Oet Dorp en Marke 2006 - 3

Inhoudsopgave

Van de redactie
Van het bestuur
 . Agenda
 . Incasso
 . Het Meisje in de Froenstraat
Veertig jaar Martinusparochie te Losser
 (Cor van de Wiel)
Openluchtspel in de Zandbergen
Aole Toorn, Martinus-Toor
 (Joke Kühlkamp)
Uitgaven van de Stichting Historische Kring Losser

Foto Leo Augustijn
Foto omslag: De Martinuskerk te Losser, geconsecreerd op vrijdag 30 september 1966.(foto Leo Augustijn).

Van de redactie

Op de dag dat dit nummer van Oet Dorp en Marke officieel uitkomt is het precies 40 jaar geleden dat kardinaal Alfrink in Losser de nieuwe Martinuskerk consecreerde. Toen de jubileumcommissie van de Martinusparochie enkele maanden geleden aan de Historische Kring vroeg om mee denken over de activiteiten die in het kader van het veertigjarig jubileum ontwikkeld zouden kunnen worden, stelden wij graag ruimte beschikbaar in ons ‘kwartaalschrift’ om aandacht te besteden aan de geschiedenis van de jubilerende parochie. De heer Cor van de Wiel, ‘gepokt en gemazzeld’ in het wel en wee van de parochie en haar naamgever werd bereid gevonden om een artikel te schrijven en zijn bijdrage is de hoofdmoot van deze aflevering van Oet Dorp en Marke.

U zult het wel niet bijgehouden hebben maar al bijna twee jaar lang wordt dit boekje - afgezien van vaste rubrieken - gevuld met bijdragen van anderen dan bestuurs- of redactieleden. En met wat we op dit moment al in portefeuille hebben aan bijdragen van ‘derden’ kunnen we tot en met het zomernummer van volgend jaar vooruit. Dat is toch geweldig…! Niettemin blijven we u - onze lezers - uitnodigen om uw bijdragen te leveren. Ze zijn van harte welkom.

De redactie

Van het bestuur

Agenda

Hieronder leest u wat tot het  begin van het nieuwe jaar op de agenda staat.

Alle bijeenkomsten worden gehouden bij Hotel Smit en beginnen om 20.00 uur.

Zoals u weet sturen wij niet meer voor elke bijeenkomst een aparte uitnodiging aan onze leden. Noteert u daarom de datums in uw agenda en/of op de kalender, zodat geen van deze interessante bijeenkomsten u ontgaat.

31 oktober 2006

Op dinsdag 31 oktober a.s. organiseert de Historische Kring Losser haar eerste ledenactiviteit van dit winterseizoen.

Deze avond  is eigenlijk  een voortzetting van de openingsavond van het vorige seizoen. Andries Kuperus presenteert weer foto’s, die door hem op de computer zijn bewerkt. Het gaat om afbeeldingen van Losser ‘voorheen’, die ‘gemengd’ zijn met afbeeldingen van Losser ‘thans’. Stien Meijerink-Hannink vertelt bijzonderheden bij de foto’s. Vorig jaar was deze avond een groot succes en ook dit jaar verwachten wij een grote opkomst.

28 november 2006

Op dinsdag 28 november komt de heer Willy Ahlers uit Oldenzaal vertellen over de spoorlijn Almelo-Salzbergen. De heer Ahlers is eerder bij ons geweest met een verhaal over de geschiedenis van de ‘post’ en we herinneren ons dat hij een onderhoudende spreker is, die bovendien heel erg goed weet waar hij over praat.

8 januari 2007

Op maandag 8 januari 2007 houden wij onze traditionele ‘Niejoarsvisite’. Stien Meijerink presenteert weer de gebruikelijke diaquiz. Succes verzekerd. En de boerenjong’s en knieperkes worden u aangeboden door het bestuur.

Wijziging in de contributie-inning

Tijdens de op 23 april 2006 gehouden jaarvergadering, waarvan u het verslag kunt nalezen in Oet Dorp en Marke 2006-2 en op onze website, is ook gesproken over de wijze van betaling van de contributie. Tot nu toe gebeurt dat door middel van acceptgiro’s. Met ingang van het jaar 2007 wordt de soort acceptgiro’s die wij gebruiken, door de banken niet meer verwerkt. Dat betekent dat wij moeten overstappen op een andere methode voor de inning van de contributie. De banken dringen daarbij nadrukkelijk aan op incassogiro en wij nemen dat graag over omdat het administratief heel gemakkelijk te verwerken is en voor u en voor ons geen kosten met zich meebrengt.

Bij incassogiro geeft u aan ons een machtiging af om de door u jaarlijks verschuldigde contributie op een bepaalde datum (1 februari van elk jaar) automatisch van uw bank- of girorekening af te laten schrijven. Meer informatie vindt u in een brief en op de Incassomachtiging, die u tegelijk met dit nummer van Oet Dorp en Marke ontvangt. Wij vragen aan onze ‘leden’ beleefd maar dringend om aan deze moderne wijze van contributie-inning mee te werken. Het antwoord op deze vraag zal in de komende weken door vrijwilligers bij u worden opgehaald.

Wij danken u bij voorbaat voor uw medewerking.

Het Meisje in de Froenstraat

Zoals bekend is ‘Het Meisje in de Froenstraat’ volledig uitverkocht. Maar alle foto’s uit het boek plus de bijbehorende verhalen worden in de komende jaren ‘herhaald’ op onze website www.historischekringlosser.nl . De maand oktober is gewijd aan Klaas en Grady Benschop, gevolgd door Mieke ten Berge in november en Clemens Betlem in december.  Zo nodig zijn teksten geactualiseerd en foutjes verbeterd. Als u nog verbeteringen of aanvullingen wilt melden dan kunt u dat doen op info@historischekringlosser.nl .

