Oet Dorp en Marke 2007 - 1

Inhoudsopgave

Van de redactie
 . Internetzoekwedstrijd ‘Typisch Overijssel’
 . Het Meisje in de Froenstraat
Van het bestuur
 . Agenda
 . Wat is geweest: Expositie Galerie ‘t Nien-End
 . Wat nog komt: Jaarvergadering
Waar was ik… Wat dacht ik… Wat deed ik…
 Op de eerste en tweede paasdag 1945…?

 (J.D. Brilman)
Liedjes rond Mobilisatie en Oorlog
 (Hans van Huizen)
De scherpe kanten van de verzuiling
 (Thea Evers)
Uitgaven van de Stichting Historische Kring Losser


Foto omslag:
Dit schilderij van de hand van Jaap van Kregten (1878-1967), werd in 1927 vervaardigd in opdracht van Jan Holtkamp t.g.v. het huwelijk van diens broer Adrianus. U ziet het huidige Martinusplein. Links is nog een stukje van de ‘oude toren’ te zien. (De kerk was al in 1904 afgebroken). V.r.n.l. ziet u verder het huis waar de gebroeders Nijland (Prik en Prak) en hun zuster gewoond hebben, de wagenmakerij van Huttenhuis (‘Ramakers Graets’), het huis van Thiehatten (erachter woonde ook nog een Thiehatten) en de woning van Boerrigter (op de plaats waar nu de Plusmarkt staat).

Het schilderij was één van de vele pronkstukken die van 6 januari tot 25 februari 2007 te zien waren tijdens de tentoonstelling in Galerie ‘t Nien-End. Door dit mooie plaatje op de ‘cover’ van Oet Dorp en Marke te plaatsen wil het bestuur iedereen bedanken die objecten voor de tentoonstelling beschikbaar heeft gesteld of op een andere wijze er aan heeft meegewerkt dat de expositie zo‘n groot succes is geworden.

Van de redactie

Internetzoekwedstrijd ‘Typisch Overijssel’

De Historische Kring Losser heeft in het afgelopen najaar meegedaan aan een zoekwedstrijd op internet. De bedoeling van deze ‘speurtocht’ was om (bestuurs)leden van historische verenigingen (meer) vertrouwd te maken met de mogelijkheden van het internet. In die opzet zijn de organisatoren, wat de deelnemers van de HKL betreft, helemaal geslaagd. ‘Een wereld is voor ons open gegaan’.
Tot onze eigen verbazing eindigden wij in de voorronde op de tweede plaats. Wat voor ons als een grapje begonnen was eindigde donderdag 8 februari 2007 in Zwolle, waar de finale werd gespeeld, bloedserieus: Er waren ‘vette’ prijzen te verdienen. Uiteindelijk zijn we 500 euro rijker naar huis teruggekeerd.
De vier overgebleven teams mochten in het Historisch Centrum Overijssel in Zwolle (het ‘oude ‘Rijksarchief’) uitmaken wie er met de hoofdprijs naar huis ging. Door de weersomstandigheden (het sneeuwde voor de eerste en enige maal deze winter) moest helaas één van de finalisten, verstek laten gaan. ‘Jullie worden vanavond dus in ieder geval niet laatste’, sprak quizmaster Monique Bos de drie overgebleven teams toe. ‘En mochten we vanavond ingesneeuwd raken, dan is er in ieder geval genoeg eten over’, vervolgde ze. De stemming zat er meteen goed in. Dat werd nog eens versterkt door een van de deelnemers uit Losser, die spontaan een vreugdekreet uitte toen ze hoorde dat er deze avond niet alleen om eer en glorie maar ook om geldprijzen gestreden zou worden. 
Na een korte uitleg door projectleider René van der Have van de Overijsselse Bibliotheek Dienst kon het echte denk- en zoekwerk beginnen. Van elk team moest een tweetal achter de laptop plaatsnemen voor de zoekvragen en mochten de overige teamleden zich buigen over de kennisvragen. Gemene deler in het geheel was de cultuurhistorie van Overijssel. In een uur tijd werden er twaalf denkvragen op de finalisten afgevuurd evenals vier zoekvragen over de Overijsselse historie. Zo struinden de ‘zoekers’ bijvoorbeeld het internet af om antwoord te krijgen op de vraag wat de slogan is van een biertje dat is vernoemd naar een misdadiger uit de achttiende eeuw. Na een aantal drukken op de knop en de nodige zweetdruppeltjes kwam iedereen uiteindelijk op het goede antwoord (een misdadig lekker biertje van Huttenkloas).
De ‘denkers’ moesten het deze avond in Zwolle echter zonder elektronische hulpmiddelen stellen. De hersenpannen van de Overijsselse (amateur) historici werden danig op de proef gesteld met ingewikkelde vragen over onder andere Overijssels architectuur, dichtkunst en muziek.
Om de quiz ook voor het publiek aantrekkelijk te houden, werden de vragen voorzien van diverse animaties en filmpjes die via een beamer werden getoond.
Uiteindelijk bleek na zestien vragen dat de Palthehof uit Nieuwleusen  twee punten meer had gescoord dan het team uit  Hellendoorn en drie meer dan de Historische Kring Losser. 

Voor de HKL namen deel: Johan van Nederpelt (bijna-winnaar van de quiz tijdens de Niejoarsvisite) en de bestuursleden Harry Dekkers, Thea Evers, Stien Meijerink en Georg van Slageren.

Het Meisje in de Froenstraat

Zoals bekend is ‘Het Meisje in de Froenstraat’ volledig uitverkocht. Maar alle foto‘s uit het boek plus de bijbehorende verhalen worden in de komende jaren op onze website (www.historischekringlosser.nl )geplaatst. De maand april is gewijd aan Johan Blokhuis, gevolgd door Marinus Bolhaar in mei en Henk Bos in juni. Zo nodig zijn teksten geactualiseerd en foutjes verbeterd. Als u nog verbeteringen of aanvullingen wilt melden dan kunt u dat doen op info@historischekringlosser.nl of persoonlijk bij de redactie (Thea Evers, tel. 5382613 of Georg van Slageren, tel. 5382850).

