Oet Dorp en Marke 2006 - 2

Inhoudsopgave

Van het bestuur
 . Jaarvergadering
 . Contributieverhoging en incasso
 . Huisvesting
 . Het jaarlijkse reisje
 . Excursie naar de synagoge in Enschede
Het molen- en maalgebeuren in Losser II
(J.J. Luizink)
De Kellerhuis-Lakerinks Molen
Ode aan de windmolen "De Hoop" op de Losserse Esch
De Bijzondere Vrijwillige Landstorm Overdinkel
De Tram
(Hans van Huizen)
Uitgaven van de Stichting Historische Kring Losser

Zoals bekend is ‘Het Meisje in de Froenstraat’ uitverkocht. Als u het boek niet heeft gekocht zult u de hierbovengenoemde teksten en foto’s dus niet meer kunnen bekijken. Alle foto’s uit het boek plus de bijbehorende verhalen zullen echter in de komende jaren ‘herhaald’ worden op onze website www.historischekringlosser.nl . Deze maand beginnen we met Marinus Baalhuis, augustus is gewijd aan Gerrit Bakker, gevolgd door Bennie Beernink in september. Enz. enz. Zo nodig zullen teksten worden geactualiseerd en foutjes worden verbeterd.

Foto omslag: Amateur-schilder Nico Schoenmakers (1922-2004) maakte dit schilderij van Kellerhuis Möl voor Marie Louise Kellerhuis, die er erg trots op was. Dat blijkt onder andere uit het feit dat Marie Louise zichzelf in 1980 door Norbert Klein liet fotograferen in haar woonkamer met als achtergrond dit schilderij. Die foto en het levensverhaal van Marie Louise Kellerhuis staan op de bladzijden 98 en 99 van ‘Het Meisje in de Froenstraat’. Toevallig komt ook Nico Schoenmakers voor in ‘Het Meisje in de Froenstraat’.Op de bladzijden 180 en 181 kunt u zijn levensverhaal lezen en zijn foto bekijken.

De foto van het schilderij komt evenals de andere foto’s bij het artikel over Kellerhuis Möl uit het fotoarchief van de HKL. De foto’s  werden voor deze publicatie bewerkt door de heer Andries Kuperus.

Met dank aan mevrouw M.A.M. Schoenmakers-Riesewijk, die toestemming gaf voor het gebruik van de foto van het schilderij.

Van het bestuur

Jaarvergadering

De jaarvergadering werd gehouden op zondagmiddag 23 april 2006 bij Hotel Smit. Onze voorzitter, Thea Evers, kon 31 leden welkom heten.

Het jaar 2005 was een druk jaar met naast de normale activiteiten het Bevrijdingsnummer van Oet Dorp en Marke en in november de verschijning van ons nieuwe boek ‘Het meisje in de Froenstraat’, met de bijbehorende fototentoonstelling, zowel in het gemeentehuis als in de hal van het verpleeghuis.

Met name bij het Bevrijdingsnummer hebben we veel hulp gehad van onze leden en daar zijn we heel blij mee. Het is een goed gevoel dat we op zoveel mensen een beroep kunnen doen.

Wat betreft het ‘Meisje”: ook de tweede druk is uitverkocht.

Op 31 december 2005 telde onze ‘vereniging’ 467 ‘leden’.

Het financieel jaarverslag 2005 was weer prima verzorgd, met dank aan secretaris/penningmeester Georg van Slageren.(Voor het laatst; hij is als penningmeester opgevolgd door Harry Dekkers).

Hierna volgde een ander financieel punt.

Contributieverhoging en incasso

Met ingang van dit jaar willen we de contributie verhogen naar € 13,50 (bij postverzending € 16,00) voor iedereen, d.w.z. dat we geen verschil meer willen maken tussen echtparen en alleenstaanden. Elk lid betaalt 1 keer € 13,50 (bij postverzending € 16,00) en kan dan bij elke activiteit een introducé meenemen. Of dat echtgeno(o)t(e), partner, vriend of vriendin is, dat doet er niet toe. In de praktijk is het nu eigenlijk ook al zo. Een echtpaar krijgt 1 exemplaar van Oet Dorp en Marke in de bus en een alleenstaande ook. Een echtpaar komt op een avond, als het zo uitkomt, met z’n tweeën. En ook een alleenstaande neemt op een avond vaak iemand mee. Dat is nooit een probleem geweest, integendeel, dat hebben we altijd zeer op prijs gesteld.

We hebben hier binnen het bestuur heel lang over gepraat, want wij zijn in de 36 jaar van ons bestaan uiterst terughoudend geweest m.b.t. contributieverhogingen. Maar het kan allemaal eigenlijk nu al net niet uit. We hebben geen armslag om bepaalde zaken aan te pakken. Zo is er bijvoorbeeld het afgelopen jaar veel aandacht besteed aan onze fotocollectie. Alle foto’s en dia’s worden digitaal bewerkt en opgeslagen. De heer Andries Kuperus is ons daar zeer behulpzaam bij, gratis en voor niets. Maar dan wil je ook wat meer doen met die foto’s, zoals de expositie die we gehad hebben bij het ‘Meisje in de Froenstraat’. Daar hebben we wel 30 dure wissellijsten voor aan moeten schaffen.

De inning van de contributie wordt ook steeds meer een probleem. De banken willen af van de acceptgiro’s en overgaan op incassogiro, dus met machtigingen. En het innen van de contributie moet ons natuurlijk niet ook nog geld gaan kosten. Wij hopen dat veel mensen hieraan zullen willen meewerken.

Huisvesting

Een ander belangrijk punt, dat ook geld gaat kosten, is een eventuele huisvesting, een ruimte in het dorp, waar de HKL haar spullen kan opslaan, en van waaruit we meer activiteiten kunnen ontplooien. En waar ook iedereen op gezette tijden naar binnen kan lopen, voor vragen, of om dingen na te kijken, of een foto-expositie te bekijken enz. enz.

