Oet Dorp en Marke 2005 - 2

Inhoudsopgave

Van het bestuur
(Thea Evers)
 . Ons ‘Bevrijdingsnummer’
 . Bestuursmutaties
Geboren op de ‘Gaffel’…
(Alphons Lussing)
Rectificatie
(Georg van Slageren)
Weg noar ‘t verleden
(Stien Meijerink)
Rinus Luttikhuis
(Miep Luttikhuis-Golbach)
De Nes
(Hans van Huizen)
Dirk Heino van de Hogeweg
(J.D. Brilman)
Uitgaven van de Stichting Historische Kring Losser


Foto omslag: (is geen recht van puplicatie op de website verkregen)
‘Dankbare klus voor bezorgploeg Historische Kring Losser’, zo ‘kopte’ De Twentsche Courant Tubantia op 30 maart 2005. Voorzover ze aanwezig konden zijn werden de bezorgers van het ‘Bevrijdingsnummer’ van Oet Dorp en Marke gefotografeerd door Carlo ter Ellen.

Van het bestuur

Ons ‘Bevrijdingsnummer’

In de week na Pasen werd een groot karwei geklaard. Met behulp van vijftig vrijwilligers lukte het om Oet Dorp en Marke huis aan huis te bezorgen in dorp Losser, Glane en Overdinkel; het werkgebied van de Historische Kring Losser.
Het was een hele klus om dit dubbeldikke eerste nummer van 2005 op tijd, voor het weekend van 1-2 april, bij iedereen in de bus te krijgen. Want op 3 april was het zestig jaar geleden dat Losser werd bevrijd. En dan zouden alle mensen er toch over moeten kunnen beschikken.
We hadden u al in 2004 gevraagd om uw herinneringen aan oorlog en bevrijding eens op papier te zetten. Gelukkig ontvingen wij zoveel reacties dat het inderdaad mogelijk was om een dubbeldikke aflevering te laten drukken. En ook onze wens om 7500 exemplaren te kunnen laten drukken en die gratis, huis aan huis te verspreiden is met behulp van sponsoren verwezenlijkt.
Heel veel dank voor uw medewerking. Op de eerste plaats de schrijvers; zij gaven ook heel persoonlijke dingen prijs, die zij al hun hele leven hadden meegetorst. Dan de sponsoren; met hun financiële bijdrage hebben zij de uitgave mogelijk gemaakt. En natuurlijk alle vrijwilligers, die langs al die brievenbussen zijn gegaan.

Wat betreft de sponsoring: Wij ontvingen nog twee toezeggingen die niet meer in het boekje konden worden afgedrukt. De Stichting Fondation Jordaan -Van Heek en het Juulkesfonds, beide te Enschede, hebben de uitgave gesteund met een substantieel bedrag. Daarvoor ook op deze plaats onze hartelijke dank.

Wij hebben op dit Bevrijdingsnummer veel positieve reacties ontvangen. Maar helaas is er ook iets fout gegaan. Bij de gevallenen op de Grebbeberg is de naam van Bernardus Olde Bolhaar weggevallen. Enkele mensen hebben ons daar terecht op gewezen. Wij betreuren deze fout ten zeerste en hebben dit op onze website zo spoedig mogelijk na ontdekking gecorrigeerd. Ook elders in dit nummer is nog een rectificatie opgenomen.

Het Bevrijdingsnummer heeft ook nog andere reacties opgeroepen.

Accent Radio en TV voor Oldenzaal en Losser heeft op woensdagavond 4 mei in samenwerking met de Historische Kring, een twee uur durend programma uitgezonden met als rode draad de Tweede Wereldoorlog in ons dorp. Georg van Slageren en de heer Brilman hebben er een uiterst boeiend programma van gemaakt, waarbij zij hun eigen muziekkeuze mochten laten horen.

De Stichting Openluchttheater Brilmansdennen had op 8 mei een bevrijdingsconcert georganiseerd, waaraan zou worden meegewerkt door drie Lossernaren, die een bijdrage aan Oet Dorp en Marke hadden geleverd. Aan hen was gevraagd om ter onderbreking van de muziek hun verhaal voor te lezen. Johan Bos, Mieke Olde Scholtenhuis en Hennie Damhuis waren daar graag toe bereid.
Helaas stonden de weergoden en het openluchttheater die zondagmiddag zozeer met elkaar op gespannen voet, dat het concert werd verplaatst naar zaterdag 14 mei. Toen was het heel fraai weer, zodat het geheel door kon gaan. Om een beeld te geven van de sfeer uit die dagen had de HKL in de entree van het openluchttheater foto’s opgehangen van de bevrijding van Losser. Het Fraggle Jazz Orchestra speelde bekende nummers uit die tijd en de muziek werd dus onderbroken door het voorlezen van drie tekstbijdragen uit ons ‘Bevrijdingsnummer’. De bijdrage van Hennie Damhuis, die inmiddels wegens vakantie afwezig was, werd die middag voorgelezen door de dertienjarige Louise Mulder, bijna zo oud als Hennie Damhuis in die bevrijdingsdagen. Als leerling van basisschool De Martinus, had zij enkele jaren geleden, voor haar voorleestalenten al eens een eerste prijs in ontvangst mogen nemen en werd vervolgens voorleeskampioen van Losser.

