Oet Dorp en Marke 2007 - 2

Inhoudsopgave

Van de redactie
Van het bestuur
 . Jaarvergadering
 . Jaarverslag 2006
De familie van Huizen
 (Hans van Huizen)
Tante Fem
 (Hans van Huizen)
Kun je nog zingen, zing dan mee
 (Hans van Huizen)
Uitgaven van de Stichting Historische Kring Losser

Foto omslag
Foto omslag:
Leerlingen van de Willem van den Bosschool uit Overdinkel hebben op 5 mei 2007 het laatste stukje 'meegelopen met de ‘Vuurloop’ waarmee het bevrijdingsvuur vanuit Wageningen werd overgebracht naar Losser. Als dank gaf de organisatie alle kinderen een exemplaar van het boek ‘In Losser is niets gebeurd…1940-1945’ (Joh. Luizink, uitgave HKL 1995). Sommige kinderen hebben het boek in hun hand op deze foto die gemaakt is bij het oorlogsmonument op het Martinusplein in Losser.

Van de redactie

Voor u ligt alweer het zomernummer 2007 van Oet Dorp en Marke Losser. Het is deze keer gevuld met huishoudelijk nieuws (verslag van de jaarvergadering op 22 april 2007 en het verslag van de secretaris over† het jaar 2006) en een aantal bijdragen van Hans van Huizen, geboren Lossernaar maar al jaren woonachtig in Denekamp. U hebt al veel vaker (zeer lezenswaardige) bijdragen van de heer van Huizen kunnen lezen, zodat we hem zo langzamerhand als een vaste medewerker van ons blad mogen beschouwen. Wij stellen zijn bijdragen graag ten voorbeeld aan de ongetwijfeld velen onder onze leden die ůůk met hun familiegeschiedenis bezig zijn maar die tot nu toe niet de moed hadden om het schriftelijke resultaat daarvan voor een groter publiek toegankelijk te maken.

Wij wensen u veel leesplezier.

De redactie

Van het bestuur

JAARVERGADERING 2007

Op zondagmiddag 22 april werd de jaarvergadering gehouden, zoals gebruikelijk bij Hotel Smit. Ondanks of dankzij het zomerse waren er zo’n dertig leden aanwezig.

De voorzitter kon meedelen dat we twee nieuwe bestuursleden hebben kunnen vinden en wel Andries Kuperus en Bennie Nijhof.

Andrie Kuperus is bij veel leden al bekend door de dia-avonden die hij heeft verzorgd, waarbij hij beelden van oud-Losser met behulp van de computer herkenbaar maakt door daar fragmenten van de hedendaagse situatie in te passen. Hij heeft in de afgelopen periode samen met Leo Augustijn ons fotoarchief gedigitaliseerd, een karwei dat nog niet is afgerond, want het zal ook ontsloten moeten worden. En daarvoor zal elk plaatje ook van de juiste tekst worden voorzien. Nog heel veel werk dus.

Bennie Nijhof woont in Overdinkel. Vanwege zijn belangstelling voor de geschiedenis, met daarbij zijn bouwkundige kennis, maakte hij namens de HKL ook al deel uit van de Gemeentelijke Monumentencommissie. Wij zijn blij om met hem ook weer kennis over Overdinkel binnen ons bestuur te hebben. Het vertrek van mevrouw Scherphof en haar verslechterende gezondheidstoestand is door ons als een groot gemis ervaren.

Het jaarverslag over 2006 is op de website geplaatst. Ogenschijnlijk lijkt het een rustig jaar en dat mocht ook wel na de publicatie van “Het meisje in de Froenstraat”, november 2005. Maar schijn bedriegt, want de laatste periode van 2006 waren we natuurlijk al volop bezig met de voorbereiding van de tentoonstelling “Herinneringen aan het dorp van onze jeugd”, die in januari 2007 van start ging in galerie ’t Nien-End.

Het financiŽle verslag over 2006 van de penningmeester, was al in orde bevonden door de kascommissie, bestaande uit de heren Gerard Eppink en Jan de Groot. Gerard Eppink heeft deze taak nu twee keer verricht, waarvoor veel dank. Jan van der Lee is bereid om samen met Jan de Groot voor het verslagjaar 2007 de kascommissie te vormen.

Wat betreft een eventueel onderkomen voor de HKL moest de voorzitter helaas meedelen dat wij ondanks diverse pogingen en gesprekken niet verder zijn gekomen. Onze brief van begin 2006, waarin wij naar het College van B&W al onze bemoeiingen op een rij hebben gezet is nog steeds niet beantwoord. In een gesprek† met wethouder Winkelman en de ambtenaar gemeentelijke gebouwen, werd echter wel duidelijk dat wij ook geen verwachtingen moeten hebben t.a.v. een pand† het Martinusplein nr. 12.

Wij hebben nu bij wethouder Venema uitgesproken dat wij graag gebruik zouden willen gaan maken van de twee leegstaande lokalen in de oude St. Martinusschool aan de Enschedese- straat. Maar ook hier hebben wij nog geen antwoord op gekregen.

Vervolgens besteedde de voorzitter aandacht aan de toekomstplannen:

In 2011 bestaat Losser als gemeente 200 jaar. De HKL vindt dit een goede gelegenheid om daarbij aan te sluiten met de uitgave van een rijk geÔllustreerd boek, waarin zoveel mogelijk wordt samengebracht wat er over de geschiedenis van Losser en de kerkdorpen bekend is. Wij hebben daarvoor al contact gezocht met de Dree Marken en zij hebben hun medewerking toegezegd.

In Oet Dorp en Marke kunnen steeds vaker artikelen geplaatst worden, waarin mensen hun herinneringen hebben verwoord. Wij zijn daar heel blij mee en wij hopen dat deze tendens zich voortzet. Wat de uitvoering betreft zouden wij het nog aantrekkelijker willen maken, zodat met name de foto’s beter uitkomen. Dan zijn sponsoren echter onontbeerlijk en binnen het bestuur wordt daar aan gewerkt.

