Oet Dorp en Marke 2006 - 1

Inhoudsopgave

Van de redactie
Van het bestuur
Jaarvergadering
Er heerscht hier overal een gespannen atmosfeer…
(J.G. Blokhuis)
Een grotere aardappel
(Engelien ter Heersche)
Weg noar het verleden
(C. Meijerink-Hannink)
Boekbesprekingen
(Redactie)
Ouwe Toren
(Hans van Huizen)
Uitgaven van de Stichting Historische Kring Losser


Foto omslag: Op 28 april 1992 onthulde burgemeester J. Smit een monument ter herinnering aan de Losserse Joden die niet terugkeerden uit de oorlog.  Het monument is ontworpen en gemaakt door de Oldenzaalse beeldende kunstenaar Antoinette Ruiter. Het initiatief voor de oprichting van het monument kwam vooral van (oud-wethouder) Herman Meijerink en zijn vrouw Marie. De Joden uit Losser waren een kleine en eigenlijk vergeten groep, die door het initiatief van de heer en mevrouw Meijerink op deze wijze, hopelijk voor altijd, in onze herinnering zullen blijven. Groot was de verontwaardiging in Losser toen in december vorig jaar het monument van zijn sokkel bleek te zijn gerukt en spoorloos was. Gelukkig werd het enkele weken later teruggevonden en staat de beeldengroep inmiddels weer op zijn oude plaats achter het gemeentehuis.

Van de redactie

Burgemeester Westendorp stelde in zijn nieuwjaarstoespraak 2006 onder andere de groeiende onverschilligheid in onze samenleving aan de orde. “Helaas moeten we vaststellen, dat de maatschappij in snel tempo verhardt. Ook het platteland lijkt daar niet aan te ontkomen. Onverschilligheid voor de ander steekt steeds meer de kop op, de zorg voor de ander komt steeds meer in het gedrang”, zo zei de burgemeester. Hij noemde in dit verband de diefstal van het monument voor de joodse inwoners van Losser die in de Tweede Wereldoorlog uit onze gemeenschap zijn weggevoerd.

Gezien de commotie die deze diefstal in onze gemeente veroorzaakte, leeft de herinnering aan de gebeurtenissen uit ‘de oorlog’ bij velen nog zeer sterk. Dat bleek ook toen wij een jaar geleden ons ‘Bevrijdingsnummer’ uitbrachten. Leden van de Historische Kring Losser schreven in dat dubbeldikke nummer hun herinneringen aan die turbulente tijd op, voor alle inwoners van Losser, Overdinkel en Glane.

En ‘de oorlog’ blijft onze leden inspireren.
Dat blijkt ook uit dit nummer van Oet Dorp en Marke Losser. De heer J.G. Blokhuis uit Enschede laat zien dat je historische verhalen nooit kritisch genoeg kunt lezen en toont naar onze mening onweerlegbaar aan dat enkele in het Bevrijdingsnummer en ook in andere literatuur als waar vermelde  feiten niet juist kunnen zijn. De herinnering speelt mensen na zoveel jaren blijkbaar wel eens parten.
Engelien ter Heersche ging op visite bij Hannes Schnieders aan de Zoekerweg en legde diens herinneringen aan de oorlogsjaren voor het nageslacht vast. Zo boeiend dat ze vergaten ‘de koffie te drinken’.

Beide schrijvers debuteren met deze bijdragen in Oet Dorp en Marke. Wij hopen dat hun voorbeeld andere leden inspireert om ook eens wat voor ons ‘clubblad’ te schrijven. U zult zien dat het erg leuk is om iets over eigen ‘onderzoek’ op papier te zetten en dat ook gedrukt te krijgen. Lang niet elke ‘amateur-historicus’ beschikt over zo’n podium!

Verder vindt u in dit nummer bijdragen van u al bekende auteurs en een bespreking van enkele recent verschenen boeken, waarvan wij denken dat die voor onze leden interessant kunnen zijn.

Van het bestuur

Een nieuwe penningmeester

Ongeveer een jaar geleden is de heer Harry Dekkers tot het bestuur toegetreden. Overleg binnen het bestuur over de taakverdeling heeft er toe geleid dat hij onlangs het penningmeesterschap heeft overgenomen van Georg van Slageren, die daarmee ‘verlost’ is van de (ongewenste) dubbelfunctie secretaris/penningmeester.

Wijziging adres boekverkoop
Als gewoon ‘lid’ van de Historische Kring merkt u niet zoveel van een wijziging in het penningmeesterschap. Wat wel verandert is het adres waar u de uitgaven van de Historische Kring kunt kopen.

Vanaf nu zijn de boeken van de Historische Kring Losser verkrijgbaar bij de penningmeester:

H. Dekkers
Ludgeruslaan 12
7581 DD Losser
tel. 053 5387993

Jaarvergadering

De Historische Kring Losser is het jaar 2006 goed begonnen met een zoals gewoonlijk druk bezochte Niejoarsvisite op 2 januari. In de maanden februari en maart gevolgd door boeiende en ook goed bezochte lezingen van streektaalconsulent Bert Groot Hengel over de toekomst van het Twents en de heer G. Nijkamp uit Borne over het oude boerenleven.

Nu staat alleen de jaarvergadering nog op de agenda.

Zondag 23 april

De jaarvergadering vindt plaats op zondag 23 april om 13.00 uur bij Hotel Smit. We staan even stil bij het afgelopen jaar, maar u wordt ook op de hoogte gebracht van onze plannen voor de komende tijd. Zoals u in de krant hebt kunnen lezen zijn we met de gemeente ‘in de slag’ om eindelijk eens over een eigen ‘hoes’ te kunnen beschikken.

>Na afloop van de (korte) vergadering gaan we op bezoek in ‘De mooiste Synagoge van Nederland’. Dat is de synagoge in de Prinsenstraat in Enschede! Lees en bekijk ter voorbereiding het gelijknamige boek dat na de restauratie van de synagoge in 2003 is uitgegeven.

In verband met het bepalen van het aantal benodigde gidsen voor de rondleiding was voor deelname aan de excursie naar de synagoge vooraanmelding noodzakelijk. Aanmelding is nu niet meer mogelijk. We zitten met 40 aanmeldingen (twee groepen van 20 personen) helemaal vol!