De redactie

Van het bestuur

Agenda

Wat is geweest

We begonnen op 8 januari met een geanimeerde Niejoarsvisite, in de maanden februari en maart gevolgd door boeiende en ook goed bezochte lezingen van drs. Dick Schlüter over achtergronden van Losserse volksverhalen en van dorpsgenoot dr. Gerard Seyger over Losserse en Twentse onderwerpen.

Expositie Galerie ‘t Nien-End

Daarnaast was er in januari en februari de expositie van de Historische Kring Losser in galerie ‘t Nien-End op het Erve Kraesgenberg. Deze tentoonstelling trok ruim 700 bezoekers en de eigenaresse van de galerie, mevrouw Jo de Jong, ontving samen met haar gastvrouwen veel enthousiaste reacties. Het was dan ook een bijzondere tentoonstelling met kunstwerken waarop een beeld werd gegeven van (oud) Losser en Overdinkel. De schilderijen, tekeningen, etsen, wandborden en tegelplateaus waren welwillend afgestaan door een groot aantal particulieren. De kunstwerken werden aangevuld met historische voorwerpen, zoals een urn, die werd opgegraven in een tuin aan de Scholtinkstraat, een bijzondere doos met sigaren, textielgoed, rekeningen van verdwenen winkels, bid- en devotieprentjes, een vaandel van een niet meer bestaande zangvereniging enz. Het geheel leverde voor Lossernaren en oud-Lossernaren veel herkenbaars op. En op collages van krantenfoto‘s van circa 1960 tot 1980 konden mensen zien hoe jong ze toen nog waren.

Bijzondere dank zijn wij verschuldigd aan wethouder mevrouw L. Venema-Veenvliet, die op 6 januari 2007 de expositie opende en ons bij die gelegenheid het bidprentje van de familie Stegge schonk. Mevrouw Venema kwam het bidprentje onlangs tegen op het internet en vond dat het daar niet thuis hoorde, maar wel bij de Historische Kring. Een uitstekende gedachte, die navolging verdient. Het bidprentje is hierna afgedrukt bij het artikel van de heer Jan Brilman over diens herinneringen aan eerste en tweede paasdag 1945.

(Wie het verhaal over de ramp die Losser, maar in het bijzonder de familie Stegge op 14 januari 1945, trof nog eens na wil lezen: het staat op blz. 179 e.v. van ‘In Losser is niets gebeurd…’).

Wat nog komt

Jaarvergadering

Zondag 22 april

De jaarvergadering vindt plaats op zondag 22 april om 13.30 uur bij Hotel Smit. We staan even stil bij het afgelopen jaar, maar u wordt ook op de hoogte gebracht van onze plannen voor de komende tijd.

Na afloop van de vergadering gaan we naar het Rijksmuseum Twenthe. Daar bezoeken we de tentoonstelling ‘Het jaar van de 18e eeuw’. Informatie over deze tentoonstelling vindt u in de bij deze aflevering van Oet Dorp en Marke gevoegde folder. Vooraanmelding voor deelname aan deze excursie is niet nodig. We gaan met eigen vervoer en zoals we gewend zijn rijden we zoveel mogelijk samen. Mochten er deelnemers zijn die niet over vervoer beschikken dan kunnen die contact opnemen met secretaris Georg van Slageren (tel. 053 538 2850).

Waar was ik… Wat dacht ik… Wat deed ik… Op de eerste en tweede paasdag 1945…?

In de eerste plaats wil ik de heer J.G. Blokhuis uit Enschede mijn compliment maken voor de voortreffelijke manier waarop hij ons met zijn artikel in Oet Dorp en Marke 2006-1 heeft wakker geschud. De duidelijke en vooral de eerlijke manier waarop hij een en ander zo prachtig heeft verwoord heeft mij er toe gebracht om ook weer eens achter de computer plaats te nemen en mijn belevenissen betreffende de bevrijding van Losser op te schrijven.

Ik ben het roerend met hem eens dat niet alles wat er over de geschiedenis van Losser is (en wordt) geschreven juist is (zal zijn). Toch ben ik van mening dat een en ander niet bewust en met opzet mooier of slechter beschreven is dan de werkelijkheid toelaat. We worden allemaal ouder. Dan willen de finesses vaak niet meer tevoorschijn komen terwijl het grote geheel nog voor op de tong ligt. Vooral namen en data, die niet duidelijk te achterhalen zijn kunnen dan niet met zekerheid worden vermeld. Daarom heb ik er zelf ook tegenop gezien om mijn verhaal, waar ik nog vaak met menigeen over heb gesproken, aan het papier toe te vertrouwen.

Hoe het eigenlijk is begonnen

Hiertoe wil ik eerst even vertellen hoe het kwam dat ik met de bevrijding op de 1e en 2e paasdag in 1945 aanwezig was op de boerderij “Het Elshof” van de familie Ter Heersche, beter bekend met de huisnaam  ’t Zwik, aan de Zoekerweg 11.

Op donderdag 15 februari 1945 viel er een stel bommen op Glane, met zeer ernstige materiële en droevige menselijke gevolgen. Op dat moment was ik werkzaam in de kapperszaak van mijn ouders op de hoek van de zogenoemde Trebbewoningen tegenover café Schorfhaar. Ons huis stond te trillen op zijn fundamenten en wij zelf op onze benen. We vermoedden dat er een bombardement ergens in de richting van de Zoeke plaats vond. Ik was om de een of andere reden lid geworden van een Blokploeg en had daarvoor een armband gekregen die ik gebruiken kon om er mee de straat op te gaan als er zich calamiteiten zouden voordoen. Die was mij ook al van pas gekomen bij de ramp in het Rode Dorp op 14 januari 1945 waarbij zes leden van de familie Stegge om het leven kwamen.