Het aantal leden is helaas gedaald, maar dat is ongetwijfeld mede het gevolg van ons verzoek om over te gaan op een andere betaalwijze. Met een nog aantrekkelijker blad kan dit misschien weer groeien.

Tot slot vroeg de voorzitter aandacht voor de Losserse Cultuurprijs. De HKL is van mening dat zij daar best voor in aanmerking komt. Dat klinkt misschien wat onbescheiden, maar in ons 38-jarige bestaan hebben wij inmiddels zo’n 20 boeken over Losser uitgegeven. Oet Dorp en Marke verschijnt sinds 1993 elk kwartaal, met steeds weer interessante bijdragen, die Losser ook binnen de regio onder de aandacht hebben gebracht. Al die jaren worden er in de winter interessante lezingen gehouden en zomers zijn er veelbesproken excursies geweest. Met groot succes werden diverse exposities gehouden, onder meer bij gelegenheid van 50 jaar Bevrijding, de verschijning van “Het meisje in de Froenstraat”, en (nog vers in het geheugen) de expositie “Herinnering aan het dorp van mijn jeugd” in galerie ’t Nien-End.

Wij roepen, ook op deze plaats, onze leden op om ons voor te dragen voor deze Losserse cultuurprijs. Daarvoor stuurt u een briefje naar de Culturele Raad Losser Postbus 28 7580 AA Losser, of naar cultuurprijs@cultureleraadlosser.nl. Op de website www.cultureleraadlosser.nl kunt u ook een kant-en-klaar formulier downloaden en dat insturen.

En natuurlijk hopen wij op veel respons van onze leden.

Na afloop van de vergadering werd er een bezoek gebracht aan de expositie in het Rijksmuseum in Enschede “Het jaar van de 18de eeuw”.

DE HISTORISCHE KRING LOSSER IN 2006

Op 3 januari begon het jaar voor de HKL met de traditionele Niejoarsvisite. Daar zit op zich weinig nieuwswaarde in, want de opzet is al jaren dezelfde. Al even traditioneel was de belangstelling van onze leden weer erg groot. We telden ongeveer honderd bezoekers en het was erg gezellig. Wel bijzonder was dat oud-Lossernaar Jan Kleerebezem aanwezig was.

De vader van Jan Kleerebezem was destijds hoofd bouwzaken van N.V. Textielmaatschappij L. v. Heek & Zn Losser en Jan woont tegenwoordig in Gendringen (Gld). De aanwezigheid van de heer Kleerebezem had een speciale bedoeling. Hij heeft de HKL namelijk een prachtig wandbord aangeboden.

Foto Andries Kuperus
(Foto Andries Kuperus)

Dit wandbord is in 1949 in opdracht van de directie van Van Heek vervaardigd ter gelegenheid van de opening van de spoorlijn Losser-Glanerbrug. Er zijn, volgens de heer Kleerebezem , slechts drie exemplaren van gemaakt. Eťn voor de gemeente Losser, ťťn voor de NS en ťťn voor de directie van Van Heek zelf. Het exemplaar van de gemeente Losser was, voor zover ons en de heer Kleerebezem bekend, verdwenen. Het bleek echter beschadigd te zijn en dankzij de bemoeiingen† van ons oud-bestuurslid Suub Smit is het beschadigde bord inmiddels ook aan de HKL geschonken. Over het lot van het NS-exemplaar is niets bekend. Het is reŽel om te veronderstellen dat het bord dat nu in het bezit van de HKL is, 'uniek' is. Wij zijn er dan ook erg blij mee.

Behalve het wandbord heeft de heer Kleerebezem ook nog een aantal foto's (van de bouw van de fabriek van Van Heek maar ook van directie en staf) aan de HKL afgestaan. Ook uniek materiaal, want er is bij en na de opheffing van de fabriek veel archief- en fotomateriaal verloren gegaan. Veel is, volgens de heer Kleerebezem, zelfs bewust verbrand. Dat is erg jammer want de Historische Kring Losser zou wel 'brood' zien in een publicatie over een onderneming die in Losser zo'n belangrijke rol gespeeld heeft.

Op 7 februari hield de heer Bert Groothengel, streektaalconsulent van het Van Deinse Instituut voor ons een lezing met als titel Twents door is niks mis met”. De belangstelling voor de eigen streek en daarmee ook voor de eigen taal zit duidelijk in de lift. Toch is waakzaamheid, met name met betrekking tot de streektaal, geboden. Bert Groothengel verstaat de kunst om dit onderwerp op een zeer levendige manier aan de orde te stellen, en dat deed hij dan ook.

De laatste avond van het seizoen† 2005/06 werd gehouden op 14 maart. De heer Gť Nijkamp uit Borne verraste ons met een lezing met als titel “Het boerenleaven van vrogger”. De heer Nijkamp belichtte in zijn lezing, ondersteund door dia’s, een zeer belangrijk deel van het leven destijds in onze streek. Dat het verhaal en de dia’s voor een belangrijk deel betrekking hadden op eigen familie gaf aan de avond een extra dimensie, wat door de talrijke belangstellenden erg werd gewaardeerd.
De jaarvergadering vond plaats op zondagmiddag 23 april 2006. Aansluitend was een excursie georganiseerd naar de ‘mooiste synagoge van Nederland’. De synagoge van Enschede. Daar werden 40 deelnemers ontvangen en rondgeleid in het prachtig gerestaureerde gebouw. Eťn van de rondleiders was de heer L.F. van Zuylen, schrijver van enkele boeken over de Joodse gemeenschap van Enschede en tevens eindredacteur van ‘De mooiste synagoge van Nederland’, het prachtige boek dat in 2003 werd uitgegeven na de restauratie van de synagoge.