De rondleiding begint om 14.30 uur en we vertrekken uiterlijk 13.45 uur vanaf het Raadhuisplein. We gaan met eigen vervoer en zoals we gewend zijn rijden we zoveel mogelijk samen. Mochten er deelnemers zijn die niet over vervoer beschikken dan kunnen die contact opnemen met de secretaris van de HKL, Georg van Slageren (tel. 053 538 2850).

Er heerscht hier overal een gespannen atmosfeer…

“Niet alles wat in Oet Dorp en Marke Losser te lezen valt is altijd volkomen juist…”, zo vertrouwde de heer J.G. Blokhuis uit Enschede  vorig jaar augustus een redactielid van dit tijdschrift toe tijdens een toevallige ontmoeting ten huize van de familie Bourgonje in Losser. Die opmerking was natuurlijk niet aan dovemansoren gericht en het ligt voor de hand dat wij hem uitdaagden om dan maar eens op te schrijven wat hij zoal  aan ongerechtigheden had geconstateerd. De heer Blokhuis nam de uitdaging aan en schreef het volgende.

Bij mijn opmerking doelde ik vooral op de artikelen over de bevrijding van Losser in 1945, een periode die ik bewust heb meegemaakt ook al was ik toen nog slechts acht jaren oud.

Ondanks de oproepen in de nummers 2, 3 en 4 van de jaargang 2004 van Oet Dorp en Marke, kwam ik er niet toe om mijn verhaal op papier te zetten en aan u op te sturen. Dit ontneemt mij het recht om nu nog op- en aanmerkingen te maken.

Anderzijds blijf ik van mening dat alles wat over geschiedenis geschreven en gepubliceerd wordt zoveel mogelijk juist moet zijn. Niet altijd is te achterhalen wat er in het verleden precies gebeurd is, maar zeker wat de bevrijding betreft, waar we het hier over hebben, moet het nog mogelijk zijn te achterhalen wat er precies is gebeurd.

Net zoals mij zal het u wel eens overkomen zijn dat u dacht iets volkomen zeker te weten, terwijl u later tot de conclusie kwam dat het toch wel iets anders was geweest dan u gedacht had. Dit is mogelijk ook wel een reden waarom ik niet zo snel iets op papier zet. Vooral als iets over historische zaken gaat zou dit door zoveel mogelijk mensen moeten worden gecontroleerd, is mijn opvatting.

Genoeg hierover, nu de zaken waar ik opmerkingen over heb.

Laat ik beginnen met de (herhaalde) oproepen. U vraagt mensen de pen ter hand te nemen en hun verhaal op te schrijven. Ik ken veel mensen waarvan ik niet verwacht dat ze nog zullen schrijven maar die honderduit zouden vertellen als hun iets gevraagd werd. Zelf heb ik vroeger veel gesprekken met een cassetterecorder opgenomen en met wederzijds veel voldoening gebruikt. Bij het lezen van de oproepen bedacht ik dat mogelijk veel interessante verhalen met zo’n recorder behouden konden worden. Ik weet niet of de Historische Kring Losser op deze manier werkt maar mogelijk is dat toch het overwegen waard?

Concreet heb ik met betrekking tot het Bevrijdingsnummer van Oet Dorp en Marke (2005/1) de volgende opmerkingen.

Onder de titel “Mensen ga naar buiten, de bevrijders komen er aan” heeft Johan Bos  zijn herinneringen opgeschreven. Hij schrijft dat de familie Bos op paaszaterdag wijwater wilde halen maar dat toen het kruispunt bij Van der Wal al was opgeblazen en dat ze onverrichter zake weer naar huis gingen. Het opblazen van dit kruispunt gebeurde echter later namelijk in de avond of nacht tussen de eerste en tweede paasdag. Zou het ook kunnen zijn dat de Duitsers op paaszaterdag toen Bos wijwater wilde halen, bezig waren de springstof onder de straat aan te brengen en dat de familie Bos daarom niet doorgelaten werd?

Wat de heer Bos over de Martinusschool schreef herinner ik mij ook. Ik heb toen ook les gehad in het Jeugdhuis maar ik herinner me ook dat we daar op een gegeven moment uit moesten en dat we toen ook nog enige keren les hadden in café Veldhuis. Ik neem aan dat toen ook ander cafés zo werden gebruikt. Wat ik me niet herinner is of die cafélessen tijdens de Duitse bezetting waren of later toen de geallieerden al hier waren. Want ook onze bevrijders hebben korte tijd in de Martinusschool gebivakkeerd.

In Oet Dorp en Marke 2005/2 haalt Alphons Lussing herinneringen op aan de oorlogsjaren. Op bladzijde 7, rechtsonder, schrijft hij dat Mozes Zilversmit met zijn vrouw en andere gezinsleden werden afgevoerd. Ik meen echter te weten dat Mozes Zilversmit al midden dertiger jaren, dus zo rond 1935 is overleden. Ergens moet ik iets bezitten waar dit in staat, maar ondanks enig zoekwerk vond ik dat nog niet.


Mozes Zilversmit, geboren 27-04-1883 in Losser overleden 15-02-1934 in Losser.(foto archief HKL)

Tijdens het gesprek in augustus 2005 kwam ook het dagboek van mijn vader ter sprake en ik heb toen gezegd dat ik wat hij over de bevrijding schreef zou overschrijven. Ik ga dit hieronder doen waarbij ik alles letterlijk zal overnemen, dus inclusief de soms wat minder juiste zinnen en inclusief taalfouten.

Donderdag 29 maart 1945

In enkele jaren heb ik het schrijven verwaarloosd, het is wel jammer want er is hier veel gebeurd en ik heb veel meegemaakt in die jaren wat het opschrijven wel waard geweest was, doch er was nog al eenige risico aan verbonden, of liever gezegd het was gevaarlijk, om alles wat men in die tijd meemaakte zoo maar zonder meer op te schrijven, en toen eenige jaren geleden, ik meen dat het was in de zomer van 1942, de Centrale Recherge hier huiszoeking kwam doen en alles nasnuffelde en zelfs dit boekje gingen doorlezen toen dacht ik bij mij zelf, ik zal het schrijven voorlopig maar staken. Maar nu is de oorlog zoo ver gevorderd dat we hier in Twente ieder ogenblik bevrijd kunnen worden. Vandaag heb ik nog in Bentheim gewerkt en morgen is het goeden Vrijdag dan wordt er niet gewerkt en Zaterdag is het maar een halve dag dan ga ik er niet naar toe en Maandag is het Paaschmaandag en dan tegen Dinsdag, in vier dagen kan er heel wat gebeuren.