Bidprentje voor Vader Johannes Stegge en vijf van zijn kinderen die op zondag 14 januari 1945 om het leven kwamen toen een Duits jachtvliegtuig neerstortte op hun woning aan de Scholtinkstraat (toen Dinkelstraat). De moeder en zes kinderen overleefden de ramp.

Ook nu peddelde ik richting Glane, waar ik midden in een ravage terecht kwam. Daar waren meerdere gewonden en drie dodelijke slachtoffers. De eerste die ik daar samen met iemand anders op een ladder naar het grenskantoor van de heer Heerspink mocht transporteren was de voor mij bekende heer Bernard Boerrigter. Wij vonden hem liggend naast een enorme bomkrater in de tuin achter hun huis. Een bomscherf had zijn schedel verwoest. Het zag er afschuwelijk uit. Daarna volgden nog twee dodelijk getroffenen die er verschrikkelijk gehavend uit zagen. Al deze slachtoffers werden netjes op een ladder vervoerd naar het grenskantoor, waar de heer Heerspink, die daar Ontvanger der Invoerrechten & Accijnzen was, voorlopig de regie overnam.

Na het gebeuren in Glane kwam enige tijd later Dr. Van Schie bij ons in de kapperszaak om zich de haren te laten knippen. Dat was opvallend, omdat hij geen vaste klant van ons was. Toen hij klaar was vroeg hij mij om even mee naar buiten te gaan, waar hij mij vertelde  dat de bevrijding op til stond, en of ik bereid was om deel te nemen aan een ondergrondse EHBO-ploeg. Hij dacht, in verband met zijn waarnemingen van mijn deelname aan de werkzaamheden bij de gruwelijke ramp aan de Glane dat ik geschikt zou zijn om mij aan te sluiten bij een EHBO-ploeg. Natuurlijk wilde ik me graag beschikbaar stellen.   

Van Schie vond het beter dat ik dan zo vlug mogelijk zou onderduiken en alleen mijn moeder zou vertellen waar ik bereikbaar was. Ik ben die zelfde middag vertrokken naar de boerderij van de familie Verbecke in de Zandbergen, waar ik meerdere malen tijdelijk ondergedoken was geweest. Het aangename voor mij was dat ik al langere tijd verkering had met de jongste dochter van die familie…

Er kwam echter een dilemma. Uit allerhande verrichtingen van het Duitse leger kon men begrijpen dat de bevrijding toch wel erg dichtbij kwam. Zo had een viertal Duitse militairen het slaapkamertje van vader en moeder Verbecke gevorderd om het met allerlei apparatuur in te richten tot een Telefooncentrale. Dat zag er dus niet zo best uit voor hen die reeds langere tijd bij de familie Verbecke waren ondergedoken.

Dat waren o.a. :

Zoon Jan Verbecke,

die daar, als jonge onderwijzer, volgens de Duitsers, natuurlijk helemaal  niet thuis hoorde.

Willem  Haarman,

die van kinds af aan elk jaar een zeer gewaardeerde hulpkracht was op de boerderij.

De heer Koops,

die een oude bekende was op de boerderij in de tijd dat hij het beheer voerde van het vakantiecentrum De Ravenhorst.

De advocaat Schlingeman,

die ook weer via, via daar onderdak had verkregen.

Twee dames,

wier echtgenoten bij een razzia in Rotterdam opgepakt waren. Via een paar gevluchte medegevangenen waren ze te weten gekomen dat veel van die Rotterdammers afgevoerd waren en gevangen zaten in het Sint Antoniusklooster in de Bardel  vlak over de grens bij grenspaal 4 nabij het dorp Losser. Prompt waren ze op pad gegaan om te proberen ook hun mannen het vluchten mogelijk te maken.

Weken lang hadden ze er over gedaan om lopend van uit Rotterdam zo dicht mogelijk bij het bewuste klooster terecht te komen.

Losser en grenspaal 4, daar waren ze op weg naar toe. Maar, afgemat, uitgeput en met ernstige verwondingen aan hun voeten kwamen ze eveneens bij de familie Verbecke terecht. Onmiddellijk werd Dr. Van Schie van dit feit op de hoogte gebracht, die de dames geheel gratis en voor niets weken lang heeft behandeld tot ze weer genezen waren.

Voor al deze mensen werd snel ergens anders een schuilplaats gevonden.

De Duitsers waren druk bezig met hun telefooncentrale en daarbij uiterst coulant ten aanzien van de familie Verbecke. Ik werd vermoedelijk gezien als een lid van het gezin en sliep in een kamertje vlak naast de “centrale”.

Dat was bijna mis gegaan. Want, in de nacht van zaterdag 31 maart op zondag 1 april 1945 kwam mijn vader me waarschuwen dat ik zo snel mogelijk werd verwacht op de boerderij “Het Elshof” van de familie Ter Heersche aan de Zoekerweg 11. Het was stikdonker en het is voor mij nog altijd een raadsel waarom mijn vader  juist op het raampje tikte, waar ik achter sliep en niet op het raampje er naast waar die Duitsers vertoefden. Zag hij ondanks de verduistering toch nog wat licht, of hoorde hij ze soms praten? Hij was er lopend naar toe gekomen, en misschien geholpen door zijn vroegere smokkelaarinstinct.