Foto Wim Evers
De ‘voorlezers’: Louise Mulder, Mieke Olde Scholtenhuis en Johan Bos.(Foto Wim Evers).

Ook deze drie mensen willen wij nogmaals hartelijk danken, want mede dankzij hun medewerking werd het een zeer geslaagde middag. Jammer dat de publieke belangstelling tegenviel. Losser moet de prachtige accommodatie, die ze met dit openluchttheater binnen haar poorten heeft, blijkbaar nog ontdekken.

Voor het Jongerenpastoraat was de bijzondere uitgave van Oet Dorp en Marke ook een bron van inspiratie. De jongerendag op 14 mei in het parochiecentrum van de Martinuskerk, kreeg ook als thema de Tweede Wereldoorlog. Wij vonden de heren Zurhorst en Brilman bereid om de groep 15-16 jarigen te vertellen over hun oorlogservaringen en met hen in discussie te gaan. Ook deze beide heren willen wij hier hartelijk danken voor hun medewerking.

Wij zijn als bestuur heel blij dat deze bijzondere uitgave een succes is geworden en gezien de reacties ook door veel mensen als zodanig is gewaardeerd. Wij hopen dat zij deze waardering alsnog zullen omzetten in een lidmaatschap van de Historische Kring.

Bestuursmutaties

Tijdens de jaarvergadering op zondagmiddag 17 april hebben wij afscheid genomen van drie bestuursleden. Een afscheid met pijn in het hart, van weerskanten. Suub Smit, Hermien Scholten-Vos en Herman Bourgonje hebben te kennen gegeven hun bestuursfunctie niet langer meer te kunnen uitoefenen. Leeftijd en verminderende gezondheid zijn daar debet aan. Wij zullen hun vertrouwde gezichten missen op de bestuursvergaderingen. En zeker de mooie verhalen over oud Losser, want die gingen meestal ook over tafel.

Suub Smit kwam in 1993 onze gelederen versterken. Hij was vanuit de Historische Kring betrokken bij de eerste moeilijke jaren van de Stichting Erve Kraesgenberg. Dankzij de inzet en vooral ook de vasthoudendheid en het doorzettingsvermogen van deze mensen van het eerste uur is het complex tot stand gekomen. Zij bleven doorgaan, ook toen er nog niet veel eer te behalen viel. Daardoor werd de basis van dit fraaie stukje Losser gelegd en kon het mede in het kader van de LAGA uiteindelijk in een stroomversnelling gerealiseerd worden.

Hermien Scholten-Vos kwam in 1980 in het bestuur. Zij was penningmeester tot 1997, maar  bij de leden meer bekend vanwege haar medewerking aan de jaarlijkse excursies. Twintig jaar lang kreeg zij de aanmeldingen in de bus, soms ’s morgens in alle vroegte al, om toch vooral verzekerd te zijn van een plaats in de bus. Gerda Hogebrink heeft deze taak inmiddels overgenomen.

Herman Bourgonje was vanaf 1967, dus nog in de voorfase, betrokken bij de oprichting van de Historische Kring. Als secretaris groeide hij uit tot het gezicht van de HKL. We zouden aan één nummer van ons tijdschrift niet genoeg hebben om zijn verdiensten op de juiste manier in beeld te brengen. Maar Herman wil ook helemaal niet in beeld gebracht worden en dat respecteren wij. Hij is al eens terecht koninklijk onderscheiden en hij heeft samen met zijn vrouw ook de eerste Losserse Cultuurprijs in ontvangst mogen nemen. Wij betreuren zijn vertrek en zullen ook de gastvrijheid missen die zij altijd ten toon spreidden. Want de vergaderingen waren wel vaak in Huize Bourgonje. Georg van Slageren is voorlopig secretaris/penningmeester. Zodra wij de bestuursaanvulling rond hebben zullen wij de taken herverdelen.

Vanzelfsprekend zijn wij bezig om deze vacatures te vervullen. Als eerste hebben wij Harry Dekkers, voormalig directeur van de Meester Snelschool, bereid gevonden om het bestuur te komen versterken. Wij houden u uiteraard op de hoogte van de verdere ontwikkelingen.

Thea Evers

Geboren op de ‘Gaffel’…

Eén van onze buitenlandse leden is de heer Alphons Lussing. Hij woont al vele jaren in Spanje en reageerde op ons Bevrijdingsnummer met het hierna afgedrukte verhaal, dat zeer de moeite van het lezen waard is. Wij willen de heer Lussing voor deze bijdrage dan ook heel hartelijk bedanken.

De redactie

Geboren op “De Gaffel” in januari 1932, was ik dus 8 jaar toen op 10 mei 1940 de Duitsers Nederland binnentrokken en  na enige dagen strijd,vooral op de Grebbeberg en een verschrikkelijk bombardement op Rotterdam, ons land veroverden en bezetten.

De grensbewaking, gelegen bij ” ’n Mölnnboer” aan de Zwarte weg, nu Gildehauserweg, was verdwenen en ’s zaterdags trok de boerenwagen met paard van boer Vreriks volgeladen met de uitrustingen van de grenssoldaten, begeleid door een Duitse soldaat op de fiets, door het dorp richting Gronau.Het was voor ons een beschamende vertoning en de mensen sloegen het met ontzetting gade. De Duitse bezetting was begonnen!