Zaterdag 31 Maart 1945

De toestand wordt spannend, men beweerd dat de Geallieerde troepen tusschen Munster en Gronau zijn, dan kunnen ze vannacht of morgen hier zijn.

Zondag 1 April 1945

1ste Paaschdag. Het schijnt dat de Duitsche Soldaten hier wegtrekken omdat ze bang zijn dat ze worden ingesloten. Men zegt dat de geallieerden reeds in Enschede zijn en dat de stad reeds bevrijd is, het is haast niet om te geloven. Tegen den avond wordt de toestand hier critiek, de Duitschers die hier nog zijn stellen kanonnen op bij Schulten en Luizink en ook aan de Oldenzaalsche straat, het schijnt dat er hier gevochten zal worden. Juist toen we wat wilden eten tegen ongeveer 7 uur kwamen veel menschen hier langs lopen die allen van de straat (Dat was de Enschedesestraat;J.G.B.) weg vluchten omdat het hier te gevaarlijk wordt, we konden kanongebulder en geweerschoten hooren.
We zijn toen maar in de kelder gegaan, ook Gerhard Ipskamp en z’n vrouw en kind, die naast ons woont kwamen bij ons in de kelder, voor vrouw Ipskamp die Palmzondag ’s avonds in het Kraambed kwam was dit een moeilijk geval temeer daar onze kelder niet groot is en wij er nu met 9 man in zaten te wachten op de dingen die komen zouden.

We hebben ons avondeten (we hadden met moeite nog een paar eieren gekregen) opgemaakt, daarna een paar geïmproviseerde bedden gemaakt voor vrouw Ipskamp en onze kinderen.Voor de beide babies, waarvan die van Ipskamp 7 dagen en die van ons 21 dagen oud was, hadden we een bedje gemaakt op de aardappelen, deze lagen rustig naast elkaar te slapen, ook onze drie andere kinderen sliepen weldra in.

Het was dan ook tamelijk rustig, wel hoorden we geregeld kanongebulder, we vermoedden in Glanerbrug en Lonneker. Tegen 11.15 uur kwam er een geweldige knal waarvan het heele huis schudde, de kinderen werden wakker, vooral Annie was bang maar we konden ze nogal gauw weer kalm praten. Juist tegen kwart voor twaalf kwam de tweede knal, deze was erger. Trui die voor het kelderraam zat kreeg al het glas in den nek trots dat ik den koekoek van buiten nog wel dichtgelegd had met groene dennen takkebosschen. Trui en ik we hadden heel wat moeite om de kinderen weer kalm te praten, we waagden ons echter niet uit den kelder, tegen kwart over twaalf nogmaals zoo’n knal doch niet zo hard als de vorige, het leken wel bommen maar we hoorden geen vliegtuig, granaten waren het ook niet daarvoor dreunden ze te hard, we wisten dan ook niet wat we er van denken moesten. Nadat we een halfuur gewacht hadden en het nu tamelijk rustig bleef ben ik eens  even gaan kijken maar ik kon de buitendeur bijna niet los krijgen, het slot was er uitgerukt.

Toen ik buiten kwam lag het overal bezaaid met dakpannen, bijna alle ruiten waren er uitgedrukt, de voordeur lag aan 5 stukken in de gang, bijna alle pannen er af, het zag er verschrikkelijk uit, bij Gerh. Ipskamp was het precies eender evenals bij onze andere buren, ik ben maar weer gauw in den kelder gegaan daar het me buiten nogal gevaarlijk leek.

Even later kwam Sisca Kuipers (die bij Schansert in de kelder was met de kinderen) bij ons met Annie Schansert, ze vertelden ons dat Schansert zelf door een bomscherf gedood was, hij had even in de voorkamer staan kijken met z’n zoon en dat werd hem noodlottig. Den nacht verliep verder tamelijk rustig zonder dat er nog iets bijzonders gebeurde.

Maandag 2 April 1945

Paaschmaandag, het is vanmorgen zoo rustig, we merken er zelfs niets van dat we hier in de frontlijn zitten, dat geknal van vannacht kwam doordat de Duitschers de straten hebben opgeblazen, eerst de Oldenzaalschestraat, toen hier de Enschedese straat en daarna nog den Hogeboekelderweg, de uitwerking was overal verschrikkelijk het huis van v.d. Wal lag met de grond gelijk, alle huizen hier in de buurt werden min of meer ernstig beschadigd.

De Duitsche soldaten loopen hier zoon beetje doelloos rond, men zegt dat de leiding heelemaal weg is en dat we hier ingesloten zijn, na den middag hoorden we dat de Geallieerden Glanerbrug gepasseerd zijn en langs den zandweg naar Glane verder naar Overdinkel oprukken, ook zouden ze Oldenzaal reeds gepasseerd zijn, we zien overal Duitsche soldaten loopen met Pantservuisten en verder zwaar gewapend, velen ervan zijn beschonken en daarom is het zeer gevaarlijk buiten, de meeste menschen blijven dan ook binnen, tegen 4 uur wordt er gezegd dat de Duitschers Losser willen verdedigen, een officier had dit bevolen  doch de Soldaten willen er niets van weten, ik heb tenminste met verschillende Soldaten gepraat die het niets meer kon schelen en die overal aan dachten behalve aan vechten.

Er heerscht hier overal een gespannen atmosfeer en de spanning steeg ten top toen tegen half zes bericht kwam dat de Duitschers hier zich hadden overgegeven.
Werkelijk  zien we even later dat overal groepjes Duitsche  soldaten weg trekken in de richting Bardel waar ze misschien nog willen trachten te ontkomen, tegen de avond is hier alles even rustig, we zien geen soldaten meer en we horen hier dichtbij ook niet meer schieten, den nacht verliep ook volkomen rustig, ik had boven een slaapkamer voor de kinderen een beetje dicht gemaakt. Vrouw Ipskamp sliep bij Trui in de voorkamer en Gerhard en ik hebben in de keuken geslapen waar we een paar matrassen op de vloer hadden gelegd.

