Oet Dorp en Marke 2005 - 4

Inhoudsopgave

Van het bestuur
Agenda
Het tichelweark van ‘Mans’ Nijland in de Beekhoek
(Marcel Nijland)
Mijmeringen van een oud-Lossernaar
(Hans van Huizen)
Weg noar het verleden
(Stien Meijerink-Hannink)
Uitgaven van de Stichting Historische Kring Losser


Foto omslag:
‘Het meisje in de Froenstraat … en andere Lossernaren’, het nieuwe fotoboek van de Historische Kring Losser werd op 1 november 2005 gepresenteerd en was meteen een groot succes. Inmiddels is een tweede druk beschikbaar. De 110 foto’s van inwoners van Losser, Overdinkel, De Lutte en Beuningen  zijn gemaakt door Norbert Klein. Thea Evers schreef de bijbehorende teksten.

Van het bestuur

‘ Het meisje in de Froenstraat … en andere Lossernaren’

Op dinsdag 1 november 2005 werd in het gemeentehuis van Losser het nieuwe boek van de Historische Kring gepresenteerd. De eerste exemplaren werden aangeboden aan de heer drs. J.D. Westendorp, burgemeester van Losser, aan de heer Norbert Klein, de maker van de foto’s in het boek en aan mevrouw Monique Speerstra-Wilke, die als ‘Het meisje in de Froenstraat’ op de onbekende jeugdfoto, de titel aan ons nieuwe boek heeft gegeven.

Zo’n dertig genodigden woonden de presentatie bij. Burgemeester Westendorp en wethouder Pijnappel konden zich gelukkig toch vrij maken, want het onverwachte overlijden van de Syrisch-Orthodoxe bisschop Çiçek legde natuurlijk een geweldige druk op het gemeentelijke organisatievermogen om de gang van zaken rond de begrafenis in goede banen te leiden. Maar zij zagen toch kans om even uit te breken uit alle overleggen en zich bij ons te voegen.

Onze voorzitter, Thea Evers, stond er bij stil dat zij gemiddeld één keer per twee jaar de leuke taak had om een nieuw boek te presenteren. Onze laatste uitgave ‘Op en om een klein stationnetje’, over de geschiedenis van het spoor in Losser, dateert van april 2003. De Historische Kring bestaat inmiddels 36 jaar en in die periode zijn er 17 uitgaven geweest.


De aanbieding van de eerste exemplaren op 1 november 2005: v.l.n.r. Thea Evers, burgemeester Westendorp, Monique Wilke en Norbert Klein.(Foto Herman ten Brake)

De nieuwe uitgave met de intrigerende titel “Het meisje in de Froenstraat … en andere Lossernaren”, behoeft enige toelichting:

Gedurende de jaren 1979 tot 1995 maakte Norbert Klein foto’s van mensen uit Losser en de kerkdorpen. Bekende en minder bekende Lossernaren, mensen zoals u en wij, werden door hem vereeuwigd, thuis, in de tuin of op hun werk.

Deze mensen maken ieder op hun eigen terrein, deel uit van de geschiedenis van ons dorp in de twintigste eeuw. De geboortejaren variëren van 1890 tot 1948. Zij hebben deze geschiedenis ook mede vormgegeven, gewoon door hier te leven, maar ook door zich in te zetten voor de gemeenschap. De krant pakte dit heel aardig op met de kop “Geschiedenis schrijven, gewoon door te leven”. En zo is het ook. En dan gaat het niet alleen om de burgemeester, de arts, de notaris en de dominee, maar ook om de ambtenaar, de straatveger, de schillenboer en de vliegbasismilitair, de kruidenier, de bakker, de slager, de groenteboer, de textielarbeider de hovenier en de boer en de boerin enz. enz. Een doorsnee van de Losserse bevolking dus.

De maker van al deze foto’s, Norbert Klein, was van 1970 tot 1989 inwoner van Losser. Hij is nu woonachtig in Oldenzaal, maar nog wel altijd te vinden in zijn winkel “Optiek ter Braak”, Al sinds 1972 laat hij Lossernaren beter zien, eerst in een pand aan de Brinkstraat, nu al weer jaren aan de Gronausestraat, waar vroeger de boekhandel van de dames De Lange was gevestigd.

Norbert Klein was lid van de toenmalige Historische Fotoclub. Andere leden hielden zich bezig met het fotograferen van de veranderingen in het dorp. Hij besloot om de geschiedenis vast te leggen, niet alleen door het fotograferen van gebouwen, maar ook door het fotograferen van mensen.

Aan de selectie van de personen, die hij heeft vereeuwigd, ligt geen enkel systeem ten grondslag, zo verzekerde hij ons. Het was zijn keuze en het was meer “Van het een komt het ander”. En zo ontstond een serie van ruim 100 prachtige portretten van het formaat 40 x 30 cm.

De Historische Kring kwam in het bezit van deze foto’s en het bestuur vond het de moeite waard om van dit unieke materiaal een mooi boek te maken. Dat was een zeer tijdrovende zaak, waar alle bestuursleden met veel plezier aan hebben gewerkt. De geportretteerden, of hun familieleden, werden benaderd. Er moesten interviews worden afgenomen om de levensloop in kaart te brengen. En met behulp van de vele gegevens die zo bereidwillig werden aangedragen, konden de foto’s worden voorzien van een levensbeschrijving, die tegelijkertijd werd ingebed in de geschiedenis van ons dorp, door er veel historische bijzonderheden aan toe te voegen.

Zo is er een prachtige uitgave ontstaan, die een verrassend beeld geeft van mensen en hun levensloop. Mensen die u dagelijks in het dorp bent tegengekomen of nog steeds op straat kunt ontmoeten. Unieke persoonlijkheden, die tegelijkertijd model staan voor alle andere Lossernaren, die ook, ieder op zijn eigen wijze, de geschiedenis van onze gemeente mede hebben vormgegeven.

Door al die verhalen komt er een beeld naar voren van alles wat er in Losser veranderd en verdwenen is, vaak nog heel herkenbaar en heel recent: verdwenen gebouwen, winkels, beroepen, maar ook een verandering van mentaliteit. Het is bijzonder boeiend om door de verhalen van al die mensen een brok recente geschiedenis te zien.

