Oet Dorp en Marke 2006 - 4

Inhoudsopgave

Van de redactie
 . Over dit nummer
 . Het Meisje in de Froenstraat
Van het bestuur
 . Agenda
 . Contributie-inning
Dominee Jan Hendrik Hulsken en zijn koraalboek
 (Henny Wullink)
‘De moord van Domino de Geer’
 (Georg van Slageren)
Uitgaven van de Stichting Historische Kring Losser


Foto omslag: Het uit 1725 stammende Martens-orgel in de Protestantse kerk te Losser (foto Jan Holst, 1991)

Van de redactie

Over dit nummer

Terwijl de vorige aflevering van Oet Dorp en Marke bijna helemaal gewijd was aan de 40-jarige St. Martinusparochie, is dit nummer gevuld met bijdragen over predikanten van de Hervormde Gemeente (sinds kort officieel genaamd: ‘Protestantse Gemeente’) Losser.

De heer H.C.J. Wullink uit Zwolle verdiept zich al jaren in de geschiedenis van kerkorgels in Twente en is zo op het spoor gekomen van ds. J.H. Hulsken en een door deze Losserse predikant in 1839 uitgegeven koraalboek. Hij schreef over dit onderwerp een zeer gedegen en interessant artikel dat wij met veel genoegen publiceren. Het artikel betekent een waardevolle aanvulling op hetgeen in ‘400 jaar Hervormden in Losser’ (door de HKL in 1998 uitgegeven en nog steeds verkrijgbaar voor € 12,00) over ds. Jan Hendrik Hulsken geschreven staat.

Bij zoekwerk in het kader van ‘Typisch Overijssel’, een zoekwedstrijd op internet, waaraan wij als (bestuur van de) Historische Kring Losser meedoen, stuitte Thea Evers op de tekst van een lied genaamd “DE MOORD VAN DOMINO DE GEER op Jan Postumes en zichzelven”. Een bizar lied dat betrekking heeft op een bizarre gebeurtenis in het jaar 1904. Deze  gebeurtenis is ook uitgebreid beschreven in ‘400 jaar Hervormden in Losser’. De auteur van dit boek schreef een toelichting bij dit ‘moordlied’.

Het Meisje in de Froenstraat

Zoals bekend is ‘Het Meisje in de Froenstraat’ volledig uitverkocht. Maar alle foto’s uit het boek plus de bijbehorende verhalen worden in de komende jaren ‘herhaald’ op onze website www.historischekringlosser.nl . De maand januari is gewijd aan Ben Beunders, gevolgd door Gé van Blanken in februari en Bernhard Bloemen in maart.  Zo nodig zijn teksten geactualiseerd en foutjes verbeterd. Als u nog verbeteringen of aanvullingen wilt melden dan kunt u dat doen op info@historischekringlosser.nl of persoonlijk bij de redactie (Thea Evers, tel. 5382613 of Georg van Slageren, tel. 5382850).

De redactie

Van het bestuur

Agenda

Hieronder leest u wat in het eerste kwartaal van het jaar 2007 op de agenda staat.

Alle bijeenkomsten worden gehouden bij Hotel Smit en beginnen om 20.00 uur.

Zoals u weet sturen wij niet meer voor elke bijeenkomst een aparte uitnodiging aan onze leden. Noteert u daarom de datums in uw agenda en/of op de kalender, zodat geen van deze interessante bijeenkomsten u ontgaat.

8 januari 2007

Op maandag 8 januari 2007 houden wij onze traditionele ‘Niejoarsvisite’. We houden weer onze gebruikelijke quiz. Misschien wel niet meer met de traditionele dia’s maar wat meer van deze tijd met behulp van foto’s uit onze ‘gedigitaliseerde’ fotocollectie, die geprojecteerd worden met behulp van een ‘laptop’ en een ‘beamer’. Succes verzekerd. En de boerenjong’s en knieperkes worden u aangeboden door het bestuur.

6 februari

Op dinsdag 6 februari 2007 komt de historicus Dick Schlüter – werkzaam als directeur van natuurhistorisch museum ‘Natura Docet’ – naar Losser voor een dialezing, met als titel

‘Achtergrond en betekenis van Losserse volksverhalen.

Hoe komen de Sagenroutes in de gemeente Losser aan hun informatie? Daarbij speelt eind 19e eeuw de oud-militair J.J. Ort een rol, evenals een schoolmeester. Uit de eerste helft van de 20ste eeuw zijn er vragenlijsten bewaard gebleven die door correspondenten van het volkskundig instituut in Amsterdam werden ingevuld en onder andere volksverhalen als onderwerp hebben. Uiteraard zal Schlüter verschillende verhalen vertellen. Toverij, het grijze veulen, de hellehond en andere vertelsels zullen de revue passeren evenals de betekenis die ze hadden. Tegenwoordig leren kinderen op jonge leeftijd zwemmen, maar dat was in het verleden niet het geval. De verhalen over watergeesten hadden volgens Schlüter tot doel om kinderen zowel als volwassenen te waarschuwen voor de gevaren van water. Ook de betekenis van verhalen over toverij moet niet worden onderschat. Kortom, een boeiende avond over ‘het verhaal achter het volksverhaal’.

13 maart 2007

Op dinsdag 13 maart 2007 spreekt onze dorpsgenoot dr. Gerard Seyger, auteur van diverse boeken over het Twents en over onderwerpen uit de Twentse geschiedenis.