Dinsdag 3 April 1945

Nog zag ik hier vanmorgen een Duitsche soldaat loopen maar dit is de laatste welke ik gezien heb, het is overal druk de Engelsche tanks kunnen hier ieder oogenblik verwacht worden. Toen we tegen een uur of tien in het dorp waren zagen we de eerste gevechtswagens, de vlaggen werden overal uitgestoken en ook hadden de ondergrondschen reeds een begin gemaakt met het oppakken der N-S-B-ers wat natuurlijk nogal wat opzien verwekte, er was met al die drukte natuurlijk veel volk op de been, er werdt gehost en gesprongen vooral door de jongelui.”

Tot zover wat mijn vader schreef over de dagen van de bevrijding. In grote lijnen kan ik me al wat hierboven staat wel herinneren, soms zelfs gedetailleerder dan vader het beschreven heeft. Niettemin denk ik dat veel - of alles -  nog eens gecontroleerd zou moeten worden. Zelf dacht ik dat te doen met het boek van J. Luizink, maar ook daarin kwam ik zaken tegen die volgens mij niet juist zijn. Bijvoorbeeld - Op bladzijde 199 van het boek ‘In Losser is niets gebeurd…’, drie regels van onderen, staat dat het kruispunt Enschedesestraat-Broekhoekweg, dat is dus waar Van der Wal woonde en waar, als ik het goed heb, ook de familie Luizink vlakbij woonde, reeds in de nacht van 30 op 31 maart 1945 werd opgeblazen. Dit gebeurde echter twee dagen later. Op bladzijde 227 van hetzelfde boek staat dat het op 1 en 2 april 1945 stil was in Losser. Over 2 april schreef vader ook zoiets maar op 1 april is dat toch anders geweest.


De akte van overlijden van Jan Schansert

Op bladzijde 260 staat m.i. de sterfdatum van J. Schansert verkeerd, ook moet dacht achter Schanser nog een ‘t’ en woonde Schansert niet aan de Enschedesestraat maar aan de zandweg die later Voswinkelsteeg heette. Of die naam er in de oorlog ook al was weet ik niet. U ziet wel, redenen genoeg om al wat ik hier geschreven heb nog eens te controleren voordat het allemaal als juist ergens wordt vastgelegd.

Door omstandigheden heeft het wat langer geduurd voor ik er toe kwam om te schrijven, maar ik hoop dat ik er u niettemin enig genoegen mee doe.

J.G. Blokhuis

Naschrift van de redactie

De heer Blokuis heeft helemaal gelijk met zijn constatering dat het kruispunt Enschedesestraat-Broekhoekweg niet werd opgeblazen in de nacht van 30 op 31 maart 1945, maar twee dagen later in de nacht van 1 op 2 april. De aantekeningen in het dagboek van zijn vader maken dat al erg aannemelijk. De datum 2 april 1945 waarop Jan Schansert, blijkens de door ons opgevraagde akte van overlijden, is gestorven maken het bewijs volledig.

Ook de opmerking dat Mozes Zilversmit niet is weggevoerd maar al eerder is overleden blijkt juist te zijn. Uit ons ter beschikking staande gegevens (zie bij de hiervoor afgedrukte foto) blijkt dat deze in 1934 is overleden.

De heer Blokhuis heeft met dit artikel ons, en naar wij hopen ook onze lezers, veel meer dan - zoals hij zelf  bescheiden opmerkt -‘enig’ genoegen gedaan en daarvoor willen wij hem bij deze heel hartelijk bedanken.

 

 

Een grotere aardappel

Het speciale nummer’van Oet Dorp en Marke (2005-1), ter gelegenheid van ‘Zestig jaar Bevrijding’, dat indertijd huis aan huis is bezorgd, leverde nog meer reacties op over mensen en hun belevenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Niet alleen Nederlanders hadden het moeilijk in de oorlog. Ook voor Duitsers die in Nederland woonden brak een moeilijke periode aan. Als zogenoemde ‘Rijksduitsers’, hadden zij het vaderland te dienen, ook al voelden zij zich vaak helemaal geen Duitser meer en woonden zij hier soms al hun hele leven.

Een grensdorp als Losser kende verschillende inwoners met de Duitse nationaliteit. In Oet Dorp en Marke (1995-1) heeft Aloys Kortemeier (1911-2001) zijn belevenissen wereldkundig gemaakt. Tien jaar later, in het speciale nummer uit 2005 bracht Gusti Zurhorst zijn persoonlijke verhaal als kind van een Rijksduitser naar buiten.

Nu is het Hannes Schnieders die na ruim zestig jaar zijn belevenissen vertelt en ook de foto’s bij dit artikel  beschikbaar stelde.

Op visite bij Johannes Gerhardus Schnieders

Het is december 2005 en ik ben op visite bij Hannes Schnieders aan de Zoekerweg in Losser. Hij laat me zien hoe hij woont. Ruime kamers ingericht in oude stijl en veel portretten van zijn vrouw, kinderen en kleinkinderen. Zijn gezin is hem alles. Intussen zet hij koffie en begint te vertellen.

Hij is geboren op 22 maart 1913 in de Zoeke in Losser op de boerderij waar hij nu al 92 jaar woont. Hij werd vernoemd naar zijn twee ooms Jans en Graads Elferink. Zijn vader is zes jaren nadat zijn vader en moeder trouwden, gesneuveld in de Eerste Wereldoorlog 1914-1918. Zijn moeder trouwde opnieuw en uit dat huwelijk werden nog vier meisjes geboren. Zijn moeder stierf in 1939.

Hannes verdiende de kost door te werken in de Frisia-melkfabriek, die stond op de plek waar nu Hassing Sport is gevestigd (daarvoor Olde Riekerink). Hij maakte daar lange dagen en soms moest hij ook ’nachts werken.

Op 10 mei 1940 kwam de Duitse inval in Nederland. Intussen kreeg Hannes verkering met Truus van de Snippert. Samen met Truus ging hij naar de bruiloft van het echtpaar Stockmann. Toen hij thuiskwam vond hij  ‘De Brief’. Het was een oproep voor militaire dienst. De Kriegs Verwendung Heimat had hem nodig.