De vertegenwoordiger van Douwe Egberts, de heer Winkels, raadde ons aan meer tabak en koffie in te slaan, want dat zou wel eens moeilijk te verkrijgen kunnen zijn. Hij kreeg gelijk.

Vooral in de extreem koude winter van 1944 hadden veel Nederlanders, vooral in het westen, het heel moeilijk en niet weinigen stierven de hongerdood. Een bonnensysteem werd ingevoerd en uitgevoerd door het distributiekantoor. Ook in Losser was het slecht. Er werd een zgn. “gaarkeuken” geopend bij slagerij Hogebrink, waar de mensen kant en klare maaltijden konden afhalen.

Ook werd er een wachtdienst ingevoerd. Langs de telefoonkabels en treinrails moest men afwisselend wacht lopen: de zgn “kabelwacht”. Dit was om sabotage te voorkomen. Op de oude toren was een wachthuisje geplaatst, waaruit men het hele dorp en de omgeving kon overzien en daar moest men ook wacht houden. Niet zo leuk als er luchtgevechten waren, want je kon nergens naar toe om dekking te zoeken als het er om ging. Het angstzweet brak de wacht dan uit. Er werden razzia’s gehouden om jonge mannen op te pakken en naar Duitsland te sturen, waar ze dan tewerk zouden worden gesteld. Men verstopte zich of probeerde te ontkomen. Zo werd Frans Benneker op de vlucht in het veld door de Duitsers dood geschoten! Heel tragisch.                                                                                                                              

De Joden moesten een ster dragen en werden afgevoerd naar de beruchte concentratiekampen, Bergen-Belsen, Buchenwald, Dachau, Auschwitz etc. Zo ook onze overburen, de bekende slager en geliefde familie Mozes Zilversmit. Vaak mochten we bijvoorbeeld met Pasen bij de oude mevrouw komen, die heel lief was, en dan kregen we ongedesemd brood (zgn. jodenkoek), maar ook andere lekkernijen. Zij werden  successievelijk afgevoerd, Mozes met zijn vrouw en zijn twee zonen, de fantasierijke verteller Siegfried en Herman met vrouw en dochtertje. Mijn moeder huilde toen ze afscheid kwamen nemen. Later kregen we nog een briefje op slecht papier met potlood geschreven, uit het kamp gesmokkeld. Goede, lieve en totaal onschuldige mensen, vermoord door de tiran Hitler, die de “Total Vernichtung der Juden” verordende.

Hun grote huis werd bezet door de beruchte S.D. (Sicherheits Dienst) en de slachterij werd gebruikt als keuken voor de Duitse soldaten. Als ze dronken waren schoten ze van boven dwars door de vloeren, tot grote schrik van de familie Wiehink, die beneden woonde.


‘De Gaffel’.  Nu nog een vertrouwd beeld in Losser. Hoe lang nog? Het huis rechts op de foto is het huis waarin de familie Zilversmit woonde. Nu is daar Intertoys gevestigd.

Mijn broer Joop was de leider van de verzetsbeweging de zgn. “ondergrondse” en vaak kwam een lid (Tiehuis) bij ons achter het huis de poort binnen en vroeg dan heel geheimzinnig en met sonore stem: ” Is de baas er ook?”. Zie ook het boek van Johan Luizink “In Losser is niets gebeurd…”. Mijn broer Henny zat ondergedoken bij boer Weusthof in De Lutte.

Er gebeurden allerlei geheimzinnige dingen.Willy, mijn broer en ik sliepen naast elkaar in één bed en op dezelfde kamer stond nog een tweede bed. Het kwam voor dat, als we ’s morgens wakker werden, er in het andere bed een vreemde man lag die Frans sprak, of op een andere keer iemand die Engels sprak. Het waren piloten van de R.A.F. die afgeschoten waren door de Duitsers, met de parachute naar beneden waren gekomen en door Joop en zijn mannen opgevangen en in het holst van de nacht naar ons huis waren gebracht. Ook heeft hij, samen met Willem Game op een avond een Joods meisje uit een ziekenhuis in Gronau gehaald en heeft hij een lid van de ondergrondse, dat door de Duitsers was opgepakt en gevangen gezet, uit de politiecel in Denekamp gehaald; met groot gevaar voor eigen leven.

Dat waren zeer gewaagde acties en ze hebben altijd veel geluk gehad, dat ze niet gepakt zijn.

Bij ons thuis lagen, op de logeerkamer, zelfs geweren. Overigens zijn die nooit gebruikt. Ze waren buitgemaakt op de Duitsers of gedropt vanuit een Engels vliegtuig. Als het ontdekt zou zijn, was ons huis waarschijnlijk opgeblazen en zou er van de familie niemand meer over zijn geweest.

In het “Vogelbos”, zo genoemd omdat de familie Vogel er woonde (ook wel Ledeboersdennen) aan de Enschedesestraat was het benzinedepot van het vliegveld en daar werd gewerkt door Russische krijgsgevangenen, die ondergebracht waren in de bewaarschool van Maria Bijstand.