Het afgelopen jaar zijn we hierover met de gemeente, in de persoon van wethouder Pijnappel, in gesprek geweest.

Het Heininkshoes was de eerste optie, die door de gemeente zelf werd aangedragen. Dat zagen we natuurlijk helemaal zitten. Maar helaas… De onderlinge afstemming binnen de gemeentelijke afdelingen was bepaald niet goed te noemen. Ongeveer tegelijkertijd werd het pand verkocht aan een particulier.

De tweede optie is ook een pand aan het Martinusplein, de voormalige winkel op de hoek van de Torenstraat. Ons werd verzekerd dat een periode van 5 jaar zonder meer tot de mogelijkheden behoorde. Maar ook toen was het weer zo, dat, toen we spijkers met koppen wilden slaan, anderen binnen de gemeente, die het blijkbaar ook, of meer, voor het zeggen hebben, de boot afhielden, omdat ook dat pand toch in de verkoop zou gaan.

We hebben ons inmiddels ook schriftelijk tot het College gewend en als de nieuwe wethouder door haar ambtenaren is bijgepraat, zullen we een gesprek met haar aanvragen om te zien wat de mogelijkheden zijn.

Maar als die huisvesting  van de grond komt, dan hebben we toch meer financiële armslag nodig. Dat leggen we echt niet allemaal op het bordje van onze leden, we kijken ook wat we zelf nog aan inkomsten voor met name Oet Dorp en Marke kunnen binnenhalen. Want een tijdschrift als het onze, leent zich daar uitstekend voor.

Wat betreft de huisvesting staat één aanbod van de gemeente nog steeds overeind en dat is de zolder van het entreegebouw van het openluchttheater. Als opslagruimte en als vergaderruimte is dat prima. We kunnen er zo in. Maar we zouden graag iets meer willen hebben en daar werken we dus nog aan. Verder zijn er ook in de voormalige St. Martinusschool nog klaslokalen vrij. En het laatste nieuws over het eventueel verplaatsen van het Erve Beernink naar het Kraesgenbergcomplex biedt misschien ook weer mogelijkheden, hoe zeer we die verplaatsing ook betreuren. Maar als het op die wijze mogelijk is om de boerderij te behouden, dan is dat natuurlijk een goede zaak.

We hopen dus dat we met die huisvesting dit jaar heel druk worden.

Het jaarlijkse reisje

Vervolgens werd een ander punt onder de aandacht gebracht. We willen dit jaar stoppen met onze dagexcursie. Al enkele jaren moeten we hier telkens enkele honderden euro’s bijpassen, omdat de belangstelling niet meer voldoende is. We zijn hier ruim 20 jaar geleden mee gestart, eerst met eigen vervoer, maar dat moest op verzoek van de leden al snel een volledig verzorgde bustocht worden. Bussen zijn echter inmiddels zo duur, dat dit alles wel heel prijzig wordt en alleen maar te doen is als de bus ook echt vol is. En dat is niet meer het geval. Onze indruk is ook dat het 20 jaar geleden voor een deel van de mensen hun enige uitje was. En nu hebben de meeste mensen in de regel toch wel veel meer.

Voor de goede orde: het is niet zo dat wij er geen zin meer in hebben, zeker niet, maar het moet wel financieel haalbaar zijn. En dat is het op deze wijze niet meer. We zoeken nog naar een ander alternatief, misschien kortere afstanden, eigen vervoer? We weten het nog niet, we laten het ook afhangen van uw reacties. Hier komen we ook op terug in Oet Dorp en Marke.

Excursie naar de synagoge in Enschede

Aansluitend was een excursie georganiseerd naar de ‘mooiste synagoge van Nederland’. Daar werden 40 leden en introducés ontvangen en rondgeleid in het prachtig gerestaureerde gebouw. Eén van de rondleiders was de heer L.F. van Zuylen, schrijver van enkele boeken over de Joodse gemeenschap van Enschede en tevens eindredacteur van ‘De mooiste synagoge van Nederland’, het prachtige boek dat in 2003 werd uitgegeven na de restauratie van de synagoge.

Op deze foto ziet u de heer van Zuylen tijdens de excursie met in zijn hand een ‘jat’.
(Foto Gerard Veldscholten)

Georg van Slageren

secretaris

Het molen- en maalgebeuren in Losser II

Door J.J. Luizink

De heer Johan Luizink, schrijver van het door de Historische Kring in 1995  uitgegeven boek ‘In Losser is niets gebeurd…Getuigen, feiten en gebeurtenissen 1940-1945’, heeft zich gedurende vele jaren ook verdiept in de geschiedenis van de molens in Losser. Het resultaat van zijn naspeuringen is vastgelegd in een uitvoerig manuscript, waarover de Historische Kring mag beschikken. Met zijn toestemming zullen wij hieruit gedeelten publiceren, soms in een beknoptere bewerking.

De eerste aflevering, waarin onder meer de geschiedenis van de eerste Losserse windmolen werd beschreven, is te vinden in ‘Oet Dorp en Marke’ 2003-2. Deze eerste windmolen, de Teylers- of Muttersmolen, stond op een verhoogde molenplaats aan de huidige Sportlaan (nu villa ’t Heuveltje).

In deze aflevering volgt de geschiedenis van een andere Losserse molen, die lange tijd het dorpsgezicht aan de zuidwest-zijde heeft bepaald.

Johan Luizink overleed, kort na het plaatsen van zijn eerste molenartikel, op 10 augustus 2003.

Thea Evers.

DE KELLERHUIS - LAKERINKS MOLEN

                                                                            

Het was in de Napoleontische tijd dat de Duitser Johannes Hermannus Antonius Kellerhaus (hier Kellerhuis) uit Asbeck, daar de benen nam.

