauben, schliesslich bin ich der Bürgermeister von Gronau und der hält sein Wort”. Das machte den Polizisten erst recht verdrossen. Ungläubig und verächtlich schaute er auf die beiden nicht gerade vornehm gekleideten Herren mit ihren verrosteten Fahrrädern ohne Licht, mit mehrfach geflickter Bereifung und defekten Bremsen herab und höhnte zurück: So, so, der Bürgermeister von Gronau sind Sie! Warum nicht gleich der Kaiser von China?” Und zu Fritz Rösgen gewand: “Und dann sind Sie bestimmt sein Stellvertreter.” “Ja”, sagte Fritz Rösgen bedächtig: “Ich bin der Stellvertretende Bürgermeister von Gronau.”

Das machte den Polizisten vollends wütend. Sich auf den Arm nehmen zu lassen, von diesen beiden Deutschen, dass wollte er nun doch nicht. Sie mussten mit auf das nächste Polizeirevier. Dort stellte sich nach einigen Telefonaten bald heraus, dass sie die Wahrheit gesagt hatten. Mit vielen Entschuldigungen zog der Polizist sein Strafmandat zurück, sie dürften nach Gronau weiterfahren bzw. gehen, wie es ihnen auferlegt wurde. Vom Dienststellenleiter wurde ihnen dann noch ein Gruss an den Rat der Stadt mitgegeben, wenn die arme Stadt Gronau sich schon keinen Dienstwagen leisten könne, dann möge man zumindest dafür sorgen, dass die Stadtspitzen mit verkehrssicheren Fahrrädern ausgerüstet würden.

Mijn opa stierf in 1953. Ook mijn moeder is vrij jong gestorven, zodat ik deze familiegeschiedenis pas later in de boeken heb ontdekt. Ik heb mijn opa natuurlijk alleen gekend zoals een kind zijn opa meemaakt. Al deze aspecten van zijn persoonlijkheid en al zijn activiteiten, kwamen naar de kleinkinderen toe natuurlijk niet aan de orde.

Dit alles heb ik dan ook “van horen zeggen”.

Met dank aan de heer Norbert Diekmann, ons lid uit Gronau, die naast zijn indrukwekkende boek over de geschiedenis van de Joodse gemeente in Gronau en Epe “…hat des Sabbats wegen die Unterschrift verweigert”, ook gepubliceerd heeft over de geschiedenis van de Sociaal democratische beweging in Gronau.

Thea H. Evers-Evers

Geraadpleegde literatuur:

Sozialdemokraten in Gronau. 1980.

Wiltfang, Friedrich. Mit Gronau und Epe auf du und du. 1981.

Wie één mens redt, redt de hele wereld

Zo luidt, meen ik, een Joods gezegde.


Gedurende het gehele laatste (dus gevaarlijkste) jaar van de Tweede Wereldoorlog hadden mijn ouders een Joodse onderduiker in huis. Dat was een bijzonder gevaarlijke onderneming want indien de Duitsers dit zouden hebben ontdekt, dan waren én de onderduiker én in elk geval ook mijn ouders door hen vermoord.

Mijn vader was verpleger in de psychiatrische inrichting Dennenoord in Zuidlaren. Er waren toen vijf kinderen in ons gezin. Naast de joodse onderduiker was er nog een patiënt uit de inrichting bij ons in de kost.

Aan het eind van de oorlog was ik negen jaar. Onze onderduiker had de naam Ome Kees. Als kinderen wisten wij niet anders en er werd niet over gepraat. Ome Kees moest de hele oorlog door in huis blijven en ook meestal op een verborgen plaats in ons kleine huis. In werkelijkheid heette Ome Kees echter Willy Braaf. Hij was afkomstig uit Hoogeveen en was veehandelaar van beroep. Op de dag dat Zuidlaren werd bevrijd door de Canadezen stond Ome Kees, die nog niet naar buiten durfde, in een open raam naar buiten te kijken, terwijl ik vóór het huis stond om te waarschuwen als de ‘brencarriers’ (een klein soort tank) er aan kwamen. Op zeker moment was dat zo en riep ik: “Ome Kees, ze komen eraan!”, waarna Ome Kees uit het raam sprong en met mij aan de hand de Canadezen tegemoet liep.

Dat was het laatste wat ik van Ome Kees zag en hoorde. Nooit meer kwam hij terug, de oom van wie ik hield. In toenemende mate verlangde ik nog iets van hem te vernemen, maar naarmate de tijd verstreek besefte ik dat hij vermoedelijk wel zou zijn overleden.

Gedurende het laatste oorlogsjaar was bij ons ook eens op bezoek de (Joodse) vrouw van Ome Kees, alsmede hun zoon Herman. Van de laatste had ik wel eens gehoord dat hij zou zijn geëmigreerd naar Israël. Op 4 maart 2004 stuurde ik een brief naar de organisatie die zich bezig houdt met de oorlogstijd. De organisatie heet Yad Vashem en is gevestigd in Jeruzalem. Met de brief legde ik uit wat mij al zo lang bezig hield en of zij wellicht de zoon Herman Braaf zouden kunnen opsporen.

Omdat ik heel lang niets vernam, had ik al gedacht dat ik er nooit meer iets van zou horen. Tot medio december 2004 de telefoon ging. Ik meldde mij met mijn naam en aan de andere kant van de lijn antwoordde een mannenstem: “Meneer De Groot, u spreekt met HERMAN BRAAF uit Israël…”. Ik had de zoon na ongeveer zestig jaar teruggevonden. Herman vertelde dat zijn vader in 1968 gestorven was, maar dat zijn moeder (wonende in Nederland) aanstaande 6 mei vijfennegentig jaar hoopt te worden. Inmiddels ontving ik uit Israël een prachtige kerstkaart, zodat ik nu ook het adres van Herman weet en hem al schreef. Wij spraken af elkaar in mei, als hij naar Nederland komt voor de verjaardag van zijn moeder, te ontmoeten.

Jan de Groot

De uitgave van dit bijzondere nummer van 'Oet Dorp en Marke Losser' in een oplage van 7500 exemplaren ter verspreiding in Losser, Overdinkel en Glane is mede mogelijk gemaakt door de hieronder vermelde subsidiënten en sponsors.



Ook ontvingen wij, na het drukken van het boekje, nog bijdragen van de STICHTING FONDATION JORDAAN-VAN HEEK en van de STICHTING JUULKESFONDS te Enschede.

Als u het werk van de Historische Kring Losser wilt steunen nodigen wij u graag uit om lid te worden. De contributie bedraagt € 12,50 per jaar (alleenstaande € 10,00). Aanmelding als lid kan door inlevering van onderstaand formulier op het adres: Hogeweg 36, 7582 CH Losser. Bellen is nog gemakkelijker: tel. 053 538 2850 of nu direct.


Naam:.....................................................................................

Adres:.....................................................................................

Postcode en woonplaats:.................................................

Geeft zich op als lid van de Historische Kring Losser.
Met/zonder partner.

Als u ons werk incidenteel (bijvoorbeeld naar aanleiding van de uitgave van dit boekje) wilt steunen kunt u een bijdrage overmaken naar Rabobank 33.73.08.098 of naar Postbank 3.121.136. Beide rekeningen t.n.v. Historische Kring Losser.