Als we op de fiets van school uit Enschede terug kwamen, hielden we ons vaak vast aan de vrachtwagen die de deze Russen vervoerde. Zij zongen dan “ Oh lipada, oh lipada, enz.” Omdat we vlak bij de scholen woonden, kenden we de meesten van hen. We leerden ook al wat Russisch: dobre witsche, dobre yen, etc. Zij vroegen ook aan ons wanneer er een H. Mis was en dan gingen ze met ons mee naar de kerk.

Onder de Duitsers waren ook enkele priesters en omdat ik misdienaar was, werd ik, als ze even konden, ingeseind en ging ik met hen naar de kapel van Maria Bijstand, waar ze dan de H. Mis opdroegen. Het moest allemaal stiekem gebeuren, want de Duitse commandant mocht dat natuurlijk niet weten. Na de oorlog kreeg ik nog een prentje toegestuurd van Pater Fulgenz, die het er dus levend van af had gebracht en uit de oorlogshel naar zijn klooster in Duitsland was teruggekeerd. Ik was er heel blij mee.

In Losser werd een detachement “Fallschirmjäger” gedetacheerd en in drie scholen ondergebracht. Van de Mariaschool liep een telefoonkabel naar de Aloysiusschool. Deze liep over het dak van ons huis en de ondergrondse had de kabel afgetakt met een afluisterkabel naar beneden. Mijn zuster Ina zat dan vaak met een koptelefoon de Duitsers af te luisteren.Zodoende wisten we o.m. al eerder dan de soldaten zelf dat ze naar het front zouden worden gestuurd.

De tijd echter dat ze er nog waren was vaak heel spannend. Er was geen elektriciteit, alles moest verduisterd worden i.v.m. de vele bombardementen die de “Tommy´s” uitvoerden boven Duitsland, op het ‘Ruhrgebiet’. Dan rammelden de deuren bij ons thuis door de luchtdruk. Omdat er voor de jeugd natuurlijk helemaal geen vertier was, kwamen vrienden van mijn broers ’s avonds vaak buurten, ondanks dat je niet buiten mocht komen.

Zo kwam ook vaak Gerard Nijenhuis (de kapper) en om plm. tien uur moest hij natuurlijk weer naar huis.Wij, Willy en ik, lagen dan al in bed. Op een avond keken we door het raam en zagen we twee Duitsers, die wacht hadden, met hun geweren post vatten naast het huis van Niemeyer (Poppen) vrij vlak voor ons huis. Dat huis stak iets vooruit in de straat. Ze stonden dus verdekt opgesteld en konden zodoende de hele straat overzien. Het was aardedonker die avond. Opeens ging bij ons de achterdeur open en Gerard kwam naar buiten. We konden niets meer doen, want dan zouden we hem verraden. Hij keek omzichtig om de deur van de poort maar door het donker zag hij eigenlijk niets. Wij keken gespannen toe. Hij nam een run en liep in volle vaart hoog tegen die Duitsers op, die doordat het zo onverwacht gebeurde, zich ook doodschrokken. Nijenhuis maakte dat hij wegkwam naar zijn huis tegenover ons. Zelden heb ik iemand zo snel zien rennen. De Duiters riepen nog: ”Halt, stehn bleiben, oder wir schiessen!”. Maar Gerard was allang thuis.

Door de aanwezigheid van Duitse jachtvliegers op het vliegveld Twente waren er ook vaak luchtgevechten. En er was luchtafweergeschut op de Engelse vliegtuigen, die overvlogen om Duitsland te bombarderen. De scherven kwamen dan vaak net naast ons naar beneden. Trees Reehuis kreeg eens een scherf dwars door het zakje op haar jurk. Op een avond was een Engels vliegtuig in brand geschoten. Het vloog nog heel langzaam en iedereen dacht dat hij op het dorp zou neerkomen. Iedereen doodsbang natuurlijk en het was heel angstaanjagend. Hij kwam tenslotte nabij Naafs in de Zoeke terecht. Erger was het op een zondagmorgen. Er waren weer zware luchtgevechten en een Duitse jager, die was geraakt en in brand geschoten, kwam naar beneden. Hij probeerde de Welp (groot grasgebied tussen dorp en Dinkel) te bereiken. Hij kwam naar beneden, raakte het dak van Donker trok weer op voor het hoge huis van de Coöperatie, alwaar Rein Veenman boven voor het raam lag met een gebroken enkel en het in een flits voor zich zag gebeuren. Nog over het klooster heen boorde het brandende vliegtuig zich in de doorgang tussen twee huizen van het Rode Dorp.Vlak naast het huis van de familie Stegge.

Alles vloog in brand en de helft van de leden van de familie Stegge die thuis waren, kwam heel tragisch in de vlammen om. Die het overleefden waren overdekt met brandwonden.

Het was verschrikkelijk. De piloot lag later dood in de schuur van de boer er tegenover, onder een wit laken.

Het knalde verschrikkelijk door alle munitie van het vliegtuig die ontplofte en die in de tuin van het klooster terecht was gekomen. Later vond ik de revers van de piloot met de wings, die van zijn uniform waren gerukt. Heb het nog lang bewaard. Dat was de tragedie van de oorlog.

Op een dag werden de Duitse soldaten gegroepeerd en marcheerden af, richting Gronau.

En vandaar richting front. We liepen nog een eind mee, met onze priesters, maar werden ruw weggejaagd door de commandant. Zij werden gedwongen om te zingen, maar er kwam bijna geen geluid uit. Ze wisten: dit is het einde.

