Oet Dorp en Marke 2005 - 3

Inhoudsopgave

Van de redactie
Herinneringen aan een school
(Hans van Huizen)
De familie Brilman op het “Erve Bookholt” te Losser
(J.D. Brilman)
De Dorpsbleek te Losser
(Wijlen Joh.J. Luizink)
De Bleek
(Lientje van de Motter)
Uitgaven van de Stichting Historische Kring Losser

Foto omslag
Foto omslag:
Deze foto van het personeel van de openbare school Dorp Losser sluit mooi aan bij het artikel van Hans van Huizen over zijn ‘Herinneringen aan een school’. De foto dateert vermoedelijk van 1925 en toont (v.l.n.r.)  meester Reuver, juf Kock, juf Marie Vos, juf Deuling, meester Alink, meester Sanderink (Hoofd der School en tevens de vader van Annie Bourgonje-Sanderink, die deze foto ter beschikking stelde), meester Molendijk (zittend) en meester Kellerhuis.

Van de redactie

Over dit nummer

Met veel plezier presenteren wij hierbij weer een aflevering van Oet Dorp en Marke, die geheel gevuld is met bijdragen van ‘derden’, dat wil zeggen ‘niet’ bestuursleden. Wij zijn blij dat de oproepen die wij zo nu en dan aan onze leden doen om ook eens wat voor ons kwartaalschrift te schrijven niet zonder respons blijven.

Herinneringen aan een school

Op 1 december 2005 is het 75 jaar geleden dat er in Losser een christelijke school van start ging. Dit feit werd in de maand september al herdacht met onder andere een reünie voor oud-leerlingen en -leerkrachten van de Meester Snelschool. Ter gelegenheid van dit jubileum schreef Hans van Huizen uit Denekamp zijn herinneringen aan zijn lagere schooljaren in Losser, die samenvallen met de eerste jaren van deze school, voor ons op. Een centrale plaats in zijn bijdrage wordt ingenomen door meester Snel, wiens naam 50 jaar na de oprichting werd verbonden aan de school.

De familie Brilman

Een tweede mooi voorbeeld van een bijdrage door een ‘gewoon’ lid van onze Kring werd aangeleverd door de heer J.D. Brilman uit Oldenzaal. Hij bewerkte de ‘lezing’ die zijn achternicht Jo Vreeling (‘Jootje van tante Rika’) in mei 1977 hield ter gelegenheid van de reünie van de familie Brilman. Deze reünie was georganiseerd ter herdenking van het feit dat hun voorouders zich 100 jaar eerder in Losser op het erve ‘Bookholt’ vestigden. Het artikel bevat naast veel genealogische gegevens ook een bijzonder leuk en goed leesbaar verhaal over een inmiddels ‘echte’ Losserse familie.

Het voorbeeld van de familiegeschiedenis van de Brilmannen in Losser verdient naar de mening van de redactie navolging. Er zijn in Losser meer familiegeschiedenissen op schrift gesteld. Als u de beschikking heeft over een dergelijk verhaal, overweegt u dan eens om het voor publicatie in Oet Dorp en Marke ter beschikking te stellen!

De Bleek

“Eén van de Losserse monumenten is ‘de Bleek’. Dit groene monument in gras heeft tot nu toe alle stormen van vernieuwingsdrift overleefd”. Zo begon Johan Luizink één van de vele historische opstellen die hij schreef en aan de Historische Kring Losser ter beschikking stelde voor publicatie in ‘Oet Dorp en Marke’. Voor ‘wanneer daar maar behoefte aan was’. Helaas overleed de heer Luizink plotseling in augustus 2003. Dankbaar blijven wij echter, ‘wanneer daar maar behoefte aan is’, gebruik maken van de bijdragen die ons nog ter beschikking staan. Zo ligt het in ons voornemen om volgend jaar weer een keer een hele aflevering te vullen met een hoofdstuk uit het manuscript van het ‘Molenboek’ dat hij ons naliet. In dit nummer kunt u het artikel over de Dorpsbleek te Losser lezen.

Het gedicht ‘De Bleek’ van Lientje van de Motter (wijlen mevrouw E.W. Nijkerken-Vermeulen), waarmee dit nummer wordt afgesloten, sluit hierop naadloos aan.

De redactie

Herinneringen aan een school

Je leerde lopen en je leerde praten.

Je was thuis vijf korte jaren lang.

Nu veeg je de kruimels van je wang.

En gaat het huis voor de eerste keer verlaten.

 

Je loopt de school in – beetje bang.

Ze houden je nog even in de gaten.

Je treuzelt nog, maar het mag  niet baten.

Je kijkt naar je ouders minuten lang.

 

Dag jong, het doet toch een beetje pijn.

Je zult voortaan, in klasjes en lokalen,

de halve week van iemand anders zijn.

 

(Bewerkt naar het gedicht ‘Kleuterschool’ van Ivo de Wijs)

We schrijven 1928. Ik was vijf jaar en mijn moeder bracht me voor de eerste keer naar de bewaarschool. Die was gevestigd in het Verenigingsgebouw van de hervormde kerk, vroeger de ‘Gemeentelijke Dorpsschool’.

Het oude verenigingsgebouw.
Het oude verenigingsgebouw stond, zoals op deze foto te zien is, naast Logement Smit.Het gebouw stamde uit 1843 toen het als school in gebruik werd genomen.

In de grote zaal van het gebouw waren grote deuren die de zaal in tweeën konden delen. Doordeweeks waren die deuren gesloten, maar bij uitvoeringen van muziek, zang of toneel werd het weer een grote zaal.

In het voorste deel van de zaal hadden we onze bewaarschool.

Onder de hoede van juffrouw Molendijk werden we bezig gehouden met liedjes zingen, spelen in de grote tuin met de zandbak, de Wip-Wap, vertellingen onder de grote kastanjeboom en niet te vergeten het matjes vlechten.