Toen het licht werd op die eerste paasdag zagen we vele Duitse militairen vertrekken richting Duitsland. Ze zagen er verfomfaaid en slecht uit en sommigen konden bijna niet meer lopen. Ze hadden van alles bij zich waar één of meerdere wielen (wieltjes) onder zaten. Kinderwagens, autopetten, fietsen, handkarren, om maar zoveel mogelijk bij elkaar gegraaide goederen op mee te kunnen nemen naar hun ‘Heimat’. Ze baggerden overal dwars doorheen om maar zo snel mogelijk naar het oosten te verdwijnen. Vooral via grenspaal 4, richting het klooster in de Bardel, maar ook rechtdoor via de boerderij van Aarnink…

Ik leende de fiets van de jongste dochter van Verbecke, Bertha, waar ik verkering mee had. Ik zag onder de kapberg een grote stapel vierkante pakken Duitse boter liggen. Dat zag er zo verleidelijk uit, dat ik het niet kon laten om eerst nog even een paar daarvan achter de jas te verstoppen. Ik besefte op dat moment niet hoe dom dat was... Dat besef kwam pas toen ik een paar honderd meter verder op de Dinkelbrug was aangekomen en daar werd aangehouden door een stel van die verfomfaaide en gewapende Duitse vluchtelingen. “Absteigen” zeiden ze. Ja, toen zat mij die boter naar in de weg… “Gib mir das Fahrrad” zei één van die snuiters. Ik schrok wel even, maar herstelde meteen weer om hem recht in de ogen te kijken en te zeggen, ”Das kan’s du ja nich mach’n. Ich bekomme grade Bericht dat meine Muter doodskrank ist. Ich muss sofort darhin!”

Het stel begon hardop te lachen en de man waar ik tegen sprak zei bars en luid: “Gib hier das Rad! Sofort!!! Am front sind ja viele doodskrank! Was meinst du…”, en meteen greep hij die mooie Fongerfiets van Bertha uit mijn handen. Zeker vanwege de “boter” heb ik toen maar geen poespas meer verkocht. Wel heb ik mij snel uit de voeten gemaakt om vlug naar ons huis in de Nes te lopen, waar ik onder een stapel takkenbossen nog een fiets had verstopt. Daarop ben ik via sluipweggetjes bij “Het Elshof” aangekomen.

Wat en wie ik daar aantrof was voor mij een volkomen verrassing. De aanwezigen waren bekend met mijn komst, maar voor mij was er geen bekende naam bij.

Zij, die mij daar ontvingen woonden naar omstandigheden vrij comfortabel in een nogal ruim kippenhok. Een hoekje dat een keukentje moest voorstellen, een zitkamertje en wat slaapgelegenheid.

Hoe kwamen ze daar en waarom waren ze daar. Dat werd mij uitgelegd als volgt:

1e. De familie Vogel was uit hun riante woning in het “Vogelsbos” gezet door de Duitse militaire organisatie die deze woning in beslag had genomen. Zodoende kreeg de familie Vogel van het gezin ter Heersche het voormelde kippenhok beschikbaar om dat zo comfortabel mogelijk in te richten als een  ‘noodwoning’. Voor man, vrouw en drie kinderen was dat passen en meten, maar in die tijd was er niets en kon alles… Hoe ze dat allemaal geregeld hadden is voor mij een raadsel gebleven.

2e. Ik trof er verder twee dames aan die me bekend waren als verpleegsters van het Groene kruis en het Witgele kruis.

3e. Toen zich later ook nog Dokter van Schie liet zien, werd mij één en ander duidelijk… Een EHBO-groep… Waar had ik dat eerder gehoord…?

Ja, daar zit je dan. et zal er nu wel gouwHet H

Het zal er nu wel gauw van komen. Wat en hoe, dat is nog steeds de vraag. Er wordt gedacht, gepraat en verondersteld. De een wist dit, de ander dat, maar niets was zeker. Mijn verhaal over de Zandbergen, de boter waar mijn moeder mooi weer mee kon spelen, en de fiets van mijn Bertha die mij werd afgepakt, deed het goed bij het gezelschap. We hebben er om gelachen, zij het met een tikkeltje aanwezige nervositeit. Er werd wat gedronken en gegeten,  maar ik weet niet meer wat.

Het weer was goed, dat speelde ons in de kaart.

In de loop van de middag nam ik plaats tegen een stapel takkenbossen achter het kippenhok, vanwaar ik een goed overzicht had op de Enschedesestraat. Aan de overkant daarvan was een stukje weidegrond met een waterput of zoiets, waarbij de Duitsers volgens zeggen het een of andere geschut hadden opgesteld.

Ik hield dat goed in de gaten. Maar, plotseling zag ik iets dat mij in hoge mate frappeerde. Vanuit het beboste deel kwam op de Enschedesestraat, richting Losser, een klein groenachtig legervoertuig aanrijden, dat er aan de voor- en achterkant hetzelfde uitzag. Het reed met een snelle vaart voorwaarts, stopte na ongeveer 100 meter, en ging, zonder te draaien, met dezelfde vaart weer achterwaarts.

Ik rende naar binnen om dit aan de anderen mee te delen. Die begrepen hieruit dat het Engelse leger in de bocht op de Enschedesestraat in het Vogelsbos aanwezig moest zijn. Destijds liep er een wagenpad vanaf de boerderij naar het zuidelijke deel van het Vogelsbos. Hierlangs verdwenen wij het bos in, om daar ongezien rechtsaf te rennen naar de Enschedesestraat, alwaar we, blij verrast, de ontdekking van ons leven deden. Het Engelse leger was daar inderdaad grootscheeps aanwezig!


Eindeloze rijen geallieerde militaire voertuigen op de Bentheimerstraat in De Lutte.