Zijn laatst gepubliceerde boek draagt als titel ‘Hanzerijkdom: Armen- en Ziekenzorg in Twenthe (797-1626)’ (De verkoopprijs van dit boek bedraagt € 34,50. Voor leden van de Historische Kring Losser bedraagt de prijs echter slechts € 28,00 mits afgehaald bij de penningmeester H. Dekkers of meegenomen op 13 maart).

De lezing op 13 maart zal gaan over Losserse onderwerpen. Momenteel verdiept de heer Seyger zich o.a. in het ontstaan van de naam ‘Losser’. Het zou ons niet verbazen wanneer hij tot verrassende - afwijkend van de tot nu toe gangbare - inzichten komt.

Contributie-inning

Bij de vorige aflevering van Oet Dorp en Marke is een ‘mailing’ verspreid die betrekking had op wijzigingen in de inning van contributie. Wij hebben onze leden daarbij verzocht aan de Historische Kring Losser een machtiging  af te geven om voortaan de contributie automatisch af te kunnen schrijven (incassogiro). We zijn tot deze wijziging gedwongen door veranderingen bij het gebruik van acceptgiro’s en wij hebben daarbij gekozen voor incassogiro omdat het administratief zo gemakkelijk te verwerken is en voor u en voor ons geen kosten met zich meebrengt.

Wij zijn erg blij dat nagenoeg al onze leden de gevraagde machtiging hebben verstrekt. Volgens planning zal de contributie 2007 omstreeks 1 februari a.s. worden afgeschreven! Degenen die geen machtiging hebben verstrekt ontvangen een schriftelijk verzoek tot betaling. Zij kunnen ons echter veel werk uit handen nemen door de contributie 2007 zo spoedig mogelijk na de jaarwisseling al spontaan over te maken. De contributiebedragen zijn ongewijzigd en staan vermeld op blz. 2 van dit boekje.

Wij danken u voor uw medewerking.

Het bestuur

Dominee Jan Hendrik Hulsken en zijn koraalboek

In de Nederlandse Hervormde kerken werden tot het begin van de negentiende eeuw psalmen en enige ‘lofzangen’ gezongen. Op 1 januari 1807 vond de invoering van een nieuw gezangenboek plaats, de Evangelische Gezangen. Het nieuwe liedboek bevatte 192 liederen. De teksten werden deels op bestaande melodieën gezongen.

Het waren vooral organisten van naam, verbonden aan de hoofdkerken van grote steden, die zettingen schreven voor de psalmen en deze nieuwe gezangen - de z.g. koraalboeken - ten einde de gemeentezang in goede banen te leiden. Zij hadden muziektheoretische kennis en praktijkervaring ten aanzien van de begeleiding van de gemeentezang.

Uit publicaties van onder andere F.C. Kist weten wij dat het met de gemeentezang in de eerste helft van de 19e eeuw droevig gesteld was. In vroegere tijden was het niet veel beter want Constantijn Huygens beklaagde zich al over de erbarmelijke zang in de kerken van de reformatie.

In 1839 verscheen uit onverwachte hoek een koraalboek te Losser, een dorp bij de Duitse grens, in het oosten des lands. Op het titelblad staat vermeld dat Losser moet worden gezocht bij Oldenzaal. Opvallend was dat de auteur niet de status bezat van organist.

De auteur en publicist, J.H. Hulsken, predikant te Losser, had in de eerste helft van de negentiende eeuw de ambitie om de gemeentezang te verbeteren. Hij voelde zich geroepen om  zelf daadwerkelijk iets te doen.

In dit artikel wordt verslag gedaan van een zoektocht naar J.H. Hulsken en zijn koraalboek. Een tweetal vragen stond daarbij centraal: wie was Hulsken en vanuit welke muzikale achtergrond opereerde hij ?

De familie Hulsken

De familie Hulsken is een oud-Oldenzaals geslacht van juristen en theologen. A.G. de Bruyn, huisarts en stichter van het Palthe Museum, beschrijft in zijn boekje over de voormalige Hervormde kerk van Oldenzaal een grafzerk met de inscriptie J.T.H., die zou hebben toebehoord aan Jan Timon Hulsken. (1) Het is niet zeker of deze persoon identiek is aan de hierna genoemde dr. Johannes Timon Hulsken, maar het lijkt wel waarschijnlijk. 

De familie is geparenteerd aan voorname en invloedrijke families, onder meer aan Teylers te Losser. Henricus Teylers (1727-1794) huwde in 1761 met Aleida Stroink (1739-1797), dochter van de Enschedese fabrikeur en burgemeester Herman Stroink. Hun oudste dochter Maria (1762-1787) huwde op 29 november 1785 met de dertig jaar oudere dr. Johannes Timon Hulsken uit Oldenzaal. Op 29 november 1786, precies één jaar na hun huwelijk, werd in Oldenzaal een zoon geboren: Johannes Hendrikus (Jan Hendrik) Hulsken. Hij is de hoofdpersoon van dit artikel.

Aanvankelijk woonde het gezin in Oldenzaal, maar Maria Teylers verlangde terug naar haar ouderlijke woning, het Teylershuis in Losser. Zij zou de bevalling niet meer te boven komen en stierf in Losser op 14 mei van het volgende jaar.