In 1807 werd onder Frans bestuur de provincie Westfalen gevormd en werden ook daar de “horigheit” en andere beperkende wetten opgeheven. Maar er kwamen andere voor in de plaats: hogere lasten, dienstverplichtingen, enz. Toen vervolgens ook nog een “Munsterlandse Einheit” werd opgericht, voor Napoleon’s veldtocht tegen Rusland, waarvan slechts weinig jonge mannen zouden terugkeren, leek het de jonge Kellerhuis verstandig zijn heil elders te zoeken.

Hij kwam, voorzien van het nodige handgeld, in Losser terecht, waar hij werk en zijn bruid vond: Johanna Maria Smit. Aanvankelijk heeft hij volgens de overlevering, zich bezig gehouden met fabrikeurswerk (opkopen en verkopen van weefsels uit de huisnijverheid).

De meeste inwoners van Losser verdienden toen de kost met landbouw of weven c.q. spinnen. Ook de bekende logementhouder en tapper H. Smit hield zich zijdelings met het weven bezig, zo blijkt uit een notitie van 9 januari 1839, waarin hem vergunning werd verleend - als wever en tevens als koopman met 6 werklieden - buitenwevers aan te trekken.

Johannes Kellerhuis is vervolgens als molenaarsknecht in dienst geweest op de Teijlersmolen, die was gelegen aan de huidige Sportlaan. Wat later is hij voor zich zelf begonnen als grutter. B & W van Losser hadden blijkbaar moeite met het vaststellen van de winstgevendheid van zijn gruttersbedrijf, want zij besloten in Oldenzaal bij drie grutterijen en ook in Enschede nadere informatie in te winnen. Bij hem woonde ook zijn zoon G. Kellerhuis (de aanvrager van de vergunning voor de latere windmolen in de Esch). Samen dachten ze toen voldoende kennis in huis te hebben om dit karwei te kunnen klaren.

Een grutterij is eigenlijk een korenmolen zonder wieken, die met paardetractie en - nog eerder

met de hand - in beweging werd gebracht. We kunnen ons slechts een beeld vormen via de beschikbare literatuur. In de grutterij werden de fijnere granen gemalen, in hoofdzaak boekweit, tot het zogenaamde boekweit of gruttemeel. Dit werd verpakt in kleine grauwe zakken, met als inhoud een “kop” of “maat” en dichtgeknoopt met henneptouw. Dikwijls was deze molenaar ook winkelier en verkocht hij onder meer bonen, zaad en aanverwante artikelen.

Of het bij Johannes H.A. Kellerhuis zo ook is gegaan, blijft een gissen. De bijnaam “de grutter” is in Losser nog lang met de naam Kellerhuis verbonden geweest.

De Grutmolen

Grutmolens stonden ook in de steden. Ofschoon ze veel voorkwamen, zijn er maar weinig

bewaard gebleven. In het openlucht museum Arnhem staat nog een exemplaar.

In 1818 zijn er volgens A.J. Bernet Kempers (oud-directeur van het Nederlands Openluchtmuseum) nog heel wat te vinden. In Oldenzaal waren er toen nog drie.

In de oude tijd was het verboden dat korenmolenaars zich op het terrein van de

grutter begaven (en omgekeerd). Het grote placaatboek (verzameling ‘wetgevende’ documenten) zegt o.m.: “sullen moeten expurgeren met solemnelen eede, dat haar weetens geduijrende het gepasseerde jaar niets anders, als alleen meel gemalen is op haar Grutmolen”. Later werd dat anders, want Teesing(auteur van ‘Geschriften over den landbouw en het volksleven in Oostelijk Drenthe - 1943 -) vermeldt met betrekking tot Drente, dat men boekweit voor huishoudelijk gebruik zowel in de windmolen (korenmolen) als in grutterijen liet malen.

Onder grutterij kan men twee dingen verstaan. In de eerste plaats het bedrijf, d.w.z. de grutmalerij waarin de grutten gemaakt worden, d.w.z. waar de zaadkorrels in hoofdzaak boekweit en bepaalde graan soorten, zoals haver en gerst, werden gebroken.

In de tweede plaats de winkel waar de grutterswaren verkocht werden. Behalve de grutten zelf ook de aanverwante droge waren, zoals erwten, bonen, vogelzaden en meel. Boekweit was in die tijd een belangrijk gewas en zeer geschikt voor teelt op de lichte zandgronden. Stal- en kunstmest waren daarbij nauwelijks nodig. De opbrengsten waren - als alles goed ging - hoog. Maar het ging vaak niet goed, het risico van een misoogst was groot. Het gewas was zeer gevoelig voor koude en vorst. Daarom ging het vaak mis. De slagzin in die dagen luidde dan ook “vrouwleu raod en bookweit zoad lukt één moal in de zeuven jaor”.

De grutterij van Johannes Kellerhuis is, voor zover bekend, de enige in Losser geweest.

Beknopte genealogische reeks familie Kellerhuis:

Johannes Hermannus  A. Kellerhuis     huwde         Johanna Maria Smit

geb. 27-22-1790,  Asbeck ( Dld )      14-5-1816      geb. 4-12-1791

overl. 23-2-1848, Losser                                           Losser  overl. 16-6-1846

                                                                                   Dochter van logementhouder Smit

Kinderen uit dit huwelijk:

Gerrit                                                     huwde          Johanna M.F. Wagelaar

geb. 24-2-1817,  Losser                                             geb. 11-9-1820, Enschede   

overl.  8-1-1895                                                         overl. 10-7-1900, Losser

Johannes                                               huwde          Johanna H. Westerman

geb.19-3-1819   Losser                                             geb. 29-11-1838,  Laar