Zo ver we konden zien stond er richting Enschede, geheel rechts van de weg een eindeloze lange file grote legertanks. De bemanning daarvan was in alle rust bezig met allerhande klusjes, zoals thee drinken, eten klaarmaken en nuttigen, slapen en anderzijds uitrusten. De kalmte droop er af. Toch waren deze mannen, net als wij, ontzettend blij met deze ontmoeting. We kregen ook thee, chocola, sigaretten en blikjes met koekjes of iets dergelijks. Persoonlijk verstond ik er geen woord van waarover ze spraken, maar ik was niet de enige die daarmee zat. Met gebarentaal van handen en voeten lukte het ons vaak om een en ander uit te leggen. Voor zover ik me nog herinner waren er enkelen bij die de Engelse taal beheersten en daardoor goed konden converseren met de leiding van deze legerafdeling. In mijn herinnering zie ik bijvoorbeeld de heer Goorhuis en nog enkele heren druk staan praten met de leiding van het Engelse leger. Later vernamen we dat er zeer nuttige gegevens werden uitgewisseld over hoe en waar de Duitsers in en om Losser zich hadden opgesteld om weerstand te bieden bij een eventuele aanval, zoals dat door de Engelsen was gepland. Dit overleg nam nogal wat tijd in beslag.

Achteraf heb ik wel gehoord dat hierdoor de opmars door Losser die  dag en langs die route niet is doorgegaan.

Ondertussen waren enkele militairen lustig met een bal aan het pingelen waar ook wij een beetje aan mee deden. Maar, opeens werden we uitgenodigd om tegen hen een partijtje te voetballen. Dat werd graag aangenomen.  Prompt werd een oude oranjekleurige parachute aan repen gescheurd waarmee ‘het Nederlands elftal’ werd uitgedost. Waren het er wel elf? Misschien meer of minder, dat weet ik niet meer zo precies. Ik weet nog wel waar de wedstrijd heeft plaats gevonden. Net achter het Vogelsbos aan de Enschedesestraat was - en is nog steeds - een klein stukje weidegrond waarop we de wedstrijd hebben gespeeld. Hoe dat is verlopen is mij niet bijgebleven. Wel weet ik nog dat de militairen opeens tot de orde werden geroepen. Zeer gedisciplineerd werd alles ingepakt en zat iedereen binnen een mum van tijd weer op zijn tank. Op het een of ander commando draaiden alle tanks ter plaatse om hun as en stonden klaar om direct daarna precies tegelijk te vertrekken richting Enschede.

Ja, dat was het dan…

Met ons groepje trokken we ons blij maar voorzichtig terug in ons ‘kippenhok’.

Afwachten en geduld hebben. Er gebeurde eerst nog niets. Het begon te schemeren en langzaam viel de avond in. Er werden een paar kaarsen aangestoken. Toen, opeens zag een van de dames buiten twee zwaar bewapende Duitse soldaten behoedzaam het kippenhok naderen. Vlug werd overleg gepleegd wat er met mij moest gebeuren. Ik was de enige in het gezelschap die niet legitiem aanwezig was. De Duitsers kwamen heel voorzichtig dichter en dichterbij. Plotseling tilde een van de dames de aanwezige divan omhoog en riep zacht: “Jan, vlug, eronder!”. Ik aarzelde niet en was rap onder de divan verdwenen. Een mooi divankleed hing er royaal overheen! Een moment later stonden daar in het flakkerende licht van een paar kaarsen twee verfomfaaide, maar zwaar bewapende Duitse militairen in het kamertje. Er volgden ettelijke seconden van diepe stilte. Voor mij leek dat een eeuwigheid en mijn hart bonsde van heb ik jou daar. Het ergste was nog dat de divan voorzien was van zulke korte pootjes die aan de voorkant niet geheel tot op de grond kwamen. Ik durfde bijna geen adem te halen! Toen vroeg één van de Duitsers: “Wir wollen Eier haben!” Dat brak de spanning en in een oogwenk kwam één van ons gezelschap met een schaal gekookte eieren voor de dag, die voor de paasmaaltijd klaar stonden. De soldaten staken er een aantal van bij zich en vertrokken daarna schielijk weer naar buiten waar ze snel uit het zicht waren verdwenen. Dat luchtte op, en de divan werd snel opgetild om mij weer in vrijheid te laten ademhalen!

Er volgde een avond en nacht met angst, spanning en afwachting. We hoorden veel geschut dat, naar wij vermoedden, vanaf het vliegveld afkomstig was. Of het kanonnen waren of raketten, dat was ons onbekend. Maar even na de knal die, dachten wij, vanaf het vliegveld te horen was, hoorden wij telkens ook een doffe ontlading vanuit de richting Gronau. Dat ging de hele nacht zo door, tot op een gegeven moment, ergens dicht bij, een enorme ontploffing plaats vond. Dat gaf meer verontrusting. Waarom zou zo’n projectiel niet op of naast ons ‘kippenhok’ terecht kunnen komen? Het gaf te denken. Maar, na die lange onrustige nacht brak eindelijk het ochtendgloren aan. Toen kwamen er meteen weer berichten tot ons over hoe en wat er was gebeurd die nacht en wat er nog in en om Losser te gebeuren stond. In de eerste plaats werd ons duidelijk gemaakt wat de enorme ontploffing ’s nachts was geweest. De Duitsers hadden vlak voor het woningcomplex waar o.a. de bekende familie van der Walle woonachtig was, een deel van de Enschedesestraat opgeblazen. Dat veroorzaakte een geweldige ravage! Niet alleen aan de straatweg, maar ook aan de woningen daar. Ook kregen wij te horen hoe de strategie van het Engelse leger was gewijzigd. Terwijl de Duitsers zich hadden georiënteerd op de richting vliegveld/Enschedesestraat, kwamen nu de Engelsen via Glanerbrug en Glane met groot materiaal Losser en Overdinkel binnen, zonder enige strijd!

Hierdoor bleef Losser gespaard van veel oorlogsschade.