De Historische Kring is veel dank verschuldigd aan iedereen, die dit bijzondere fotoboek mogelijk heeft gemaakt.

Op de eerste plaats Norbert Klein, want zijn prachtige portretten vormen de basis voor deze uitgave. Een selectie van de originele foto’s werd in de maand november tentoongesteld op de eerste etage van het gemeentehuis en in de hal van het verpleeghuis.

De geportretteerden en hun familieleden zijn wij ook zeer erkentelijk voor hun medewerking. Zij hebben de feiten uit hun leven aangedragen en dat leverde soms verrassende zaken op. Veel dank voor al het vertrouwen dat zij ons gegeven hebben.

En dan alle medewerkers aan het boek: bestuursleden, en inmiddels ook oud-bestuursleden van de Historische Kring, die vele uren hebben besteed aan het interviewen van mensen, waarbij ook de hulp van anderen niet onvermeld mag blijven.

En natuurlijk ook “Het meisje in de Froenstraat”, dat de titel aan het boek heeft gegeven en van wie de identiteit oorspronkelijk onbekend was. Na een oproep in  “Oet Dorp en Marke”, bleek zij de naam Monique Wilke te dragen, inmiddels Monique Speerstra-Wilke. Ook haar danken wij, omdat we de onbekende jeugdfoto voor de omslag van dit boek mochten gebruiken.

Het is een prachtig boekwerk geworden. 110 foto’s, 224 pagina’s en gebonden in een oplage van 500 exemplaren. De reacties waren overweldigend. Natuurlijk hadden wij op een succes gehoopt en de vele intekeningen wezen ook al in die richting. Maar dat de gehele oplage nog dezelfde week onder de mensen zou zijn, hadden we toch niet verwacht.

Gezien de grote vraag werd dan ook snel besloten tot een tweede druk, zodat het boek eind november weer beschikbaar zou zijn.

Wij hopen dat er nog veel mensen zijn verblijd door Sinterklaas en de Kerstman met deze nieuwe uitgave van de Historische Kring.

Rest ons om u hele fijne Kerstdagen toe te wensen en een gelukkig 2006.

Het bestuur.

Agenda

>Hieronder leest u wat tot het eind van dit winterseizoen op onze agenda staat. Alle bijeenkomsten worden gehouden bij Hotel Smit en beginnen om 20.00 uur (behalve de jaarvergadering!!).

Maandag 2 januari 2006

De eerste klap is een daalder waard en daarom houden wij direct op maandag 2 januari 2006 al onze  traditionele ‘Niejoarsvisite’. Om nog een cliché te gebruiken: “Goede wijn behoeft geen krans”: Stien Meijerink presenteert weer de gebruikelijke diaquiz. Succes verzekerd. En de boerenjong’s en knieperkes worden u aangeboden door het bestuur. Ze staan al in de brandewijn (de rozijnen…).

Dinsdag 7 februari 2006

Deze avond houdt de heer Bert Groothengel, streektaalconsulent van het Van Deinse Instituut een lezing met als titel “Twents door is niks mis met”. De belangstelling voor de eigen streek en daarmee ook voor de eigen taal zit duidelijk in de lift. Toch is waakzaamheid, met name met betrekking tot de streektaal, geboden. Bert Groothengel verstaat de kunst om dit onderwerp op een zeer levendige manier aan de orde te stellen.

Dinsdag 14 maart 2006

De heer G. Nijkamp uit Borne komt op deze avond naar Losser om voor ons verluchtigd met dia’s een lezing te houden over “Het boerenleaven van vrogger”.

Zondag 23 april

Om 13.00 uur begint de jaarvergadering. We staan even stil bij het afgelopen jaar, maar u wordt ook op de hoogte gebracht van onze plannen voor de komende tijd.

Na afloop van de (korte) vergadering gaan we op bezoek in ‘De mooiste Synagoge van Nederland’. Dat is dus de synagoge in de Prinsenstraat in Enschede! Lees en bekijk ter voorbereiding het gelijknamige boek dat na de restauratie van de synagoge in 2003 is uitgegeven.

In verband met het bepalen van het aantal benodigde gidsen voor de rondleiding is voor deelname aan de excursie naar de synagoge vooraanmelding noodzakelijk!!. U kunt zich vanaf nu tot uiterlijk 15 maart 2006 aanmelden via onze website, maar ook rechtstreeks via info@historischekringlosser.nl of telefonisch bij Georg van Slageren tel. 053 538 2850.

Het tichelweark van ‘Mans’ Nijland in de Beekhoek

Nijland Tichelleu

INLEIDING

Nadat Hermannus (Mans) Nijland op de veldoven van zijn vader Lambertus “Lutterherm” Nijland en zijn broers Johannes (Jans), Bernard en Marinus had gewerkt, begon hij in 1925 met een eigen steenbakkerij.

Het jaar 1917 was het eigenlijke einde van de veldoven van Lutterherm, in ’t Voswinkel. Daarna werden er geen stenen meer gebakken voor de verkoop. In april 1917 overleed Marinus Nijland en de broers hadden toen besloten de veldoven aan 't Voswinkel niet verder voort te zetten. Nadat de broers in de daarop volgende jaren, tot 1923 de laatste stenen voor eigen gebruik hadden gebakken, gingen ze hun eigen weg. Mans en Bernard werkten daarna op de steenfabriek/veldoven van Lindenbaum, die later werd gekocht door de gebroeders Osse. Jans had zijn boerderijtje aan de Snippertweg.

Nadat Mans enige tijd gewerkt had op de steenfabriek van Lindenbaum en Osse, ging hij nog een tijdje werken op een steenfabriek te Gronau. In december 1925 startte Mans Nijland met de voorbereidingen voor een eigen bedrijf. Hij zal zich wel niet gerealiseerd hebben dat hij daarmee een van de laatste veldovens van Losser startte. Mans vroeg bij de gemeente Losser een vergunning aan om een steenbakkerij op te richten met een Casseloven. Mans gaf aan dat de stenen werden vervaardigd met behulp van een steenpers, aangedreven door paardenkracht. Op 19 januari 1926 ontving Mans de bedoelde vergunning.