Het bestuur

Veertig jaar Martinusparochie te Losser

Hoewel de gevestigde kerken thans ondanks ingrijpende reorganisaties een moeilijke tijd doormaken en het ledental de komende jaren door natuurlijke afvloeiing ofwel het overlijden van de overwegend oudere kerkgangers naar verwachting nog met 25 % zal afnemen, ben ik graag ingegaan op het verzoek van de redactie om een artikel te schrijven over de 40-jarige Martinusparochie. Dit temeer doordat ik mij - sinds het 25-jarig bestaan van de parochie - behoorlijk verdiepte zowel in de geschiedenis van de kerk in Twente in het algemeen als die van Losser in het bijzonder, inclusief het boeiende leven van de patroonheilige van Losser, Sint Martinus, van wie ik in Frankrijk ook de plaatsen bezocht waar hij leefde en werkte. Daardoor als vanzelf een enthousiaste bewonderaar geworden van de markante persoon Martinus, die mij o.a. inspireerde tot het maken van een kleine expositie en een grotere diaserie over zijn leven en zelfs tot een historisch meer verantwoorde herdichting van het Martinuslied, jaarlijks op zijn feestdag gezongen.

Cor van de Wiel

1. Martinus en het bisdom Utrecht

Utrecht – Toen de Franken omstreeks 620 in het gebied der Friezen bezit hadden kunnen nemen van die plaats, verrees daar op de resten van het Romeinse castellum (permanent legerkamp) een kapel toegewijd aan Martinus (316-397), ongekend populair bij de Franken door het boek van de christelijke geschiedschrijver Sulpicius Severus (ca 360 – 420) dat in 395 twee jaar voor de dood van Martinus al het licht zag. Martinus, vooral bekend door het voorval van de mantel, de hálve mantel, waardoor het verhaal van zijn leven vaak maar half verteld wordt. Daarom het héle verhaal verderop in deze bijdrage.
De mantel van Martinus – in het Latijn cappa – werd aan het hof van de Franken in een gebouwtje met de naam capella bewaard en toevertrouwd aan de zorgen van een priester, kapelaan genoemd. Die mantel was een kostbaar bezit, dat eerst de Merovingische en daarna de Karolingische Franken als gelukbrengend met zich meedroegen in de vele oorlogen die zij voerden.
De kapel van 620 werd door Willibrord omstreeks 710 vervangen door een bisschopskerk, eveneens toegewijd aan de schutspatroon der Franken, Martinus. Zowel teken van verering als van afhankelijkheid van de politieke macht. Een kerk die rond het jaar 1000 – toen de bisschop van Utrecht ook wereldlijk heer werd in dienst van de keizer – vervangen werd door een romaanse kerk, in 1253 door brand verwoest. Waarna Hendrik van Vianden in 1254 de eerste steen legde van de huidige gotische domkerk met daarbij onder bisschop David van Bourgondië  (1455 – 1496) de hoogste toren van Nederland (104 meter). Op het kruis geen windhaan, doch Martinus met de bedelaar.

Afbeelding van de machtige Utrechtse Sint Maartensdom, waarvan in 1254 de eerste steen werd gelegd door bisschop Hendrik van Vianden. Een kathedraal die nooit helemaal gereed kwam, terwijl in 1674 een cycloon het schip van de kerk verwoestte, waardoor toren en koor van elkaar gescheiden werden.

Oldenzaal – Plaats vanuit Utrecht via Deventer gekerstend door de Angelsaksische monnik Marcellinus met in 775 reeds een houten kerkje, toegewijd aan de H. Silvester (314-335), door de Saksen verwoest en weer herbouwd. Daarna de periode van de invallen der Noormannen, waarin de graven van Kleef zich met Twente bemoeien en Lodewijk de Vrome die van 814-840 keizer was, hun het graafschap Twente met Oldenzaal ten geschenke geeft. Oldenzaal vanaf 954 onder Balderik – telg van dit gravengeslacht en 57 jaar lang bisschop van Utrecht – door het kapittel en de relieken van Plechelmus uitgroeiend tot het religieuze centrum van Twente. De kerk was vanaf die tijd toegewijd aan de uit Zuid-Schotland afkomstige Plechelmus, die het geloof verkondigde in de buurt van  Gelre, Gulik en Kleef en in 732 stierf te Odiliënberg bij Roermond. Zijn stoffelijke resten werden ten tijde van de Noormannen overgebracht naar Utrecht en in 954 door Balderik ten geschenke gegeven aan de nieuwe kerk te Oldenzaal, waarvan hij de patroonheilige werd, waarna zijn verering kon beginnen. Martinus was echter voor Oldenzaal ook geen onbekende, want hij komt al voor op het oudste, uit 1260 daterende stadszegel van Oldenzaal, de figuur te paard vereenvoudigd tot een borstbeeltenis met in de rand ‘Martinus’.
Vervolgens rond 1180 de bouw van een volledig nieuwe Plechelmuskerk: de geheel gewelfde, grotendeels bewaard gebleven romaanse kruisbasiliek met omstreeks 1240 het romaanse gedeelte van de toren, onder David van Bourgondië tot 61 meter in gotische stijl verhoogd. Door welke markante romangotische toren David  wilde laten zien wie er in het meest oostelijke deel van zijn bisdom – met vlakbij de graaf van Bentheim – de bisschop én landsheer was. Rond dezelfde tijd ook de aanbouw van het gotische koor en de vervanging van de romaanse zuidbeuk door een grotere gotische. De Plechelmus werd rond 1950 door Jan Schoenaker verrijkt met de drie grote, magistrale ramen van Silvester, Plechelmus en Martinus.
Losser – De kerk van Losser rond 1280 - op grond van de kinderloos overleden Herman van het geslacht Losser - ontstaan als dochterkerk van de Plechelmus te Oldenzaal, waarbij men de verheffing tot parochiekerk kan plaatsen vóór 1352. Een kerk toegewijd aan Martinus, met omstreeks 1500 de bouw van een toren met waarschijnlijk een trapgevel, na de brand van 1665 verlaagd tot een zadeldak.