Het was nu een en al vrolijkheid en feest, behalve voor hen die zich tijdens de bezetting achter het regime van de bezetters hadden geschaard. Daar wil ik het nu liever niet meer over hebben. Daar hebben de leden van het Nederlandse ondergrondse leger zich mee bemoeid. Die waren onder andere ook met een heel stel mannen uit Losser en omgeving rondom het vliegveld aanwezig om, zo nodig, bijstand te verlenen aan het oprukkende Engelse leger. 

Toen ik bij de familie Verbecke vertelde van mijn belevenissen op ‘Het Elshof’, onder de divan enzovoort, vertelde zoon Jan Verbecke dat hij met nog enige collegae van het ondergrondse leger dit alles had meebeleefd. Ook zij waren zwaar bewapend en hadden de twee eerder genoemde Duitse soldaten al een tijd gevolgd en geobserveerd. Vanaf buiten hadden ze gezien wat zich binnen afspeelde, waarbij ze de “vijand” goed in het vizier hielden. Toen ze zagen dat alles nogal vredig verliep, hebben ze zich tactisch afzijdig gehouden en de twee Duitsers hun vlucht laten voortzetten.

Dat er door honderden, ja, duizenden Twentenaren uitbundig feest is gevierd behoeft geen betoog. Daar is veel over bekend en geschreven.

Het lijkt mij een goed moment om hiermee mijn verhaal af te sluiten. Allicht zijn er mensen die zich nu nog weer eens het een en ander kunnen herinneren. Zo ben ik onder ander benieuwd wie die twee verpleegsters waren en of er nog mensen zijn die als ondergrondse medewerkers ons verhaal hebben meebeleefd, net als Jan Verbecke destijds.

Oldenzaal, 7 juni 2006,

J.D. Brilman

Liedjes rond Mobilisatie en Oorlog

“Morgen gaat het beter,

morgen komt een nieuwe dag”

Een betere samenvatting van de mobilisatietijd en de oorlogsjaren dan door de liedjes van Max Tak en Jack Bulterman bestaat er niet.

Het begon met de mobilisatie van alle soldaten van de lichtingen 1924 t/m 1939 en het eindigde met de bevrijding. Mobilisatietijd, een spannende en voor ons jongeren een avontuurlijke tijd. Bijna niemand geloofde dat ons land ook maar iets met een oorlog te maken zou krijgen. Maar ineens op maandag 28 augustus 1939 werd de radionieuwsdienst van 13.00 uur onderbroken door een extra bericht van de Rijksoverheid: totale mobilisatie. De volgende dag gingen 150.000 mannen naar hun mobilisatiebestemming. De hele operatie verliep vlot en was op 3 september voltooid. Twee dagen eerder waren de Duitse troepen Polen binnen gevallen en begon de Tweede Wereldoorlog. Men geloofde dat wij, net als in de Eerste Wereldoorlog de neutraliteit zouden weten te bewaren. Dat was maar beter ook want in de afgelopen jaren hadden de opeenvolgende regeringen weinig geld over gehad voor de defensie. Aan het leger mankeerde dan ook van alles. De bewapening was ouderwets, er was gebrek aan munitie, er was onvoldoende geoefend en de overheersende mentaliteit was dat het allemaal flauwekul was. Bovendien zagen de soldaten van de oudere lichtingen er niet uit. Er was een groot tekort aan passende uniformen zodat de foeriers al blij waren wanneer ze de lengte en de breedte enigszins benaderden.

De conciërge van Ons Gebouw Hendrik Haarman, een van de ouderen werd dan ook door ons met hilariteit begroet toen hij tijdens z’n eerste weekendverlof kwam opdraven in zijn veel te krappe uniform. De tegenstelling met onze vriend Benny Brilman van de jongste lichting en in buitenmodeluniform was dan ook groot. Enfin Jan Soldaat liet alles gelaten over zich heen komen en probeerde zoveel mogelijk verlof te versieren. Mobilisatie, een hamsterverbod, invoering van de distributiestamkaart, sommige voedingsmiddelen zoals suiker op de bon, het waren vreemde tijden.

Maar de bonte avonden die wekelijks door de radio werden uitgezonden vonden een gretig gehoor. Het waren speciale programma’s voor onze soldaten met hun soldatenmoppen, populaire liedjes etc. en die waren zeer gewild. Voor de ontwikkeling en ontspanning zorgde de dienst O. en O. Deze dienst organiseerde allerlei nuttige cursussen en amusementsavonden met bekende artiesten zoals Lou Bandy, Willy Walden en Piet Muijselaar als Snip en Snap, Kobus Kuch, de sullige maar slimme soldaat en natuurlijk Peter Pech. En zoals overal ook hier de ironische ondertoon: het stelt allemaal niet zoveel voor want de Nederlandse soldaat blijft een burger in bijzondere omstandigheden.

Maar op de vroege ochtend van de tiende mei 1940 was het met de grappen en grollen gedaan: de oorlog was bittere werkelijkheid geworden.

Hoe beleefden wij als jongeren de mobilisatietijd? Spannend en avontuurlijk natuurlijk, maar ook lastig, De verenigingen en clubs misten nogal wat jongens die in dienst moesten. Daarbij kwam dat de ouderen tot hun 35e jaar ook opgeroepen werden en dat waren meestal de leiders en bestuursleden. De weekenden dat ze met verlof kwamen was het altijd feest. Samen in de kleine zaal van Ons Gebouw luisterden we naar de bonte avonden op de radio. De radio stond op de tapkast naast het glazen kastje  met de kwattarepen, gevulde koeken, etc. Biljarten deden we om een reep chocola, een glas bier of limonade. Ons Gebouw had een vergunning voor zwakalcoholische dranken en een Verlof A.

Hendrik Stokreef was agent voor de Hengelosche Bieren. Je kon hem dagelijks door het dorp zien fietsen met een vat bier vóór op z’n transportfiets. Hij was onze vaste leverancier en als hij kwam en het vat werd aangeslagen dan trakteerde Hendrik op een gevulde koek.