Aan het einde van de vakantieperiode namen we deel aan† het Brueghelfestijn. Dankzij de hulp van vrijwilligers konden we op 2, 3 en 4 september onze stand weer bemannen/bevrouwen en zo de geschiedenis van Losser, mede door onze boeken en tijdschriften, succesvol onder de aandacht brengen.
Veertien dagen later waren we ook present (met een fototentoonstelling en met de verkoop van boeken) tijdens de druk bezochte Spoordag, die op het terrein van Steenfabriek De Werklust werd georganiseerd.

Op 31 oktober begonnen we het nieuwe winterseizoen, evenals een jaar eerder, met een dialezing door Andries Kuperus. De belangstelling was ook nu weer groot en zijn bijzondere plaatjes van “Losser oud en nieuw” met een toelichting vielen zeer in de smaak.

Ten slotte:

Het bestuur van de Historische Kring vergaderde 11 keer. Bestuursleden waren aanwezig bij de vergaderingen van de Monumentencommissie, Stichting Dorpsbleek, de Straatnamen-commissie, en de commissie Open Monumentendag. Er werden dialezingen verzorgd voor verenigingen en clubs. Ook in regionaal verband vertegenwoordigden bestuursleden de Historische Kring, bij diverse manifestaties en presentaties van boeken over Twente.

Oet Dorp en Marke verscheen zoals gebruikelijk vier keer. Het is zeer verheugend dat er zoveel aanbod van kopij is dat we nu al bijna een jaar vooruit kunnen met ons kwartaalschrift. Reden om eens aan uitbreiding van de omvang of het formaat te denken?

Minder verheugend is dat de Historische Kring Losser op 31 december 2006 minder† leden/donateurs telde dan een jaar daarvoor. Het aantal liep terug van 467 naar 449.

Georg van Slageren, secretaris

DE FAMILIE VAN HUIZEN

Stamboomonderzoek mag zich verheugen in een nog steeds groeiende belangstelling. Veel mensen zijn hiermee bezig en zij komen daarbij vaak heel verrassende zaken tegen. Zo ook Hans van Huizen, die bij zijn familieonderzoek terecht kwam bij de zogenoemde koloniŽn van de Maatschappij van Weldadigheid, een bijzondere instelling waaraan in het navolgende artikel veel aandacht wordt besteed. Voor veel Lossernaren zal dit een onbekend stuk geschiedenis zijn, terwijl meer Losserse families omstreeks 1900 via deze koloniŽn naar Twente zijn getrokken, om te gaan werken in de zich sterk uitbreidende textielindustrie.

Het volgende artikel is een mooi voorbeeld van wat je zoal kan ontdekken bij het uitpluizen van je familiestamboom.

In de jaren negentig ben ik begonnen aan een familieonderzoek. De beweegreden hiervoor was nieuwsgierigheid naar de afkomst van onze familie. Ik wilde iets te weten komen over de tijd waarin mijn voorouders leefden, over de plaats waar ze gewoond hebben, kortom over het hele decor waarin onze familiegeschiedenis zich afspeelde.

Gezien de naam Van Huizen (geen Twentse naam) en het Algemeen Beschaafd Nederlands, dat in onze familie gesproken werd, dacht ik dat we waarschijnlijk uit het westen des lands afkomstig zouden zijn. Enfin, mijn onderzoek begon in het gemeentehuis in Losser waar ik het gemeentearchief kon inzien. Na een dag speuren bleek, dat onze familie inderdaad uit het westen afkomstig is en wel uit Haarlem. Van daar gaat de lijn naar Willemsoord (gemeente Steenwijkerwold) en vervolgens naar Losser.

Dit wetende gingen we naar Haarlem, waar we in de nabijheid van de ‘Grote Bavokerk’ in het gemeentearchief onze geschiedenis konden uitzoeken. Het bleek dat de Van Huizens een echte Haarlemse familie vormen die altijd in het centrum, de buurt van de Bavo, heeft gewoond. Aan de hand van die archieven hebben we interessante ontdekkingen gedaan. Bijvoorbeeld over vreemde ziektes, beroepen en leefgewoonten in die stad in vroegere eeuwen. Om alles daaromtrent te memoreren zou in dit verband te ver voeren. Ons doel was om de familie, die uit Haarlem vertrok, op haar weg te volgen.

We konden wat de Van Huizen’s betreft in de archieven van Haarlem teruggaan tot het jaar 1750. Toen werd geboren Johannes Theodorus van Huizen, die getrouwd was met Maria Catharina Augoes. Hij was bloemistenknecht en woonde aan de Vest bij de Grote Houtpoort. Zijn zoon was Johannes van Huizen, geboren in 1794 en in 1814 getrouwd met Hendrica Antonia van der Meyde. Deze Johannes was huzaar bij het Regiment Huzaren in Den Haag. In 1815 werd uit dit huwelijk geboren Johannes van Huizen, die in 1835 trouwde met Adriana Bouweling. Deze Johannes meldde zich bij het Regiment Huzaren in Den Haag. Als huzaartamboer nam hij onder koning Willem III deel aan de Tiendaagse Veldtocht tegen de Belgen. Voor dapper gedrag kreeg hij een militaire onderscheiding, die hij tot zijn dood in 1915 vol trots heeft gedragen. Hij moet een bijzondere man zijn geweest, getuige de vele anekdotes die over hem de ronde deden. In 1839 vertrok hij met zijn vrouw en twee kinderen naar Willemsoord.

De familie Van Huizen in 5 geslachten

Waarom dit vertrek uit Haarlem? Het hield verband met de bittere armoede die in het begin van de 19e eeuw onder grote delen van de bevolking heerste. Na de slag bij Waterloo en nadat koning Lodewijk Napoleon verdween uit ons land, was die armoede groot.