De boreling verbleef eerst bij zijn grootouders in Losser, maar zijn vader was daar niet zo gelukkig mee. Bijna drie jaar later schreef hij aan zijn schoonvader Henricus Teylers: “Vermits ik gisteren van uw Edele hebbe gehoort, dat mijn zoon het stamelen zoude aanleren van de stamelende kinderen van Losser, waarmede hij verkeert, derhalven weet ik daar geen beter raad voor, als dat ik hem dat geselschap onttrekke, want het stamelen te leren is sekerlijk een groot quaad en waar van de kinderen niet ligt zijn af te brengen, en zo mijn soon een stamelaar wierde dan was hij ook onbekwaam om een goed advocaat te kunnen worden, derhalven versoecke mij te termineren den dag wanneer ik mijn soon kan afhalen, en ten dien einde sal ik en mijn meid met een wagen komen”.

Alles is goed gekomen, zij het dat Hulsken geen advocaat is geworden, maar predikant. Hij ging naar een internaat, verbleef in Ohne, Westfalen, bij een domineesgezin en studeerde theologie aan de universiteit te Utrecht.

Op 16 oktober 1807 bracht de Hervormde Gemeente van Losser op proponent Hulsken een beroep uit. Als opvolger van de overleden ds. Immink werd Hulsken op 13 maart 1808 bevestigd door de Oldenzaalse predikant D.J. Smijter.

Verslag van de vergadering van de stemgerechtigde ‘Ledematen der Gereformeerde Gemeente te Losser’ gehouden op 16 oktober 1807. In deze vergadering werd Jan Hendrik Hulsken tot predikant van Losser beroepen.

Op 27 juni 1809 trad Hulsken in het huwelijk met Aleida van Dienst, geboren in Bathmen op 18 december 1787. Uit het huwelijk zijn vijf kinderen geboren, waarvan er vier de volwassen leeftijd bereikten. Alleen het derde kind, dochter Maria Aleida Amelia (1815-1876), trad in het huwelijk.

Hulsken kreeg als predikant een belangrijk aandeel in de afwikkeling van transacties die, op last van Lodewijk Napoleon, moesten leiden tot teruggave van de oude Martinuskerk aan de “Roomschgezinden”. Daaraan gekoppeld was de zorg voor de bouw van een nieuwe kerk. Op tweede kerstdag 1809 hield Hulsken zijn laatste preek in de oude kerk.

Hulsken heeft, met uitzondering van de studiejaren, zijn hele leven in Twente gewoond. Vermoedelijk was hij aan zijn geboortegrond gehecht. Daarbij kwam dat het beheer van het familiebezit hem om praktische redenen zal hebben weerhouden zich elders te vestigen.

Op 4 januari 1841 ging Hulsken met emeritaat. Tien jaar later betrok hij, samen met zijn tweede dochter Henrina Johanna Elisabeth, het Teylershuis; het huis van zijn moeder, dat in 1848 was aangekocht door zijn zoon Samuel. Poorthuis geeft in zijn boekje een sfeervolle beschrijving van de nieuwe bewoner en zijn ongehuwde dochter, die beiden zeer zuinig leefden.

Na zijn emeritaat zal Hulsken zich hebben bezig gehouden met het rentmeesterschap. Zowel uit de archieven als uit de streekliteratuur ontstaat het beeld van een vermogend man. Toch schijnt dat in Twente niet zo opmerkelijk te zijn geweest, want tot het werk van collega Palthe uit Oldenzaal behoorde het beheren van zijn steeds groter wordende vermogen. Palthe kocht in en om Oldenzaal ieder huisje en stuk grond dat te koop was. “Dit had tot gevolg dat Roomse pachters plaats moesten maken voor Protestanten”, aldus Hauer. (2)

Meer voldoening zal Hulsken misschien hebben ondervonden van zijn interesse voor het orgel en de orgelliteratuur, in het bijzonder het koraalspel. Zijn belangstelling beperkte zich niet tot muziektheoretische zaken. Uit nagelaten notities blijkt een brede belangstelling, onder andere voor de streekgeschiedenis.

Organologen kunnen Hulsken dankbaar zijn voor de aantekeningen over het Oldenzaalse orgel, die hij aan J. Weeling, rector van de Latijnse School te Oldenzaal, verstrekte voor diens beschrijving van de Plechelmuskerk. (3) Rector Weeling, die in het huis woonde aan de Steenstraat, hoek Plechelmusplein, waar tot voor enkele jaren de drukkerij en boekhandel van Verhaag was gevestigd, schreef in zijn dankwoord: “Wij vinden ons verpligt hier openlijk te vermelden, dat wij de volledige mededeelingen aangaande dit orgel geheel verschuldigd zijn aan onzen hooggeachten vriend, den Wel Eerwaarden Zeer Geleerden Heer J.H. Hulsken, predikant te Losser, wiens grondige kennis van alles wat de orgels en derzelver muzijk betreft, daartoe het best in staat was, en wiens bijzondere gehechtheid aan dit schoone kunstgewrocht, deze mededeelingen bovenal belangrijk moeten maken”. (4)

Het zijn waardevolle bouwstenen voor de vaderlandse orgelhistorie. Maarten Albert Vente heeft er in zijn proefschrift Bouwstoffen tot de Geschiedenis van het Nederlandse Orgel in de 16de Eeuw (1942)  gebruik van gemaakt (blz. 159, 160).

Een studie van recentere datum is het tweedelig werk van Jan van Biezen, Het Nederlandse Orgel in de Renaissance en de Barok, in het bijzonder de school van Jan van Covelens (1995), waarin de auteur op bladzijde 223 schrijft: “Van dit instrument, dat in 1795 door de Fransen werd verwoest, zijn gegevens bekend uit een reparatiecontract van 1729 en een beschrijving uit 1840 op grond van mededelingen van Ds. J.H. Hulsken te Losser verkregen”.