HET GEZIN HERMANNUS NIJLAND

Hermannus trouwde op 30 januari 1900 met Engelina Gervink. Hermannus was toen 34 jaar en Engelina 24 jaar. Engelina was de zus van Antonius Gervink, die in 1896 trouwde met Helena Nijland,  de zus van Hermannus. Vroeger zocht men de echtgenoten vaak in de noaberschop of zelfs in de reeds aangetrouwde familie.

Hermannus moest in 1885 gekeurd worden voor de Nationale Militie. Jonge mannen werden opgenomen in het lotingregister en konden dan worden opgeroepen voor dienst in het Nederlandse leger. Hermannus was in het jaar van de keuring 20 jaar en had de volgende kenmerken: “lengte 1,55 mtr, ovaal aangezicht, grijze ogen en blond haar”. Hermannus werd vrijgesteld van de Nationale Militie omdat hij  met zijn lengte van 155 cm te klein was.

Hermannus en Engelina kregen 4 kinderen:  Hans trouwde met Johanna Borggreve. Zij bouwden later een woning op de plek aan de Glanerbrugstraat, waar de steenbakkerij eerder stond.

Bernard  trouwde met Antonia Schovers en verhuisde naar Rijssen.

Geertruida trouwde met Gerhard Wensink. Zij woonden op de plek van de huidige autosloperij “Westerhof”. Mijn ouders gingen daar vaak op bezoek en dan mocht ik mee. Ik kan me nog goed herinneren, dat zij (Geertruida) koffie maakte in een ouderwetse koffiezetter of smörre , die altijd op de kachel stond.

Herman Bernardus woonde per 31 december 1934 in Huize Padua te Boekel in Brabant.

PLAATS VAN DE STEENBAKKERIJ

Zoals al vermeld in mijn eerste publicatie van Nijland Tichelleu (in Oet Dorp en Marke 2004-1), bevonden zich de veldovens en steenbakkerijen in de gebieden waar leem of klei in de bodem zat en deze gemakkelijk te bereiken was.

Het gebied waar Mans Nijland zijn steenbakkerij bouwde, bevond zich in de (klei)strook langs de Dinkel van Epe en Gronau via Glanerbrug naar Losser. De Glanerbeek stroomde achter de nieuwe steenbakkerij.

Mans Nijland  kocht in 1899 een perceel van bijna 1 ha groot, aan de rechterzijde van de Glanerbrugstraat, gezien in de richting Glanerbrug. Dit perceel ligt tegenover de woning van

J. Kwekkeboom aan de Glanerbrugstraat 11 te Glane.

Mans kocht dit perceel van Johannes Zwaferink en Wilhelm Viefhues, jeneverstoker te Glanerbrück in Pruisen. In het kadaster staat vermeld, dat hier een steenbakkerij is gevestigd, een erf en een gedeelte heide. Dit perceel was eerder van Gerrit Zwaferink en daarvoor kwam het uit de marke Losser.  (kad. I 3948).

In  een verslag van de landbouwcommissie, uit 1890, staat vermeld, dat er in 1889 ook al een veldoven aan de Glanerbrugstraat stond. Hier wordt dan kennelijk deze steenbakkerij bedoeld.

Wie de steenbakkerij destijds in eigendom had is nog niet bekend. Wel is bekend, dat grondbezitters zoals Zwaferink,  Deppenbroek, Viefhues en Dijkhuis hun gronden verhuurden c.q. verpachtten aan anderen om die te gebruiken als landbouwgrond of zoals hier, een steenbakkerij te bouwen.

Omdat er weinig is bijgehouden en geregistreerd, is het zeer moeilijk om hiervan iets te vinden.

Wel is bekend dat er in de directe nabijheid van de steenbakkerij van Mans Nijland, meerdere steenbakkerijen hebben gestaan van o.a. Vledder, Determan & Glanerschulte en De Jonge.

De resten van de oude steenbakkerij op het perceel dat Mans kocht van Zwaferink en Viefhues werden in 1927 gesloopt.

Op een stukje grond, naast de plek van de oude steenbakkerij, kocht Mans een erf met huis, van Jan Zwaferink, weduwnaar van Johanna Austede te Losser, wonende op ’t Zwaferink. (kad I  3946).

Mans Nijland ging hier wonen met zijn gezin.

BOUW VAN DE STEENBAKKERIJ

Mans, ook “Luttermenske” genoemd, bouwde zijn nieuwe steenbakkerij aan de overzijde,  op een perceel heide en weiland aan de Glanerbrugstraat op de hoek met de Glanergrensweg. Het perceel lag in 't Hooge Veald en was bijna 3 ha groot.  (kad.  I  4712).

Mans kocht dit perceel weiland en heide in 1915  van Hermannus Dijkhuis uit de Glane. Daarvoor kwam dit perceel uit  de Marke Losser.

Mans bouwde zijn steenbakkerij grotendeels in eigen beheer. De oven had een oppervlakte van   ongeveer 5 x 9 meter. De muren waren 88 cm dik en de binnenafmetingen van de steenoven waren 3,00 x 7,20 meter. Volgens de tekening bleken er 12 stookgaten en  2 rookkanalen  in de oven te zitten.  De ovenzolder werd in een boogvorm gebouwd en om instorting te voorkomen werden de zijkanten extra verstevigd door de dikke zijmuren.  De dikkere zijmuren hadden ook de functie om de warmte binnen de oven te houden.  De rookafvoer vond plaats door twee kleine schoorstenen.

De binnenhoogte van de oven was 3,30 meter.  De ingang van de oven was ongeveer 1 meter breed en 1,80 hoog.

Bij het opruimen van de resten van de veldoven, vond de huidige eigenaar Jan Kwekkeboom een aantal deurtjes/kleppen, die dienst hadden gedaan in de veldoven.  De deurtjes/ kleppen, een 40 x 40 cm vierkant ijzeren geraamte, met daarin 8 bouwstenen, waren aan de zijkant van de veldoven aangebracht met een scharnierend gedeelte, om als stookgaten en/of als luchttoevoer te fungeren. De openingen achter die kleppen hadden een diameter van ongeveer 30 cm en kwamen dus uit in de ruimte waar de stenen werden gebakken. Bij het opruimen  kwamen deze luchtgangen ook duidelijk te voorschijn.