De sociaal bewogen Johannes van den Bosch kwam met het plan, om arme gezinnen uit de grote steden en verder uit heel Nederland, tot een zelfstandig bestaan op te voeden. Hij gaf in 1818 de stoot tot de oprichting van de Maatschappij van Weldadigheid. Op de woeste gronden van de gemeente Vledder, een terrein van 530 hectare rond het landgoed ‘Westerbeek’, werd een landbouwkolonie gesticht. De grond moest worden ontgonnen en geŽxploiteerd door de mensen, die daartoe naar dit gebied werden overgebracht.

Het moet voor Johannes en zijn gezin een hele onderneming zijn geweest, van de stad naar het platteland. Het vervoer geschiedde per schip via de trekvaarten en ik kan me voorstellen, dat het een geluk was dat die reis in augustus plaats vond. Volop zomer dus, zodat winterse omstandigheden hen bespaard bleven.

Het Nederland van 1839 telde nog geen 2Ĺ miljoen inwoners en bijna alle steden lagen nog binnen de 17e eeuwse grenzen. Op de stafkaarten wemelde het van de waterwegen. De trekvaarten waren te vergelijken met de autosnelwegen van nu. Via de haven van Vollenhove en door Steenwijk arriveerden ze in Willemsoord. Ze kwamen daar in een huis dat al volledig ingericht was. Afkomstig uit veelal slechte behuizing in de grote steden moeten de kolonistenhuisjes, hoe eenvoudig ook, voor hen een weelderig onderkomen hebben geleken.

De stichter Johannes van den Bosch begon zijn loopbaan in 1797 als 17-jarige jongen in het leger van de Bataafse republiek. Het jaar daarna werd hij als genieofficier uitgezonden naar Nederlands Oost-IndiŽ. Na een conflict met de gouverneur-generaal Daendels keerde hij in 1813 terug naar Nederland. Onder koning Willem I steeg hij in militaire rang tot generaal-majoor. In 1819 werd hij op eigen verzoek op non-actief gesteld om zijn plannen met de Maatschappij van Weldadigheid te kunnen uitvoeren. Deze maatschappij was opgericht onder auspiciŽn van prins Frederik, een zoon van koning Willem I. Naar hem werd de eerste kolonie ‘Frederiksoord’ genoemd, waar later de tweede kolonie mee samengevoegd werd. In totaal kwamen er vijf zogenaamde vrije koloniŽn. De eerste en de tweede kolonie werden gesticht op het landgoed ‘Westerbeek-Sloot’. Kolonie I bestond uit 53 uniforme huisjes. In 1820 volgde Kolonie III op de heidevelden in het Overijsselse Steenwijkerwold. Deze werd Willemsoord genoemd, naar koning Willem I. De kolonie IV werd in 1821 Wilhelminaoord. Met deze kolonie werd de later aangelegde kolonie ‘Boschoord’ verenigd, die als VII werd aangeduid. Ze was aangelegd op de heide van Doldersum. In de nieuwe dorpen verrezen 430 huisjes.

Johannes van Huizen
Johannes van Huizen, geboren te Haarlem op 24-08-1815 en overleden te Willemsoord op 24-04-1915.
(foto: collectie auteur)

De kolonisten, dus ook onze voorvader Johannes van Huizen, werden aangewezen en geselecteerd door besturen van commissies, bestaande uit leden van de Maatschappij, in dit geval te Haarlem. Bij aankomst in de koloniŽn werden de mensen door een kleermaker uniform gekleed. De zorg voor de bewoners was de allereerste sociale voorziening in ons land. In de koloniŽn kwamen ook fabriekjes, scholen en kerken. Al in 1819 was onderwijs in de koloniŽn verplicht. Ging men niet, dan riskeerde men een boete. In 1827 had men al een eigen ziekenfonds en daarmee recht op medische verzorging. De Maatschappij zorgde voor een geneesheer. Met een eigen smederij, weverij, kleermakerij, schoenmakerij en andere ambachten waren de koloniŽn† volledig selfsupporting. Tot 1860 had men binnen de Maatschappij een eigen koloniemunt. Daarmee kon men in de koloniewinkels alles kopen, behalve sterke drank.

In de kolonie moest men Nederlands spreken. Het gebruik van streektaal of dialect was niet toegestaan en zo ontwikkelde zich er een eigen kolonietaal. In de spreektaal van de nakomelingen is vandaag nog te horen, dat ze uit de koloniŽn afkomstig zijn.

In 1823 nam de Maatschappij het initiatief om een landbouwschool te stichten, de eerste in ons land. In 1884 werd in Frederiksoord een tuinbouwschool gesticht. Deze ‘G.A. van Swieten Middelbare Tuinbouwschool’ is bekend geworden door de teelt van tropische- en subtropische gewassen. De school die een internationale reputatie heeft, telt momenteel nog ongeveer 500 leerlingen, en wordt nog steeds bestuurd door de Maatschappij van Weldadigheid, waarvan het hoofdkantoor nu gevestigd is in Huize Westerbeek, het herenhuis waarin Johannes van den Bosch jaren heeft gewoond.

Vanaf 1893 werd in de koloniŽn, als een van de eersten in Nederland, ook aan bejaardenzorg gedaan in twee rustoorden. Heel vooruitstrevend voor die tijd was, dat er al een ‘rookbeleid’ was. Alleen in een bepaalde kamer mocht gerookt worden, om overlast voor bejaarden elders in het gebouw te voorkomen. In 1965 kwam er een nieuw complex voor de verzorging van bejaarden, genaamd De Menning.

In 1910 arriveerde het laatste gezin in de kolonie in het kader van de armoedebestrijding. Nog te vermelden is dat in 1821 een strafkolonie werd gesticht in het verlaten fort Ommerschans, even ten zuiden van het latere Balkbrug, bestemd voor de plaatsing van bedelaars. Voor de verzorging van wezen, vondelingen en landlopers werden in de buurtschap Veenhuizen drie grote gestichten gebouwd. In deze gestichten werden in de loop der jaren circa 800 alleenstaanden opgenomen.