2. Het tijdperk van de Reformatie

De kerk van Losser kwam 1598 in handen van de protestanten, doch de katholieken werden vanaf 1605 weer verzorgd vanuit het Spaanse Oldenzaal, waar Apostolisch Vicaris Rovenius de gelovigen aanspoorde in zo groot mogelijke getale naar Oldenzaal te komen, waarna Losser zó grondig werd ge-rekatholiseerd dat men pas na 1638 kan spreken van de blijvende aanwezigheid van een predikant, Theodorus Froen van 1638-1679 en zijn zoon Henricus van 1676-1696. De katholieken konden vanaf 1633 veilig en in alle rust kerken op de missiepost van de Glaan, die Rovenius daar met verlof van de bisschop van Munster had mogen oprichten: een veredelde schuur.
Dan het jaar 1665 waarin de opvolger van die bisschop - Bernard van Galen – met een groot leger onze gewesten binnenviel om zijn heerlijkheid Borculo te heroveren, waarbij ‘en passant’ Enschede geplunderd en Losser met kerk en 40 woonhuizen in brand werd gestoken. Waarna - als represaille - op last van de Ridderschap en Steden van Overijssel in 1667 ook de zusters van het Catharinaklooster te Almelo als laatste religieuzen Twente moesten verlaten.
Al met al ‘een keurige uitdrijving’ waarbij zij alle meubilair mochten meenemen en
ƒ 20.000 schadeloosstelling kregen voor wat ze moesten achterlaten. Een vertrek waarbij zij de drost moesten laten weten hoeveel wagens ze nodig hadden voor de verhuizing naar hun nieuwe onderkomen op de Glaan, waar broer Otto van de rector der zusters - Herman ter Hoente - voor de helft van die ƒ 20.000 grond had aangekocht bij de missiepost, terwijl de andere helft bestemd werd voor de bouw van een klooster met kerkje, waaraan de rector en de zusters de toepasselijke naam gaven van ‘Maria op de vlucht naar Egypte’, in de volksmond al spoedig ‘Maria Vlucht’.
Herman ter Hoente was niet alleen tot 1715 rector van de zusters, maar ook tot 1704 aartspriester - een soort deken - van Twente, waardoor Glane als vanzelf uitgroeide tot een kerkelijk centrum waar bijvoorbeeld op 16 september 1708 op één dag 5000 (!) Twentenaren het H. Vormsel ontvingen.
De katholieken van Losser mochten intussen vanaf 1774 van de drost van Twente ‘provisioneel (tijdelijk) hun godsdienst verrichten in het kerkhuis op Erve Zwerik tot zich eene betere en meer afgelegen plaats en huis daartoe opdeedde’. Waarna zij reeds in 1777 van de drost verlof kregen een kerk te bouwen op de Kostersgaarden, groter en beter dan die der hervormden.

3. De Additionele Artikelen van 1798

Door de Additionele Artikelen behorende bij de Staatsregeling van de z.g. Bataafse republiek (1795-1806), kwam er in 1798 een einde aan de Hervormde Kerk als staatskerk en de ter plaatse gevestigde kerken werd gevraagd naar het aantal leden - voor Losser 148 hervormd en 845 katholiek - en aan de hervormden bovendien een schatting van hun kerk, pastorie en inkomsten. In Losser werden de katholieken en hervormden het niet eens over het recht van eigendom, daar beide partijen beweerden het alleenrecht te hebben op die kerk, pastorie, kerkelijke goederen en inkomsten.
Bijna een soap om te lezen hoe dominee Immink, uitgaande van de stelling dat ‘doorgaans gehele roomsgezinde gemeenten de gereformeerde godsdienst omhelsden’ dit ook op Losser van toepassing vond, waar dan eerst in 1777 een R.K. gemeenschap ontstaan zou zijn met nog maar drie jaar een R.K. kerk met pastorie. Waarop de katholieken reageerden met: ‘Geen sprake van, want jullie grote kerk, jullie pastorie en goederen zijn al vanaf de Middeleeuwen van ons afkomstig’.
Dominee Immink die nóg een redenering opzette: dat bij de brand van 1665 zowel de hervormden als de katholieken hun in gemeenschap toebehorende kerk en pastorie verloren hadden, de hervormden toen de kerk hersteld hadden en dus in eigendom gekregen.
Argumentaties die niet verhinderden dat onder Lodewijk Napoleon, koning van Holland, besloten werd dat ‘de groote kerk te Losser ingaande de eerste van de Louwmaand (januari) 1810 aan de roomschgezinden moest worden afgestaan, doch de inboedel van de kerk en het huis van de predikant bezit zouden blijven van de hervormden, terwijl de kerkgoederen van vóór de reformatie naar evenredigheid der zielen tussen de hervormden en de roomschgezinden zouden verdeeld worden. Eén en ander uit te voeren door de landdrost van het departement Overijssel’.
Toen de kerkenraad der hervormden echter - door de drost daartoe gesommeerd - weigerde aan de kerkmannen van de R.K. gemeente de originele stukken over te dragen, doch wel bereid was daar middels afschriften tegen betaling inzage in te geven, gingen de R.K. kerkmannen met die handelwijze ‘uitgedacht om ons zoveel mogelijk op kosten te jagen en teleur te stellen’ niet akkoord. Waarop de landdrost desgevraagd bepaalde dat de hervormden de stukken moesten overgeven en de kopieerkosten uit eigen kas zouden betalen om zo tot een minnelijke schikking te komen, die er zowel door de houding van de hervormden als door het vertrek van Lodewijk Napoleon in juli 1810 - die aan de uitvoering van het Koninklijk Besluit van januari 1810 geen korte termijn had gesteld - nooit kwam. Aldus professor Knuif van het grootseminarie Rijsenburg in zijn op 1 januari 1910, t.g.v. het eeuwfeest van de teruggave van de grote kerk, gehouden lezing over ‘De heroverde Burcht’. Aan het einde waarvan de professor de loftrompet stak op Lodewijk Napoleon, Christus Koning en de moed en het vertrouwen der katholieken door wier offervaardigheid in 1902 ‘de nieuwe, grootsche, geheel Losser overheerschende kerk (Maria Geboorte) tot stand was gekomen’ met als uitsmijter: ‘de katholieke Kerk nooit de voormaals heerschende, maar de altijd heerschende door de goddelijke kracht der waarheid’. Een bepaald de hervormden niet welgezinde lezing!