Alvorens met emeritaat te gaan had Hulsken de bijstand ingeroepen van zijn zoon, die aanvankelijk als hulpprediker fungeerde. In zekere zin heeft Hulsken, volgens een vooropgezet plan, zelf zijn opvolger gekozen. Dominee Hulsken overleefde drie van zijn volwassen kinderen en overleed op 19 april 1876 op bijna negentig jarige leeftijd.

Samuel Henricus Herlacus (Samuel), geboren 4 oktober 1812, volgde in 1841 zijn vader op. Hulsken jr. is predikant geweest tot aan zijn overlijden in een Deventer inrichting op 13 oktober 1863. Hij bleef ongehuwd.

 

Over brieven en koraalboeken

In het archief van B.G. Cromhoff bevinden zich brieven van Hulsken aan  zijn beide zonen Jan en Samuel. (5) Het zijn unieke documenten omdat informatie wordt verstrekt over de koraalboeken die Hulsken bestudeerde alvorens zelf met een koraalboek naar buiten te treden.

Uit de brieven blijkt verder een grote betrokkenheid met zijn kinderen. De lezer kan zich echter niet geheel aan de indruk onttrekken dat de toonzetting van de brieven een bepaalde vorm van aanmatiging vertoont. Over zijn vrouw wordt niets vernomen.

Johannes Timon Hendrikus (Jan), de oudste zoon, geboren 15 mei 1810, verbleef in de twintiger jaren van de negentiende eeuw te Deventer. Hij woonde ten huize van de erven Maalderink in de Kleine Overstraat en studeerde voor jurist (titel I.U.Dr.).

Regelmatig deed hij zijn vader voorbeelden en concepten toekomen van verzoekschriften en andere juridische en administratieve aangelegenheden. Later woonde hij in Almelo. Daar bekleedde hij in 1839 de functie van procureur en plaatsvervangend rechter.

Jan had zich in Deventer als orgelleerling gemeld bij Engelbert Biermann (1788-1850), de Duitse organist van de Broederenkerk, die bovendien verdienstelijk fluit en fagot speelde. (6)

De eerste brief aan Jan is gedateerd 24 september 1827: “Dat gij reeds een klavier hebt, hebt gij wel getroffen: gij neemt nu les bij Bierman en vergeet, volgens belofte Potholt niet. (7) Ik heb gisteren, zoals ik u ook te voren reeds zeide, Ps. 97 en Gez. 60 en 59 voormiddag laten zingen”. En verder in de brief: “Vraag eens aan Bierman of hij Tours wil overlaten, en voor hoeveel geld”.

Uit de brief van donderdag 18 oktober 1827 blijkt dat Hulsken zijn collectie koraalboeken heeft kunnen aanvullen: “Hedenmorgen heeft Luttikhuis van Tante Coldewey de mand met zoete appelen gebragt, en is verder naar Ochterop met den wagen gereden om potten te halen; morgenmiddag komt hij weder en neemt dezen brief mede. Ik heb toen ook van hem ontvangen Cantius Psalmboek met de bas er onder, gekocht [...] Karsenbergh op de laatse Boekverkooping”.

In deze brief dringt Hulsken aan om tijdig te komen: “Wij verlangen al naar uwe komst om Kersttijd, doch dan, dunkt ons best, moest gij komen donderdag vóór den 23 December, welke op zondag valt; wanneer, volgens het nieuwe Reglement, de Kerstvacantie begint. Dan speelt gij, gelijk vanzelf spreekt, onder het kerkgezang”.

Tenslotte deelt hij mee aanstaande zondag ’s middags een predikbeurt in Enschede te zullen houden wegens afwezigheid van ds. Kaiser. Daaraan wordt een interessante mededeling toegevoegd. Zondag 7 oktober had Hulsken ’s middags voor ds. Palthe een predikbeurt vervuld, omdat Palthe die dag te Harmelen (bij Utrecht) verbleef wegens de ingebruikname van het nieuwe orgel, “hetwelk deszelfs neef Fortuyn aan de kerk aldaar geschonken heeft”. (8a) en (8b)

Jan moet op het orgel al een redelijke tot goede vaardigheid hebben gehad want zijn vader schrijft op vrijdag 16 november 1827: “O hoe verlang ik naar uwe komst, mijn zoon; dan hoor ik nog eens echte Psalmen en Gezangen”. Is Hulsken niet te vreden met zijn eigen organist Hermannus Bonke ? Of is het alleen maar een aai over de bol van zijn zoon ? 

Verder deelt Hulsken mee dat de Oldenzaalse orgelmaker Georg Heinrich Quellhorst (1770-1836) in Losser is geweest om het orgel te stemmen: “Quellhorst heeft verleden week het orgel gestemd, op zijne wijze, doch het lelijke (?) onderste A is nu verholpen”. Uit de woordkeus spreekt enige scepsis.

Er wordt aangedrongen Potholt onder handen te nemen: “Ik vertrouw, dat gij Potholt vlijtig beoefent en dat gij Kersttijd uwe vorderingen zult bewijzen”.

Vader Hulsken dringt nogmaals aan om de donderdag vóór 23 december te komen omdat zij dan samen beter de psalmen kunnen leren spelen. Tenslotte vraagt Hulsken zijn zoon nogmaals om organist Biermann te polsen of hij Tours wil verkopen. (9) Wel wil Hulsken vooraf weten voor welk bedrag. Verder wil hij de mening horen van Biermann over de Preludia van Werner: “Daartoe moet gij dezelve dan ook eens met Bierman nazien en spelen”.