In de koloniŽn werd veel aandacht besteed aan de culturele vorming. Zo waren er in de dorpen zogenoemde reciteergezelschappen opgericht, die regelmatig toneelvoorstellingen gaven. Bekende verenigingen waren bijvoorbeeld De Vriendschap in Frederiksoord en Concordia in Wilhelminaoord. Al in 1827 was er een Nutsdepartement opgericht met een bibliotheek en volkslezingen. In de Drentsche Courant werd over de uitvoeringen de loftrompet gestoken. Ook over ‘t smaakvol ingerigte toneel en den schoone muziek’ was ieder zeer tevreden.

De koloniŽn kenden verder een bloeiend club- en verenigingsleven. Zo was er in Frederiksoord een exercitieschool voor jongens, een vrijetijdsbesteding die in de Europese landen in de 19e eeuw gebruikelijk was. De heer M.W. Scheltema uit Dokkum legde zijn indrukken vast na een excursie naar Frederiksoord: ‘Wij waren dan op onzen tijd present en daar stonden 150 jongens van 6-12 jr., allen met den blos der gezondheid op de wangen, in slagorde geschaard onder de boomen van het logement der colonie. ’t Waren de kinderen van de colonisten, gezonde heldere jongens. Een sierlijk vaandel stak statig boven den phalanx der jongens uit, een orange of nationale strik prijkte op borst en pet. Reeds als spel een degelijke afwisseling van het leeren en bovendien een gezonde oefening voor het lichaam, het geeft den knapen een betere, vluggere houding’, aldus Scheltema, bij zijn bezoek aan het ‘Jeugdig Corps’ van Frederiksoord.

Er was ook een grote IJsvereniging met 800 leden, die zich ‘ijs en weder dienende’, konden uitleven op de kolonievaarten.

Aan meerstemmig zingen werd ook veel aandacht besteed. In alle dorpen waren zangscholen die werden geleid door de schoolhoofden. Deze zangscholen vormden de basis voor de opgerichte gemengde koren.

In Willemsoord, Frederiksoord en Wilhelminaoord, werden ook fanfarecorpsen opgericht. Verder werd op de grens van Frederiksoord en Wilhelminaoord het Dorpshuis gebouwd, waar toneel- en muziekuitvoeringen werden gegeven.

Dat we nogal wat aandacht besteden aan de geschiedenis van de Maatschappij van Weldadigheid, komt voort uit het feit dat de bevolking van Losser en Overdinkel voor een belangrijk deel zijn oorsprong vindt in de koloniŽn. Tot het einde van de 19e eeuw bestond de bevolking van Losser voornamelijk uit landbouwers. Daarin kwam omstreeks 1890 verandering, toen er een grote stroom op gang kwam van arbeiders uit de Noordwest hoek van Overijssel en Friesland, die in de textielfabrieken van Gronau en Enschede en Oldenzaal gingen werken. De meeste van deze mensen waren protestants. Later kwamen ook de rooms-katholieken. Ze kwamen vooral uit Willemsoord, Steenwijkerwold, Frederiksoord, Noordwolde, Weststellingwerf, Vledder en Diever. Het is bekend dat pastoor Roberink, die vanuit Losser naar Steenwijkerwold werd overgeplaatst, de verhuizing van de rooms-katholieken sterk heeft bevorderd. De meerderheid van de immigranten bestond uit kolonisten. Telde de gemeente Losser in 1892 nog 5200 inwoners, in 1915 was dat aantal gestegen tot 12.500, hetgeen betekent dat de bevolking in minder dan 25 jaar meer dan verdubbeld is. Was in 1840 nog bijna 94% van de bevolking rooms-katholiek en bijna 6% hervormd, in 1899 bedroegen deze cijfers resp. 79% en 20%. Hierin weerspiegelt zich de invasie van overwegend protestantse noorderlingen. Het aandeel van de hervormden is in de eerste 25 jaar van de 20e eeuw nog toegenomen tot 25%. Er werden o.m. in Gronau en Nordhorn fabrieken gebouwd, die tot de grootste van Europa gingen behoren en hierin is ook veel Twents kapitaal geÔnvesteerd. In Enschede werden de bestaande textielfabrieken sterk uitgebreid. De Losserse thuiswerkers zijn bijna allemaal door de Duitse fabrieken opgeslokt en ook gezinnen uit de Kop van Overijssel en het Friese veengebied gingen daar werken. De Gronause fabrieken hadden graag Hollandse arbeiders, doordat die doorgaans een wat hogere levensopvatting heetten te bezitten, dan de Beieren, waarvan velen er wild op los hebben geleefd en ruw en onhebbelijk waren.

Een deel van de immigranten heeft zich in Gronau gevestigd. Een ander deel ging op Hollands gebied wonen, op het Losserse Veld, de onbewoonde heidestreek over de Dinkel, het latere Overdinkel. De overige gingen wonen in of nabij het dorp Losser.

De kolonisten namen hun taal en cultuur mee. In de overwegend katholieke agrarische omgeving brachten ze een hele ommekeer teweeg. Toch is het opmerkelijk dat de nieuwkomers zeer wel in het dorpsleven zijn ingepast. De sfeer en het zich met elkaar verbonden voelen zijn voor een belangrijk deel door de immigranten bepaald. Dat geschiedde vooral in de verenigingsgebouwen, waarin zich een aanzienlijk deel van het gemeenschapsleven voltrok. Het oude agrarische stempel was behoorlijk vervaagd. Er werd gauw geschaterd van de lach, maar ook even grif gehuild bij een droevig toneelstuk, zoals bijvoorbeeld ‘Uit het vissersleven’.