4. De oude en nieuwe kerk niet opnieuw naar Martinus genoemd

Het is opvallend dat waar bijna overal de katholieken hun in 1810 terug gekregen kerken weer de naam gaven van de oude patroonheilige of - waar dat niet het geval was - hun nieuwe kerk weer onder diens bescherming plaatsten zoals te Almelo, Delden, Borne en Enschede, dit in Losser niet gebeurde. Dáár in 1810 geen teruggrijpen naar Martinus, doch de nieuwe naam van Onze Lieve Vrouwe Kerk. Naamsverandering waarvoor hypothesen worden gehanteerd zoals de persoonlijke devotie van de pastoor, de voortzetting van de aan Maria toegewijde missiepost op de Glaan of uiting van het zelfbewustzijn der katholieken naar de hervormden toe. Zo van: ‘maar wij hebben Maria’. Een naam die men in 1902 meenam naar de Maria Geboorte, waardoor men nog duidelijker wilde aangeven dat er een nieuwe tijd was aangebroken.

Plattegronden van de oude kerk op het Martinusplein die na 1810 driemaal vergroot werd om het groeiende aantal parochianen onderdak te kunnen bieden.

De oude kerk werd in 1810 meteen vergroot en nog eens in 1846 en 1887, met in 1897 de gedachte de kerk een vierde maal te vergroten. Hetgeen de pasbenoemde pastoor Hilhorst vanwege de sterk groeiende bevolking en de krapte van de bouwplaats niet zo zag zitten en daarom de bisschop in 1898  voorstelde een nieuwe kerk met pastorie te bouwen en de pastorie op de Kostersgaarden in te richten als klooster met leslokalen voor de Zusters van Schijndel. Het geheel was door Hilhorst  financieel zo goed onderbouwd dat de bisschop, Mgr. van de Wetering, er nog hetzelfde jaar zijn fiat aan gaf en  reeds in 1902 de neogotische kerk van architect Tepe kon inwijden.

5. Een tweede parochiekerk in Losser

De parochie waarvan kapelaan Ru Driever van de Martinusparochie te Utrecht in het najaar van 1963 benoemd werd tot bouwpastoor, enthousiast welkom geheten door pastoor J. A. van den Hoven van de Maria Geboorte, die in januari 1964 onder het motto ‘Heel Losser op de bres voor een kerk in de Esch’ de grote actie ‘voor een kerk met pastorie op heel wat meters kostbare grond’ van harte aanbeval. De Maria Geboorteparochie ‘langzamerhand zo groot geworden en in de naaste toekomst nog belangrijk groeiend, dat een splitsing absoluut noodzakelijk werd. Een splitsing niet te vroeg en niet te laat, maar precies en vanzelf passend in de ontwikkeling waarover wij ons in Losser verheugen. Niet anders als prettig dit grote en goede werk (van de bouw van een tweede kerk) in ruime mate te mogen aanbevelen, temeer wanneer men weet hoe Losser voor goede dingen wel wat goeds over heeft’.
Splitsing van parochies waarbij ongeveer een derde der katholieken van Losser zou meegaan naar de nieuwe parochie en in maart 1964 in onderling overleg de grenzen werden vastgelegd, waarna de bisschop op 8 april 1964 bepaalde ‘dat allen die tot dan toe tot de parochie van de H. Maria Geboorte behoorden tot die van de H. Martinus behoorden met aankleve van alle rechten en plichten, echter met dien verstande dat zij al hun kerkelijke verplichtingen moesten blijven vervullen in de Maria Geboorte tot aan de zondag volgend op de dag der inwijding van de Martinuskerk’. Hetgeen zondag Beloken Pasen (de eerste zondag na Pasen) 1964 van de preekstoel moest worden afgelezen.

6. Bedelpreken en acties

Bouwpastoor Driever betrok, na zeven maanden gastvrij onderdak bij de Zusters aan de Kloosterstraat, op 1 mei 1964 een voorlopige woning boven supermarkt ‘De Spar’ aan de Kloppenstraat om midden tussen zijn nieuwe parochianen aan de slag te gaan voor de nieuwe kerk. Hij deed dat middels bedelpreken waartoe een bouwpastoor in het hele bisdom het recht had en besteeg met dat doel tussen september 1963 en september 1966 in 118 parochies de kansel om alles bij elkaar ƒ 110.000 op te halen voor de inventaris van de kerk. Middels de twee jaar durende grote actie ‘Heel Losser op de bres’ waarvoor alle katholieken in Losser en Glane een circulaire ontvingen met een antwoordstrook waarop men kon aangeven hoeveel men - contant aan de deur, per giro of bank – wekelijks, per maand, kwartaal, half jaar of jaar wilde geven. Bij deze actie mikte men op een bedrag van ƒ 170.000 en onder de slogan ‘Hand in hand aan Drievers kant’ werden leerlingen van de Mulo en Huishoudschool bereid gevonden de wekelijkse toezeggingen op te halen. Parallel aan de grote actie liep de oud papier actie door de leerlingen van de Maria- en Aloysiusschool, wekelijks ondersteund door korte oppeppers van de bouwpastoor in ‘De Dinkellander’. Actie die naam maakte in het hele bisdom waarbij de meisjes van de Mariaschool de jongens van de Aloysius een lengte voor lagen en pastoor Driever – toen de eerste duizend gulden binnen waren – lollies uitdeelde en onderstaand gedicht maakte.