(de latere molenaar)                                                  overl.  25-10-1910, Losser

overl. 30-10-1893                                    

Kinderen uit het huwelijk van Johannes Kellerhuis  en Johanna Westerman

1. Maria Catharina          huwde         Johannes Vos

2. Helena Aleid

3. Louisa Geertruida      huwde         Jan Hendrik Lakerink (de latere koper van de molen)

    geb. 4-4-1865, Losser                    geb 30-9-1860, Gronau  (Dld)

    overl. 23-1-1949                            overl. 7-10-1946, Losser

4. Johanna A.                     

5. Geertruida                 huwde          Gradus Schurink

6. Lodevicus  B.            huwde          Euphemia Knippers (1e huwelijk)

    geb. 8-1-1873                                 Cornelia  M. Mulder (2e huwelijk)

    overl. 28-9-1954

7. Henriëta G.               huwde           Godefricus Ansums

Uit het huwelijk van Lodevicus Kellerhuis en Euphemia Knippers zijn 13 kinderen geboren. Het derde kind was een zoon, Hendrik L. (geb. 17-4-1898 Losser,  overl. 13-1-1971 te Losser; huwde Maria Snoeyink).

Hij was tot zijn 27e jaar werkzaam op de Lakerinks / Kellerhuis molen. Daarna bouwde hij de mechanische malerij tegenover de openbare lagere school, de latere huishoudschool, die stond aan de huidige Langenkamp.

Terug naar de beginperiode

Op 9 februari 1848 diende Gerrit Kellerhuis  een verzoek in voor het

oprichten van een windmolen op het kadastrale perceel I. no. 1323. Met in acht name

van de bepaling in art. 34. vanwege de gemeente was er geen bezwaar, omdat binnen

de afstand van 30 ellen geen belendingen of huizen stonden. Op 20 maart 1848 antwoordden

Gedeputeerde Staten echter afwijzend. Zij vragen B & W van Losser de noodzaak aan te tonen om op dit punt een graanmolen te laten plaatsen.

Op 7 februari 1856 probeert Gerrit Kellerhuis het opnieuw, nu samen met zijn zwager G.

Leurink. Beiden wonen in Losser. Nu hebben ze meer succes. Een vergunning wordt verleend en zij nemen de molenbouwer Perik uit Gronau in de arm. De nieuwe molen wordt een achtkantige Beltmolen - een grondzeiler (een windmolen die staat op een natuurlijke of kunstmatig opgeworpen heuvel, waarvan de draaiende wieken over het erf rondom de molen scheren) en krijgt de naam De Zwaluw, in de volksmond “Kellerhoes Möl”. Onduidelijk is waar de naam “De Zwaluw” aan ontleend is. Wel was het gebruikelijk in die tijd om de molens een aparte naam te geven, om plaatselijke verwarring te voorkomen.

De molenaar werd Johannes Kellerhuis, de broer respectievelijk zwager van de aanvrager. Een verklaring hiervoor is waarschijnlijk te vinden in het gegeven dat Gerrit Kellerhuis zich meer met het besturen van de Gemeente bezig hield en men zo de zaken gescheiden wilde houden.

We zien deze Gerrit van 1862 tot 1870 en van 1875 tot 1887 als wethouder. In 1862 samen met G.H.Sanderink (op Binckhorst). In 1870 werd Gerrit Kellerhuis vervangen door J. H. Elderink, die was gehuwd met Maria G. M. Nitert, de laatste rechtstreekse afstammelinge van het bekende geslacht Nitert in Losser.

Gerrit Kellerhuis was verder hoofdbrandmeester en voorzitter van de Schoolcommissie. Genoeg beslommeringen en redenen om zich niet met het molenwerk bezig te houden.

De keuze om de molen op de Losserse Esch te bouwen, had waarschijnlijkheid te maken met de ligging (het hoogste punt nabij het dorp). Kort na de bouw is de molen foutief op de wind gezet en zijn de kap en de wieken van de molen gewaaid.

Zorgen genoeg voor een molenaar

Allereerst moest het maalloon door de boeren betaald worden ( 1/32 deel van de te malen hoeveelheid - ongeveer 3% ). Lang niet altijd was er geld voorhanden en werd op de “pof”

gemaald. Soms gaven de boeren een deel van hun bezit in onderpand. Zorgen waren er ook

wanneer er geen wind was. Dan stokte het inkomen van de molenaar. En als er te veel wind was zat men ook in de rats: hield men de boel wel heel? Ook moest een molenaar de nodige kennis hebben van het product dat hij maalde: Hoe was de algemene zuiverheid van het graan? De hoeveelheid zieke en aangevreten korrels! Het vochtgehalte (dit mocht niet hoger zijn dan 16%). Het percentage gekleurde korrels. Het hectoliter gewicht. Het algemene uiterlijk van de korrels.

Kortom een molenaar was je niet zomaar. Daarbij moest je de nodig technische kennis bezitten. Voor elk karwei had je geen specialist. Zaak was dat je - om de boel betaalbaar te houden - allerlei zaken zelf opknapte. Tevens moest men op de hoogte zijn van de prijzen en aanverwante artikelen voor de landbouw.

Hoe het verder ging met de molen

Na het overlijden van Johannes Kellerhuis kocht Jan Hendrik Lakerink, geboren in Gronau  zo vermeldt de koopakte, op 1 februari 1900 de korenmolen met erve en heide, kadastraal perceel Sectie I no. 1456, groot 2 A en 70 c.a., en het bouwland groot 38 A. en 70 c.a. voor de prijs van ƒ 8000 van de Wed. Kellerhuis -Westerman.

Op 8 juli 1901 vroeg hij vergunning aan om in de bestaande korenmolen een petroleummotor

van 12 P.K. te plaatsen “die zal dienen als beweegkracht voor het malen van graan, zoals vroeger door wind”, zo vermeldt de aanvraag.