In deze periode vestigde Johannes Gerardus van Huizen, de oudste zoon van de familie die uit Haarlem vertrok, zich in Losser. Geboren in Haarlem, opgegroeid in Willemsoord, kwam hij met zijn gezin bestaande uit vrouw, vijf zonen en een dochter in het jaar 1895 in het dorp aan: De zonen Johannes (mijn grootvader), Willem, Adrianus, Barend, Pieter en dochter Klaartje. Hoewel hij zich in Willemsoord had opgewerkt tot ‘Vrijboer’ met als onderscheiding een gouden medaille, ging hij zich toch vestigen in een voor hem vreemde omgeving. De reden hiervoor zal geweest zijn dat zijn kinderen hem waren voorgegaan en hier werk hadden gevonden in de textielindustrie. Johannes ging wonen tegenover de hervormde kerk, waar hij een kruidenierswinkel had en tevens barbier was, terwijl zijn vrouw het ‘beroep’ van baakster uitoefende. De winkel werd na zijn dood voortgezet door zijn zoon Pieter en daarna door diens zoon Harm. Tot in de jaren tachtig van de vorige eeuw heeft deze de zaak nog gerund.

Statie portret van de familie Van Huizen
Een staatsieportret van de familie van Huizen. Zittend de grootouders: Johannes van Huizen en
Elisabeth Scholte. Staand v.l.n.r. de kinderen Dien,Willem, Maartje, Neel en Hendrik van Huizen. Laatstgenoemde is de vader van de schrijver van dit artikel (foto: collectie auteur).

Zoals vermeld heeft de grootscheepse immigratie grote gevolgen gehad voor het sociale leven in Losser. Er werden muziek- en zangverenigingen opgericht en er volgden al spoedig toneel- en sportverenigingen. De oudste foto’s van muziekgezelschappen stammen uit ca. 1898. Onze familie deed vroeger en nu veel aan muziek en twee ooms van mijn vader, Adriaan en Pieter, staan dan ook op deze eerste foto’s.

In het begin van 1900 ontstonden de rooms-katholieke muziekvereniging Exelsior, de protestantse muziekvereniging Sempre Crescendo en de socialistische Kunst en Strijd. In Overdinkel waren dat resp. Concordia (r-k), Crescendo (prot.) en† De Eendracht (soc.). Verder waren er talrijke muziekbands, o.a. De Originele Paljas Band. Met Glanerbrug was de gemeente Losser ťťn van de muzikaalste dorpen van Nederland. Men zei dat elk gezin wel een muzikant in huis had.

Al spoedig werden ook textielvakbonden opgericht: De protestantse Unitas, de r.k. St. Lambertus en de algemene De Eendracht. Ook kwamen er coŲperaties met twee winkels in het centrum. De protestanten hadden ook De Werkmansbond, die o.a. zelf kolen inkocht. Om de zoveel tijd kwam er een wagon kolen aan op het stationsemplacement, die dan meestal werd gelost door mijn grootvader, die de kolen verder transporteerde naar de eigen kolenloods. Daar moesten de leden de kolen zelf halen, wat veelal geschiedde met een trekwagen of kruiwagen.

De familie was verder nogal ondernemend want een oom, Barend, begon een winkel in de Spoorstraat, in het pand waar later Vollenbroek zich vestigde. Een zoon van hem, Freek, bracht de eerste leren voetbal (met veter) in Losser en was ťťn van de oprichters van Prinses Juliana (P J). Een neef van mijn vader, Nardus Veenman, had een winkel van de CoŲperatie in het centrum van het dorp. Resumerend kan men zeggen, dat de inbreng van de kolonisten een impuls was voor Losser.

Enkele familieleden bleven wonen in Willemsoord, waaronder de pionier Johannes uit Haarlem. Hij bleef er tot zijn overlijden in 1915, bijna 100 jaar oud. Op geregelde tijden bracht hij een bezoek aan zijn zoon in Losser

Terugziend op de geschiedenis van de kolonisten kunnen we zeggen, dat de overgang van de stad naar o.a. Willemsoord niet gemakkelijk geweest moet zijn. Toch wisten de mensen zich van de ‘rand van het bestaan’ op te werken tot ‘burgers met een toekomst’.

We bezochten het museum De Koloniehof te Frederiksoord, waar we het verhaal van de Maatschappij van Weldadigheid zagen vastgelegd. We bezochten het kerkhof van Willemsoord en zagen daar de namen van de families die zich in Losser hebben gevestigd en we denken dat het goed was, dat er een Johannes van den Bosch is geweest, die de mensen weer een toekomst heeft gegeven middels de Maatschappij van Weldadigheid.

De gegevens voor dit artikel komen uit het standaardwerk over de koloniŽn: ‘De bevolking van de Vrije KoloniŽn der Maatschappij van Weldadigheid, geschreven door Ir. C.A. Kloosterhuis, geboren in Willemsoord op 4-12-1909 en overleden op 29-12-1979. Haar moeder was onderwijzeres aan de Rijks Lagere School in Willemsoord en haar vader was accountant. In 1971 nam zij ontslag uit haar functies, om zich geheel te wijden aan haar studie over de Maatschappij. Zij heeft het gehele archief geordend en dat is nu in uitstekende staat. Tot op het laatste van haar leven heeft zij zich met het boek beziggehouden en enige dagen voor haar overlijden heeft zij het model nog kunnen zien, dat inderhaast was gereedgemaakt.

Tot slot een gedeelte uit dit boek, waar we lezen op blz. 599:

‘Sommige oorspronkelijke kolonisten bereikten een zeer hoge leeftijd en de twee veteranen uit de oorlog met BelgiŽ, die allebei hun laatste levensjaren sleten in de kolonie Willemsoord, werden door de opgroeiende jeugd aldaar met grote belangstelling aangehoord. Toen de oudste in 1905 op 97 jarige leeftijd was gestorven, kwam de jongste, genaamd Johannes van Huizen pas goed aan bod. Hij vertelde met verve over het beleg van de citadel van Antwerpen, dat hij als trommelslager had meegemaakt. Hij was destijds 17 jaar, maar had zich desondanks – of juist daarom – zů dapper gedragen dat hij, toen het garnizoen van de citadel uit Franse krijgsgevangenschap terugkeerde, de Militaire Willemsorde had ontvangen. En steeds weer droeg hij het lied voor dat hij ter gelegenheid van deze plechtigheid koning Willem I had toegezongen: het lied van de gedeserteerde soldaat die na zijn arrestatie ter dood veroordeeld was en door zijn meisje werd gered omdat zij er in slaagde vier raadsels die haar door de dienstdoende kolonel werden opgegeven op te lossen. Deze uit Haarlem afkomstige kolonist stierf in 1915 in de ouderdom van 99 jaar en 8 maanden.