Hannes kwam in gewetensnood. Hij woonde in Nederland, maar moest in Duitsland in dienst. Omdat zijn vader, die hij nauwelijks had gekend, Duitser was, werd Hannes ook als Duitser beschouwd. Hij probeerde er onderuit te komen. Huisarts Van Schie zou hem helpen, door te verklaren, dat hij aan chronische ischias (heupzenuwontsteking) leed. Het mocht niet baten: ‘Das untersuchen wir selbst’, kreeg hij als antwoord terug.

Op 14 januari 1942 moest Hannes vanuit Oldenzaal per trein vertrekken naar Rendsburg, een plaats in Schleswig-Holstein en een belangrijk verkeersknooppunt bij het Nord-Ostsee kanaal. Daar verbleef hij vier maanden tot eind april. In die tijd leed hij onder de kou.


Een foto van de kazerne in Rendsburg.

Vanuit Rendsburg moest hij naar de marinehavenstad Kiel, waar hij op een hospitaalschip werd gekeurd. Hij werd terugvervoerd naar Rendsburg en moest leren schieten, zijn karabijn poetsen (die moest altijd glimmen) en met een schijnwerperlamp omgaan. Met die lamp moest hij vliegtuigen lokaliseren, die met afweergeschut uit de lucht werden geschoten.

Van Rendsburg werd Hannes overgeplaatst naar Hamburg. Via Hamburg, Bremen, Köln, kwam hij terecht in een kazerne in Köln-Ossendorf. Daar verbleef hij veertien dagen. Daarna moest hij naar Köln-Delbrück met de mededeling: ‘Da werden Sie abgeholt’ en toen bracht een soldaat hem naar een Lager bij Pulheim, ten noordwesten van Keulen. Hier is Hannes drie jaar geweest.

Hij werd ‘Kanonnier 2’ en kok voor ongeveer dertien personen. Dat hij niet kon koken deed niet terzake. Eens per maand mocht hij één dag naar huis. Maar hij spaarde voor twee dagen. Dan kon hij langer blijven, want de reistijd telde mee.

Na nog enkele overplaatsingen ( Bergisch Gladbach, Dünwald) moest hij eens overnachten in een school, die hij, zo werd bevolen, tot zijn laatste druppel bloed moest verdedigen. Samen met twee dienstkameraden, één uit Ost-Friesland en één uit Düsseldorf, besloot hij te vluchten. Een vierde soldaat wilde niet meedoen. Zij namen hem de patronen af: ‘Hij mocht je eens in de rug schieten’.


Hannes Schnieders rechts op de foto naast een zoeklicht waarmee vliegtuigen gelokaliseerd konden  worden.

Ze organiseerden burgerkleding. Hannes kreeg een elektricienpak  van bewoners uit de buurt van de school. ’s Avonds toen het donker was, knepen ze er tussenuit met z’n drieën. Lopen, lopen, lopen, op naar Düsseldorf, kilometers verder. Het was intussen 1945 en de Amerikanen waren al drie dagen in Duitsland. Lopen, lopen, lopen. Dat was het enige dat ze konden doen van ongeveer 5 uur ’s morgens tot ‘avonds laat. De Ost-Fries liep zijn voeten kapot en strompelde mee. Het land was wit bevroren, maar desondanks sliepen ze in de kou, achter hagen en struiken. Op het laatst voelden ze de kou en de honger niet meer. Scheren en wassen werd bijzaak. En om zijn hemd te luchten, trok Hannes zijn hemd elke dag andersom.

Bij Düsseldorf zagen ze een meisje fietsen. Wat een gelukkig toeval: ze bleek de zus van de kameraad Frinks te zijn. Frinks floot op zijn vingers een voor zijn zuster bekend ‘fluitje’. Het meisje stapte verbaasd van haar fiets en herkende, pas na goed kijken, haar broer.

In Düsseldorf kregen ze onderdak en eten. Slapen in een echt bed onder een veren dekbed.

Hannes had, de buitenkou gewend, het ’s nachts nog nooit zo heet gehad. Bij het ‘Amt’ wilden ze een ontslagbewijs halen.

Na twee dagen uitrusten en voorzichtig gegeten te hebben, ging de tocht voort. Amerikaanse soldaten hielden hen aan: ‘Wohin?’ ‘Nach Hause’, was het antwoord. Hannes wilde met een paard over de Ruhr, maar helaas kon of wilde het paard niet zwemmen. De enige mogelijkheid om de rivier over te komen, was toen over de brug. Maar daar was pascontrole: ‘Ausweis bitte’. Geen pas. Zijn schoenen verraadden hem (als zijnde een ex-soldaat). Ieder die zich niet kon identificeren moest in een weide gaan zitten. ‘Nicht aufstehen, sonst wird geschossen’. Als vee werden ze behandeld en met vrachtwagens vervoerd. Over een geïmproviseerde brug van (lege) benzinevaten ging het over de rivier naar Rheinberg, in het noordwesten van het Ruhrgebied. (Dit was één van de vele kampen waar de Duitse krijgsgevangenen werden ondergebracht; een grote akker, waar het jonge graan dat er groeide door de gevangenen werd opgegeten, voor zover het niet vertrapt was). Onderweg moesten ze de hand ophouden, waarin een schepje bonen of erwten werd gegeven, bedoeld als volledige maaltijd voor de gehele dag.


Hannes Schnieders in het midden tussen twee Russische krijgsgevangenen met wie hij zelfs vriendschap sloot. (Deze foto heeft betrekking op een eerdere episode dan zijn eigen verblijf als krijgsgevangene in het kamp Rheinberg).

In Rheinberg kwamen de gevangen genomen manschappen dus bij elkaar. Een kamp met honderden vermagerde soldaten. Hier verbleef Hannes zeven weken. ’s Avonds groef hij een gat in de grond bij wijze van slaapplaats. Eén rauwe aardappel per dag diende als rantsoen. Soms was men jaloers op elkaar, omdat de één een dikkere aardappel had gekregen dan de ander. (Een andere getuige vermeldt, dat de voeding later bestond uit 2 lepels corned beef, 1 lepel tomatenpuree, 1 lepel suiker, 1 lepel erwtenpoeder, 1 lepel koffiepoeder 1 lepel ‘brause’-poeder en 2 lepels aardappelpoeder; dit alles in een blik en met zo’n leeg blik groef men een gat in de grond).