En er werd wat afgezongen in die tijd, bijvoorbeeld liedjes uit het soldaten leven. Jacques van Tol schreef: ‘Waar is de knoop van de kraag van de jas van de Korporaal van de week’,

‘Blonde Mientje heeft een hart van prikkeldraad’, ‘Rats, kuch en bonen is het soldatendiner’.

Lou Bandy met ‘Wie heeft er suiker in de erwtensoep gedaan?’ Johny en Jones zongen ‘O Joseph, Joseph wanneer gaan we trouwen?’. En Henny Theunisse die in de oorlog veelvuldig bij café Koopman te zien en te horen was, samen met het duo Hofman, componeerde veel meezingers, de bekendste waren ‘Ik heb een huis met een tuintje gehuurd’ en ‘Breng eens een zonnetje onder de mensen’.

Om alle liedjes die we in de mobilisatietijd zongen en speelden te vermelden zou te ver voeren, maar mooie herinneringen heb ik aan het samen zingen rond de piano in de kleine zaal van Ons Gebouw. Toch hier even een greep uit het repertoire, waarbij het opvalt dat de liedjes de gebeurtenissen volgden zoals bijvoorbeeld in de hamstertijd: ‘Holder de bolder, we hebben een koe op zolder. En ‘Ik denk aan jou terwijl m’n ogen turen over de hei, waar ik op schildwacht sta’ en ‘Ik hou van Holland, landje aan de Zuiderzee. Een stukje Holland draag ik in m’n hart steeds mee’. Ook:

‘Daar komen de jongens van Holland an.

De grond en de huizen, ze trillen er van.

De meisjes en vrouwen, ze trillen voor twee.

Ze zuchten, och hadden we toch maar vree’.

Wat dan weer de verzuchting deed slaken ‘Als op het Leidse plein de lichtjes weer eens branden gaan’.

We putten moed uit de Nederlandse uitzendingen van de BBC en op 28 juni 1940 begon een echte Nederlandse uitzending in Londen met radio-uitzendingen voor bezet Nederland onder de naam Radio Oranje.

Op 1 juli 1941 kwam daar nog een Nederlands station bij ‘De Brandaris’. Onnodig te zeggen dat we met spanning die uitzendingen beluisterden. Eerst legaal in Ons Gebouw, later illegaal op diverse adressen.

In de loop van 1942 vond er een fusie plaats tussen Radio Oranje en De Brandaris, waarbij de naam Radio Oranje gehandhaafd bleef.

“Voor Koningin en Vaderland, voor Vrijheid, Waarheid en Recht! Hier Radio Oranje, de stem van Strijdend Nederland. Op golflengten 1500 en 373 meter en in de 41, 31, 25, 19, 16 en 13 meterband”. “Goedenmiddag luisteraars in Nederland, in Oost en west, op Zee of waar ook ter Wereld!”. Ze  brachten het cabaret ‘De Watergeus’ met Jettie Pearl – Jetje van Radio Oranje.

Om de boodschap zo duidelijk mogelijk over te brengen werden de teksten van de Watergeus bijna altijd geschreven op bekende melodieën. Op de wijs van ‘De herdertjes lagen bij nachte’ zongen we:

‘De Engelsen vliegen bij nachte

Ze blijven maar niet uit de lucht

De Duitsers, die houden de wachte

Met vliegers en afweergeschut’.

Ondertussen was het bij de verenigingen en clubs weer vrij normaal. Onze vrienden die als militair hadden gediend kwamen gelukkig allen terug. Ook Siegfried Zilversmit met bloedstollende verhalen over zijn gevechten op de Grebbeberg. Drie jaar later werd hij in een concentratiekamp omgebracht.

Ons leven werd intussen volledig bepaald door de oorlog maar toch bleven we zingen. Eerst verdrietig.

De Grebbeberg

‘Koop eens een handjevol bloemen

en leg ze neer op een graf.

Want daar rust een held,

die op het ‘Grebbeveld’

zijn leven voor het vaderland gaf.

Zij die in vrede hier slapen

hebben hun offer gebracht.

Zachtjes zingt de wind

voor veler moeders kind.

Sluimer, sluimer zacht’.

Daarna pakten we de draad weer op, want je hebt behoefte aan afleiding, en we zongen (met Eddie Christiani):

‘Zonnig Madeira, land van liefde en zon.

Ik wou dat ik met jou daarheen reizen kon.

En met Eddie Christiani:

‘Er was eens een cowboy, vol levenslust en vuur.
Hij had er aan centen geen gebrek.

Hij leefde voor vrouwen, voor drank en avontuur.

En de zon die scheen hem in zijn nek.

Ouwe taaie, yippie, yippie yee, hee, hee, etc.

En hoe ging het verder met ons in die tijden van avondklok, verduistering, en razzia’s? Verduistering, zelfs de lamp van de fiets moest verduisterd worden. Om toch een beetje licht te hebben, zetten we een rond stukje karton in de binnenkant van de lamp. We maakten in het karton een gleufje en hadden zodoende nog een streepje licht in een duistere nacht. Om onze vaderlandse gevoelens te tonen verfden we de sturen van de fiets rood, wit en blauw en de stang oranje. De avondklok probeerden we  te omzeilen en we gaven mekaar zonodig een seintje door een bepaald melodietje te fluiten, waardoor we contact met elkaar hielden. Bij razzia’s hadden we een speciale vluchtroute, naar een veilig adres.

Om de moed er in te houden maakten we muziek en die liederen vertelden hun eigen verhaal. Bijvoorbeeld het ‘Lied van de hoop’ van Jetty Pearl:

‘Die morgen word je wakker,

dan is ie voor de bakker.

Niks dan Oranjevlaggen

en mensen die weer lachen.