Door deze ontdekking is de werking van de veldoven weer een stukje duidelijker geworden. Mans had in zijn vergunningaanvraag wel stookgaten in de zolder aangeduid, doch in die tijd deed men wel vaker niets uit op de bouwtekening en ging men met de bouw zijn eigen gang.

Uit verhalen van Marie Holst-Nijland, de dochter van Marinus Nijland, de steenbakker uit ’t Voswinkel, blijkt, dat zij zich van vroeger ook een aantal deurtjes kon herinneren, aan de zijkant van hun veldoven. Hier speelden ze vroeger en verwarmden appels voor de ingang van die deurtjes.


Plan tot het bouwen van een Casseloven

Mans noemde zijn steenoven in de vergunningaanvraag een “Casseloven”. Het begrip Casseloven heeft vermoedelijk te maken met de aard van de bouw en de voorzieningen zoals de  stookgaten, rookafvoerkanalen en afmetingen.

In die tijd moest bij ieder gebouw een privaat worden aangebracht. Kennelijk wilde men in die tijd ook niet, dat men ging wildplassen.

Mans heeft op zijn tekeningen niet aangegeven dat  hij droogschuren bouwde. Van oude foto's en verhalen bleek, dat Mans de daken van de oven en de vormloods liet doorlopen en dat  daaronder de groenlingen oftewel de ‘greune stenen’ lagen te drogen.

STEENPERS

Oorspronkelijk werden de stenen gevormd door ze op de grond met beide handen te kneden.  Bij de veldoven van “Lutterherm” Nijland in ‘t Voswinkel, werd de klei vermengd met water, gekneed door de  paardenhoeven.  Later werd de vormgeving verbeterd door een houten vormbak. Daarna werd  de steenpers ontwikkeld. Verschillende firma’s ontwikkelden steenpersen. De bekendste zijn die van J. Abersen, C.Schlickeysen uit Rosslau en de Emmerer Maschinenbau. De firma De Boer uit Nijmegen was een Nederlandse steenpersfabrikant.

Mans had in 1924 al een steenpers, die werd aangedreven door paardenkracht. De steenpers die hij in gebruik had, kon best nog eens afkomstig zijn uit de hierboven omschreven steenbakkerij,  aan de overkant van de weg. De steenpers bestond uit een soort vat of buis, die naar beneden taps toeliep. In die buis bevond zich een roerwerk, dat de klei vermengde met water en tot een verwerkbare substantie maakte. Het wormwiel drukte de klei naar buiten, waarna de kleimassa aan de onderkant uit de steenpers kwam en in de vormbak gedaan kon worden.

Het paard van Mans Nijland, kon door rondjes te lopen, de steenpers aandrijven.

Van deze werkzaamheden werd in 1925 een foto gemaakt door B. Holst. Hierop is duidelijk te zien, dat de klei in de molen werd gedaan door Hans Nijland.  Zijn vader Mans liet het paard rondjes lopen en zoon Bernard Nijland stond onder in een put. De onderste zijde van de kleimolen stond in een verdiept aangelegde put. Bernard pakte de groenlingen, die aan de onderzijde van de kleimolen werden afgesneden. Hierna legde hij ze op een plank.

Ik heb van Jan Poorthuis nog een vormbak van Mans Nijland gekregen, die bij de afbraak van de steenbakkerij door Marinus Zwaferink was gevonden.

RUW-OLIE-MOTOR

Mans Nijland was voor die tijd een techneut. Hij dacht voor zijn steenbakkerij allerlei dingen en zaken uit, die hem  zijn werk  op de steenbakkerij en het vervaardigen van stenen gemakkelijker maakten.  In maart 1927, een kleine 1 1/2 jaar later, vroeg Mans Nijland alweer uitbreiding aan van zijn vergunning. Hij wilde nu een 20 PK ruw-olie-motor aanschaffen om de steenpers aan te drijven. Ten behoeve van deze oliemotor wilde hij een machineberging bouwen van 12,00 x 5,44 meter. De oliemotor stond in die machineberging en de steenpers stond onder een aangebouwd afdak. De ruw-olie-motor kon hier droog staan en worden onderhouden. De steenpers kon onder het afdak aan alle kanten worden gebruikt.

Een ruw-olie-motor is een verbrandingsmotor, die een uiterst zuinig brandstofgebruik heeft en gebruik maakt van onverschillig welke soort ruwe olie, reststof of zelfs teer. De motor is voorzien van een grote cilinder met zuiger, vliegwiel, aanzetinrichting en brandstofreservoir. In de tijd, dat Mans zijn  oliemotor aanschafte was de voorraad brandstof niet groot en alles moest zo goedkoop mogelijk. Daarom was een ruw-olie-motor een ideale motor om allerlei soorten afval olie te verbranden. Zelfs teer kon in de motor verbrand worden.

De brandstof kwam in een reservoir, werd verwarmd door de uitlaat van de motor, werd hierdoor vloeibaar, waarna het door de leidingen naar de verbrandingsmotor liep. Deze maakte, dat de grote zuiger in de cilinder op gang kwam, waardoor het vliegwiel werd aangedreven en door middel van riemen en tandwielen, vervolgens de steenpers.

De ruw-olie-motor werd eerst door een slinger op gang gebracht. Ook zijn er motoren, die met hoge luchtdruk werden gestart.  Deze werkwijze van starten is vergelijkbaar met die bij de oude landbouwtractoren.

Ik ben in het bezit van een rekening uit het jaar 1926, waarbij een firma een ruw-olie-motor van het merk Ruston-Stockport wilde aanschaffen, voor een prijs van f 3000,-- tot  f 4000,--.

Mans zal mogelijk wel een ander merk oliemotor hebben aangeschaft, maar zal zeker wel diep in de buidel getast hebben.