Uit het laatste kan men concluderen dat hij beide aandrijfkrachten kon gebruiken. Of dit separaat of gelijktijdig mogelijk was, is niet duidelijk. De windmolen heeft immers tot 1927 dienst gedaan.


Kellerhoes Möl vóór de brand.

In 1921 kwam een onverwachte tegenslag. In de nacht van 14 december brak er brand uit en

brandde de molen tot de grond toe af. De kranten vermeldden dat de stoommachine de brand had veroorzaakt. Uit het voorgaande blijkt dat dit een petroleummotor moet zijn geweest.

De grote brand op de Möllenberg

Een geromantiseerd verhaal uit de geschiedenis van de Kellerhuis /Lakerinks molen. In de

nacht van 14 december 1921 om 3 uur stond de molen plotseling in brand. De brand was

tot in de wijde omgeving te zien en trok veel nieuwsgierigen. Het was een brandende

fakkel en toen het remwerk ook nog vlam vatte, kon men geen beter vuurwerk bedenken.

De wieken begonnen te draaien en de flarden van de molenwieken kon men op de

Lutterstraat nog terugvinden. Het molenaarshuis vatte ook vlam, en de mare ging door het

dorp, “Möllenberg steet in braand”. Of het gezegde: “in n’en braand, oet n’en braand” ook

hier van toepassing was, vermeldt de geschiedenis niet. Ook het mooie Huzarenpak van

Hannes Kellerhuis uit de Eerste Wereld Oorlog werd een prooi der vlammen.

De molenaarsvrouw, Louisa Lakerink - Kellerhuis was zoals alle vrouwen van molenaars,

een hard meewerkende vrouw. Toen de zaken wat beter gingen kreeg ze tijd en geld om

mooie dingen te verzamelen. Kunst en antiek kregen haar belangstelling. Als de voorraad

mooie spullen in de kamer te groot werd, verhuisde ze zelf naar achteren. De verhalen gaan

dat ze zelf bijna in de “koostal” bivakkeerde.

Met de brand ging ook een groot deel van de kunst en het antiek verloren. Een “Möllenberg” zonder “Möl” was geen gezicht en gaf ook geen brood op de plank bij het echtpaar Jan Hendrik Lakerink - Louisa Kellerhuis, dat kinderloos bleef. Zij boden echter welwillend onderdak aan meerdere kinderen van haar zwager die vroeg overleden was. Louisa Kellerhuis is altijd op de “Möllenberg” blijven wonen. De beide woningen gingen over in de handen van Hannes Kellerhuis en later door vererving naar diens broers Hendrik en Louis. Louisa Kellerhuis was zeer aan haar molen verknocht. Toen deze later in

slopershanden dreigde te vallen, riep ze van de daken: “Now bin wie weer wat moois oet Loster kwiet”.

De afgebrande Beltmolen werd vervangen door de molen uit Oud Leusden, die per spoor

naar Losser werd vervoerd. Het was een oude Stellingmolen (een molen met halverwege

de hoogte een stelling, ofwel een omloop, om van daaruit de molen te kunnen bedienen),

die in 1914 van Heerenveen naar Oud Leusden was overgezet op een stenen onderbouw.

Hij is daar maar kort in gebruik geweest. Na 1918 werd door het plaatsen van een

petroleummotor, de windmolen daar overbodig. In 1922 verhuisde het gevaarte naar Losser. De molen droeg de naam “De Hoop”. Deze naam werd door Lakerink overgenomen.


De Stellingmolen ‘De Hoop’ in volle glorie heropgericht in Losser…


….. met op de stelling de trotse werknemers en leden van de familie?

Jan Hendrik Lakerink had op het molengebeuren toch een merkwaardige visie. Mutters

Molen in Losser was in 1917 al verdwenen en gebruikte al ver vóór die tijd een motor als

aandrijving. Molenaar Schellings had in 1920 ook al de wieken vaarwel gezegd. Toch

moesten de wieken op de Möllenberg weer draaien, ofschoon de windmolens toen al

duidelijk minder rendabel en op hun retour waren. Maar zelfs in 1927 zag molenaar

Lakerink het nog helemaal zitten, door met een plan te komen om op de nieuwe motorisch

aangedreven malerij bij de voormalige openbare school een windmolen te plaatsen.

Mogelijk heeft hij kennis genomen van de ontwikkelingen  omtrent de verhoging van het rendement van de molen door middel van het stroomlijnen van de wieken. Wat heeft hem bewogen? Dat weten we niet.

Op 30 april 1922 dient J.H.Lakerink een verzoek in om op perceel I. no. 3170 en I. no. 4807 der gemeente Losser te mogen oprichten een wind- en motormalerij. De vergunning wordt verleend. De molen dient ter vervanging van de op 14 december 1921 afgebrande molen en wordt met asfalt of riet opgetrokken; 2/3 van steen 1/3 van hout. Hij voldoet aan de voorwaarden betreffende de belending en de aanwezigheid van een W.C. (tonnenstelsel) 3 meter van het gebouw.

De molen heeft niet lang dienst gedaan. De opkomst van de A.B.T.B.  liet ook Lakerink niet onberoerd. Op 21 juli 1925 vraagt J.H. Lakerink, molenaar te Losser, vergunning aan tot het oprichten van een graanmalerij welke gedreven zal worden door een oliemotor van 25 à 30 P.K. op perceel K. no, 4604 op de z.g. “apenkamp”, vermeldt de aanvraag (dus bij de voormalige openbare school). De oliemotor zal voorzien worden van een z.g. dubbele geluiddemper (knalpotten). De malerij zal geschikt zijn voor alle granen. Hoe deze aanvraag moet worden gezien, blijft een vraagteken. De molenaar is inmiddels 65 jaar oud. Hij zag het einde blijkbaar nog lang niet zitten (hij werd 86 jaar oud). Jan Heinrich Lakerink, in de familie “Oompje” genoemd, was een “onwies” sterke kerel, zo gaan de verhalen. Maar ook in het fijne werk stond hij zijn mannetje.