Aardig om te vermelden is nog dat in oktober 2006 een nieuw boek over de Maatschappij van Weldadigheid is verschenen. Het eerste exemplaar van het boek geschreven door Wil Schackman en genaamd ‘De Proefkolonie’ (ISBN:9789045848549) werd aangeboden aan Jeltje van Nieuwenhoven, ook nazaat van een kolonist!

Hans van Huizen

(Denekamp)

TANTE FEM

We woonden aan de Hogeweg, een weg waar de boerenkarren een spoor trokken in het mulle zand. Aan beide zijden van de weg waren er rogge- en havervelden. Een fietspad was er niet en de door ons verharde zijkanten werden na de roggeoogst weer stuk† geploegd. ’s Winters veranderde de weg in een modderpoel en je kwam nooit met gepoetste schoenen in de kerk. Bij de molen liep een smal pad door de roggevelden naar beneden waar het uitkwam bij de melkfabriek en vervolgens op de Gronausestraat. Het huis van dokter de Bruijn was er nog niet en er was weinig bebouwing.

Panorama Hogeweg
Panorama Hogeweg uit de tijd die in dit artikel wordt beschreven.
(foto: collectie HKL).

Heel jong was ik toen ik al mee mocht op de melkwagen van de melkfabriek, bemand door Tiese Damhuis en later door z’n broer Pieter. Na enige oefening kon ik de melkkraan bedienen, wat ik zo nu en dan mocht doen. We reden langs de Hogeweg met de schommelende kar achter de kont van het paard, tot de afslag naar cafť Lippinkhof en vandaar terug naar de fabriek. Daar werd het paard uitgespannen en de kar schoongemaakt.

Het zal in diezelfde periode zijn geweest dat ik moeder vroeg: “mag ik naar Losser?”. Dit taalgebruik was bij ons in de ‘Nes’ heel gewoon, want het betekende ‘we gaan naar het dorp’. Hoe ze heeft gereageerd weet ik niet maar ik ging in ieder geval op stap. Ofschoon ze thuis heel bezorgd waren over ons welzijn, was het heel gewoon dat de kinderen een grote bewegingsvrijheid genoten. Ik liep bij de molen langs het pad naar de melkfabriek, de Gronausestraat, het spoor over, langs de maalderij van Kellerhuis, onze school, het meestershuis van Sanderink, het oude postkantoor, hotel Smit, de oude Protestantse Vereniging en daarachter was dan het einddoel: ‘tante Fem’. Ze woonde naast meester Molendijk, tegenover aannemer-timmerman Veldhuis en kleermaker Vos met op de hoek het grote winkelpand van bakker Wilke. Dat grote huis met een mooie etalage is in de periode van de vele branden in Losser en Overdinkel ook een prooi van de vlammen geworden. Op dezelfde plaats is toen een winkelcomplex gebouwd waar zich Heinz Zurhorst met een kapsalon vestigde.

Het was het centrum van het dorp met de markt en de oude toren. Het was het Losser waar ik opgroeide in een wereldje van gewone mensen met veel saamhorigheidsgevoel. Maandags was het wasdag en de vrouwen gingen met de was op de kruiwagen naar de Bleek. Achter het bleekwachtershuisje, op de vlonders spoelden ze het wasgoed in de bleek en legden het vervolgens op de grasvelden te bleken. Vrijdags was het ramenlappen, stoep schrobben en mooi maken rondom het huis. Als dan ’s avonds de straatlantaarns gingen branden leek het dorp haar ware gedaante te krijgen, geborgenheid en een gevoel van rust.

Tante Fem en oom Jan woonden op de hoek van een rij huizen met naast zich zwager Bulten, die daar een sigarenwinkel had, genaamd Sigarenmagazijn “De Viersprong”. Oom Jan fietste elke dag naar Gronau, waar hij als zovelen werkte in de textielfabriek van M. van Delden en Co. Daarbij hield hij vee. Koeien en varkens die hij in twee schuren bij z’n huis had gestald. Hij had veel land te onderhouden want achter z’n huis was een grote tuin waarin fruitbomen stonden en ook groenten en aardappelen werden verbouwd. Daarachter was een weiland dat doorliep tot de Hervormde begraafplaats. Op die plaats werd later de CVO-school (nu Meester Snelschool) gebouwd. Aan de Lutterstraat tegenover cafť Koopman had oom Jan weilanden waar in het voorjaar de koeien naar toe gebracht werden. Onnodig te zeggen dat oom Jan een bedrijvig baasje was met weinig vrije tijd.

Tante Fem was voor mij het summum van gezelligheid. Jarenlang had ik mijn vaste plekje in de hoek van de grote keuken. Bij tussenkomst moest ik eerst de poes van de stoel zien te krijgen wat na enig protest gelukte. Na gezellig gebabbeld te hebben verdiepte ik mij dan in de vele lectuur die altijd in de hoek van het aanrecht opgestapeld lag. Heel wat anders dan bij ons thuis, waar we het moesten doen met slechts de ‘Provinciale Overijsselse en Zwolsche Courant’, die per post werd bezorgd en daardoor een dag later kwam. Dit alles vanwege de afkomst van de familie uit de Zwolse dreven. De lectuur bij tante Fem vergoedde daarom veel en ik las gretig in Eigen Erf, Het Leven, Panorama, Sjors en Sjimmie, Tubantia en Het Nieuws van de Dag. Die grote hoeveelheid lectuur was te danken aan de nog thuis wonende zoon Albert en zoon Hendrik, die als buur ook nogal eens wat leesbaars inbracht en na lezing meebracht naar Ons Gebouw waar hij conciŽrge was. Hendrik Haarman was tevens lid van het muziekkorps Sempre Crescendo, waar hij met verve de grote trom bespeelde.