VERGUNNINGVERLENING

Ten tijde van de veldoven in 't Voswinkel in 1890, werd er door de overheid nog niet zo strak op de regels toegezien. Mans Nijland had met de Hinderwet, het Veiligheidsbesluit en de Stoomwet te maken.  Er werd zelfs op toegezien, dat er wel of niet een stoommachine was geplaatst. Bij vroegere veldovens en steenfabrieken werden de steenpersen aangedreven door stoommachines. Mans had hiervoor al een oliemotor en de ingenieur van het stoomwezen rapporteerde dan ook, dat er op de steenbakkerij van Mans geen stoommachine aanwezig was. De aanvraag voor de vergunning werd ook "aangeplakt", zodat mensen bezwaar konden maken. De betrokkenen, kennelijk buren en grondbezitters in de nabijheid van de steenbakkerij, te weten de Nederlands Hervormde kerkvoogdij te Losser, de fabrieksarbeiders Hendrik Eijsink en Wilhelm Wallney uit de Beekhoek, het instituut St-Joseph te Hulst (van de paters Maristen uit het toenmalige St. Olavklooster, nu het Syrisch-Orthodoxe klooster) en Gerhard Tegeler uit Glanerbrug werden door de gemeente Losser op de hoogte gesteld van het voornemen een vergunning te verlenen. Op de hoorzitting op 12 april 1927 waren geen mensen gekomen, die bezwaar hadden tegen de steenbakkerij van Mans Nijland.

De bouw van de vormloods waar de ruw-olie-motor en steenpers werden ondergebracht, kon beginnen.

J.H. RÖMER

De steenbakkerij van Mans Nijland ligt bij vele oud Lossernaren nog in  hun geheugen, doch weinigen kunnen zich herinneren,  hoe het er precies aan toe ging.

Van een van de medewerkers van het museum “Nature Docet” te Denekamp, ontving ik enkele publicaties van de geologen A.G. Koenderink en J.H. Römer, waarin de steenoven van Mans Nijland uitvoerig werd beschreven.

De heer A.G. Koenderink beschreef een onderzoek naar het tertiair van Twente. Er bleken namelijk in de kleigaten van Mans Nijland, de Glanerbeek en directe omgeving, bijzondere krijtsoorten te zijn gevonden, het zgn “Weald”.  In een Jubileumuitgave van het museum Natura Docet uit het jaar 1936, beschreef hij de groeve Nijland.

J.H. Römer schreef in 1961 een speciale bijdrage over de geologie van Twente in het blad van de Geologische Vereniging “Grondboor en Hamer”. Hij beschreef de oude steenovens en kleigaten in Twente en tekende een zeer mooi verhaal op over de steenoven van Mans Nijland.

Henk Römer overleed op 27 oktober 2000 op 85 jarige leeftijd. Hij was erelid van de Nederlandse Geologische Vereniging. Römer was in 1915 in Enschede geboren en zijn grootvader had een boerderij, een steenoven en een spinnerij.  De belangstelling voor andere steenovens en kleigaten was daarmee gewekt. Römer ging vaak  met zijn fiets op pad  met zijn grondboor.

Hij ging bij verschillende boeren op hun gronden boringen verrichten naar de onderliggende grondsoorten. Daarbij kwam hij in gesprek met hen, waarvan vele mooie verhalen de ronde doen. Een oud vrouwtje vertelde een keer, dat men goud had gevonden. Toen Römer ging boren vond hij natuurlijk pyriet. Ook is er een verhaal, dat er in de omgeving van Glane asfalt was gevonden. Boringen leverden later een miniatuur olieveldje op.

In de publicaties omschrijft hij het Tertiair van Twente. Twente is van groot belang, omdat hier bijna alle fasen vertegenwoordigd zijn en dicht aan de oppervlakte te vinden zijn.

De grondlagen bij de groeve van Mans Nijland waren dezelfden als bij de bekende kleigroeve van Gerdemann uit Gronau (gelegen vlak over de grens bij Glane). Alleen was bij Mans alles miniatuur. De groeve Gerdemann heeft bestaan tot 1914. In deze groeve is een schat aan fossielen gevonden. Hier werd niet alleen klein goed gevonden, doch ook zeer grote fossielen, die bijzonder goed geconserveerd waren. Uit de groeve Gerdemann is de ‘Brancasaurus brancai Wegner’ afkomstig, die in 1910 werd gevonden. Dit is een ruim drie meter lange Plesiosauriër. Deze ligt nu in het Geologische Instituut te Münster.

Tussen het station Glanerbrug en Glane ligt vrijwel het gehele onderkrijt in al zijn geledingen. Verschillende lagen, Albien, Aptien, Baaremien, Hauterivien, Valanginien en Weald  liggen in mooie lagen onder elkaar.

Ook beschreef de eerder genoemde Römer een bezoek aan de steenoven van Mans in het jaar 1931. De heer Römer was destijds 16 jaar toen hij voor het eerst op de steenoven kwam.  Römer was amateur geoloog en bezocht Losser veelvuldig. Hij voerde grondboringen uit en bracht de ondergrond van Losser uitvoerig in kaart.

DE STEENOVEN

J.H. Römer vertelde over zijn bezoek aan de steenoven van Mans Nijland, die hij op 16 jarige leeftijd voor het eerst bezocht. Hij noemde het één van zijn gelukkigste ontdekkingen.

De keileem werd in de nabijheid van de steenbakkerij gewonnen. Mans Nijland had twee kleigaten van ongeveer 20 x 20 meter en 2 à 3 meter diep. In het ene kleigat vond hij kleilagen van het Valanginien en in het andere kleigat een zachte klei van het Weald met daartussen kalksteenbankjes vol schelpen.

Onder een loodsje trof hij een paar duizend stenen aan die winddroog waren. Römer trof daar vaak, zoals hij noemt; het oude baasje, aan en kakelende kippen die rondscharrelden. Hij heeft hier wel gelijk, want  Mans Nijland was destijds 65 jaar en had een zwaar leven gehad in de steenbakkerij.

De rook die opsteeg uit de oven had een zwak prikkelende geur van zwaveldioxyde, van het pyriet in de weald-klei.

Als er in de groeve werd gegraven, gooiden de mannen meteen de stenen en kalkplaten aan de kant.  Er werd altijd even aandacht geschonken aan de vondsten en men wist altijd te vertellen, wat er voor de dag gekomen was. De regen spoelde de stukken schoon en de toen nog schaarse verzamelaars sleepten de vondsten mee naar huis.

Römer ontdekte, dat er ook nog zandige keileem werd afgegraven aan de overkant van de zandweg  van Glane naar Glanerbrug. Dit is waarschijnlijk de achtergebleven kleigroeve van de oude steenbakkerij, die Mans Nijland had gekocht in 1899.

Römer trof daar ook aan, dat de mechanisatie bij de steenoven van Mans Nijland, al zijn intrede had gedaan.