In Losser komt een kerk te staan met hulp van alle kanten.
Een deel ervan wordt opgebouwd uit oud papier en kranten:
de radiogids van elke zuil, van rood tot NCRV,
de Twentsche Courant, Tubantia, zelfs de Telegraaf doet mee.
Trekwagens, fietsen volgepakt zien wij van tijd tot tijd.
Het wagenpark is nu sinds kort met een bakfiets uitgebreid.
En deze week is het gebeurd – wie had dat ooit gedacht –
de opbrengst oud papier werd nu op duizend pop gebracht.
De bouwpastoor had goede zin. Hij was meer dan tevree
en bracht daarom voor iedereen een lekkere lolly mee.

Leerlingen van de Mariaschool op 11 november 1964 onderweg naar de woning van pastoor Driever boven ‘De Spar’ aan de Kloppenstraat, toen de drieduizend gulden grens van de oud papier actie werd gepasseerd. Deze actie zou in totaal ƒ 8.150 opbrengen.

Pastoor Driever die uit de tijd waarin hij te Utrecht speciaal belast was met het jeugdwerk in ‘De Zeven Steegjes’, daar elke zondag  de mis las in het Don Bosco-huis en zomerkampen organiseerde, wist hoe met jeugd en kinderen om te gaan. Driever door een jeugdleider uit die tijd getypeerd als ‘fijne man, sjofeltjes gekleed, weinig nodig voor zichzelf, een sociaal ingestelde priester, steeds in de weer met en voor anderen, een figuur die ook bij de voddenboer binnen liep. Altijd snoep bij zich om uit te delen aan de kinderen’. Deze jeugdleider kwam eens met een stel jongens op de brommer naar Losser, waarbij Driever zorgde voor overnachting bij een boer in het stro met de ochtend erop een stevig ontbijt.
Naast de genoemde acties waren er ook een grote loterij, collectes op bruiloften en partijtjes, bedelbrieven naar C&A en landelijke verenigingen en niet te vergeten de in totaal ƒ 13.000 in 1965 en 1966 van de Stichting Twentse Kerkenbouwzondag, waarbij in heel Twente letterlijk de klokken werden geluid voor niet minder dan 8 nieuwe kerken.

7. Het hele verhaal van de patroon der kerk

Pastoor Driever vroeg meteen in 1964 aan de lezers van de ‘De Dinkellander’ hun voorkeur bekend te maken voor de naam van de kerk met de reden waarom. Resultaat: 35 inzendingen met de naam van Martinus, omdat ‘er eerder in Losser een Martinuskerk stond, doch die naam  niet meer werd gegeven bij de teruggave van de oude kerk in 1810 en de bouw van de nieuwe kerk in 1902’.
En ook ‘omdat Martinus vanouds de patroon van Losser is en het Martinusfeest - wat Twente betreft - bijna alleen in Losser nog gevierd wordt’. Een voor de hand liggende naam dus.
Wat het hele verhaal van Martinus betreft: zijn leven speelde zich af in de vierde eeuw, toen er door keizer Constantijn in 313 vrijheid van godsdienst kwam, maar het Romeinse Rijk aan de vooravond van de Grote Volksverhuizing ook in al zijn voegen kraakte. Met na Constantijn in dat Romeinse Rijk een kerk die tot aan het keizerlijk hof worstelde met de leer omtrent de persoon van Jezus. Volgens het Concilie van Nicea (321) ‘waarachtig mens en waarachtig God’, doch volgens de Arianen ‘alleen maar mens, voortreffelijk mens, de allerbeste, maar niet de zoon van God’. Het Arianisme was een sterk verbreide leer in de 4e eeuw. Dit strijdpunt was ook bepalend voor het leven van Martinus van wie nu in het kort het hele verhaal van zijn leven.
Martinus werd in 316 geboren in Sabaria (West-Hongarije) uit heidense ouders. Zijn vader was beroepsmilitair in het Romeinse leger en noemde zijn zoon Martinus, naar Mars, de god van de oorlog, aan wie de maand maart was toegewijd waarin de legers na de winterpauze weer ten strijde trokken. Martinus ging op de leeftijd van 15 jaar al in het leger, waar je carrière kon maken en een goed pensioen in het vooruitzicht had in de vorm van een stuk land in ‘één van de provincies van het grote Romeinse Rijk. Martinus werd in Pavia (Italië) op zijn 18e jaar doopleerling en overgeplaatst naar Samarobriva in de provincie Belgica (het latere Amiens), waar hij op een dag zijn mantel middendoor sneed om er een arme bedelaar mee te bekleden. Een vindingrijk gebaar waardoor hij als onderofficier zowel voldeed aan het niet mogen afleggen van de dienstkleding als aan het gebod van de naastenliefde. Waarop Christus hem de nacht erop verscheen en - met de mantel van Martinus in zijn handen – tot de engelen zei: ‘Die man daar is Martinus, officier en doopleerling, die Mij gekleed heeft. Want wat iemand geeft aan de geringste van mijn broeders, dat geeft hij aan Mij’.