Na de bewaarschool ging ik naar de Openbare School van meester Sanderink, meester Molendijk en juffrouw Deuling. Van die school herinner ik mij nog de lei en het ronde doosje met aan de ene kant een sponsje en aan de andere kant een zeempje. De geur die uit dat doosje opsteeg vergeet ik m’n leven niet. Ook de eerste liedjes die ik er leerde, zoals: ‘Tarra boem, tarra boem, tarra boem, daar komen de schutters aan’ en ‘Hannes loopt op klompen, zimpe, zampe, zompen, door de plassen dat het spat’. Vooral dat laatste liedje vond ik niet mooi, ik voelde mij er niet zo gelukkig mee, al liep het hele dorp ook op klompen.

Halfweg het cursusjaar 1930/31 werd de christelijke school opgericht en verhuisde ik van het ene naar het andere eind van het schoolgebouw. Het schoolplein werd door een betonnen schutting in tweeën gedeeld en de openbare en de christelijke school kregen elk vier lokalen.

Voor ons was die overgang een hele verandering. We kregen bijvoorbeeld bijbelse geschiedenis en de liedjes die we leerden hadden een meer religieuze inhoud. Eén van de eerste liederen die we leerden was ‘Open uwe mond, eis van mij vrijmoedig…’ en ‘Dies vertelt men in ons land alle wond’ren Zijner hand’. De teksten daarvan gingen me boven de pet. Ik had geen idee wat ik mij daarbij voor moest stellen, maar we zongen er dapper op los.

Na een eerste halfjaar tweede klas openbare school kreeg ik dus een tweede halfjaar christelijke school. Daarin kreeg ik eerst les van juffrouw Snel, de echtgenote van de hoofdonderwijzer, en van juffrouw Zweverink. In de derde klas kwam ik bij juffrouw Versluis in een klas waarin ik mij heel gelukkig voelde, al begreep ik haar stopwoordje ‘en of’ niet zo goed. Het was echt mijn lievelingsjuffrouw, wat geloof ik wederzijds was want na haar vertrek naar Leerdam heb ik nog een paar keer een ansichtkaart van haar gekregen. Op de laatste reünie waar zij aanwezig was, hebben we nog herinneringen opgehaald.

In de vierde klas had ik les van H. Duerink en in de vijfde van L. Sikkens. Het waren jaren waarvan ik mij geen bijzondere dingen kan herinneren of het moet zijn de schoolreisjes. De overgangen gingen verder rimpelloos.

De meest indruk maakten op mij de zesde en zevende klas van meester Snel. Veel van die periode kan ik mij nog goed herinneren. Meester Snel was een man die heel intensief met het onderwijs geven bezig was. Hij gaf bijvoorbeeld heel beeldend les over ‘Geschiedenis’; bijbelse, algemene en vooral vaderlandse geschiedenis. Z’n ogen half dichtgeknepen, z’n handen bezwerend uitgespreid schetste hij de gebeurtenissen zoals hij die zag. Eén van de hoogtepunten van de kerkgeschiedenis vond hij de kerkhervorming, waar hij meeslepend over kon vertellen. En dan de vaderlandse geschiedenis waarin hij zijn grote bewondering voor Prins Willem van Oranje overbracht.

Zijn voorleesuurtje was een aaneenschakeling van boeiende verhalen over… jawel, geschiedenis. We luisterden ademloos naar episoden uit het boek ‘Hollandse jongens in de Franse tijd’ en naar de boeken van z’n lievelingsauteur W.G. van de Hulst.

Ik was zo gelukkig dat ik alle schoolreisjes heb mogen meemaken. In de lagere klassen waren dat reisjes naar ‘De Waarbeek’ in Hengelo. De hogere klassen gingen wat verder weg. Nunspeet, Elburg, Arnhem, Westerbouwing. In Tiel bezochten we de Veiling van Fruit waar we, echt in de banken gezeten, de knoppen mochten bedienen. In Nunspeet en Elburg gingen we met een vissersboot op visvangst op de - toen nog - ‘Zuiderzee’. Sommige kinderen werden door de hoge golven zeeziek, wat niet zo leuk was. We mochten pootjebaden en tot veler verbazing ging dominee Schaefer in een zwart badpak de golven in om een potje te zwemmen. Verder waren de onderaardse gangen in Elburg een avontuurlijke belevenis.

De schoolreisjes werden door meester Snel weken van tevoren besproken. De te volgen route en de bijzonderheden van de dorpen, steden en rivieren die we zoal tegen zouden komen. We gingen meestal met de bus van Schorfhaar, met eigenaar Gerrit zelf aan het stuur. Met gejuich werd de autobus begroet. Daarna werd er een melkbus met ‘Ranja’ vóór in de bus gezet. Uitgeleide gedaan door de ouders begon het grote avontuur waarvan we ’s avonds moe maar vol verhalen weer thuis kwamen.

Op een morgen vertelde de meester dat de volgende dag z’n orgel in de klas zou zijn. Zo gebeurde het dat we elke morgen een lied zongen met orgelbegeleiding, want bij alle andere eigenschappen was meester Snel ook nog muzikaal. Hij vormde uit de hoogste klassen een koor dat kerstliederen instudeerde en vervolgens op Tweede Kerstdag in  ‘Ons Gebouw’ mee mocht werken aan de Kerstdienst. Altijd voor een overvolle zaal!

Meester Snel

Meester Snel, zoals velen in Losser zich hem nog zullen herinneren. De foto is genomen omstreeks 1950 en werd beschikbaar gesteld door zijn dochter Nel Snel uit Nijverdal.