In de vormloods van Mans Nijland stond een eenvoudige kleimolen en steenpers aaneengebouwd. Deze kon door één persoon worden bediend. De klei werd door een buis

geperst en de homp klei werd door een soort zaag, waarin een ijzerdraad gespannen was, afgesneden, telkens als er weer een greune steen naar buiten was geperst. De greune stenen werden in een vormbak gedaan en afgestreken met een soort troffel. Daarna werden ze op een plank gelegd en naar de droogschuur gebracht.

Nadat de klei enige tijd gedroogd had, kon men ze gemakkelijk uit de vormbak drukken, waarna ze nog enkele weken te drogen lagen in de droogschuur. Hierna begon men de stenen in de oven te stapelen, waarna het bakken begon. De stenen werden op een temperatuur van 1000 graden gebakken. De steenoven werd eerst met veel hout en turf opgestookt tot een hoge temperatuur. Vanaf de ovenzolder werden kolen toegevoegd door de stookgaten. In de oven waren ruimten tussen de gestapelde stenen vrij gelaten, zodat de kolen hiertussen konden branden.

Bernard Nijland, die in die tijd als stoker werkte bij de steenfabriek van Osse, hielp zijn broer Mans vaak op zijn steenbakkerij. Van mijn vader vernam ik, dat zij  vaak naar de steenbakkerij gingen en daar de nacht doorbrachten om het stookproces op gang te houden.

De zonen van Mans hielpen ook mee op de steenbakkerij. Bernard, die ook metselaar was, vervoerde de gebakken stenen naar de bouwplaatsen in de omgeving.

Voor die tijd had men in de veldoven in ´t Voswinkel en op de veldoven van Mans Nijland veel vakkennis en inzicht. Het stapelen en stoken vereiste veel kennis doch ook het graven en mengen was een knap staaltje werk.

Als het mengsel te vet was, dan barsten de stenen bij het bakken, was het mengsel te schraal, dan hing de steen als “los zand’  aan elkaar. Te vette klei werd verschraald door wat zand of keileem bij te mengen. Kalksteenbrokjes mochten niet in de klei, gips en pyriet ook niet. De bitumineuze schalie van het Weald was juist wel weer geschikt, omdat dit in de brandstof scheelde.

De stenen van Mans Nijland waren zeer hard. De stenen, die later gevonden werden, waren van binnen helemaal blauw van kleur. Mans gebruikte de keileem uit de groeve bij zijn nieuwe steenbakkerij en die uit de groeve aan de overzijde van de weg, waar de oude steenbakkerij had gestaan. Door deze keileem te mengen ontstonden er stenen van een betere kwaliteit.

De familie Engbers aan de Zoekerveldweg had haar boerderij gebouwd met stenen afkomstig van de veldoven van Mans. Mans had zijn stenen afgeleverd, doch door gebrek elders werden de stenen weer opgehaald en ergens anders op een bouwplaats afgeleverd. Engbers staakte hierdoor zijn bouw en ging verder toen er weer voldoende stenen gebakken waren.

Het is verder niet bekend, aan wie Mans Nijland zijn stenen nog meer leverde. Door brand in zijn woning is maar weinig bewaard gebleven van de administratie en andere belangrijke stukken. Aannemelijk is, dat de stenen werden afgeleverd in de directe omgeving van de steenbakkerij of werden opgehaald door de kopers.  In Glane, de Beekhoek en Glanerbrug zullen vast nog wel woningen staan, die gebouwd werden met de stenen van Mans Nijland.  En er zullen ook vele staan die gebouwd werden met stenen afkomstig uit Gronau en Epe, of de andere steenbakkerijen in die omtrek.

EINDE VAN DE STEENBAKKERIJ


Hermannus Nijland en Engelina Gervink

Hermannus “Mans” Nijland overleed op 18 november 1939, op 74 jarige leeftijd. Engelina Nijland overleed op 10 februari 1938 op 61 jarige leeftijd.

De drijvende kracht achter de steenbakkerij van Mans Nijland, was hiermee weggevallen en mede door de aanvang van de oorlog, ontstond er een gebrek aan brandstof en waren de erfgenamen genoodzaakt de steenoven stil te leggen.

In de droogschuren lagen nog ca 70.000  greune stenen, die allen verloren gingen.

Zoals hierboven al vermeld, was er van de administratie weinig overgebleven door brand. Vermoedelijk werd het afgebrande huis in 1935 herbouwd, waarna het na de dood van Engelina en Mans in 1939 werd verkocht.

Hans, de oudste zoon van Mans en Engelina Nijland nam de gebouwen van de steenbakkerij over, om deze in 1948 te slopen. Daarvoor al, bouwde hij  zijn woning, trouwde en ging  bij steenfabriek Osse werken.

In 1960 werd de oude vervallen steenoven gesloopt. Hans wilde een schuur bouwen en gebruikte de oude stenen van de steenoven als fundering. Bij de sloopwerkzaamheden ontdekte de  aannemer, dat de  zijkanten en de bovenkant van de oude steenoven waren bedekt met ijzeren golfplaten waartegen zand was gestort. De steenoven was toen al ontdaan van zijn schoorstenen en ovenzolder met de stookgaten. Om de steenoven destijds waterdicht  te maken, werd deze  middels  ijzeren golfplaten afgedicht.

Hans overleed op 2 februari 1974 en toen in 1984 de weduwe van Hans Nijland overleed, werden langzamerhand de laatste resten van de steenbakkerij van Hermannus “Mans” Nijland uit de “Beekhoek” te Glane opgeruimd. Bij deze opruimwerkzaamheden kwamen, zoals eerder vermeld, nog luchtkleppen en de luchtgangen van de ingestorte oven te voorschijn.

Op het  bidprentje van Hermannus Nijland stond vermeld: “Van krachten uitgeput stierf hij in een gelukkigen ouderdom”. Hermannus Nijland heeft vanaf 1890 tot aan bijna 1940, onafgebroken  in de steenbakkerij gewerkt. Vijftig jaar lang in weer en wind, in de kleigaten. Vijftig jaar lang bij de warme steenoven en dan weer de afkoeling in de buitenlucht. Duizenden en duizenden “groenlingen” en gebakken stenen in de handen gehad.