Een sloot fungeerde als w.c. Velen hadden een bloederige ontlasting. Telkens werd omgeroepen: ‘Tote am Wege legen’. (Rheinberg wordt door de andere getuige beschreven  als een ‘Totenlager’ met zeventig tot honderd doden per dag. Het totale aantal gestorven krijgsgevangenen wordt geschat op drie- tot vijfduizend. De doden werden door de gevangenen pas aan de weg gelegd als de rantsoenen waren uitgedeeld, want dan telden ze nog mee).

De bewaking bewerkte je met een knuppel, als je je maar even opstandig gedroeg. Als je gestraft werd moest je naakt in de draadkorf. Deze was vervaardigd van prikkeldraad en was in de grond gegraven.

Na zeven weken werd omgeroepen: ‘Sie werden entlassen, Landbauer zuerst’. Daar hoor ik bij, dacht Hannes en hij vulde het formulier in: “Kreis Ahaus Schöppingen entlassen’. De volgende morgen moest hij paraat staan voor vertrek. Die nacht sliep hij met een lotgenoot onder één deken, om elkaar te warmen. ’s Morgens dacht Hannes: ‘Die man slöp ja alvedan’. Bij nader onderzoek bleek hij die nacht gestorven te zijn. Hij werd ‘am Wege gelegt’.

Met vrachtwagens ging het naar Ahaus. De burgemeester van Ahaus wist niet waar hij al die mensen ineens moest onderbrengen. Geen nood voor Hannes, hij wist zelf wel een adres: kolenboer (goed volk) Oosterhoes. Zijn vrouw bakte toevallig pannenkoeken. ‘Dat rook toch lekker’, aldus Hannes. Maar zijn maag- en darmstelsel was het eten ontwend en hij durfde maar een kwart pannenkoek te eten. Hij kreeg koffie en een slaapplaats op de hooizolder. Ook proefde hij na jaren weer een ‘ouderwets’ pruimpje tabak. ‘O wat lekker was dat’. En omdat het zo lekker was, kreeg hij de hele zak.

Verder via Graes en Epe naar Gronau. In Gronau ging hij naar familie van hem: bakker Hesseling en zijn vrouw. Zij herkenden hem eerst niet; mager, lang haar, een baard. Pas toen ze zijn stem hoorden wisten ze wie hij was: ‘Och Hannes bist du dat’.

Na gewassen, geknipt en geschoren te zijn, ging hij in een pak van Hesseling richting grens Glanerbrug. Hier moest hij worden ontluisd. Met een grote spuit bestoven ze hem met DDT-poeder. Hannes protesteerde. Hij had zich immers bij Hesseling totaal verschoond. Maar dat hielp niet. De volgende teleurstelling wachtte hem, toen hij kreeg medegedeeld, dat hij niet over de grens mocht. ‘Stuur dan tenminste bericht naar huis dat ik nog leef’.

Niet over de grens? Dan maar naar Bets van de Ramaker en zijn tante Marie. ‘Dat je nog leeft’, hoorde hij zijn tante zeggen. ’s Morgens vroeg riep zijn tante naar boven; ‘Hannes bist d’r noch wa?’ Ze dacht dat Hannes de ochtend niet zou halen. Zo slecht had hij er uitgezien.  Zondagsmorgens ging hij met zijn familie mee naar de kerk. Eenmaal in de kerk werd hij draaierig en zag de pastoor voor zijn ogen niet eenmaal, maar tweemaal, driemaal… Uiteindelijk viel hij flauw. Hij was de uitputting nabij.

Na wat omzwervingen werd Hannes knecht bij een boer in Schöppingen. Truus kwam af en toe bij hem, stiekem bij Viefhus over de grens (de toenmalige jeneverstokerij aan de Duitse kant van de grens in Glane).

Bij de Wilhelminahoeve, gelegen aan de grens tussen Glane en Overdinkel, is Hannes opgepakt en hij moest naar de gevangenis in Gronau. Hij werd er keukenhulp en moest de gevangenen eten brengen. Dat werk deed hij veertien dagen. Intussen had de Duitse rechtbank geoordeeld dat hij nog drie maanden in het Münsterse Zuchthaus moest doorbrengen. Tot december 1945.

Toen hij uit het tuchthuis kwam legde hij opnieuw een tocht af naar huis. Eerst weer naar Hesseling, toen per paard naar de Glanerschoolt, richting Losser, De Zoeke. Eindelijk Thuis!!!

Bij het gemeentehuis in Losser heeft hij zich afgemeld als dienstplichtige. Hij kreeg broodbonnen en kon met zijn Truus een nieuw vrij leven beginnen. De Frisiafabriek nam hem terug als werknemer. Het echtpaar kreeg drie kinderen en zeven kleinkinderen.

Nog even heeft hij als voormalig Duits soldaat last gehad van anti-Duitse gevoelens van Nederlanders. Omdat hij zijn Duitse vader niet kon kiezen? Hij had een vredelievend hart in zijn lijf en het woord ‘mof’ was dan ook niet op zijn plaats.

Intussen staat de kan met koffie nog op het warmhoudplaatje. Onaangeroerd, want die zijn we beiden door zijn aangrijpende verhaal vergeten.

Engelien ter Heersche

Weg noar het verleden (4)

Roveniuslaan

De Roveniuslaan in Losser ligt ten noorden van het dorp in de zogenaamde Veldzijde. Het is een zijstraat van de Pallick van Höevellaan die op zijn beurt weer een zijstraat van de Denekamperdijk is.

De Roveniuslaan dankt zijn naam aan:

Philippus Rovenius Apostel van Twente

Op 1 januari 1574 wordt in de Onze Lieve Vrouwenkerk te Deventer een kind ten doop gehouden dat de naam Philippus ontvangt.

De vader Gerardus Ruenveen Jacobzoon is rector aan de Latijnse Kapittelschool van St. Lebuïnus te Deventer en afkomstig uit Rouveen bij Staphorst, vandaar zijn naam.

Zijn moeder is Wolterken Wijnhoff, zij stamt uit een der oudste Twentse geslachten en is geboren in Ootmarsum.

Van 1579 tot 1588 leeft de familie ‘om den gelove’ in ballingschap in Emmerik

Het gezin Ruenveen is uit religieus hout gesneden dat blijkt uit het feit dat van de zes kinderen van Gerardus en Wolterken er zich vijf geheel aan de dienst van de Rooms Katholieke Kerk wijden.