Op 17 augustus 1926 vraagt Hendrik Kellerhuis, molenaar te Losser eveneens een vergunning aan op dezelfde plek. Eveneens met als aandrijving een oliemotor van 25 a 30 P.K., met die afwijking dat in de kelder een lijnkoekbreker geplaatst zal worden. Op de tekening staat 1 maalstoel aangegeven. Blijkbaar had er tussen Hendrik en Jan een gedachtenwisseling plaats gevonden en was besloten dat Hendrik, die toen 26 jaar oud was, de zaak beter kon voortzetten. Op 25 oktober vraagt hij aan de gemeente uitstel, omdat het gebouw nog niet klaar is. Of de molenstenen van de molen aan de Hogeweg in de Esch overgezet zijn naar de nieuwe malerij is niet duidelijk. Hierover lopen de meningen uiteen. Oud - medewerkers van de Kellerhuismolen menen te weten dat op de nieuwe malerij van H. Kellerhuis 2 stel maalstenen waren: 1 stel natuurstenen en 1 stel kunststenen. In de jaren 1951/1952 is een stel maalstenen vervangen door een z.g. Hamermolen (een machine die uitermate geschikt is om plakkerige en clustervormende materialen tot kleine deeltjes te vermalen).

Hendrik Lodevicus Kellerhuis      huwde in 1925     Maria Hermina Snoeyink

geb.    17-4-1898, Losser                                           geb.    8-11-1901, Losser

overl. 13-1-1971, Losser                                            overl. 9-10-1981, Enschede

Het huwelijk bleef kinderloos.

Bij de afbraak van de molen aan de Hogeweg in de Esch in 1953 zouden de molenstenen, aldus de oud medewerkers, geschonken zijn aan een molenaar in Zeeland (na de watersnood

ramp). Nadere informatie hierover ontbreekt.

Marie Louise, een zuster van Hendrik Lodevicus wilde beslist blijven wonen op de plek waar zij geboren was c.q. waar de molen heeft gestaan. Zij heeft een tijdlang bij J.H. Lakerink en Louisa Kellerhuis gewoond. Later heeft zij een nieuwbouwwoning toegewezen gekregen op dezelfde plek waar de molen heeft gestaan. (Zie ook: Het meisje in de Froenstraat, pag.98 ;red.).

In 1953 is het bovenste gedeelte van de molen afgebroken in opdracht van Louis Kellerhuis, die van het onderste gedeelte een kolenopslag maakte. De beide zoons van Louis Kellerhuis (de kolenhandelaar) hebben de molen in westelijke richting met een lier omgetrokken. De balken van de molen zijn gebruikt aan de nieuwe woning van Gerard Kellerhuis. De rest als

afrasteringpalen door Gerard Nijkerken voor zijn weilanden in de Welp (in het Dinkeldal,

aansluitend aan de huidige Wilgenkamp).

Gerard Nijkerken had de woningen behorende bij de molen gekocht van Hannes Kellerhuis als ruil voor een betere toegankelijkheid van zijn weilanden in de Welp.

Toen de molen omver werd getrokken viel Marie Louise in alle staten van wanhoop en riep:

“Now dit letste stukske ok nog”.

Aan de Schoolstraat (Langenkamp), zette Hendrik Kellerhuis de malerij met aanverwante

bezigheden voort tot hij op 13 januari 1971 overleed. De malerij is door dorpsuitbreiding

afgebroken. Een stel molenstenen is, na een tijdlang te zijn opgeslagen  in Museum “Het

Palthehuis” in Oldenzaal, ondergebracht in de steenbakkerij “De Werklust”. Bij de installatie in het Palthehuis werd ook mevrouw Kellerhuis uitgenodigd. Zij ging niet; zij had het verdriet door het overlijden van haar man nog niet verwerkt.


Een mooi plaatje van de Hogeweg met de molen van Lakerink/Kellerhuis, op deze foto al zonder wieken. De molen stond ter hoogte van de huidige Van Deinsestraat. Het gebouw rechts van de weg is de kleedkamer van de huidige KVV Losser.

Wat er aan de afbraak van de molen vooraf ging

Toen de “Muttersmöl” in 1917 werd afgebroken zal men in Losser vermoedelijk gedacht hebben: “Het zij zo”. De bekende streekhistoricus J.J. van Deinse dacht daar toen al heel anders over. Maar het was de tijd van de Eerste Wereldoorlog en men had wel wat anders aan het hoofd, dan tijd en geld te besteden aan het behoud van een oude molen.

Bij de bouw van deze eerste Losserse windmolen waren er wel protesten geweest; bij de

afbraak ontbraken deze. De Historische Kring Losser moest nog geboren worden en de

Nederlandse Molen Stichting zag pas in 1923 het licht. Met het vorderen van de tijd begon

men over het een en ander anders te denken. “Rucksichtslos” wegbreken is ook niet alles.

Bij de afbraak van de Kellerhuis windmolen begon, evenals bij de Lutter windmolen (waarvan het restant uiteindelijk in de herfst van 1955 werd omgetrokken), de Nederlandse Molenstichting zich met de zaak te bemoeien. Op 5 maart 1942 werd bij de heer Kellerhuis geïnformeerd of de molen nog intact was en waarom hij niet meer gebruikt werd.

Op 8 april 1942 antwoordt Kellerhuis per briefkaart, dat het wiekenkruis slecht is. “De stelling en het binnenwerk echter zijn prima. De molen staat hoog en kan van alle kanten draaien”. Toen de melkfabriek en de Boerenbond gebouwd werden waren wij genoodzaakt een gunstiger plaats op te zoeken. Anders waren wij ten dode opgeschreven. Wat ons veel geld heeft gekost. Ik was niet bij machte de molen te laten restaureren. Mocht U er op een of andere wijze raad mee weten, dan zou ik dat ten zeerste toejuichen. Ik heb bij de burgemeester geïnformeerd, maar die schijnt er ook niet veel belang in te stellen. Het mooiste was dat we de molen gingen verplaatsen naar mijn electrische malerij op 300 meter afstand”.