Dan kun je met recht zeggen: Van krachten uitgeput !!

Marcel Nijland (Denekamp)

Mijmeringen van een oud-Lossernaar

Voor mij is Losser een beetje thuiskomen.

Al is er veel veranderd, toch kom ik er altijd graag terug. Dan dwaal ik door het centrum met de oude toren, de markt, het Teylershuis, het Aleida Leurinkhuis en de hervormde kerk. Mijn gedachten worden dan haarscherpe beelden van hoe het was. De hervormde pastorie met de grote tuin, daartegenover het Froenshuis van Poorthuis (’n Vasterd). Ik ga langs het ‘Rooie dorp’ richting Dinkel en Zandbergen met aan de rechter zijde de weilanden, nog net als vroeger. Steevast bij hevige regenval, overstroomde dit gebied. Als er dan vorst overheen kwam werd het een ideale ijsvloer, waarop het heerlijk schaatsen was. Het was voor ons een ideale schaatsbaan en zo lang ik mij heugen kan werd het ‘de Welp’ genoemd.

Herinneringen aan de ‘goeie oude tijd’, die natuurlijk niet zo goed was, want het was tevens een gebrekkige tijd waarin we opgroeiden: de jaren dertig van de vorige eeuw. Crisistijd, armoede, zorgen, ook bij ons thuis. De zegeningen van de welvaartstaat waren in die tijd nog niet geteld. Zo was er bij ons voor de watervoorziening slechts de put en in de keuken een pomp. In de keuken ook een kolenfornuis waarvan de oven door ons dikwijls gebruikt werd om de voeten te warmen. In de winter was het boven, op onze slaapkamers, de ‘Noordpool’ met ijsbloemen op de ramen. Toch … bij alle ongerief waren we tevreden met wat we hadden en we voelden ons in dat huis veilig en geborgen.

Het is moeilijk de geborgenheid en het optimisme te beschrijven die ons bezielden op de weg naar volwassenheid. Er waren op die weg vele rustpunten met voor een kind belangrijke gebeurtenissen. Zo kwamen een paar keer per week ‘afgezanten’ van de grote kruidenierszaken bij ons op bezoek. ’s Maandags kwam Thijs Oord van ‘De Gruijter’ (En betere waar én tien procent!) om de behoefte aan boodschappen op te nemen. Woensdags kwam Hinze met zijn karakteristieke uitroep “Hier is Hinze van de ‘Veluwe’, ma’k d’r wal inkomm’n?” Ze hadden daarbij natuurlijk mooie verhalen, waarbij wij aan hun lippen hingen. Zaterdagavond kwam dan, om een gezellig eind aan de week te maken, bakker Wilke die alle tijd van de wereld had om spannende verhalen te vertellen, waarbij hij haast vergat om z’n geld te innen. Bij het weggaan kregen we een zak met eierkoekjes.

Maar het summum aan genot was het bezoek van Lampe uit Leeuwarden. Eduard Lampe, een nazaat van de Tüötten of Tödden, de in de zeventiende en achttiende eeuw door ons land trekkende Duitse marskramers die hun zelfgemaakte linnen te koop aanboden. In het interessante museum in Mettingen (Dld) bij hotel Telsemeijer, wordt de geschiedenis van Dreesmann, Brenninkmeijer, ten Brink en de Lampe’s beeldend weergegeven. Zo ook hun komst naar Nederland waar ze veel winkels hebben gevestigd. Lampe kwam geregeld in Losser waar hij ondermeer eigenaar en stichter was van de ‘Witte Bioscoop’. Het staat mij nog helder voor de geest, het eerste bezoek aan die bioscoop. Ik zal tien jaar geweest zijn en we gingen er met de school naar toe. We zagen een natuurfilm, dat weet ik nog en het binnengaan in die bioscoop was een gebeurtenis om nooit te vergeten. De van laag naar hoog oplopende stoelenrij met het rode en groene pluche was voor ons een sprookje.  Later vertelde meester Snel ons dat zo’n oplopende stoelenrij ‘amfitheatersgewijze’ heette. Lampe logeerde in Hotel Smit. Hij liet zich bij bezoeken in de omgeving vervoeren per taxi. In het oude postkantoor had hij een magazijnruimte en een expositielokaal. Daar waren zijn textielwaren o.a. wollen dekens, lakens, ondergoed etc. te bezien. Twee keer per jaar, in voor- en najaar, kwam hij bij ons thuis op bezoek. Een grote imposante man op een bijzondere fiets, een hoge fiets met een dubbele stang. Aan die stang hing een grote tas met een map waarin de stalen van zijn collectie en een fotoalbum. Hij was gekleed in een donker pak met een wit vest. Op dat vest een gouden ketting met een zakhorloge. Als kind mochten we op z’n knie zitten, voor zijn enorme buik. Hij haalde dan z’n horloge voor de dag, met een druk op een knopje klapte hij het dekseltje open en met een sleuteltje liet hij zien hoe je het horloge op moest winden. Hij vertelde mooie verhalen over zijn belevenissen in Leeuwarden, zijn reizen naar Zwitserland en zijn bezoeken aan familieleden in Mettingen. Daarbij liet hij z’n fotoalbum zien want hij was een verwoed fotograaf. Met verbazing zagen we de foto’s van het zwembad in Leeuwarden waar hij met z’n geweldige lichaam van de duikplank sprong. Na nog veel moois te hebben laten zien, maakte hij een afspraak en de volgende dag bezochten we zijn textielvoorraad in het oude postkantoor. Lampe een voor onze begrippen unieke man en voornamelijk een lieve oom, vertegenwoordiger van een voorbije, gemoedelijke tijd.

Hans van Huizen (Denekamp)

(Over Lampe is eerder gepubliceerd in Oet Dorp en Marke. De aflevering 2000-3 was geheel aan deze bijzondere man gewijd).

Weg noar het verleden

De Ruenbergerweg

Onder een 500 jaar oude lindeboom staande op het ‘Gut Rüenberg’, zo wordt gezegd, inspecteerde Chr. Bernard van Galen op 22 september 1665 zijn troepen bestaande uit zo’n 30.000 man voetvolk, de dag voordat hij zijn aanspraken op de Heerlijkheid Borculo in daden omzette en Twente binnenviel.(1)

De geschiedenis van het Huis Ruenberg, in aktes ook wel Welphusen genoemd, is veel en veel ouder dan 1665 want de ligging van het huis aan een eigen afgezonderde Es bewijst dat er hier al heel vroeg bewoning moet zijn geweest.