De oudst bekende voorstelling van ‘de aalmoes van St. Martinus’. Miniatuur uit het sacramentarium van Fulda van omstreeks 975.
Martinus te voet, zoals in 395 beschreven door Sulpicius Severus in zijn ‘Leven van Martinus’.

Martinus laat zich dan dopen, blijft nog 12 jaar in het leger maar verlaat dat op zijn 40-ste om dan in de leer te gaan bij bisschop Hilarius van Poitiers, die hem graag aan zich had willen binden als diaken. Martinus voelt echter meer voor een leven in ascese en wanneer Hilarius in 353 onder de Ariaanse opvolger van Constantijn als ‘verdediger van Nicea’ verbannen wordt naar het oosten, gaat hij naar Sabaria waar hij zijn moeder tot het christendom bekeert, en een tijdlang kluizenaar wordt op de Gallinaria-eilanden tegenover Genua.
Martinus krijgt - wanneer ieder weer de leer van Nicea aanhangt - in 361 van Hilarius de ruïne van een landhuis ten geschenke om er met zijn volgelingen te leven als asceet: het latere Ligugé bij Poitiers, waar hij 10 jaar zou blijven en vele wonderen deed, waarmee zijn biograaf Sulpicius Severus wilde aantonen dat het Avondland (Europa) niet minder het land van heiligen en wonderdoeners was dan het Morgenland (het Oosten). Martinus was - met name door die benadering van zijn leven – de hele vroege Middeleeuwen door mateloos populair.
Martinus wees - toen in 371 de bisschopszetel van Tours vacant kwam - deze categorisch van de hand, maar ‘door het volk uit zijn cel gelokt’ zei hij tenslotte toch ja. Niet zonder protest van enkele bisschoppen, die vonden dat een er zo onverzorgd uitziende bisschop dat ambt niet waardig was. Martinus verloochende zijn levenswijze van Ligugé niet, noch voor zichzelf, noch voor zijn volgelingen. Een 80-tal mannen die hij niet in de stad Tours, maar daarbuiten bij Marmoutiers  samenbracht, waren spoedig het voorbeeld voor andere kloosters, van waaruit vele monniken bisschop werden.
Martinus en volgelingen trokken - kracht puttend uit de versterving en het gebed te Marmoutiers - missionerend rond met de veel toegepaste methode van afgodsbeelden omverwerpen, het vellen van heilige bomen, tempeltjes ombouwen tot kerkjes en de doop van vele mensen tegelijk. De bisschop overleed op 8 november 397 ’geheel in stijl’ te Candes, toen hij daar een eind wilde maken aan een ruzie binnen het priestercollege: niet op stro, maar in zak en as op de grond liggend. Waarna hij op 11 november te Tours werd begraven in een kapel die in de 14e eeuw zou uitgroeien tot een kerk met vier torens. Deze bedevaartskerk werd tijdens de Franse revolutie afgebroken, doch zijn relieken werden veilig gesteld. Op dezelfde plek verrees in 1902 een nieuwe kerk die men - omdat er intussen een weg door de lengte van de vroegere kerk liep - een kwartslag om het graf liet draaien. Dat graf  werd o.a. driemaal bezocht door Angelo Roncalli (de latere Johannes XXIII) die zich zijn ‘humble client’ of nederige vereerder van Martinus noemde.

8. Een eigentijds bouwwerk

Eenmaal benoemd tot bouwpastoor, meldden zich niet alleen bouwgrage architecten, maar bezocht Driever ook zelf meerdere kerken waarbij de Maria Koningin Kerk te Baarn hem zó aansprak, dat hij zijn twee kerkmeesters (de leraar Hilderink en de bouwkundige Elshof) vroeg die kerk tijdens een viering te beoordelen, terwijl hij zelf in de buurt een bedelpreek hield. Waarop men ’s middags nog eens gedrieën naar de kerk ging en besloot om architect Hans Knoop (1924), ontwerper van een aantal low-budget kerken te Enschede, Dinxperlo en Baarn, te vragen de Martinuskerk te bouwen.
Architect Knoop ging bij zijn kerken uit van de gedachte van het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-1965) dat ‘voorganger en gelovigen een eenheid vormen, samen het volk van God’, en liet zich daarbij heel eenvoudig inspireren door de voorstelling van Jezus tijdens het laatste avondmaal. De Martinus was een kerk met in de hoofdbouw 750 en in de dagkerk 60 zitplaatsen, waarvan het ontwerp met toren, pastorie en bijgebouwen in september 1964 gereed kwam waarna het plan - na gunstig advies van de Welstandscommissie Overijssel - in april 1965 ter goedkeuring aan de gemeente kon worden voorgelegd, die daarna op 12 augustus 1965 de vergunning verleende. Daarbij het kerkbestuur veel succes toewensend en nadrukkelijk verzoekend ‘vanuit esthetisch standpunt’ direct ook de toren te bouwen als onafscheidelijk onderdeel van het geheel.

Maquettes van de kerk

Van de kerk werden twee maquettes gemaakt. Een in januari 1965 door het architectenbureau, waarvan huis aan huis een fraaie foto werd verspreid en een tweede in april 1965, uitgevoerd in lego door de heren Lussing, van de gelijknamige boekhandel, en de heer Westenbroek, uitvoerder in de bouw, en een aantal weken te bewonderen in de etalage van Wilke aan de St. Maartenstraat en later in een etalage aan de Overdinkelsestraat.