Op 13 juni 1942 volgt een brief aan de Nederlandse Molen Stichting waarin hij vermeldt

dat hij geen reparateur kent en dat, zoals nu de omstandigheden zijn (de tijd van de Duitse

Bezetting) het altijd rendabel is de molen te repareren.

Op 16 juni 1942 vraagt de heer Kellerhuis om antwoord. Op 1 juli 1942 vraagt de

Nederlandse Molen Stichting om nadere gegevens. 8 september 1942: De Nederlandse

Molenstichting antwoordt. Conclusie: het is een achtkantige stellingmolen, asfalt gedekt, circa 3 instellingen en hij staat goed in de wind. De reparatie bestaat uit 8 roeden, windpeluw, 1 koppel stenen. De stelling is voor ¾ stuk. Daarvoor kunnen de oude roeden gebruikt worden.

Kosten ijzeren roeden ƒ 600. Oostkant gestroomlijnd ƒ 300. De Nederlandse Molenstichting wil ƒ 100 subsidie geven.

Op 8 augustus 1944 schrijft de heer  Kellerhuis aan de Nederlandse Molenstichting als antwoord: “Op 8 September  1942 hebt U mij geschreven over herstel van de molen. Het rapport van de molenmaker G. ten Have komt uit op ƒ 3.100. Daar ik niets van U heb vernomen, kom ik hier op terug. Ik ben van plan een pakhuis bij de electrische malerij te bouwen en daarop een windmolen te plaatsen. Dan zou ik de zaak bij elkaar hebben en van de windmolen 100% kunnen profiteren. Zou ik daar vergunning voor krijgen? Bestaat de mogelijkheid aan materialen te komen? Ik hoor graag van U”.

8 augustus 1944: De Nederlandse Molenstichting vraagt nadere informatie betreffende pakhuis en loods .

9 augustus 1944: Kellerhuis meldt aan de Nederlandse Molenstichting, dat hij van plan is de

molen te af te breken en op te bouwen op het pakhuis. De verplaatsing plus wederopbouw

schat hij op ƒ 12.000. Hij heeft dan nog 7 meter stelling onder de molen en kan zodoende over Losser draaien. Hij hoopt dat de Stichting hem kan helpen.

17 november 1944. Brief van Kellerhuis aan de Nederlandse Molenstichting ( in potlood

geschreven) om zich in te spannen voor het behoud van de molen.

De drogist Bernard Holst zet zich in voor het behoud van de molen.

December 1945: Brief van de Nederlandse Molenstichting aan B. Holst, waaruit blijkt dat deze belangstelling heeft voor behoud van de molen. De Nederlandse Molenstichting wil in haar antwoord weten wie de werkelijke eigenaar van de molen is.

17 januari 1946: Kellerhuis antwoordt. De heer Lakerink is te oud om zich in te zetten voor het behoud van de molen. Daarom doet H.L. Kellerhuis het.

21 augustus 1946: Brief van Kellerhuis aan de Nederlandse Molenstichting met het verzoek om instandhouding van de molen. Als adres staat vermeld: J.H. Lakerink - Molen “de Hoop” Losser E.6

23 augustus 1946: B & W van Losser willen de molen wel in stand houden maar hebben

geen financiële middelen.

29 december 1946: Nogmaals brief van Kellerhuis aan de Nederlandse Molenstichting om de

molen in stand te houden.

3 januari 1946: Brief van Nederlandse Molenstichting aan mej. M.W.H. Kellerhuis, waarin

wordt vastgesteld dat de molen nooit meer in eigen onderhoud kan voorzien. (mej. Kellerhuis

heeft blijkbaar eigenhandig een brief aan de Nederlandse Molen Stichting geschreven).

17 augustus 1947: Bernard Holst doet weer een poging voor behoud van de molen.

20 april 1948: Brief van de Nederlandse Molenstichting aan burgemeester J.P.A.M. van de

Sandt, waarin aandacht wordt gevraagd voor behoud van de molen.

Niet gedateerd: Brief van Kellerhuis aan Nederlandse Molenstichting, waarin wordt

gememoreerd dat de molen in een turfschuur wordt veranderd .

Niet gedateerd: Brief van mej. M.W.H. Kellerhuis aan de Nederlandse Molenstichting, waarin zij zegt dat zij na het overlijden van de wed. Lakerink zal trachten de molen weer in haar bezit te krijgen.

26 maart 1949: Johan Wilhelm Ludwig Kellerhuis, van beroep brandstofhandelaar, wonende te Losser M.312 verzoekt beleefd hem toestemming te verlenen om de hem in eigendom toebehorende windmolen, staande aan de Hogeweg te mogen slopen. De wieken zijn  reeds lang geleden gedemonteerd en de kap lekt  dermate dat het binnenwerk spoedig zal verteren
(de brief was gericht aan de Rijkscommissaris  voor Monumentenzorg, Smidswater 7, ’s Gravenhage)

23 oktober 1949: Herhaling van dit verzoek.

9 januari 1950: Brief aan Rijksmonumentenzorg om de afhandeling te bespoedigen.

6 februari 1950: Brief aan Rijksmonumentenzorg met dito inhoud.

2 juni 1950: De Nederlandse Molenstichting geeft toestemming voor de sloop.

15 juni1950: De heer A. Bicker Caarten van Monumentenzorg vraagt nog nadere informatie.

Dan volgen nog brieven van enkele Lossernaren, met wanhoopskreten in potlood geschreven, gericht aan de Nederlandse Molenstichting, om behoud van de molen. Ze willen wel ƒ 25 geven als de molen maar gehandhaafd blijft.