Meester Snel had het met ons altijd over de ‘Vrijheid’ van de mens. Vrijheid van godsdienst, vrijheid in geestelijk denken. Wat dat betreft was hij zijn tijd ver vooruit, door ook kinderen dit gevoel bij te brengen. Hij vertelde ons over de vrijheidsstrijd in India met de grote leider Mahatma Gandhi. Ook over de wereldberoemde Indische geestelijke en geleerde Krisnamurti, die hij bij een lezing in Ommen had ontmoet. Uit eigen land was er Thomas à Kempis, de geestelijke van de Agnietenberg bij Zwolle, schrijver van de ‘Navolging van Christus’. Voorloper van de Hervorming. Kortom meester Snel voorzag ons rijkelijk van geestelijk voedsel.

Het was trouwens niet allemaal ernst, want hij trok er ook met ons op uit. Samen op de fiets naar Denekamp, waar we bij hotel ‘Dinkeloord’ roeiden op de Dinkel en natuurlijk een bezoek brachten aan museum ‘Natura Docet’.

Meester Snel probeerde ook de ouders te bewegen hun kinderen zoveel mogelijk vervolgonderwijs te laten volgens. Voor de meesten een te zware opgaven in die moeilijke vooroorlogse crisistijd. Toch lukte het om een aantal leerlingen voor te bereiden op het vervolgonderwijs. Eén van die gelukkigen was ik en met acht kinderen uit de zevende klas kregen we na schooltijd voorbereidingslessen voor de Mulo, enz.

En zo gebeurde het dat wij na die lessen en na een inspirerende afscheidstoespraak van meester Snel bij het verlaten van de school, op weg gingen naar Enschede voor het vervolgonderwijs. Eenmaal in Enschede op de Mulo was het contact niet verbroken want meester Snel verwachtte dat wij ons rapport aan hem zouden laten zien.

Bij mij is de liefde voor geschiedenis en algemene ontwikkeling altijd gebleven. Later eind jaren zestig heb ik nog weer contact met hem gehad en heeft hij nog twee keer meegewerkt aan onze kerstconcerten in Denekamp.

Dit waren mijn herinneringen aan een school. Het zijn vele mooie herinneringen en goede dingen die ik er heb mogen beleven.

Hans van Huizen (Denekamp)

De familie Brilman op het “Erve Bookholt” te Losser

Het hier volgende epistel is een recapitulatie van geschiedkundige gegevens over de familie van onze stamvader Berend Jan Brilman, welke met noeste ijver zijn verzameld, uitgewerkt en opgeschreven door mijn achternicht Jo Vreeling, dochter van mijn oudtante Frederika Johanna Brilman - dochter van voornoemde Berend Jan en zijn vrouw.

De reden om die gegevens op te sporen was destijds, dat in mei 1977 op de boerderij “Erve Bookholt” te Losser met een grote familiereünie het feit werd herdacht dat het toen 100 jaar geleden was dat Berend Jan met zijn echtgenote Johanna Hendrika Jacobs op 2 mei 1877 als boer en boerin introkken op het “Erve Bookholt”.

Jo, - vroeger in Losser bekend als “Jootje van tante Rika”-  heeft  hieraan veel tijd besteed en daarvoor ook zeer veel werk verzet om al deze gegevens bij elkaar te krijgen en uit te werken, en het resultaat daarvan op de reünie met verve voor te lezen aan de vele, van heinde en verre opgekomen, familieleden.

Toen mijn vrouw en ik op 18 maart 2004 in Enschede bij Jo en haar man op visite waren, werd er tijdens dat gezellige onderonsje van alles en nog wat besproken over onze vroegere belevenissen. Daarbij kwam het originele manuscript van het verhaal, naast talrijke foto’s, ook nog weer eens voor de dag. Toen ik zei dat de Historische Kring Losser daar misschien wel belangstelling voor zou hebben, bood ze aan om het te laten kopiëren en het mij toe te sturen. Na enige dagen mocht ik het relaas, vergezeld van een uitnodiging voor de receptie ter ere van haar 90e verjaardag op 23 april 2004 te Usselo, ontvangen, om op de PC te bewerken!

De originele tekst is hierbij strikt gehandhaafd, maar wel werden enkele wijzigingen in stijl en opmaak aangebracht.

Met groot respect en dankbaarheid voor “Jootje van tante Rika”- thans mevrouw Visscher-Vreeling - wens ik alle lezers van dit mooie stuk geschiedenis veel leesplezier.

 

J.D. Brilman (Oldenzaal)

Beste familie Brilman en alles wat aangetrouwd is en er bij hoort.

Jullie allen zijn als nazaten een levend bewijs, dat voor 100 jaar terug, Berend Jan Brilman en Janneuken Jacobs hier met hun drie kinderen hun intrek namen op het oude “Erve Bookholt”, dat een vermoedelijk bezit was van de Bisschop van Utrecht.

Door schenkingen kwam het erf onder beheer van de Graaf van Bentheim.

De naam is wellicht ontleend aan de Beukenboom die oorspronkelijk als Beukholt werd geschreven. Dezelfde naam komt even over de grens in meer buurtschappen voor.

De familie Bookholt heeft door de eeuwen heen in Losser een vooraanstaande rol gespeeld.

Ze waren geregeld vertegenwoordigd in kerk- en markebesturen.

In de Vicary acte van de r.k. kerk in 1507 komt Henricus Boekholt reeds in het kerkbestuur voor, eveneens waren ze vertegenwoordigd in markebesturen en tekenden met hun huismerk, in 1678 Herman Bookholt, en in 1714 Gerrit Bookholt.

De familie ging met de reformatie over naar de protestantse kerk, waarin ze haast onafgebroken in het kerkbestuur zitting namen.

 De boerderij kwam in het schattings- of belastingregister van 1475 voor als een gewaard erf onder de naam Boekholt en betaalde als belasting 15 chilt of 1½ Rijnse goud gulden. Een gewaard erf betekende een ware of een volle stem in de markevergaderingen.