Vlak voor het einde van de oorlog, in april 1945, het liep tegen Pasen, kwamen andere Duitse soldaten op de terugtocht vanaf Enschede zelfs nog met een grote tank om Losser te verdedigen of om de geallieerde troepen tegen te houden. De tank, een “dikke Berta”, werd opgesteld op de inrit van de Fout (de oude bijnaam van Nijkerken) met de loop richting Glane.

Wij vreesden het ergste. Zou er dan in Losser nog gevochten worden? Als deze tank werkelijk zou gaan schieten en de geallieerden terug zouden schieten, zou er van de kern van Losser niets overblijven en zou het werkelijk wel heel gevaarlijk worden.

Gelukkig zagen de Duitsers in dat ze geen schijn van kans hadden en zijn ze even snel als ze kwamen ook weer vertrokken. Dat was een grote opluchting voor ons allen.

Enkele dagen later kwamen onze bevrijders “De Tommy’s” met carriers vanaf de Glane Losser binnenrijden. De vlaggen kwamen te voorschijn, de bevrijding was een feit. Einde aan vijf jaren van miserie en onderdrukking. We waren weer vrij. Dit mag en zal nooit meer gebeuren. Er werd volop feest gevierd en in Ons Gebouw werd gedanst, iedereen mocht vrij naar binnen. Optochten werden georganiseerd. Muzikanten haalden hun instrumenten voor de dag, die ze voor de Duitsers verstopt hadden en iedereen vierde uitbundig feest.

De ondergrondse kwam nu bovengronds en in blauwe overalls met een oranje band om de arm met de Nederlandse Leeuw en de tekst B.S. (Binnenlandse Strijdkrachten), marcheerden ze door het dorp. Nederland was weer van onszelf.

Dit was mijn ervaring met de oorlog en gelukkig uiteindelijk de bevrijding. Laten we de vrijheid als een groot goed bewaren en koesteren en laten we tolerant tegenover een ieder

zijn en blijven, maar altijd bereid blijven om te strijden, opdat deze vrijheid voor ons allen altijd verzekerd zal zijn.

Dat is de vurige wens van uw aller 

Alphons Lussing

(Alfaz del Pi-Spanje)


Alhoewel het niet gebruikelijk is om bij een artikel in dit tijdschrift een foto van de schrijver op te nemen, maken we voor deze keer een uitzondering voor het meest ver weg wonende lid van de Historische Kring Losser: Alphons Lussing.

Rectificatie

Tot mijn spijt zijn in het overzicht van inwoners van de gemeente Losser, die in de meidagen van 1940 op de Grebbeberg zijn gesneuveld enkele vervelende fouten geslopen. In het overzicht, dat is opgenomen op blz. 27, van het Bevrijdingsnummer van Oet Dorp en Marke ontbreekt namelijk Bernardus Olde Bolhaar. Ook is de geboortedatum van Bernard Busser onjuist vermeld. Daarom is het (gecorrigeerde) overzicht hierna nog een keer opgenomen, samen met een foto van Bernardus Olde Bolhaar.

Georg van Slageren

Geboren

Grafnr.

Bernard Busser

11-09-1906

1:1

Johannes Engelbertink

02-11-1910

2:20

Hendrik Grunder (Beuningen)

27-06-1914

6:30

Hendrikus Hassink

21-08-1914

6:29

Gradus Keizer (Beuningen)

27-07-1914

6:70

Bernardus Olde Bolhaar (Overdinkel)

22-12-1913

1:50

Heinrich Spölmink

06-08-1918

2:64

Johannes Veldscholten (Beuningen)

18-06-1916

2:13


Bernardus Olde Bolhaar, geboren 22-12-1913. Volgens het grafregister van de Grebbeberg overleden op 13-05-1940 te Rhenen.

Weg noar ‘t verleden

Dit is de tweede aflevering van een (naar wij hopen) lange reeks artikelen over straatnamen in Losser. Het eerste artikel over de Smuddeweg kon u lezen in het laatste nummer van het jaar 2004. Stien Meijerink-Hannink is ook de auteur van deze bijdrage.

HANNEKERVELDWEG

De Hannekerveldweg is een zijstraat van de Sportlaan, die vroeger Denekamperdijk heette en een doorgaande weg was richting De Lutte en Denekamp.

De naam Hannekerveldweg komt van het Hannekerveld en wordt reeds in 1830, bij de oprichting van het Kadaster, genoemd.

In het Hannekerveld verzamelden de zogenaamde Hannekemaaiers zich in de 17e, 18e en 19e eeuw om van daaruit gezamenlijk de tocht richting Holland in het voorjaar, of richting Heimat in het najaar, te vervolgen.