De mof is dan verdwenen.

Z’n staart tussen de benen.

 

En buiten in de straten

hoor je geen Duits meer praten.

Dan gaan we samen hossen.

Ons van de druk verlossen.

We gaan weer hardop praten

en ramen open laten.


En toen was hij er eindelijk ‘De Bevrijding’ en we zongen:

“Daar zijn de appeltjes van Oranje weer. Sinaasapp’len, zoek ze zelf maar uit.

Grote, kleine, ‘k heb ze in elke maat, etc.”

Wat daarna volgde was een aaneenschakeling van festiviteiten en verbroedering met de bevrijders. Natuurlijk hoorden daar vreugdeliederen bij en we dansten met z’n allen op de muziek van een Engels dansorkest of van onze eigen muzikanten. Jong en oud sprong uit de band, zingend:

 

“Trees heeft een Canadees

O, wat is dat kindje in haar sas

Trees heeft een Canadees

Samen in een jeep en dan vol gas… etc.”

En in het volgende lied kregen we Engelse les.

Weet je wat een zoentje is?

Een zoentje is een ‘little kiss’!

Een meisje is een ‘little miss’.

That’s all my little darling!

Hoe gaat het, heet ‘how do you do?

Ik hou van jou is ‘I love you’.

Dat is de waarheid, it is true!

That’s all my darling, etc

We zongen daarna nog vele jaren:

Cheerio, cheerio!

In Holland daar zingen we zo.

Weg met de zorgen en weg met ’t verdriet.

We komen er wel, ook al zijn w’er nog niet.

Want de jongens van Tromp en Piet Hein,

die krijgen ze lekker niet klein, etc.

En zo kwam na donk’re nacht,

een nieuwe dag, waarin alles anders zal zijn.

Als in volle zonneschijn,

een nieuwe toekomst op ons wacht.

Hans van Huizen

(Denekamp)

De scherpe kanten van de verzuiling

Tot in het midden van de vorige eeuw stonden in de verzuilde maatschappij de verschillende groeperingen niet altijd even welwillend tegenover elkaar. Ook in Losser zijn daar voorbeelden van bekend. Zo werd dominee Schaefer op een bepaald moment niet toegelaten tot het katholieke zieken- en bejaardentehuis het St. Bernhardus Gesticht. De “rooien”, werden tijdens de zogenoemde Socialistenslag in 1894 door de overwegend katholieke bevolking uit het dorp verdreven. En dat gebeurde niet bepaald zachtzinnig. Uiteindelijk overleed een van de  “rooien” zelfs aan zijn verwondingen. Een van de oprichters van de SDAP en lid van de Tweede Kamer, J.H.A. Schaper (1868-1934), vertelt in zijn herinneringen hoe hij tijdens een verkiezingsbijeenkomst in een hotel in Losser een uiterst vijandige sfeer proefde. Pas toen de R.K. geestelijkheid, die ook aanwezig was, hem met een handdruk begroette, voelde hij zich wat meer op zijn gemak en kon hij zijn redevoering houden, zonder zich nog belaagd te voelen. Zo zijn er ongetwijfeld veel meer voorbeelden. Zelf hoorde ik een autochtone katholieke Lossernaar nog in de tachtiger jaren over protestanten beweren dat die mensen “zwart in de bek waren”. Mij is niet bekend waar deze uitdrukking vandaan komt en of die meer gebruikt werd. Maar duidelijk is wel, dat eenieder zich bewoog binnen zijn eigen kring.

In de socialistische landelijke krant “Het Volk” kwam ik van deze verzuiling nog een sprekend voorbeeld tegen. De komst van het St. Olafklooster in de Beekhoek, waar nu het Syrisch-Orthodoxe klooster is gebouwd, werd daar aangekondigd met “De zwarte inval”. Verder is het artikel van 18 februari 1912 echter neutraal van toon:

“In de gemeente Losser, onmiddellijk aan de Duitsche grens, hebben Fransche zusters, thans te Christiana gevestigd, een groot boerenerf aangekocht, om daarop een klooster e.a. te doen verrijzen. De plannen voor dien bouw, waarvoor de vereischte goedkeuringen reeds zijn verkregen, zijn gisteren goedgekeurd. Het hoofddoel van het klooster zal zijn de opleiding van meisjes tot zusters. Ook zullen er waarschijnlijk een bewaarschool en een huishoudschool worden ingericht, terwijl de zusters zich tevens zullen belasten met de verpleging van zieken. De eerste steenlegging zal reeds in de volgende maand geschieden”.

De stichting van dit klooster in de Beekhoek heeft te maken met een voor velen onbekend hoofdstuk uit zowel de Noorse als de Nederlandse geschiedenis, namelijk de vanuit Nederland ondernomen pogingen, gedurende de jaren 1920-1975, om de Lutherse Noren terug te doen keren tot de Rooms-Katholieke kerk, die hun voorvaderen gedurende de Reformatie hadden verlaten. Met dit doel voor ogen gingen in deze periode liefst 253 vrouwelijke religieuzen en 55 priesters vanuit Nederland naar Noorwegen. Voor de opleiding van de nonnen werden blijkbaar ook Franse zusters ingeschakeld. Zij hadden al een klooster in Oslo, dat toen nog Christiana heette. De zusters vestigden zich in de Beekhoek op 28 april 1910. Zij kochten de gronden van het erve Schiltkamp, ook genoemd de Kerkemeijer of Nije Meijer, dat eigendom was van de hervormde gemeente. Elf jaar later werd het klooster verkocht aan de paters Maristen, die er een priesteropleiding in vestigden.

Maar de komst van religieuzen werd in die tijd door socialisten dus gezien als een “zwarte invasie”, waaruit wel blijkt hoe scherp de verschillende groeperingen tegenover elkaar stonden.