Interieur van de kerk

Een kerk waarvan de architect primair een ruimte wilde maken waarin voorganger en aanwezigen (inclusief de koren) een absolute eenheid zouden vormen zonder onnodige verhogingen. Een plafond van hout met lichtpunten die het beeld moesten oproepen van sterren aan de hemel. Achter het altaar een zacht gebogen wand, om het licht en het geluid op te vangen en terug te kaatsen. Een kerk die je moet beoordelen wanneer mensen er biddend en zingend bijeen zijn en waar je dan inderdaad het gevoel krijgt uitgenodigd te zijn aan de tafel des Heren.
Een kerk waarbij het van meet af aan de bedoeling was om allerlei benodigdheden te laten vervaardigen door erkende kunstenaars. De miskelk en communieschalen, de kandelaars en kaarsenstandaards, het processiekruis, de doopvont en het daarbij behorende vaatwerk door de edelsmeden Roosmalen uit Utrecht. Voor de dagkapel het in mozaïek uitgevoerde – op een juwelenkistje gelijkende - kleine tabernakel en het wandkruis eveneens in mozaïek met daarop de verheerlijkte Heer, gemaakt door de kunstenares Elly Griepink-Meyer. En bij de uitgang een ‘Madonna met Kind’ in gebrande klei van de bekende Oldenzaalse beeldhouwer Jan Kip.

Waar Driever ook aan dacht

Aan misdienaars en meisjes voor de crèche, aan koren en collectanten.

Aan een kerkhof - ten oosten van de Scholtinkstraat tussen de Ravenhorsterweg en de Smalmaatstraat - waarvoor contact werd opgenomen met het Adviesbureau voor katholieke begraafplaatsen te Nijmegen. Het kerkhof is er overigens noot gekomen.

En in mei 1966 voor de nieuwe kerk plus de bijkerk te Glane het verzoek om een kapelaan. Verder de eerste stappen voor de bouw van de basisschool ‘De Wegwijzer’ en kleuterschool ‘De goede Herder’ en wie het goedkoopst olie kon leveren voor de verwarming van de kerk, Shell of Purfina.

Alleen een koster hoefde hij niet te zoeken. Dat werd zijn huisgenote Mien Veldmaat.

De drie klokken

Waarvoor een klokkenfonds werd opgericht en eind augustus 1966 door de firma Eysbouts uit Asten drie klokken naar Losser werden gebracht: de Martinusklok van 800 kilo met de spreuk ‘Ik roep Gods volk tezamen in vreugde en droefheid’, de 500 kilo wegende Sint Jan de Doper met de woorden ‘Een stem die roept in de woestijn, bereid de weg van de Heer, maak zijn paden recht (Mattheus 3, 3)’ en de kleine 180 kilo wegende Sint Paulusklok met de inscriptie ‘Als ik de liefde niet heb, ben ik niet meer dan een klinkend koper of schellend cimbaal (1 Kor. 13, 1)’. De laatste klok een geschenk van de firma Van Heek-Scholco, ‘zo als goede buur de noaberplicht nakomend en de parochie welkom hetend’.

De eerste steen

Zaterdag 2 oktober 1965 gelegd door deken Nico van Dijk uit Enschede, toen de bouw van de kerk tot een meter boven de grond was gevorderd. In aanwezigheid van vele genodigden onder wie burgemeester Van de Sandt die in zijn toespraak terugging naar het jaar 1948 toen de plaats van de kerk in het uitbreidingsplan werd vastgelegd en er ‘vele protesten binnen kwamen vanwege het verlies van agrarisch gebied, waarover men thans niets meer hoort’.

De consecratie van de kerk

Op vrijdag 30 september 1966 door kardinaal Alfrink, die bij die gelegenheid over de nieuwe kerk zo optimistisch sprak ‘als het bewijs tot in de verre toekomst dat de 20-ste eeuwse mens ondanks alle problemen op godsdienstig gebied naar wegen en middelen zocht om dichter bij God te komen, meer dan vroeger het geval was’. De dag van de consecratie waarop de burgemeester tijdens de receptie meedeelde dat het gemeentebestuur besloten had, graag de door Elly en Ben Griepink-Meyer gemaakte muurschildering van Martinus aan de buitenkant van de kerk te willen bekostigen.

Oecumene in Losser

Een receptie waarop ook het woord werd gevoerd door de predikant van de Hervormde Gemeente Overdinkel ds. Overbeeke, die pastoor Driever toewenste ‘niet alleen kerkenbouwer, maar ook bruggenbouwer te zijn voor gescheiden optrekkende broeders en zusters’. Een wens niet aan dove oren bij de in Utrecht al zeer oecumenisch ingestelde Driever, waar hij vele jaren de huisgenoot was van doctor Frans Thijssen die er door zijn contacten met Rome en vele andere kerken zoveel toe bijdroeg dat de banvloek over de Oud-katholieken werd opgeheven. Geen wonder dat ik in de bibliotheek van Driever zoveel boeken aantrof over de oecumene en dat er al op 22 december 1967 op initiatief van alle Losserse kerken een Oecumenische volkskerstzang  werd georganiseerd in de nieuwe Martinus. ‘Christenen die op zondag naar verschillende kerken gaan, doch die regel eenmaal per jaar onderbreken: samen één rond de geboorte van de Heer’. Samenkomsten vanaf de 80-er jaren afwisselend in de Maria Geboorte- en de Martinuskerk, daar de Hervormde Kerk daarvoor te klein is. Wat is er ook in Losser op het gebied van de oecumene veel veranderd sinds de toespraak van professor Knuif op Nieuwjaar 1910 in de Maria Geboorte !