Er trokken veel Hollandgänger of Hannekemaaiers richting de Republiek, zoals Nederland toen genoemd werd (1)

De zand- en veengronden, waar deze harde werkers vandaan kwamen, waren tamelijk onvruchtbaar. De overheersende manier van bodemgebruik was hier een, naar verhouding, armzalige korenbouw. Daarnaast vormde het akkerland tot in de late negentiende eeuw slechts een fractie van het totale oppervlak. Daarbij kwam het systeem van erfrecht, waardoor de grote boerenhofsteden niet verdeeld mochten worden en alleen de oudste zoon kon boeren, en waarbij de andere kinderen een goed heenkomen moesten zoeken. Hierdoor groeide het aantal landarbeiders voortdurend, waardoor de beloning steeds meer daalde. (2)

Deze landwerkers moesten in de regel een huisje huren waarvan de hoge pacht zowel in natura als in geld kon worden betaald. Geld was bijzonder schaars en de natuurpacht bestond veelal uit hulp aan de boer, waarbij de gehele huurfamilie verplicht was mee te werken.

Het gebeurde meermalen dat zelfs de opbrengst van de moestuin als betaling moest dienen.

Door deze schrijnende omstandigheden waren de huurlingen wel genoodzaakt voor hun gezin een bijverdienste als seizoenarbeider in Holland te zoeken. (3)

Doordat de economie in de Republiek in de 17e eeuw aantrok ontstond er werkgelegenheid in vele sectoren. Er was grote vraag naar werkvolk in de landbouw, vraag naar arbeiders in de havens, op de scheepswerven, in de tuinbouw, in de turfwinning, de visverwerking, de zoutwinning etc. etc. (4)


 De uittocht van Hollandgangers uit hun dorp

In het voorjaar, gewoonlijk met Pinksteren, verzamelden zich de Hollandgangers, ook wel Poepen genoemd (dat voor papen ofwel katholieken staat), voor de grote tocht en lieten huis en haard achter. Elk van hen droeg een soort plunjezak, gevuld met een paar grote boerenroggebroden oftewel pompernikkel. Verder een aantal hardgekookte eieren, wat worsten en niet te vergeten een paar flinke repen spek. Dit was de mondvoorraad op de voetreis vanuit hun Heimat Westfalen, langs zanderige en vaak modderige wegen, door bossen en uitgestrekte venen en heidevelden, richting Nederland.

De ‘Essensack’ was verder gevuld met de bedrijfsuitrusting, want behalve hun eigen zeis met toebehoren hadden ze wat reservekleding bij zich. Wollen sokken en hemden, een extra paar schoenen en een werkpak. De reis duurde zo’n 8 tot 14 dagen al naar gelang waar men zich verhuurd had.

Vele duizenden maaiers trokken elk voorjaar naar meestal dezelfde boerenhofsteden om zich voor het grasmaaien te verhuren.

Omdat het melkvee in de winter stalvoeding nodig had in de vorm van hooi werd ’s zomers het gras gemaaid van speciale weiden waar niet eerder dat jaar koeien hadden gegraasd. Het gras bereikte in juni zijn maximale lengte van zo’n 30 centimeter. Men begon ’s morgen zo vroeg mogelijk omdat, zolang de dauw in het gras zat, het makkelijker te maaien was.

Men streefde ernaar het gras van deze eerste ‘snit’ binnen korte tijd gemaaid en binnengehaald te krijgen. (5)

Diegenen die al vaker op trek waren geweest namen een rol van het huisgeweven linnen mee om te verkopen aan de Nederlandse boerinnen. Dit als extra inkomen boven het te verdienen loon.

Deze situatie bleef een aantal eeuwen onveranderd, hoewel de vraag naar arbeiders wel eens schommelde door verschillende economische toestanden. In 1820 kwamen nog ca. 20.000 trekarbeiders naar Nederland.

Dat de seizoenarbeiders het niet makkelijk hadden blijkt uit het volgende citaat:

“Want haare kost is meest grof brood, en wat boter en Kaas, als mede rauw Spek, dien ze uit haar land mede gebragt hebben, met wat melk; en haar drank is water, of Suip (Karnemelk) die ze gewoonlijk van de boer om niet, gratis hebben. Word de eene of andere ziek van buikpyn of diergelijk, zo is traan haar medicyne en ’t hooi of Stroo in de schuuren of stallen der boeren is haar nagtbedde: Evenwel zyn ze vergenoegt: Zo wonderbaarlyk ongelyk is ’t leven der Menschen”. (6)

Vanaf 1840 reisden Duitse geestelijken als ‘Wanderprediger’ mee met groepen Hollandgangers. Zij verleenden de vertrokken landgenoten geestelijke bijstand. Daarnaast boden ze hulp bij het verbeteren van de arbeidsomstandigheden en het instellen van een ‘ziekenkas’. Met het geld uit deze kas werden ziek geworden Hannekemaaiers verzorgd .(7)

In 1846 konden de Duitse arbeiders het niet eens worden met de Nederlandse veenbazen over het te verdienen loon en weigerden te komen. De turfwinning bij Dedemsvaart dreigde dat jaar niet plaats te vinden en in de Overijsselse en Zwolsche Courant van 30 april 1846 wordt gevraagd naar vervangende arbeiders. (8)

Beslissend voor de teruggang en het einde van de trek naar Nederland was in eerste instantie de massa-emigratie naar Amerika. Deze emigratie begon rond 1830 en kwam hoofdzakelijk voor in de gebieden waar veel bezitloze landarbeiders woonden.

Deze landarbeiders, die tot nu toe door hun bijverdiensten in Holland het hoofd boven water hadden kunnen houden, zochten nu hun heil in de nieuwe wereld.