Het erf werd door de graaf van Bentheim aan zijn moeder geschonken, die in Gronau woonde op een Weduwenzit, een oud slot in de marke Epe.

Met de dood van de weduwe kwam het erf op naam van haar zoon. Deze heeft het al vrij snel verkocht aan Johan Hegedekkers, een schatrijk persoon uit Batavia.

Na diens dood verkocht zijn weduwe Boekholt in 1746 aan Jan Teijlers uit Losser.

De boerderij bleef lange tijd onder verschillende geslachten Teijlers.

Toen in 1817 Jan Teijlers stierf ging de boerderij over naar één van zijn elf kinderen, Albert. Met de laatste telg uit het geslacht Teijlers ging het snel berg afwaarts. Om aan geld te komen werden steeds stukken grond van de zeer grote boerderij verkocht. Volgens een grondregister van 1820 was de boerderij nog 44 mud, 1 schepel en 3 spint groot. De pachter was Derk Boekholt.

De boerderij is vermoedelijk na de dood van Albert Teijlers verkocht aan de familie Bookholt, die er eeuwenlang had gewoond zonder eigenaar te zijn geweest.

De laatste Bookholt, Hermannes, had 3 kinderen: Grada, Diedrik en Gerhard.

Toen de ouders overleden waren bleek Gerhard, die voorbestemd was op het erf te blijven, niet in staat een boerderij te runnen, en vertrok naar Delden naar zijn zus Grada die met Gurk getrouwd was. Dat was in 1876 – 1877. Het Bookholt had na al die jaren geen opvolger meer.

Al deze gegevens zijn afkomstig uit Burgsteinfort. De burgerlijke stand begint pas in 1800. Alles wat voor die tijd was moet gezocht worden in kerkboeken, wat niet gemakkelijk en zeer tijdrovend is.

In 1793 is in Olst geboren Jan Brilman.

Hij huwde met Frederika Klein Velderman.

Hun eerste zoon was Berend Jan, geboren 24 augustus 1842 te Bathmen.

Op 8 november 1844 werd zijn zuster Frederika geboren.

Op 10 januari 1850 overleed moeder Frederika Brilman – Klein Velderman bij de geboorte van een levenloos kind.

Twee jaar later, op 22 augustus 1852, overleed vader Jan Brilman.

De kinderen Brilman hebben een korte tijd onder voogdijschap van Frits Klein Velderman (een oom van moeders kant) nog in het ouderlijk huis gewoond, maar na korte tijd kregen zij een plaats in het huis van Arend Jan Gerrits en Geertje Brilman.

Hun huis in Bathmen werd verkocht en de opbrengst hiervan werd op de spaarbank voor de kinderen vastgezet.

Arend Jan Gerrits werd in 1795 in Holten geboren en Geertje Brilman in 1794 in Diepenveen.

Wij kunnen wel aannemen dat de Brilmans oorspronkelijk uit Olst, Wijhe en Diepenveen komen.

Het echtpaar Gerrits - Brilman had één zoon en twee dochters.

Op 5 februari 1854 is het hele gezin, met de wezen Berend Jan en Frederika, die toen 12 en 10 jaar oud waren, vertrokken naar Ambt Delden, waar zij op een Twickelboerderij gewoond hebben. Het erf droeg de naam Perik.

Op 25 november 1859 verhuisde de familie weer, nu naar Oele, gemeente Hengelo, ook op een Twickelboerderij, vermoedelijk “Klein Avest”, op de grens van Ambt Delden en Oele.

Berend Jan heeft daar tot 21 februari 1872 gewoond.

Frederika is op de boerderij gebleven en op 26 april 1864 getrouwd met haar neef Frederik Gerrits. Nadat deze was overleden, is ze op 13 december 1879 gehuwd met Jansen.

Berend Jan huwde op 28 oktober 1871 met Johanna Hendrika Jacobs, geboren te Ambt Delden op 8 november 1853, dochter van Derk Jacobs en Jenneke Buursink.

Beren Jan zijn eerste liefde was Miete Jacobs (een zus van Johanna), maar in haar burgerlijke dienst werd haar een boer ontraden en de verhouding werd verbroken. Of ze er later spijt van had is niet bekend, wel prentte ze haar latere neven en nichtje in dat hun vader de liefste en beste man was die ze kende. Tante Miete is ongehuwd overleden.

Haar jongere zus Jannôken ging op Sunter Steffen schaatsen in den Plaai. Berend Jan, een graag geziene gast bij de familie Jacobs, werd door moeder Jacobs naar het schaatsgebied verwezen. Wat ze vurig hoopte, dat één van haar dochters met Berend Jan zou trouwen, leek werkelijkheid te worden, er kwam een verkering tot stand. Moeder behoefde één van haar dochters niet aan een tafelpoot te binden, zoals ze vaak zei, om met Berend Jan te trouwen.

Toen het huwelijk voltrokken was, vertrok vier maanden later het paar naar Wierden op een boerderij bij het Buitengoed het “Luie Weerd”, eigendom van de familie Putman Kramer.

Daar werden vervolgens geboren:

Jan Derk (4 april 1872), Frederik Jan (31 december 1873) en Arend Jan (26 november 1875).

Jannôken was toen nog maar 22 jaar oud en een aantrekkelijke vrouw, maar niet gediend van de vleierijen van de Jonkheren Putman Kramer. Na overleg met haar vader in Delden werd besloten dat, als ergens anders een boerderij vrij was, ze het Luie Weerd zouden verlaten. In Losser en in de Graafschap kwamen boerderijen vrij. Het werd het erve “Bookholt” in Losser.

Jannôken kreeg het druk voor de verhuizing, maar moeder Jacobs stuurde hulp in de vorm van zus Dika, 14 jaar oud.