In het straatnamenregister

Terecht dat de gemeente Losser begin 2006 positief reageerde op het verzoek van de Martinusparochie om het plein voor de kerk Pastoor Drieverplein te noemen. Pastoor Driever tijdens zijn leven wars van onderscheidingen. De bouwpastoor die zich in 1988  terugtrok in Rekken waar hij 2 februari 2002 overleed. De man die we in 1991 en 2001 nog eens terug zagen bij het 25-jarig en 35-jarig bestaan van de parochie. De ‘sjouwer’ die bij de op het lied De steppe zal bloeien gebaseerde slotviering van 1991 als een van de schoofdragers in de kring stond van de vertegenwoordigers der werkgroepen. Waarbij hij zeker gedacht zal hebben aan psalm 126:

Al zaait een mens onder tranen, oogsten zal hij in vreugde,

            zingend terugkerend van het land met zijn armen vol schoven.

De onvergetelijke slotviering bij het zilveren jubileum van kerk en parochie in 1991. Op de foto zijn te zien van links naar rechts.: Jos Smits, pastor zowel van de Gerardus Majellaparochie in Overdinkel alsook van de Martinusparochie; pastoor Driever; zuster Astrid van den Berg; Mia Gervink; Ans te Lintelo (achter het bloemstuk); Gerard Munsterman; Frans Koel; Doortje Konincks; Rita Veneman. Van de misdienaars op de achtergrond is alleen de achternaam van het meest rechtse meisje bekend: Schilderman.

Cor van de Wiel

Bronnen en literatuur

-          Stad en land van Twente, H. Stroink,  Enschede 1980

-          Dertien honderd jaar bisdom Utrecht, M. Molenaar en G. Abbink, Baarn 1995

-          De Plechelmusbasiliek te Oldenzaal, M. Breitbarth-van der Stok, Hengelo 1986

-          Monumenten van Losser, L.H.M. Olde Meierink,  Historische Kring Losser 1980

-          Martinus van Tours door Sulpicius Severus, C.W. Mönnich, Amsterdam 1962

-          Martinus van Tours, Christopher Donaldson, Hilversum 1987

-          De heiligen, erflaters van Europa, Wim Zaal, Baarn 1982

-          St. Catharinaklooster Almelo en Klooster Maria Vlucht op de Glaan,

       A. Roelofs, Historische kring Losser, 1983

-          De heroverde burcht, lezing door W.L.S. Knuif, Utrecht 1910

-          De H. Maria Geboorteparochie, H. Bourgonje, Historische Kring Losser 2002

-          Archief van de Martinusparochie en gesprekken met pastoor Driever

-          Correspondentie met de architect Hans Knoop

De afbeeldingen bij dit artikel zijn afkomstig uit het archief van de auteur

Openluchtspel in de Zandbergen

Onderstaande foto is gemaakt in 1949 in de Zandbergen, waar een openluchtspel werd opgevoerd. Het stuk heette Stefan Borkos, een zigeunerstuk. Een toneelstuk dat veel als openluchtspel werd uitgevoerd vanwege het paardenspektakel dat er in voorkomt. Het was in die tijd erg populair maar wordt ook tegenwoordig nog wel gespeeld (in 2005 nog in Hellendoorn). Het stuk werd geschreven door Arie van der Lugt, een bekend auteur van o.a. streekromans. Zeer bekend van hem is ‘God schudde de wateren’, een trilogie over de lotgevallen van boeren op de Zuid-Hollandse eilanden tijdens en na de Watersnoodramp van 1953.
De foto werd ons, evenals de foto van de Bijzondere Vrijwillige Landstorm Overdinkel in het vorige nummer van Oet Dorp en Marke, toegezonden door mevrouw Annemarie Geerdink uit Veendam. Zij schreef daarbij: “Mijn vader Gerard speelde een graaf en zit rechts op het paard. De waarzegster ( 4e van links) is Bep Kortekaas en het meisje 5e van links is een dochter van Steijlen, haar voornaam weet ik niet meer, maar in het toneelstuk heette ze Ilona. De openingszin van het stuk was ‘brave Ilona dat was een echte Csardas’. De rest van het gezelschap weet ik niet meer bij naam. Later toen het openluchttheater in Brilmansdennen gebouwd werd, was de eerste opvoering Wilhelm Tell. Daar heb ik helaas geen foto’s van.
We zijn benieuwd of onze lezers meer mensen van de foto herkennen.U kunt uw informatie  doorgeven via info@historischekringlosser.nl of telefonisch aan Thea Evers (053 538 2613) of Georg van Slageren (053 538 2850). Ook reacties op de foto van de Bijzondere Vrijwillige Landstorm Overdinkel zijn nog van harte welkom.

Aole Toorn, Martinus-Toorn

Bij de ingebruikneming van het herstelde uurwerk van de Martinustoren op de langste dag van dit jaar, droeg Joke Kühlkamp onderstaand gedicht voor, dat wij - ter herinnering aan dit feestelijke feit - graag in Oet Dorp en Marke publiceren.

De redactie

Losser, 21 juni 2006

Op de langste dag van dit jaor,
bin ik blie, dat ik hier bie oe stao.
as kind, keek ik met eerbied, naor nou oe op,
En as Hein an de touw'n trok, zal oe bliek'n,
stond ik vol bewondering, nou oe te kiek'n.

Dree jaor, wat was't toch stil, wie hebt oe mist.
Wie rekken't er op, dat dit eenmaolig is.
Blie bint wie, daw oe klokgeluud weer heurd
en hopt, dat dit lange stilstaon, nooit weer gebeurd.

Ie, middelpunt van oons mooie dorp,
Ie, kunt weer opnem'n, teg'n al oe concurrenten.
Of 't noe, de Big Ben, de Plechelmus,  St Jan is of andere prominenten
Veur Lossenaren, bint ie de mooiste, de grootste en de beste,
Wie wilt dan ok, dat ie, oos de tiet geft,
en, veur oos, luudt, op 't lest.!!!.

Joke Kühlkamp