In de keuken stond onder de schouw een fornuis en daarvůůr een platte buiskachel met een kachelpijp die boven het fornuis in de schouw verdween. Er stond altijd wel wat op de kachel te pruttelen en tante stond er meestal tussenin om het ‘gekook’ in bedwang te houden. Als ik ‘s morgens kwam was dat voor haar het sein om mij de portemonnaie te geven met de mededeling “ga eens gauw naar bakker ter Rahe, de beschuitbollen zullen wel klaar zijn”. Die bakker woonde tegenover de tuin van de hervormde pastorie. Dat zal ongeveer op de plaats geweest zijn waar nu de modezaak van† Wigger-Kellerhuis is gevestigd.

Als ik terugkeerde met de warme beschuitbollen, was de koffie klaar en kwam tante Fem er gezellig bijzitten. Haar huis was een ontmoetingsplaats van mensen van allerlei slag. Zo kwamen er altijd twee mannen uit de Bernardusstichting, het ziekenhuis waar ook een oudemannenopvang aan verbonden was. De buren kwamen ook geregeld aanwippen en zo waren kleermaker Vos en Heinz Zurhorst ‘vrienden des huizes’. Natuurlijk waren ook de dochters, Margje getrouwd met Lammertink en Gees getrouwd met Pelle Drent, steeds in de buurt.

In de tijd waar ik over schrijf, de vooroorlogse- en oorlogstijd, was er genoeg stof om over te discussiŽren. Zaterdagavond zat oom Jan er ook bij en dan kwam steevast de ‘oale Drent’ op visite. Hij was van oorsprong een Fries afkomstig uit Lemmer, een krasse baas met z’n onafscheidelijke schipperspet. Er werd op die avonden heel fanatiek ‘domino’ gespeeld, waarbij ik al lezende toekeek. Ook dwaalden m’n ogen wel eens af naar een groot schilderij, dat hing boven de deur naar de mooie kamer. Het stelde de brede en de smalle weg voor, waarvan ik van tante hoorde dat de brede weg met z’n kermis en z’n huizen van plezier , voerde naar het eeuwige verderf, en de smalle weg naar Gods koninkrijk.

De oude Drent had een stuk land aan de Overdinkelsestraat, op de plek waar nu de ‘Fakkel’ staat en hij vroeg nogal eens of ik hem wilde helpen aardappelen rapen. Ook hielp ik oom Jan met hooien, eerst bij hem achter z’n huis en daarna op de weilanden aan de Lutterstraat. Een feest was het als we op de hooiwagen naar cafť Koopman reden en daar op het terras het hooien afsloten met voor de mannen een pilsje en voor mij een flesje fris. We denken aan de feesten ter gelegenheid van het huwelijk van Prinses Juliana en Prins Bernhard, waarbij de buurt een ereboog maakte en meedeed in de grote optocht. Er werd een praalwagen gemaakt met daarin een voorstelling uit de ‘Der Zigeunerbaron’. Annie Molendijk was de zigeunerprinses en Albert Haarman de baron. Daarbij moesten teksten geleerd worden zoals ‘Lippe Detmold eine wunderschŲne Stadt’ en ‘wees welkom Prins Bernhard in ’t mooie Nederland’.

Fem Haarman-Lindeboom
Fem Haarman-Lindeboom
(foto: collectie auteur).

Tante Fem en haar buurt, een onvergetelijke periode uit mijn leven en een schets van een dorp dat niet meer bestaat.

Hans van Huizen

(Denekamp)

KUN JE NOG ZINGEN, ZING DAN MEE

Het was een lieve, stille wereld

in Losser, men was heel tevree.

Het was een boek met honderd liedjes

en wie nog zingen kon zong mee.

Het ruiste, schitterde en klopte

vol van hojo en lieve lust.

en ’t riep van louter vreugd victorie

op malse wei en smalle kust.

Men zong in ’t dorp van ferme jongens

Van koele vuist en rappe hand,

die steeds hun beste krachten wijdden

aan koningin en vaderland.

Maar ’t is verdwenen in de verte

met angelus en avondrood

en met mijn wagen volgeladen

een vredig land, dat zekerheid bood.

Hoe zachtkens gleed daarin ons bootje,

hoe zuiver klonk ons hoorngeschal,

hoe eenzaam dwaalde er de herder,

in ’t groene dal, in ’t stille dal.

Daar was het goed om in te leven,

daar kwam geen vijand ons te na.

Daar lag een kussentje van varens

in Deppenbroeks bos, met s.c.h.

We zongen van scheepjes in de haven

en iedere jongen wilde mee.

En Hollands vlag was onze glorie

aan verre kust en smalle zee.

Dat was het land van melk en honing,

van fier maar klein, en daden benne groot

Dat wilden we altijd zo houden

in ’t dorp dat ons zekerheid bood.

Het was het land der vaad’ren zonen

en ’t volk dat zijn erfdeel was,

van zessen klaar en welgeschapen,

trok er op uit met flinke pas,

want ’t had Neerlands bloed in de aad’ren.

En wij, we werden vast niet moe

en zelfs de koning van Hispanjen

kwam aan dien dierbren grond niet toe.

Maar ’t is verdwenen in de verte

met koeltje stoeit en zilvervloot

verdwenen achter Brilmans dennen.

Zelfs het oude dorpshart is nu dood,

het dorp krijgt een mensenpakhuis

in plaats van een vredig dorperplein.

De nieuwe tijd moet het zo zijn?

 

Hans van Huizen

(Denekamp)

 

(vrij naar Michel van der Plas/Frans Halsema;muziek Harry Bannink)