21 juli 1950: Bevestiging van Monumentenzorg, van de toestemming om de molen te slopen.

Augustus 1950: Mej. M. Kellerhuis doet in een hand geschreven brief gericht aan de

Nederlandse Molenstichting nog een laatste wanhoopspoging om de molen te redden.

9 augustus 1950: De Nederlandse Molenstichting beantwoordt de brief van mej. Kellerhuis.

Het doek is gevallen. In 1953 viel de Kellerhuis “Möl” op de Möllenberg. In 1972 ging ook

de Kellerhuis – malerij (bij de huidige Langenkamp) over in slopershanden. Achter een bijkans 120 jarige molenaars traditie van de familie Kellerhuis werd een punt gezet.

ODE AAN DE WINDMOLEN “DE HOOP” OP DE LOSSERSE ESCH

(auteur onbekend)

Eenzaam stond de Oude molen

Op de wijde Losserse Esch

En zijn lange wieken joegen

zonder morren steeds maar zwoegen

in een niet te stuiten vlucht

 

Als een goede trouwe wake

Stond hij hecht en sterk

Op dezelfde vruchtb’re aarde

Op een gouden zee.

 

Voortgedreven door zijn wieken

klopt en knerst zijn hart

En  zijn stenen breken ‘t koren

zilver werd uit goud geboren

voor het witte meel.

 

Sinds geslachten, oude molen,

stond gij op Uw post

als brand en stormen om U kraken

en uw wieken aan flarden braken

mocht de donder om U gaan

gij hebt ‘t allemaal weerstaan.

 

Toen de tijd drukt’ op Uw flanken

zijnen stempel neer

en verweerd maar ongebogen

stond gij als een lust voor d’ogen 

als een schoon en kostbaar pand

boven ‘t Lossers korenland.

 

Eenzaam in Uw laatste dagen

treurend op de wijde Esch

heeft “de Hoop” als zware halmen

zijn tol betaald; kan niet meer galmen,

geofferd  aan d’ moderne tijd

Losser is zijn  Hoop nu kwijt.

De Bijzondere Vrijwillige Landstorm Overdinkel

Onderstaande foto toont de Bijzondere Vrijwillige Landstorm uit Overdinkel. De Bijzondere Vrijwillige Landstorm was een in 1918 opgericht vrijwilligerscorps bestemd om het wettige gezag te steunen bij handhaving of herstel van orde en rust. Het corps werd in 1940 door de Duitsers ontbonden en na de oorlog niet weer opgericht. De foto, die waarschijnlijk dateert van omstreeks 1938, werd ons onlangs geschonken door mevrouw Annemarie Geerdink uit Veendam, die wij ook op deze wijze daarvoor nog eens hartelijk willen bedanken. Haar vader G(erard) Geerdink was tot 1951 dienstgeleider bij de douane in Losser en is de tweede man zittend (v.l.n.r.) op de foto. We zijn benieuwd of onze lezers meer mensen van de foto herkennen.U kunt uw informatie , ook over het instituut Vrijwillige Landstorm, doorgeven via info@historischekringlosser.nl of telefonisch aan Thea Evers (053 538 2613) of Georg van Slageren (053 538 2850).

De tram

Bij Veldhuis sta ik, op de hoek

en breng mijn tijd met wachten zoek.

Ik kijk of hij bij “de Klomp” vertrokken is

Want in die richting hoor ik een gesis.

Daar komt hij dan met zwaar gegrom,

statig en traag het hoekje om.

Bij de kerk gaat hij de Spoorstraat in,

de tram van mijn herinnering.

Hij fluit en ziet mij heus wel staan,

de goederenwagons achteraan.

Ik ben nu weer, zo te zien,
een jongen van een jaar of tien
en voel me rijk en hou van hem.

Die feestelijke, mooie tram.

Bij ’t station mag ik op de loc.

En langs de straat sta ik op de bok.
Bij een overweg trek ik aan de fluit,
dat klinkt dan zeer waarschuwend luid.

Bij Van Heek rijden we nu door

Naar Glane met z’n grenskantoor.
Maar eerst, bij halte “Essenhuis”, ‘le grand café’

nemen we nog wat mensen mee.
Dan rijdt hij, haastig voor z’n doen,
het dorp uit onder ’t wuivend groen.

In Glane staat een stationsgebouw

met chef Hassing, trots als een pauw,
die samen met Douane en Zoll,

papieren bekijkt volgens protocol.

Dan krijgt de tram vleugels én
ik weet dan dat ik er bijna ben.

De machine gaat heel hoog zingen,
als we Gronau binnendringen.

Het station “Holländische Bahn” vind ik heel groot.
De fluit geeft daar een laatste stoot,
ten teken dat we aangekomen zijn.
Hier is het einde van de lijn.

In de restauratie van ’t station
gaan machinist en stoker, zolang het kon
een “Kaffee trinken mit kuchen dabei”.
En ben ik met een flesje “Sprudel” blij.

Dan rijdt de tram terug naar de stad,
naar Oldenzaal waar hij z’n standplaats had.
via Losser, waar we waren voor ik het wist.
Daar neem ik afscheid van stoker en machinist.
Ik voel me vrolijk en blij.

De dag ging veel te vlug voorbij.

Hans van Huizen

(Denekamp)

Eerder schreef Hans van Huizen over zijn jeugdherinneringen aan de tram en aan de straat waar hij woonde in Oet Dorp en Marke2002-2. Dat verhaal geeft een prachtig beeld van de dorpssfeer in de jaren dertig van de vorige eeuw. Het verhaal werd als een apart hoofdstuk opgenomen in ‘Op en om een klein stationnetje…’, uitgegeven door de HKL in 2003 en nog steeds verkrijgbaar.