In de brief van maandag 21 januari 1828 moet Hulsken zijn zoon herinneren aan een viertal punten. De laatste twee betreffen het koraalspel:

“ 3. Het koraalboek van Werner naauwkeurig examineren, zoodanig, dat ik er zeker van ben, dat hetzelve zoo en niet anders moet gespeeld worden. 4. Potholt niet vergeten - Beste jongen”. (10)

Protestantse kerk en Aleida Leurinkhuis omstreeks 1960 (foto archief Protestantse Gemeente Losser)

In de brief van 12 maart 1828 wordt een opgave gedaan van de te zingen psalmen. Wanneer zijn zoon met de feestdagen overkwam dan was het kennelijk de gewoonte om hem in Losser tijdens de kerkdienst het orgel te laten bespelen: “Palmzondag speelt gij denkelijk Ps. 73, 65, 138. Des voormiddags moet ik dan weder naar Enschede. Gij moet u oefenen in deze psalmen, want ik heb nu niet veel lust om u te helpen”.

In de brief van 26 april 1828 schrijft Hulsken: “Ik verwacht dat gij Nieuwenhuizen prompt zult kennen, als gij in de vacantie komt”. (11) Verder zou hij graag een uitnodiging van ds. Palthe ontvangen om in Oldenzaal te preken want dan “had mijn organist gelegenheid om zich aldaar te laten horen”.

Hulsken zelf oefende dagelijks uit Potholt, want hij vond deze “nog even schoon; zorg maar dat gij den goeden man ook niet vergeet”.  

De laatste brief aan Jan, die in het Zwolse archief werd aangetroffen, is gedateerd 30 mei 1828: “Ik wens u van ganscher harte geluk met de promotie magis[ter] cum laude [...]”. Tenslotte: “Het boek met voorspelen van Rupp zend ik u hier neven misschien ook wel dat van Werner. (12) Gij moet [...] Nieuwenhuis braaf oefenen”. Bijgesloten werden 103 guldens en 3 stuivers met een exacte specificatie van het bedrag.

Samuel, de tweede zoon, studeerde in de dertiger jaren van de negentiende eeuw theologie in Groningen en woonde in de Heerestraat ten huize van de heer Van der Werp. Hij ontving van zijn vader regelmatig brieven met raadgevingen en verzoeken.

In de brief van 6 oktober 1834 schrijft Hulsken: “Gij moet voor mij inteekenen bij den Muzykhandelaar I.D. Smit te Groningen op een werk van W.G. Hauff. De Melodyen der Evangelische Gezangen, gezet voor Orgel en Piano (dat werk kost 3,25 c). De inteekening geschiedt op mijne naam en in mijne qualiteit: J.H. Hulsken, Predikant te Losser”.  (13)

Op 4 april 1835 kwam Hulsken weer terug op deze kwestie. Hij schrijft dat de boekverkoper J. Oomkens het boek niet wil uitgeven omdat de drukkers van het gezangboek pretendeerden mede het recht te bezitten van de melodieën, die tegelijk met het kopyrecht van het gezangboek zou zijn verworven. Muziekhandelaar Smit was nu voornemens het koraalboek uit te geven.

Hulsken vraagt zijn zoon na te gaan of Smit wel toestemming  heeft gekregen om het boek op de markt te brengen of dat hij “zonder zich om de goedkeuring van die eigenaren te bekommeren uit eigen beweging dat koraalboek uitgeeft ?”.

Het moet voor Hulsken belangrijke informatie zijn geweest. Hij besluit met de opmerking: “Hauff weet het wel, en die wil het u ook wel zeggen”. Hiermee bedoelt hij te zeggen: ga naar Hauff om het te vragen. Het is duidelijk dat Hulsken precies wil weten hoe de vork in de steel zit omdat hijzelf een koraalboek wil uitgeven.

Het koraalboek van Hulsken

In 1839, het voorbericht is gedateerd 18 februari, liet Hulsken een koraalboek verschijnen onder de titel:

Volledige Verzameling van al de Zangwyzen, zoo der Evangelische Gezangen, als der Psalmen, mitsgaders der Lof- en Bedezangen; by de Hervormde Kerk van Nederland in gebruik. Gezet voor het Orgel, Clavecimbaal en Piano forte, in gemakkelijk becyferden en in de hand liggende Letterbas en voorzien van de Klankladders der kerktoonen, eenige voorbeelden van voorspelen en een noodig Berigt, hoe men de kerkmuzyk moet behandelen. Ten dienste van Organisten ten platten lande, en van min ervarene Beminnaars der Koraalgezangen door J.H. Hulsken, Predikant te Losser by Oldenzaal.

De melodieën zijn isometrisch (niet-ritmisch) genoteerd. Hulsken gebruikt alleen aan het einde van de regels (maat)strepen. Interludia zijn niet genoteerd, hoewel hij deze niet geheel afwijst.

De baspartij is genoteerd door middel van letters met daarboven de notatie van de becijfering. In het voorwoord staat vermeld dat de becijfering niet altijd strikt dient te worden aangehouden, want “De cyfers dienen slechts, om de theorie der modulatie aan te wyzen”.

Ook geeft Hulsken aan op welke wijze de organist de toetsen dient in te drukken en besluit dan met de opmerking: “Vooral moet men zich wachten voor het getokkel, dat men geneigd is op de Piano te maken”. De Losserse predikant heeft een uitgesproken opvatting hoe de psalmen gespeeld dienen te worden: “Kerkmuziek wil niet oneerbiedig, wild en dartel behandeld zyn. Het eenvoudige, deftige, matig langzame Psalmspel is voorzeker het beste: hetzelve zet aan het kerkgezang pracht en luister by en geeft de meeste stichting en opwekking”.