De Ruenberger Es is ingesloten door bos en hoewel er een klein gedeelte bij aangezet is, heeft de es zich niet verder ontwikkeld, zoals dat normaliter wel gebeurde wanneer meerdere leden van één stam zich vestigden aan de rand van de es en op hun beurt weer delen woeste grond in cultuur brachten en die bij de es aanzetten.

Opmerkelijk is dat de boerschappen die behoorden bij de curtis Ruenberg of Welphusen met “Hoek of Hook” worden aangeduid zoals de Tiekerhook, Schöttelkötterhoek en Spechtholthoek. Deze boerschappen kunnen niet tot de enclave Gronau hebben gehoord omdat Gronau ontstond uit het “Hues to Bocholte an de bruggen to Spechtholte” waaruit blijkt dat Spechtholte ouder is dan Gronau.

Vanuit Overdinkel ligt het ‘Gut Rüenberg’ in het verlengde van de Invalsweg, welke weg genoemd is naar de inval en het paardenkampement van bisschop Chr. Bernard van Galen. Over de Rijksgrens en óver de weg Gronau-Gildehaus, het half verharde pad met het bordje ‘Gut Rüenberg’ zo’n 300 meter volgen totdat men bij de boerderij aankomt.

De Ruenberger Es bevindt zich ter hoogte van de boerderij aan de rechterkant van de toegangsweg.

Tussen het boerenhuis en de riante villa kan men het pad volgen, over enkele droge rudimenten van grachten, tot aan de oevers van de Ruenbergerbeek die in Duitsland ook Schwarzbeck genoemd wordt.

Een, van Bentheimer zandsteen gemaakte, schutsluis getuigt van waterbeheersing in vroegere tijden evenals de Bentheimer zandstenen toegangspoort aan de andere kant van het landgoed.

Ongeveer op deze plek heeft het machtige riddergoed ‘Ruenberg’ gestaan. Helaas is er van het eens zo trotse kasteel niets meer terug te vinden.


de Bentheimer zandstenen toegangspoort van het‘Gut Rüenberg’

De eerste vermelding van de curtis Welphusen is op 3 december 1302.

In een acte van die datum koopt de bisschop van Munster het Leengoed van Heylewigis, Frau van Reinbertus de Remen.

De Van Remens waren verwant aan het geslacht Van Loen van de Borg Enschede en aan de familie Van Elen,waarnaar waarschijnlijk de boerschap Elen of Eilermark is vernoemd.

Strategisch gezien was het verstandig van de bisschoppen van Munster om in het Drielandgebied leengoederen, en daarmee zeggenschap, te verwerven en de expansiedrift van de bisschoppen van Utrecht en de Graven van Bentheim een halt toe te roepen.

Over de verklaring van de naam Ruenberg of Romberg is niet veel bekend. Algemeen wordt echter aangenomen dat de naam afstamt van reu dat voor hond staat. In het wapen van Ruenberg komt een hond voor. In oorkondes komt de naam in wel 20 variaties voor van Rodenberch, Ruddenberg, Roedenberg, Roenberg, Romberg en Royenberg.

Arend van de Rodenberhe had in 1475 gronden in de Marke Losser in leen van de Bisschop van Utrecht, waaronder ten Nijelande. (2)

De Zandbergen in Losser worden op oude kaarten ook wel naar deze Arend van de Rodenberghe, Arendsbergen genoemd.

In 1470 verkoopt Gerd van Keppel het Erbe ende Gut de Walephoff, anders geheten Rodenbergh aan Udo van Wűllen voor een bedrag van 500 Overlandsche Rijnsche Guldens.

Na de van Wűllens komt het riddergoed door huwelijk in de familie van Raesfeld.

In 1542 wordt Goswin von Raesfeld, zu Romberg und Nienborg, Droste zu Borculo door de bisschop van Munster beleend met dat Gut Ruenberg.

Na de zoon van Goswin von Raesfeld, Reiner von Raesfeld, Herr zu Middachten, Hersfeld Romberg en Nienborg gaat het Gut door huwelijk van de dochter van Reiner van Raesfeld, Ursula Philippina met Godert van Reede Graaf zu Athlone Heer te Ginkel en Amerongen over in het geslacht van Reede.

Hun zoon Reiner van Reede wordt in 1718 beleend met het Ruenberg, deze belening gaat later over op zijn zuster Margarita die getrouwd is met Baron van Isendoorn à Blois, Heer te Cannenberg bij Vaasen in Nederland.

Door hoge schulden wordt het Goed in het midden van de 18e eeuw verkocht aan een consortium bestaande uit de heren Niehues en Schlikker uit Schuttorf en een houthandelaar uit Arnhem. (2)

Aleida Leurink sprak in haar dagboek haar bewondering uit over de forse eiken die rond het Gut Ruenberg stonden.

Ze schrijft 23 aug.1748:” Wij na Wilpelo namiddag vaarden en na ’t Rüenberg, een heel dikke eykenboom besaegen, ik nooit so een dikken boom gezien hebben.” (3)

En van het bos zei men dat een eekhoorn kon gaan naar Ahaus zonder de grond te raken.

Nadat al de kostbare eikenbomen waren gekapt wordt het goed in 1853 verkocht aan Herman Hagels uit Gildehaus voor een bedrag van 33.761 Reichstaler.

Hagels zorgt ervoor dat het bos in ere wordt hersteld en in 1889 draagt hij het erf over aan zijn schoonzoon Heinrich Meier uit Gronau. Deze familie heeft het landgoed vererfd aan de familie Piesbergen. De boerderij is verpacht en in de villa woont nog steeds een mevrouw Piesbergen. (4)


Het voormalige riddergoed Welphusen of Ruenberg omstreeks 1700

De witte wieven op Ruenberg zuchtten:

Ick bin zo oald als het Ruenberger woold

Ick heb het dreemaol zeen wassen

Zo dick als molenassen

Ick heb het dreemoal zeen houwen

mer nich heb ick zeen

bier in ekkeldop brauen.(4)

Stien-Meijerink-Hannink