Als tweede oorzaak voor de teruggang van de trek naar Nederland moet de verbetering van economische omstandigheden in het gebied van herkomst van de trekarbeiders gezien worden. Deze bestond uit het aanbod aan arbeidsplaatsen in de opkomende industrie, meer echter nog in de vooruitgang in de landbouw. Deze bracht aan het eind van de 19e eeuw na de verdeling van de woeste gronden en na de komst van de kunstmest, een grote behoefte aan arbeidskrachten met zich mee. (9)

Over hoeveel Hannekemaaiers zich in de loop der tijd definitief in Nederland hebben gevestigd zijn geen cijfers bekend.

Het Hannekerveld, waar ooit de moedige Hannekemaaiers op elkaar wachtten om verder te trekken, is vernoemd in een straatnaam, zodat dit boeiend stukje geschiedenis niet in de vergetelheid kan raken.

C. Meijerink-Hannink

Rinus Luttikhuis

De gezamenlijke Overijsselse bibliotheken hebben in het kader van de (digitale) ontsluiting van Overijssels cultureel erfgoed, een website gebouwd waarin biografieën van bekende en minder bekende Overijsse1aars zijn opgenomen: www.wieiswieinoverijssel.nl .

Dit kunnen nationale beroemdheden zijn, maar ook personen die regionale bekendheid hebben verworven.

Om dit project te realiseren is aan de historische verenigingen in Overijssel gevraagd de biografieën te schrijven van personen uit hun omgeving, die in aanmerking zouden kunnen komen voor opname op de website voor Overijsselaars.

Enkele van de bijdragen die de Historische Kring Losser aan dit project heeft geleverd kunt u al op de genoemde website vinden. Ook in enkele eerdere afleveringen van Oet Dorp en Marke zijn deze bijdragen opgenomen.

In deze aflevering een levensbeschrijving van musicus Rinus Luttikhuis, geschreven door zijn zuster Miep. Wellicht dat ook deze biografie op de website zal worden geplaatst.

 

De redactie

 

 

Marinus Johannes Cornelis Luttikhuis werd op 1 januari 1936 geboren in Losser en is altijd Lossernaar gebleven – in hart en nieren. Hij bezocht er de (lagere) Aloysiusschool. Hij hield van de school en van de plaatselijke Rooms-katholieke kerk. Hij was lid van het jongenskoor, misdienaar en speelde dikwijls mondorgel. Daardoor werd hij ‘ontdekt’ door de plaatselijke kapelaan, die zijn (ook ‘mijn’) ouders bezocht en vond dat hij beslist verder moest gaan in de muziek.

Er kwam een harmonium (orgel) thuis, hij kreeg les en na twee jaar kwam er een piano bij voor betere en verdere muzikale ontwikkeling.

Na de lagere school vervolgde hij zijn studie aan de Radboud-mulo in Oldenzaal. Ook zijn muziekstudie ging verder. Bovendien had hij destijds een mooie, heldere jongensstem en zong bij verschillende huwelijksmissen het ‘Ave Maria’.

Na de Mulo-jaren ging hij naar de Ludgerus-kweekschool (bij de Paters) te Hilversum voor zijn onderwijzersdiploma. Ook daar werden zijn muzikale talenten verder ontwikkeld. Hij kreeg er les van radiocoryfeeën als Cor van Boven.

Bij tijd en wijle en in vakanties bespeelde hij al vaak ’s morgens vroeg het orgel in het destijds nog bestaande ziekenhuis (Bernardus-stichting) - verzorgd en bewoond door nonnen - in Losser.


Marinus, Johannes, Cornelis Luttikhuis (1936-1999)

Na voltooiing van zijn opleiding als onderwijzer kreeg hij een baan aan een lagere school in Hengelo (O). Enkele jaren later werd hij hoofd van de school in Beckum en tevens organist van de plaatselijke kerk. In de weekends en vooral op zondagmorgen kwam hij naar Losser om daar als organist te functioneren tijdens de Hoogmis van 9 uur. Hij deed het graag; het was zijn lust en zijn leven.
Tijdens zijn Beckumse jaren richtte hij daar een plaatselijk kinderkoortje op en bracht het zo ver, dat hij ermee voor de televisie kon optreden.

Na Beckum werd hij hoofd van de Kardinaal Alfrinkschool in Enschede en daar ontstond het bekende kinderkoor ‘De Wesseltjes’. Hij trad er dikwijls mee op in kerken, zieken- en bejaardentehuizen. Het was altijd weer een succes. Ook met dit koor kwam hij op de televisie.

Bij dit alles had hij in de loop der tijd diverse koren onder zijn leiding, o.a. Sursum Corda, Studio 65 (operettevereniging). Tevens diverse kerkkoren en meerdere zangverenigingen. Ook heeft hij diverse solisten begeleid en geholpen tijdens hun carrière. Met Marco Bakker heeft hij een muzikale tournee door Indonesië gemaakt. Zijn carrière bestond uit diverse hoogtepunten.

Helaas kwam er onverwacht en veel te vroeg een einde aan zijn leven. Hij stierf tijdens zijn muziekspel, achter zijn geliefde vleugel, door een hartstilstand op 16 juni 1999, nog maar 63 jaar oud.