Hulsken roept op bij de begeleiding en bij het uitgaan van de kerk niet te veel scherpe stemmen te gebruiken: “Overmits het Orgel de zingende Gemeente behoort te geleiden en te ondersteunen, maar niet te overschreeuwen, moet men zich liever van zachte en mannelijke geluiden bedienen, en geene schelle en kryschende geluiden gebruiken, ten zy dat het geluid des orgels door de kracht van het gezang zoude onderdrukt of verdoofd worden”.

Het koraalboek bevat zettingen voor orgel, klavecimbel en pianoforte. Het wil zeggen dat, behalve voor het orgel in de kerk, het boek eventueel kon worden gebruikt voor klavecimbel of piano.

Omstreeks 1800 werd de piano aangeduid met pianoforte of fortepiano. De ontwikkeling van de moderne piano voltrok zich in de jaren 1800-1830. Al vanaf 1792 werden in Overijssel piano’s verkocht door Johan Gottlieb Nicolai (1744-1801), de stadsmusicus en organist te Zwolle. (14) en (18)

Koraalboek van de Psalmen en Lofzangen
(autograaf) van een anonymus uit de verzameling van de auteur. Foto: B. Boersma-Dijsselhof.

Na 1840 werden koraalboeken uitsluitend geschreven voor orgel en piano. Het klavecimbel werd als ouderwets ervaren. Toch heeft Hulsken bij zijn zettingen nog gedacht aan het gebruik van het klavecimbel.

Welke instrumenten heeft Hulsken zelf bespeeld ? In de brief aan zijn zoon Jan, gedateerd 26 april 1828, schreef Hulsken dat hij dagelijks uit Potholt speelde. Ontsloot hij dan de kerkdeuren en trok de registers van het Martens-orgel om vervolgens op stijlvolle wijze de psalmen van Potholt te laten klinken ?

Aan de auteur Poorthuis danken wij het volgende: “Zij [Hulsken en zijn ongehuwde dochter] leven zeer zuinig en verblijven meestentijds in de grote keuken bij de schouw met het open vuur, waar de oude predikant geen papiertje onbenut laat om er aantekeningen op te maken die van waarde zouden kunnen zijn voor het nageslacht. Somtijds bespeelt hij het spinet en tussen zijn boeken prijkt zelfs een Koran”. (15)

Op 4 juni 1865, Hulsken is dan inmiddels 79 jaar, nam hij de moeite om de berichten uit de ‘Boekzaal’ (een sedert 1692 verschijnend ‘tijdschrift der geleerde wereld’ dat vooral gelezen werd door predikanten en leraren van Latijnse scholen; red.) over de zes nieuwe Hervormde kerken in Twente (de z.g. waterstaatskerken) te verzamelen en met eigen hand schriftelijk vast te leggen. (16) De Bruyn heeft de informatie als een afzonderlijk hoofdstuk opgenomen in zijn beschrijving van de voormalige Hervormde kerk te Oldenzaal.

Het spinet is een toetsinstrument behorende tot de familie van de klavecimbels. Het instrument heeft meestal één klavier en een éénkorige besnaring. De omvang is 3½ tot 4 octaven (geen registers, zoals bij een klavecimbel). Als huisinstrumenten waren de spinetten populair tot omstreeks 1800.

 

In de streek- en orgelhistorische literatuur zijn geen aanwijzingen gevonden waaruit blijkt dat het koraalboek buiten Losser in gebruik is geweest, hetgeen vanzelfsprekend weinig zegt over de feitelijke praktijk van alle dag. Er heeft weliswaar onderzoek plaatsgevonden naar de gemeentezang in ons land, maar daarmee zijn niet alle vragen beantwoord.

In de grote steden gebruikten organisten hun eigen koraalboeken. De boeken verschaffen aanvullende informatie over de wijze waarop werd gezongen. Zo geeft het koraalboek van Jacob Potholt aanwijzingen over de gemeentezang van de Oude kerk te Amsterdam na 1776.

Over de gang van zaken in de dorpskerken is doorgaans minder informatie beschikbaar. Losser neemt landelijk een  bijzondere positie in door de actieve rol van de eigen predikant .

Volgens de auteur Van Slageren heeft Hulsken zijn stempel gedrukt op het orgelspel van de laatste twee leden van het organistengeslacht Bonke. Dat waren Hermannus Johannes Bonke (1842-1912) en zijn zoon Hendrikus (1875-1934), die achtereenvolgens organist waren gedurende de perioden 1861-1912 en 1912-1934. Beiden zouden geregeld de zettingen van Hulsken hebben gebruikt. Zij deelden diens mening dat het orgel is bedoeld “ter begeleiding van de gemeentezang en dat de organist zich moet onthouden van lange voor-, tussen- en naspelen”. (17) De Losserse predikant ds. Schaefer merkte op: “Er was in hun stijl iets sobers en strengs”. (18)

Indachtig de onbetrouwbaarheid en ontoereikendheid van het menselijk geheugen kan men zich afvragen waarom de laatste twee organisten Bonke, na het emeritaat van Hulsken, het koraalboek wel hebben gebruikt en waarom de twee eerste organisten Bonke, Hermannus (1763-1845) en Hermannus Hendrikus (1815-1861), respectievelijk organist gedurende de perioden 1782-1845 en 1845-1861, tijdens de ambtsperiode van Hulsken, het koraalboek niet hebben gebruikt. (19)

Mogelijk is de invloed van Hulsken zo groot geweest, dat niet alleen tijdens zijn ambtsperiode de zettingen zijn gebruikt, maar daarna tevens door de derde en vierde generatie organisten Bonke.