Berend Jan Brilman
Berend Jan Brilman, geboren 24 augustus 1842, overleden 2 augustus 1916.

Johanna Hendrika (Jannôken) Jacobs
Johanna Hendrika (Jannôken) Jacobs, geboren 8 november 1853, overleden 30 januari 1927.

Naar Losser

Op 2 mei 1877 was het dan zo ver en vertrok men naar Losser.

Een ereboog was door de noabers opgesteld met deze spreuk:

Moog op deze plek U toevertrouwd,

Geen onkruid veilig groeien,

Geen doorn of distel bloeien,

En de oogst van ’t veld door U verbouwd,

Eens 30 – 60 – 100 voud.

Het werd een tijd van hard werken, want de bouwgrond was volledig uitgemergeld. Berend Jan had door een wat gehaaste verhuizing ook nog land te bewerken in Wierden. Vrijdags vertrok hij met een wagen volgeladen naar Losser, overnachtte in Delden - met paard en wagen ging het niet zo snel - en nam van daar elke week een hulp mee voor Jannôken. De dienstbode was wel in Losser met de knecht, dat wisselde van week tot week. Zondags ging het van Losser via Delden weer naar Wierden. Dit ging de lange zomer zo door tot in december 1877 Berend ook voorgoed in Losser bleef.

Inmiddels was er op erve “Bookholt” een probleem gerezen. Zus Dika was niet ontlopen, waar Jannôken het Luie Weerd voor verlaten had. Moeder Jacobs wilde haar dochter niet met de schande in Delden terug en dus bleef ze voorlopig in Losser. In februari 1878 werd haar zoon Hendrik geboren. Dika en Hendrik zijn enige tijd in Losser gebleven en toen naar vader en moeder Jacobs in Delden teruggegaan.

Ook Jannôken kreeg er die zelfde maand een dochter bij, die helaas in augustus 1880 weer overleed.

Op 15 december 1879 werd Willem Marinus geboren, en op

10 september 1881 Frederika Johanna, die op de leeftijd van 2 jaar kinderverlamming aan haar been kreeg.

Op 22 april 1883 werd Johanna Hendrika geboren die op 7 mei 1883 al weer overleed. .

Op 30 oktober 1884 volgde Herman Diederik (overleden op 11 december 1890).

10 mei 1888 kwam Johan Hendrik

8 oktober 1891 kwam Herman Diederik (overleden op 17 maart 1898).

Berend Johan werd geboren op 21 april 1893 en overleed op 22 februari 1919.

Al deze data van geboorte en overlijden spreken voor zichzelf. Hieruit maken we op dat Jannôken’s leven niet over rozen is gegaan. Vermeld zij nog dat Berend een zeer zwakke gezondheid had, maar in het bezit was van een rotsvast geloof, en daar meerdere malen in moeilijke ogenblikken van getuigde. Vaak riep hij zijn kinderen en helpers als kleingelovigen bijeen en las een troostwoord voor uit het oude bijbelboek. Waarmee hij wou bewijzen dat onze kracht in zwakheid schuilt. Door de goede zorgen van zijn vrouw is hij toch nog 71 jaar geworden.

In het midden van de eerste wereldoorlog, op 2 augustus 1916, overleed hij.

Jannôken heeft de oude boerderij in vele opzichten nieuw leven ingeblazen.

Zij was één van de eersten in Losser die, in plaats van op een open vuur te koken, een fornuis aanschafte.

Ook brandde ’s winters in de grote keuken dag en nacht een kachel, iets heel bijzonders.

Al in 1910 waren er voor de koeien automatische drinkwaterbakken.

Door de zonen van de Brilmannekes – zoals ze in Losser genoemd werden – werd op haar initiatief huis aan huis melk bezorgd.

Een zeer vooruitstrevende vrouw, die door een economisch en zuinig beleid heel wat guldentjes bij elkaar gespaard heeft, waarvan de kinderen later geprofiteerd hebben.

In juni 1913 waren ze bijna eigenaar van het erve Bookholt, maar op het laatste moment heeft Herman Bookholt, die in Nordhorn woonde, de boerderij van de erven gekocht.

De oudste zoon Jan was vanuit zijn eerstgeboorterecht een tijdje de nieuwe boer, doch zijn vrouw Niesje de Vries was niet als boerin geschapen.

Zij verlieten daarom het erve Bookholt. Zeer spoedig daarna overleed Niesje en is hun zoon Herman Diederik, geboren op 13 augustus 1898, nog een tijdje op de boerderij geweest. Jan hertrouwde met Aaltje ter Horst en vestigde zich als kapper in Losser.

Frits was ook al geen boer, voelde meer voor de technische kant, en kwam voor zijn werk in Gronau terecht. Door verschillende oorzaken is dat geen succes geworden, althans niet wat men ervan had verwacht. Hij huwde met Neeltje Vreeling, en bracht de eerste kleinzoon voort. Ook een Berend Jan die werd geboren op 16 mei 1897.

Arend handelde in landbouwmachines, maar zag er later meer heil in om in Weerselo postkantoorhouder te worden. Hij huwde met Martha Ennink uit Lichtmis bij Dedemsvaart. Martha is al jong overleden. Zijn tweede vrouw was Johanna Wolffer op Veldmeijer.

Willem trok het vrouwelijk schoon wel aan maar na een mislukte liefde zag hij van de echtelijke staat af en bleef zodoende het oompje op het erve Bookholt.

Frederika, die vanwege haar invaliditeit niet geschikt was voor boerenvrouw, werd costumière. Ondanks het aanbod van Moeder Jannôken voor een plaats op het erve Bookholt en daarnaast ook nog een flink kapitaal voor haar vast te zetten, ging ze toch op vrijersvoeten, en zodoende werd Jan Vreeling de enige zwager bij de gebroeders Brilman.