Gelukkig voor hem dat zijn oudste zoon, Maurice, zijn muzikale talenten heeft meegekregen. Rinus heeft het kunnen meemaken en er intens van genoten.

Miep Golbach-Luttikhuis

 

De Nes

Ik reed van Losser naar Overdinkel

langs een straat met hier en daar een winkel.

M’n stuur hield me bij de les

bij deze tocht door onze “Nes”.

Mijn gedachten dwaalden daarbij rond

de vergangenheid van een stukje grond.

Ik zag daarbij weer Prik en Prak

en Brilman’s Fritske met buk-shagtabak.

Waar bleef Marinus die zo dikwijls zei

dat zijn broer Manus gekker was dan hij?

Maar eigenlijk was Manus, ooit door mij gemeld,

helemaal  niet gek maar een oorlogsheld.

Omdat hij op zijn verroeste fiets en slecht ter been

dwars door het ”Und wir fahren” heen,

en bij het marcheren van die Duitse lien

uit volle borst zong “Leve de Willemien”.

Gedachten zo maar op de fiets,

die bij me opwelden uit het niets.

Hier woonde Brilman en daar Dusseljé.

Bekende namen van P.J.

Daar is Schorfhaar, waar voor de ramen

de opstelling stond met alle namen

van de voetballers die moesten spelen

of de reservebank moesten delen.

We lopen weer saam naar ’t voetbalveld.

Hebben daarbij mooie verhalen verteld.

Hé, daar gaat Fokke Blaauwbroek met de bal.

Terreinknecht Hannes Vreeling is er al.

Hij trekt de lijnen zuiver en strak

Langs het strafschopgebied met groot gemak.

Hij hangt de netten in het doel

en trekt ze strak met veel gevoel.

Rolt dan bundels jute met een vaartje

om het veld, tegen ”zonder kaartje”.

Het is half drie, de match kan beginnen.

De grote vraag is wie zal het winnen.

Jan Evers keept weer grandioos.

Jan Blaauwbroek schiet dan in de roos.

Zo winnen wij, zoals verwacht,

al kostte dat wel heel veel kracht.

Maar de achterhoede deed wat hij kon.

Met Willem Schorfhaar en “Pleertie” Pieterson.

Tevreden kijkt Van Heek op ’t schouwspel neer,

wat waren ze ballend in de weer

op de velden van zijn grondbezit.

Het zijn toch “boys” van Jan de Wit.

We lopen terug naar de Nes,

al pratend over de voetballes,

die ons elftal gaf aan P.W.

De opscheppers uit Enschede.

En ’s avonds komen we weer samen

Bij kapper Brilman voor de ramen,

waar de uitslagen worden gepubliceerd,

en er heel wat wordt gediscussieerd.

Uiteindelijk is iedereen tevree

Ook onze vriend Dusseljé.

Herman Brilman pakt dan een fles

met de jongens van de “Nes”.

Dat doen ze in het clublokaal,

bij Schorfhaar in de kleine zaal.

Ik keer terug uit het verleden,

naar het computer moderne heden.

Het was nostalgisch wat ik dee,

Denkend aan de Nes en aan P.J.

Ach ja, ik kon mezelf weer zien.

Dat was geluk, toen was ik negentien.

Hans van Huizen (Denekamp)

PS

De Esch noemden wij altijd “de Nesch”. Het was de buurt die begon iets voorbij de melkfabriek. Het omvatte de hele wijde omgeving tot aan de voetbalvelden van P.W. Bij de fabriek van Van Heek begon dan “de Zoeke”, met onder andere de “Zoekerschool”.

Dirk Heino van de Hogeweg

Den was an 't braandhoolt zaag'n.
De zaag dé jankt'n wied in 't roond,
't was net as of hé klaagd'n.

En Dirk dé zaagd'n steug ve^dan
Hé keek manks met plezèèr,
hoo of den stapel braandhoolt greuid'n.
Mèr toen, o Heer, o Heer ...!

Doar vleug zo'n noestig stukske hoolt
op zied, en veur hé 't wus,
lag neust al 't hoolt dat hé har zaagd,
zien'n doem'n ok in ’t grus ...

Kêêl nog an too, dat was mie wat.
Verbiesterd keek hé roond.
Der was gèn^een, behalve dan,
zien'n ool'n trouw'n hoond.

'n Tukdook weur der umme doan.
Den kwam hem good te pas.
Dirk dacht: "Zoa mut 't mèr goan, want ja",
"Wat zas, as dûs wa's ka's ... ".

'n Doem'n weur gauw mette^grepp'n.
Misschien, wat wees der van,
zeg 'n dokter voort: "Gèw 't stuk mèr hier,
dat kan der wa wier an!"

De hoond dee renn'n al um de fiets,
en blekt'n as nen gek.
Dirk kreeg zo'n zeert, hé kon nig meer,
en zèèr: "Hoond, hoal dien bek!".

'n Dokter zag 't nich biester in.
Har metlien met den man,
"Hes 't stuk nog metnûmm'n", vreuge Dirk,
"Dan kan 't der wa wier an ... ".

"k Hebt nog wal had", zèèr Dirk met spiet,
"Mèr ik dacht nig daj't woll'n hemm'n",
"Ik zèèr: niks weerd, en, vot der met",

Waar gebeurd!

Old’nzel, 1 febr. 1987

J.D. Brilman