Tenslotte moet worden gewezen op het verschijnen van een nieuwe gezangenbundel in 1866, de ‘Vervolgbundel’ met 82 gezangen, inclusief 11 gezangen van het ‘Aanhangsel’. Voor zover bekend heeft Hulsken voor deze liederen geen zettingen gepubliceerd, hoewel uit deze bundel vrijwel zeker zal zijn gezongen.

Orgeladviseur

Vooral binnen de eigen kerkelijke gemeente zal Hulsken zijn invloed hebben aangewend om het orgel in goede staat van onderhoud te krijgen c.q. te houden. Mogelijk zal hij zijn opvattingen voor het eerst kenbaar hebben gemaakt in de jaren dat het orgel werd overgeplaatst naar de nieuwe kerk.

Volgens de ‘Boekzaal’ was de nieuwe kerk eind december 1810 gereed: “Eerst op den 23sten December 1810 was de bouw der nieuwe kerk zoover gevorderd, dat men er in vergaderen konde, als wanneer er door onzen Leeraar, den Weleerw. Heer J.H. Hulsken, de eerste leerrede in gehouden werd over Psalm 122: 1 “Een Lied Hammaäloth, van David. Ik verblijde mij in degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis des HEEREN gaan”.

Het zou geruime tijd duren alvorens het bestaande orgel in de nieuwe kerk werd geplaatst, want het werd eerst op 20 oktober 1822 in gebruik genomen. De overplaatsing en de nodige herstellingen zijn uitgevoerd door Quellhorst.

De orgelonderdelen zullen zo lang opgeslagen zijn geweest. In dit verband wordt het Teylershuis genoemd, maar daarover schijnt geen zekerheid te bestaan.

Volgens de ‘Boekzaal’ ging het in Losser om een “aanzienlijke vergrooting en geheele vernieuwing des orgels”. Klaas Bolt, de eerste adviseur bij de jongste restauratie, heeft in zijn rapport vermeld dat een nieuwe Prestant 4 vt, een Sesquialter, een Prestant 8 vt en mogelijk een pedaalregister werden geplaatst. In een dispositieverzameling uit de jaren 1850-1862 (G.H. Broekhuyzen) heeft het pedaal weliswaar geen eigen stemmen, maar volgens een bestek van Elberink uit 1865 is er wel degelijk sprake geweest van een pedaalwindlade. (20)

In 1840 heeft Hulsken de Hervormde gemeente van Hengelo geadviseerd het orgel niet meer te herstellen. Het effect van dit advies is niet direct  te bepalen wegens de tegenstrijdige berichten, zowel in de archieven als in de literatuur. In ieder geval blijkt hieruit dat Hulsken ook buiten Losser werd geraadpleegd.

 

Samenvatting

Terecht merkte de journalist en reiziger Harm Boom in 1846 op: “De Heer J.H. Hulsken, emeritus predikant dezer gemeente en aldaar nog woonachtig, heeft zich een naam gemaakt, door zijne grondige kennis van alles, wat orgels en orgel-muzijk betreft”. (21)

Hulsken schreef een koraalboek, speciaal bestemd voor organisten op het platteland. Ook is hij opgetreden als orgeladviseur.

Hij beschikte over een verzameling koraalboeken, die al of niet in samenwerking met zijn zoon Jan, de jurist en dilettant organist, werden bestudeerd. Via zijn zoon Jan trachtte Hulsken informatie te krijgen van de Deventer organist Biermann.

Hoewel in de geciteerde brieven niet expliciet vermeld staat dat het bij Nieuwenhuyzen, Potholt en Tours om koraalboeken van psalmen en/of gezangen gaat, mogen wij uit de context afleiden dat Hulsken wel degelijk koraalboeken van deze musici op het oog heeft gehad.

De zettingen van Potholt hadden zijn voorliefde. Hij speelde regelmatig diens psalmen. Thuis beschikte hij over een spinet.

Ook trachtte Hulsken op de hoogte te blijven van nieuwe uitgaven. Zo liet hij zich door zijn zoon Samuel te Groningen informeren over het koraalboek van Hauff.

 

Henny Wullink (Zwolle)

‘De moord van Domino de Geer’

‘Een bizar lied dat betrekking heeft op een bizarre gebeurtenis in het jaar 1904’

We hebben het over het straatlied dat verder op is afgedrukt. De naam ‘straatlied’ slaat op de wijze van verspreiding van deze liedjes: ze werden op straat uitgevent in een tijd dat er nog geen radio en andere technische hulpmiddelen waren om muziek te distribueren. Meestal vond het uitventen plaats door straatzangers of andere lieden die hun brood verdienden met de verkoop van de blaadjes.

Op de blaadjes vinden we volksliedjes, smartlappen, nieuwe teksten en oude krakers. De meeste liedjes werden geschreven op bestaande melodieën die door iedereen konden worden meegezongen.

Thea Evers vond dit lied bij toeval op www.geheugenvannederland.nl. Het Geheugen van Nederland is een grote digitale verzameling van illustraties, foto's, teksten, films en audiofragmenten, allemaal van eigen bodem en afkomstig uit diverse collecties. De Koninklijke Bibliotheek en het Meertens Instituut bezitten beide een omvangrijke verzameling van dit soort liederen.