Frederika, die volgens Vader Berend het trouwgeld niet waard was, is de oudste van allemaal geworden. In januari 1977 sloot zij de rij op 95 jarige leeftijd. Al de anderen stierven al jaren eerder. Dat de mens wikt, wordt hier nog eens bevestigd.

Het bij het erf gelegen Hannekerveld was het eerste voetbalveld in Losser, met Bernard Brilman als aanvoerder. Ook het klootschieten werd er beoefend. Het Hasselt, achter de schuur, was jaren lang de Losserse ijsbaan. Het paasvuur werd op hun veld ontstoken, en het schuttersfeest begon in “Brilmansdennen”. Al voor de Eerste Wereldoorlog getuigde de familie Brilman dus van haar creativiteit.

Toen, na die grote wereldoorlog, werd Nederland getroffen door de epidemie van de Spaanse griep. Deze ziekte velde het jonge krachtige leven van zoon Bernard. Hij liet een zeer grote leegte achter. Het was voor Jannôken een zware slag, en ook de overige familie had grote moeite dit grote verlies te boven te komen.

Inmiddels was Johan, in maart 1918, met Koos Besselink getrouwd. Zij bracht nieuwe krachten mee. Het was een ferme sterke vrouw, die niet van treuzelen hield. Nog hoor ik haar zeggen: “’t Lôp wa lôs”. Ze was een grote steun voor de moede, afgetobde moeder Jannôken.

Een klein voorbeeld van haar werklust:

           

In de herfst, de tijd van het aardappelrooien, zou Koos met Rika naar Enschede voor een nieuwe mantel. Koos, die een baby van twee maanden oud zelf voedde, zat krap in de tijd. Rika ging per trein via Oldenzaal - een andere reisgelegenheid was er niet naar Enschede - en Koos op de fiets. In het station Enschede geen Rika…! Koos naar Oldenzaal om te kijken waar Rika was, maar die was inmiddels naar Enschede vertrokken. Koos weer naar Losser om de baby te voeden, en daarna weer naar Enschede voor haar mantel. Toen Rika later weer in Losser arriveerde, was Koos al weer aan het aardappelen uitsteken. Tot spijt van de rooiers, want ze werkte zo vlug…!  Soms klikte dat niet altijd met Jannôken, die meer met haar hoofd dan met de handen werkte.

Jannôken overleed op 30 januari 1927, op 74 jarige leeftijd.

Inmiddels waren er toen al 5 jonge Brilmannetjes bij en er volgden er nog 5.

De tijden waren in de jaren ‘30 en ‘40 niet zo rooskleurig voor de boerenstand. Maar, ze hielden het hoofd boven water.

De boerderij was inmiddels geërfd door Jo Scheffer - Bookholt, die Duitse was.

Na de oorlog is de boerderij door het Beheersinstituut verkocht vanwege de Duitse nationaliteit der Bookholts. De hervormde kerk in Losser werd toen eigenaar.

Op 10 mei 1956, veel te vroeg voor degenen die haar lief hadden, overleed Tante Koos. En slechts een paar jaar later op 23 december 1958, zag men een herhaling op het erve Bookholt van een jong leven dat heenging. Corry, de jongste kleinzoon van Berend en Jannôken werd het slachtoffer van het verkeer. Ook toen, evenals in 1919, grote verslagenheid op het erve Bookholt.

Maar het leven gaat verder.

Berend Jan en zijn zonen hadden goed begrepen: “Gaat henen en vermenigvuldigt U”. Overzie thans de grote familieschare van verschillende pluimage waar Berend en Jannôken aan begonnen zijn.

De nu nog jongste kleinzoon is Gerrit, als opvolger van vader Johan.

De eerstgeborene Bennie ging op stap met de “witte boord”, dus geen boer.

Op 22 november 1950 huwde Jan met Betsy Kroep, en ging op het erve Bookholt wonen.

Bij nader inzien zag hij, om gezondheidsredenen, toch maar van het boerenleven af.

Wim, die vanuit Indië schreef: “Er is maar één Losser en één erve Bookholt” kreeg, bewust,  van zijn oom Jan een schop aangeboden. Maar ook dat was niet de boer. En de dochters Mien, Jos, Betsie en Jenny, dachten er niet aan. Nee…, niet zo’n leven als moeder…!

Dan brengt Johan de oplossing. Hij ontmoet Tine en zegt: “Ik heb een fijne broer, en die wil wel op het erve Bookholt boeren en wonen, als hij maar een goede vrouw had; mij dunkt, zoiets als jou zou hem wel zinnen”. En zie, het geschiedde. Tine werd op 27 mei 1961 de vrouwe van erve Bookholt, en daar is iedereen blij om.

Ze hebben er de schouders onder gezet en op 17 februari 1972 werd het erve Bookholt eigendom van Gerrit Brilman!!!

100 jaar Brilman op het erve Bookholt!!!

Voor het vergaren van de gegevens in dit verhaal is de oude familie in Bathmen bezocht. Het was een allervriendelijkst onthaal. Het huis waar opa Brilman in 1842 geboren is, is volledig intact en wordt nog door een Brilman bewoond. In Bathmen wonen zeer veel Brilmannen die, zo vertelde men ons, allen familie van elkaar zijn. Er woont ook, zoals gemeld,  familie in Olst, Wijhe en Diepenveen. Het was mij een waar genoegen dit aan u allen te mogen doorgeven. Met heel veel toewijding en liefde is alles verzameld. Indien er interesse is, en mogelijkheden, zullen we trachten nog verder in de geschiedenis te duiken, en degenen die dat wensen, gegevens verstrekken, maar dat zal nog wel even tijd vragen.