Terug in Deventer volgt Philippus in 1590 de Latijnse School waarna hij naar Leuven gaat om de Hogeschool te volgen.

In 1596 promoveert hij tot doctor in de Wijsbegeerte en in 1599 wordt hij tot priester gewijd.

Drie jaar later ziet hij zich benoemd tot President van het College van St. Willibrord en Bonifacius in Keulen. Dit college is een seminarie tot opleiding van priesters voor de missie in de Noordelijke Nederlanden.

Nadat Spinola in 1605 Oldenzaal, Lingen en Groenlo heeft veroverd vestigt zich Aartsbisschop Sasbout Vosmeer in Oldenzaal.

Hij bemerkt dat in Twente geloof en zeden sterk in verval zijn gekomen en zoekt daarom in Philippus Rovenius een sterke persoonlijkheid die de oude godsdienst uit zijn inzinking kan opheffen.

Zo komt Rovenius in 1607 naar het land van zijn moeder waar hij, na het vertrek van Sasbout Vosmeer naar Keulen, de geestelijke zorg voor het Bisdom Deventer op zich neemt.


Philippus Rovenius. Gravure in het Historisch Museum Het Palthehuis te Oldenzaal.

Het ziet er echter niet hoopvol uit in Twente. Er heerst onverschilligheid en lauwheid en op veel plaatsen zijn de pastoors ontrouw geworden.

Zelfs onder zijn eigen kanunniken moet Rovenius met krachtige hand de tucht herstellen.

Hij schrikt er niet voor terug om openlijk strenge straffen op te leggen.

Doordat hij zelf het voorbeeld geeft dwingt hij eerbied af en wekt navolging op.

Tijdens het Twaalfjarig bestand (1609 – 1621) tussen de Republiek en Spanje ontstaat er conflict op conflict om de eredienst op het platteland van Twente te herstellen omdat de Staatsen buiten Oldenzaal het gezag opeisen.

Leken en priesters zien in Rovenius de vurige Apostel van het Geloof en bekeren zich weer tot het H. Sacrament.

Na het overlijden van Apostolisch Vicaris Sasbout Vosmeer in 1614 wordt Philippus benoemd tot hoofd van de gehele Katholieke Missie in de Verenigde Nederlanden.

Waarschijnlijk verblijft hij in die tijd in de Proostdij in Oldenzaal waarvan hij ook de inkomsten trekt, hoewel hij dikwijls op reis moet om in de missie de nodige visitaties te doen.

In het verslag dat hij in 1616 opstuurt naar de nuntius te Brussel schrijft hij over

Twente: “De Twentse stadjes en dorpen worden tegen recht en overeenkomst met ketterse predikanten bezet. Alleen Oldenzaal geniet openlijk uitoefening van de godsdienst. In Twente zijn bijna alle boeren katholiek”.

In 1617 schrijft hij; “De boeren van Twente gaan naar Oldenzaal, maar de Staten hebben verboden naar Oldenzaal en Grol (Groenlo) te gaan om er de godsdienstoefening bij te wonen”.

Telkens zijn er ook problemen over benoemingen, zielzorg, rechten.

Van 1622 tot 1624 maakt Rovenius een reis naar Rome maar in 1626 is hij terug in Oldenzaal als de Sint Plechelmus moet worden ontruimd en overgedragen aan Frederik Hendrik, de Stedendwinger en de kerk toekomt aan de protestanten van Oldenzaal.

Door het Interim van Rozendaal, een verdrag tussen de Republiek en Spanje in 1628, komt er tijdelijk een verlossing van de strenge geloofsvervolging en wordt de Plechelmuskerk weer teruggegeven. In juli 1629 schrijft hij dat het feest van Sacramentsdag schitterend is gevierd en dat uit de naburige en meer verwijderde ketterse plaatsen tienduizend mannen zijn bijeengekomen.

Het Interim wordt in 1632 opgeheven waardoor de kerk weer protestants wordt. Rovenius is dan al voorgoed uit Oldenzaal vertrokken en leeft onopvallend in Utrecht of op Loenersloot.

Vanaf 1634 is hij ziekelijk en vanaf 1639 moet hij zich schuil houden omdat hij bij verstek en met confiscatie van goederen uit Utrecht is verbannen. Dit vanwege heulen met de Spaanse vijand en het zich voordoen als Utrechts Aartsbisschop hetgeen dan verboden en onwettig is.

Zijn verbondenheid met de Paus, zijn neiging tot strakke organisatie, verantwoording  en overzicht komen het best uit in zijn acht missieverslagen die hij vanaf 1616 naar Rome opstuurt.

Rovenius overlijdt op 11 oktober 1651 te Utrecht. Hij wordt eerst in het geheim begraven in een stal bij het huis aan de Plompetorengracht, waar hij stierf. Zeven jaar later graaft men zijn lichaam op om het opnieuw te begraven. Het graf is echter nooit officieel teruggevonden.

De restauratie van het katholieke geloof tijdens het Twaalfjarig Bestand heeft een blijvend beslag gelegd op de gebieden die in die tijd Spaans waren. Dat is te danken aan de persoon die onvermoeibaar en met inzet van al zijn kunnen de verkondiging van het Katholieke Geloof als zijn boodschap zag: Philippus Rovenius.

C. Meijerink-Hannink

Geraadpleegde lituratuur:

Het protestantisme in Overijssel/ dr. P.W.J. v.d. Berg, 1931
Het afgescheurde kleed/ H.A. Hauer, 1987
Twaalf eeuwen Oldenzaal/A. Stappers-Vürtheim, 1971

Boekbesprekingen

Boerenerven op het landgoed Twickel

Boerenerven op het landgoed Twickel is een nieuw boek over bouw, beheer en onderhoud van oude boerderijen, geschreven door Lennert Vrij.