 

Nu meer over de bizarre gebeurtenis die de aanleiding was voor het ontstaan van het bizarre lied.

 

‘Domino de Geer’ was van 1899 tot 1904 predikant in Losser. Dr. Lodewijk de Geer werd op 27 januari 1872 geboren. Hij was de vierde zoon uit een huwelijk, waaruit 10 kinderen geboren zouden worden. De tweede zoon was ook Lodewijk genoemd, maar in 1869, op tweejarige leeftijd overleden. Vader De Geer was  predikant. Twee van zijn zusters zouden later met predikanten trouwen. Lodewijk werd ook predikant en bleef ongehuwd.

Een in 1870 geboren broer is de meest bekende telg uit het adellijke geslacht De Geer. Deze broer, Jhr. mr. Dirk Jan de Geer, was minister-president van ons land ten tijde van de Duitse inval op 10 mei 1940 en vluchtte op 14 mei 1940 met kabinet en koningin naar Engeland. De Geer twijfelt echter aan de uiteindelijke overwinning en zinspeelt op het sluiten van vrede met Hitler. Hij wordt ‘gedwongen’ af te treden en wordt in het najaar van 1940 op dienstreis naar Nederlands-Indië gezonden. Onderweg bedenkt hij zich en keert terug naar het bezette Nederland. Dat veroorzaakt grote ophef en na de oorlog moet hij zich voor de strafrechter verantwoorden, die hem in 1947 tot één jaar voorwaardelijke gevangenisstraf veroordeelt.

Uiteindelijk eindigt de periode De Geer in Losser in ‘moord en doodslag’. In de Twentsche Courant van zaterdag 3 september 1904 werd als volgt over de dramatische gebeurtenis geschreven.

 ‘Een vreeselijk drama te Losser’

 

‘Een vreselijk drama is Donderdagmorgen te Losser afgespeeld. Tegen circa 6 uur bevond zich de fabrieksarbeider Jan Posthumus uit Losser, van nog twee arbeiders vergezeld, op weg naar de fabriek te Gronau in de nabijheid der tramhalte bij Essenhuis. Eensklaps sprong uit eenige struiken te voorschijn ds. L. de Geer, predikant der Herv. Gemeente te Losser, loste een schot uit een revolver; de kogel trof J.P. in ‘t hart; een tweede schot volgde en J.P. werd andermaal nu in ‘t hoofd getroffen. Zwaar gewond viel hij ter aarde. De beide andere arbeiders waren natuurlijk geheel ontsteld, terwijl de onverlaat onder ‘t geroep van “moord! moord!” wegsnelde en zich op de rails der tram wierp, - blijkbaar om zich te laten overrijden door de tram, die juist naderde. De machinist werd echter door een landbouwer gewaarschuwd en wist nog juist bijtijds te stoppen. De Geer, dit bemerkende, stond op, nam zijn revolver, stak den loop in den mond en loste eenige schoten, zoodat de kogels zich zelfs door de hersenpan verwijderden en hij zwaar bloedend ter aarde stortte. De moordenaar leefde nog circa een uur en zijn slachtoffer ongeveer een half uur, beiden zonder bewustzijn, waarop de lijken werden weggevoerd; dat van J.P. naar ‘t huis zijner ouders, dat van de G. naar zijn woonhuis.

De moordenaar heeft zich blijkbaar reeds Woensdagavond naar de plaats des onheils begeven en daar den nacht doorgebracht. Hij is althans niet op zijn bed geweest. Een deken had hij meegenomen, zeker om gemakkelijker te kunnen liggen.

En de oorzaak van dit vreeselijke drama ?

Niets is hieromtrent met zekerheid te zeggen. Jan Postumus was verscheidene jaren bij de Geer in betrekking. Voor een tweetal jaren verliet hij die betrekking en ontstond er heel wat oneenigheid, enz. heel wat praatjes over poging tot vergiftiging door de G. enz. die niet bewezen zijn, doch door sommigen voor waar, door anderen voor valsch werden gehouden. De justitie stelde toen tevergeefs een onderzoek in. Onlangs schijnt de G. weder pogingen te hebben aangewend om J.P. weder in zijn dienst te krijgen, echter zonder resultaat. Geen wonder, dat de bewoners van Losser onder den indruk van dit vreeselijke drama verkeeren.

Het parket te Almelo heeft de lijken geschouwd.’

‘Een bizar lied dat betrekking heeft op een bizarre gebeurtenis in het jaar 1904’

In de predikantenlijst van de Hervormde Gemeente Losser, staat achter de naam van Jhr. dr. Lodewijk de Geer ‘kandidaat, bevestigd 29 oktober 1899, bediening neergelegd 1 november 1902; opnieuw bevestigd 18 januari 1903, overleden 1 september 1904’.  Zakelijke informatie, die op zijn minst de vraag oproept waarom de bediening korte tijd werd neergelegd.

‘Twee jaar, nadat ik Losser had verlaten, bracht ik mijn eerste bezoek aan mijn opvolger, L. de Geer, beklagenswaardiger gedachtenisse!’, zo schreef ds. Pos in 1943  in een brief aan ds. Wijchers, de toenmalige predikant van Losser. Ook een opmerking die vragen oproept.

De in de alinea hiervoor genoemde vragen heb ik geprobeerd te beantwoorden in ‘400 jaar Hervormden in Losser’. Het voert te ver om het hele hoofdstuk dat ik aan De Geer heb gewijd hier af te drukken. Leest u het boek er nog eens op na (het is nog steeds verkrijgbaar bij de HKL).

Georg van Slageren