  Vrouwleu en maanleu, roar is wat, ik schei d’r oet met mien verhaal. ’n Hals wordt dreug. Loa’w d’r te hoop een mooi’n dag van maak’n.
  Lang leve de Brilmansfamilie.
  Op ’t erve Bookholt en wieder op in de wereld …!

De Dorpsbleek te Losser

Het groene monument

Eén van de Losserse monumenten is “de Bleek”. Dit groene monument in gras heeft tot nu toe alle stormen van vernieuwingsdrift overleefd. In oude documenten spreekt men van “de Bleike”.

Dit stukje oudheid, bestaande uit 4 sloten van plm. 3 meter breed en ongeveer 70 meter lang met op een einde een verbindingssloot en daartussen 3 grasvelden van zo'n 16 meter breed, ligt daar al sinds 1774 - volgens aantekeningen van Ds. Hulsken in het dagboek van Aleida Leurink.

Gedetailleerde aantekeningen van de aanleg zijn in de archieven niet te vinden. Wel raar, want zo'n karwei doe je niet in een achternamiddag. En het was allemaal handwerk. Voor het vullen van de beken heeft men ongetwijfeld gebruik gemaakt van het water van de op steenworp afstand lopende dorpsbeek. 

De gronden waarop de Bleek is aangelegd behoorden bij het voormalige erf Kopshof dat ten tijde van het ontstaan van de Bleek al verdwenen was. Het erf Kopshof behoorde evenals het erf Honiglo aan de Setters van het dorp Losser. Wie het voortouw voor het graven van de Bleek heeft genomen is niet uit de archieven te achterhalen maar we kunnen gevoeglijk aannemen dat de familie Teijlers hier de grondleggers van zijn. Alhoewel zij bij uitstek handelaren waren (koffie, thee en molenzaken) waren zij ook werkzaam in de textiel.

De kooplieden H. en T. Teijlers komen voor als ondertekenaren van een rekest van Twentse fabrikeurs in maart 1782 gericht aan de Ged. Staten van Overijssel. Een brief van 1766 is geadresseerd aan “de Heere Henricus Theodorus Teijlers coopman in linnen”. Verdere textielactiviteiten worden niet vermeld. Wel hun handel in gronden en koop en verkoop van huizen en boerderijen, waarvan er vele in hun bezit waren. Zij waren dus ‘dorpers in bonus’. Een belastingopgave van 1802 stelt hun vermogen op ƒ 20.000 en hun jaar inkomen op ƒ 700.

Jan Teijlers (de tweede) heeft zich ook met het textielvak bezig gehouden. Bij zijn dood liet hij “de Blekerij” benevens het bleekhuisje, de koperen ketels, de kuijpen etc., getaxeerd op
ƒ 1.358 na aan Albertus. Deze is evenals zijn broer Theodorus op 26 jarige leeftijd gestorven. Ook was er sprake van een spinnerij. De Bleek was dus eigendom van de Setters van Losser. In het boek “de Setters van Losser” ( inkomsten en uitgaven) wordt melding gemaakt van het verhuren van de Bleek. De gemiddelde huurprijs is twee gulden per jaar. Als huurders worden genoemd G. Smink, Hendrik Suthof, Juriaan Bruinink, Willem Schouwink en Gerrit Assink. We spreken hier over de periode 1796 - 1811. Onduidelijk is, of dit fabrikeurs waren, die het linnen bleekten, of dat zij de Bleek onderverhuurden. Textielactiviteiten waren er in het midden van de 19e eeuw in Losser volop. In bijna elk gezin stonden wel een of meer weefgetouwen, die overigens nog niet klepperden zoals later bij de automatisering het geval was. Maar met zo'n 50 "smet" (inslagen per minuut) probeerde men het schrale bestaan wat aanvulling te geven. In 1840 stonden er volgens een inventarisatie door de gemeente in Losser 640 weefgetouwen. Zij waren meestal plaatselijk in elkaar geknutseld. Bij openbare verkopen brachten ze tussen de 12 en 15 gulden op.

En nog wat …

Het wassen en (deels bleken op het gras) was vroeger voor de gemiddelde huishoudens een hele klus. Op zondagavond ging de wasketel al op het fornuis om de zaak voor te koken. En ‘s maandags voor dag en dauw was moeder al bezig met dit karwei. Het geribde wasbord was daarbij een welkom hulpmiddel (een wasmachine bestond nog niet). Het leek wel een wedstrijd tussen de buurvrouwen. Want wie laat was met de was aan de lijn, kreeg al gauw de naam van langslaper. Bij regenachtig en vriezend weer was de huiskamer het droogtoneel.

Een spijker in de beide hoeken van de kamer en diagonaal een lijntje maakte de huiskamer tot een spookhuis. Het was dan moeilijk laveren en betekende voor het opgroeiend spul zich koest te houden en dikwijls vroeg naar bed. Het kleine wasgoed kreeg, gehangen op stoelleuningen, een plaats bij de kachel met alle kans op schroei- of brandplekken. Geen kleinigheid dus de was, die groeide bij een klimmend kindertal. Bij deze wekelijks terugkerende bezigheid moest er dus niet te veel mis gaan. Een gebroken waslijn of een brandlucht, bracht moeder in alle staten.

Daarnaast moesten de opgroeiende kinderen klaar gestoomd worden voor de school. Je oren werden geïnspecteerd en uiteraard je hoofd, want dat bood een goede speeltuin voor allerlei ongemak en uiteraard de klompen die dagelijks uitnodigden voor een borstelbeurt.

Op de bewaarschool (nu kleuterschool) gelegen aan de Schuurkerkstraat zette je de eerste schreden voor verdere opvoeding. In mijn geval was dat een school geleid door zusters. Zuster Germana nam hier het voortouw. Met haar ernstige, gebrilde en licht gesproete gezicht had zij er de wind goed onder. Hier leerde je recht in de rij  staan, recht in de bank zitten, fröbelen, bidden en godvruchtige liederen zingen. Wie hierin uitblonk kreeg een plaatje met een heilige er op.