Wat maakt een boerenerf – erf, boerderij en bijgebouwen – zo karakteristiek? Ligt het aan de wisselwerking tussen het erf en de omgeving? Of aan de rangschikking van de gebouwen en hoe ze gebouwd zijn? Hoe kan een erf worden ingericht als het geen boerenbedrijf meer is? Kan een boerenerf bewaard blijven, zonder dat het een eiland in het landschap wordt? Hoe kan een boerderij verbouwd worden zonder er een museum, een villa erf een lege huls van te maken? Wat zijn eigenlijk al die kenmerken van een boerderij en de bijgebouwen? Is de traditionele bouwwijze te combineren met het bouwen van nu, dat zo anders is? En hoe dan?

Allemaal vraagstukken die niet alleen spelen op de boerderijen van Twickel, maar ook gelden voor de andere boerenerven in Twente en ver daarbuiten. Veel boerenerven zijn immers geen boerenbedrijf meer, maar woning, en de hedendaagse bewoners hebben andere wensen dan vroegere generaties.

Dit boek wil een leidraad zijn voor boeren, bewoners, beheerders en bouwers. Hoe kunnen zij in deze tijd met het boerenerf omgaan.

Een uitgebreide tekst en 350 tekeningen geven de leek en de techneut inzicht in de oorsprong en de belangrijkste kenmerken van het traditionele boerenerf en mogelijkheden en oplossingen voor veel voorkomende vraagstukken bij bouw, beheer en onderhoud. Basis is hierbij steeds ‘hoe en waarom’ van het oorspronkelijk gebruik, indeling, constructie en details, waarbij duidelijk is aangegeven waarom sommige oplossingen goed voldoen en andere minder geschikt zijn. Een boek dat wil bijdragen aan het behoud van de boerenerven, zoals ze gelukkig ook in de gemeente Losser nog steeds te vinden zijn. En ook in Losser zijn in de in 2004 uitgebrachte Welstandsnota ‘Losser U raakt er aan verslingerd’, criteria vastgelegd voor het bouwen in het buitengebied. Met name in ons stuwwallandschap moet de bebouwing worden behouden en zo mogelijk versterkt.

Boerenerven op het landgoed Twickel (2e druk november 2005, Broekhuis Uitgeverij), is een gebonden uitgave en telt 144 pagina’s met daarin 350 tekeningen. Prijs € 29,95

ISBN 90 70162 90 3

 

***

Hanzerijkdom, Armen- en Ziekenzorg in Twenthe (797-1626). Cartularium van het Oldenzaalse OLV-gilde

Tegenwoordig ligt de uitvoering van de sociale zorg hoofdzakelijk in handen van de (gemeentelijke) overheid. Vroeger was dat anders en waren behoeftigen vooral aangewezen op de kerk. (Zie ook Oet Dorp en Marke 2000/4 over Armenzorg in vroegere eeuwen).

De kerk kreeg de middelen daarvoor vaak uit schenkingen van gelovigen. Meer dan tegenwoordig werd de middeleeuwse mens dagelijks herinnerd aan Christus’ gebod om werken van barmhartigheid te verrichten. Wie deze werken deed, bevorderde zijn eigen zielenheil. Er werd daarom in de Middeleeuwen bijzonder veel aan de armen gegeven. Niet omdat men armoede een misstand vond waar men wat aan moest doen, maar omdat men die armoede nodig had om barmhartigheid te bedrijven en zo de hemel te verdienen.

Medeleven met de zwakkeren was dus niet alleen naastenliefde maar ook eigenbelang.

Twente was in de late Middeleeuwen een welvarend gewest. Dat was te danken aan een bloeiende handel als gevolg van de ligging tussen belangrijke handelsgebieden. Onze plaatsgenoot dr. Gerard Seyger maakte diepgaand studie van de verbinding tussen de vroege rijkdom van de Twentse Hanzehandel en de ontwikkeling van de armen- en ziekenzorg in deze regio en schreef daarover uiteindelijk een boek van meer dan 500 pagina’s.

De  basis van de studie van Seyger ligt bij het Cartularium (een verzameling kopieën van oorkonden) van het Onze Lieve Vrouwe-gilde van Oldenzaal.

Het accent ligt daardoor sterk op wat er in Oldenzaal (toen de belangrijkste stad van Twente) gebeurde.

Het aardige van het boek is echter dat ook aan de ontwikkelingen in de meeste andere plaatsen van Twente ruim aandacht wordt besteed. Zo blijkt in Losser al in 1528 een Onze Lieve Vrouwe-gilde te bestaan. Op 20 januari van dat jaar ‘oorkondt’ Anna van Nesselraede, weduwe van ridder Diderick Kettler, dat zij aan de raadslieden van het OLV-gilde te Losser verkocht heeft, ten behoeve van de armen en ter verbetering van de zondagse aalmissen een jaarrente van vier mud winterrogge.
Hanzerijkdom - Armen- en Ziekenzorg in Twenthe (797-1626). Cartularium van het Oldenzaalse OLV-gilde. Door dr. G. Seyger. ISBN 90 8101 52 14. Prijs € 34,50. Voor leden van de Historische Kring Losser bedraagt de prijs  € 28,00 (mits afgehaald bij de penningmeester H. Dekkers, Ludgeruslaan 12, 7581 DD Losser).

 

Ouwe Toren

Weet je wat het is met Losser?

’t Is dan wel een dorp, geen stad

Maar dat dorp heeft allure.

Heeft het altijd al gehad.

Losser heeft een brok historie,

oudste dorp van Twenteland.

Nou ja, misschien niet de oudste,

maar toch aan de ouwe kant.

Neem nou die ouwe toren.

Die stamt nog uit twaalfhonderd en één.

Eerst heeft hij nog vastgezeten.

Na kerkafbraak staat hij alleen.

Indrukwekkend was hij altijd.

Voor ons als kinderen zo klein,

want als je kattekwaad uithaalde

moest je in de toren zijn.

Bij de moordenaars en dieven,

die daar zaten in de cel.

Daarom wilden we graag weer braaf zijn.

De toren leek voor ons de hel.

Hij was voor ons enorm veel meter.

Nou dat was op zich niet erg,

maar voor ons was ’t wel een joekel.

Je voelde je naast hem een dwerg.

‘k Heb hem vroeger eens beklommen,

want dat kostte geloof ik niets.

De Hogeweg kon ik zo zien liggen

en de mensen op de fiets.

Nu zul je misschien wel denken:

Een toren is dat niet een beetje dom.

Maar dat kan ik ook niet helpen

‘t Komt omdat ik uit Losser kom.

Hans van Huizen (Denekamp)