Wanneer zuster Germana in haar habijt door de klas schreed, kon je haar anderhalve kilo zware rozenkrans tussen de plooien van haar rok zien bengelen en bekroop je het angstige gevoel dat je daarmee in het kolenhok werd gedrost. Haar assistente, eveneens een zuster, luisterde naar de naam Geraldina. Haar roze gezicht stond altijd op lachen. Zij is, meen ik te weten, zeer oud geworden. Toch een tijd waar je met genoegen op terug blikt.

Op weg naar school kwam je in het dorp voorbij de slagerij van Noldus Douwma (ook huisslager) gelegen tegenover de r.k. kerk, ongeveer op de plaats waar Herman Riesewijk later een manufacturenzaakje dreef. Een half hoog houten poortje waaraan een grote koebel, kondigde je komst aan. Soms gaf moeder mij een briefje mee en knoopte in de punt van mijn zakdoek wat geld. Noldus las het briefje en knoopte het geld uit de zakdoek en knikte begrijpend. Na de school zou ik maar terugkomen zo mompelde hij. Op het briefje stond naar ik meen te weten, vaak het woord "anderhalf pond stompäf”. Ik heb dat woord nooit begrepen. Jaren later vertelde mij een ingewijde dat dit naar alle waarschijnlijkheid doorgewassen spek betekende. Ik kreeg nooit geld terug. Ook dat snapte ik toen niet.

Terug naar de Bleek

Op de hoek van de huidige bleek, waar de weg naar Gildehaus begint, dreef Jan Weemhof  (gehuwd met Joanna Luisman) aan het eind van de 18e eeuw een kleine smederij. Hij had deze smederij op 5 augustus 1786 gekocht van Willem ter Molen. De letterlijke tekst luidt:

Op 5 augustus 1786 heeft Jan Weemhof aangegeven dat hij op gisteren den 4e dezer heeft aangekoft van Willem ter Molen een Smitte met het gereedschap dat daarin was en sulks te samen voor F.140”.

In “Grondstukken en Bewoners” wordt deze plaats - of naam – “Kortjak” genoemd. Een bijnaam. Op de lijst van aangemaakte gronden en gezette nieuwe woningen (van 1786 tot 5 april 1794) in de Losser marke zien we een Arend Schoenmaker- alias “Kortjak”- aan de "Koekoek" een “striep” grond aanmaken. Blijkbaar liepen er toen meer “Kortjakken” in Losser rond. De naam heeft waarschijnlijk te maken met een type kleding .

Het perceel van Jan Weemhof is door verkoop in handen gekomen van de familie Kraesenberg en is in 1952 aan de gemeente verkocht.

Het bleekwachtershuisje zoals het er uitzag vóór de restauratie
Het bleekwachtershuisje zoals het er uitzag vóór de restauratie

‘s Morgens vroeg om kwart over vijf klopte de eerste wasvrouw aan bij de familie Smit, die van 1880 tot 1955 het bleekwachtershuisje bewoonde en toezicht hield op het reilen en zeilen van de Bleek. Ook hier gold “wie het lest komp möt achteran stoan”.

In 1948 heeft het gemeentebestuur de laatste Smit bereid gevonden tegen betaling van ƒ 950 het bleekwachtershuisje te verlaten. Dat is sindsdien volledig eigendom van de gemeente en wordt normaal verhuurd. Tot dat moment had de bleekwachter vrij wonen.

Iedere bleekvrouw mocht van de Bleek gebruik maken. Oud burgemeester van Helvoort schrijft in “Losser voorheen en thans” (1926): “Iedere bewoner der naaste omgeving gevoelde zich hier heer en meester op eigen terrein, om de was te spoelen en het goed te bleken. Van buiten de door de volksoverlevering scherp getrokken grenzen werd tot voor weinige jaren hier niemand geduld en waren de gebruikers hun eigen rechter. Door vestiging van vreemden zijn deze grenzen in de loop der jaren meer en meer vervaagd”.

Tot ongeveer 1953 is de Bleek nog gebruikt. Toen hebben natuur en traditie het hoofd moeten buigen voor de moderne chemische wasmiddelen. In 1960 is het beheer van de Bleek ondergebracht in een stichting.

De Losserse Bleek vormt nu met het in oude stijl gerestaureerde bleekwachtershuisje één van de weinige nog originele bleken in Nederland.

Joh. J. Luizink (overleden 10 augustus 2003)

De Bleek

  Wat har dat vroger te beteek’n;

  Dat was ne stie, woar de vrouwleu de waske gung’n bleek’n.

  Alle maondags gung ze met de waske op ne kaor,

  da wör dan doan deur de doochter of de moor!

  De waske legd’n ze dan op de groond

  met ’n lang’n stok met daoran ne kloomp

  maakt’n ze dan de waske nat,

  totda’j elk stuksk’n harr’n had.

  Nao ’n middag as de zun ’t wier dreug har braand

  legd’n ze ’t wier op d’aandre kaant.

  Men’t gaf ok mangs wal völ wil;

  ze vertoesken dan ’t spul,

  hier ne boks en daor’n hemd.

  O, mensk’n wat kek’n dan die vrouwleu vrömd.

  Dan stond’n ze achter ’t Bleekers schöpke te wocht’n

  tot dat de vrouwleu de heele bleek ofzocht’n.

  Men ’n aander dag moss’n ze ’t good in de bleek opspeul’n

  Dee költe kö’j an de haan good veul’n.

  Dan wör’t op hang’n bie good of slecht weer.

  Jao, zo verleup de waskedag van weleer!




  Lientje van de Motter

  (E.W. Nijkerken-Vermeulen, overleden 11 maart 2005)