Oet Dorp en Marke 2007 - 3

Inhoudsopgave

Van het bestuur
 . Expositie ‘Wonen in …Losser, Overdinkel en Glane’
 . Agenda
Het Onderwijs in Dorp Losser vóór 1900
 (Thea Evers)
Uitgaven van de Stichting Historische Kring Losser

De foto bewerkt en ingekleurd door HKL- bestuurslid Andries Kuperus
Foto omslag:
Deze historische luchtfoto van het centrum van Losser symboliseert het thema van de, de door de Historische Kring Losser georganiseerde, tentoonstelling 'Wonen in ...Losser, Overdinkel en Glane'. De expositie loopt nog tot en met 30 december 2007 in Galerie ’t Nien-end op Erve Kraesgenberg. De foto werd voor dit doel digitaal bewerkt en ingekleurd door HKL- bestuurslid Andries Kuperus.

Van het bestuur

Wonen in … Losser, Overdinkel en Glane

Na de zeer geslaagde tentoonstelling ‘Herinneringen aan het dorp van onze jeugd’ waarvoor het materiaal bijeen werd gebracht door de Losserse bevolking, heeft mevrouw Jo de Jong van Galerie ’t Nien-End  haar mooie onderkomen op Erve Kraesgenberg nog een keer beschikbaar gesteld aan de HKL en ook nu hebben wij weer een beroep gedaan op de bevolking van Losser, Overdinkel en Glane om voorwerpen beschikbaar te stellen.

Het thema van de tentoonstelling is ‘Wonen in … Losser, Overdinkel en Glane’ (het werkgebied van de HKL). Met dit thema sluiten wij aan bij het thema van de in de vierde week van oktober te houden landelijke Week van de Geschiedenis 2007 : ‘Wonen in Nederland’. De expositie in Losser duurt overigens veel langer dan een week. De opening viel samen met de vrijwilligersmiddag die de gemeente Losser op 15 september a.s. organiseerde op Erve Kraesgenberg. De tentoonstelling zal lopen tot en met zondag 30 december. Er is zoveel materiaal beschikbaar dat er enkele keren ‘gewisseld’ kan worden. Informatie daarover zult u kunnen vinden op onze website www.historischekringlosser.nl  en in de regionale pers. De expositie kan bezocht worden op donderdag, zaterdag en zondag van 14.00 tot 17.00 uur en de toegang is gratis.

Tentoongesteld worden foto’s uit de eigen collectie van de HKL, maar ook foto’s en ander materiaal dat beschikbaar is gesteld door derden. Mooie voorbeelden van dit laatste zijn de documentatie met betrekking tot de voormalige kerk in Glane die sinds 2000 als woning wordt gebruikt en het project ‘Wonen aan de Strokappenweg’ van ons lid de heer Frans Jacobs.

Omdat wij de fototentoonstelling graag wilden opsieren met (min of meer) historische voorwerpen die iets met het thema ‘wonen’ te maken hebben, deden wij via de krant en onze website een beroep op het publiek om dit soort materialen beschikbaar te stellen.

Ook nu hebben wij veel reacties op onze oproep gekregen zodat in Galerie ’t Nien-End weer sprake is van een echte trekpleister, waar veel mensen met plezier herinneringen ophalen en waar nieuwkomers kunnen zien hoe het er hier vroeger uitzag.

Omdat de tentoonstellingsperiode vrij lang is zal er zoals gezegd enkele keren ‘gewisseld’ worden. Mocht u voorwerpen of ander materiaal beschikbaar hebben waarvan u denkt dat het voor de expositie gebruikt zou kunnen worden dan is dat nog steeds welkom Neemt u dan contact op met ondergetekende (ook bereikbaar via info@historischekringlosser.nl .

 

Namens het bestuur van de Historische Kring Losser,

Georg van Slageren, secretaris
(tel. 053 538 2850)

Agenda

Hieronder leest u wat tot het begin van het nieuwe jaar op de agenda staat. Alle bijeenkomsten worden gehouden bij Hotel Smit en beginnen om 20.00 uur. De avonden zullen ook nog in de lokale pers aangekondigd worden, maar noteert u de datums nu alvast in uw agenda zodat geen van de interessante bijeenkomsten u ontgaat.

Dinsdag 23 oktober 2007

Ons eigen bestuurslid Stien Meijerink houdt aan de hand van dia’s een lezing over de ontwikkelingen in het dorp vanaf de jaren vijftig.

Dinsdag 27 november 2007

In de aanloop naar Advent zal deze avond gewijd zijn aan (muzikale) Midwintergebruiken in Twente. Het programma staat nog niet helemaal vast, maar wel is bekend dat onze dorpsgenoot Henk Filipsen present zal zijn om ons iets te laten zien en horen van de midwinterhoorn.

Maandag 7 januari 2008

Op maandag 7 januari 2008 houden wij onze traditionele ‘Niejoarsvisite’. Stien Meijerink presenteert weer de al even traditionele diaquizz. De boerenjong’s en knieperkes worden u aangeboden door het bestuur.

Het Onderwijs in Dorp Losser vóór 1900

Wanneer de kinderen in Losser voor het eerst naar school konden is niet meer na te gaan.

Het is wel zeker dat de kerk, en misschien ook het markebestuur, de jeugd in de gelegenheid gesteld heeft om onderwijs te volgen, zeker in de winter, wanneer er toch niet op het land gewerkt kon worden.

Onderwijs was vroeger een kerkelijke aangelegenheid. In 1215, op het vierde Lateraans Concilie, was voorgeschreven dat bij elke parochiekerk een school op basisniveau moest worden gesticht. In de steden kwamen toen wel scholen en in de 14e eeuw werd de invloed van de stadsbesturen op het onderwijs steeds groter. Maar het onderwijs aan armen bleef in handen van de kerk. En de kerk bleef toezicht houden op het onderwijs.

Na de Pacificatie van Gent in 1576 (het verdrag waarin de gewesten o.m. vastlegden om samen de Spaans troepen te verdrijven) was dat niet langer de katholieke, maar de gereformeerde kerk. Onderwijs werd het middel bij uitstek om de godsdienstige opvattingen te verspreiden.

In 1606, toen het protestantisme vaste voet had gekregen, besloten Ridderschap en Steden dat alle kosters, schoolmeesters, richters en onderrichters, schouten en onderschouten hervormd moesten zijn.

De eerste schoolmeester die in Losser wordt genoemd is Christiaen Boumöller. Hij overleed in 1667 en zal ongetwijfeld hervormd zijn geweest. Hij werd opgevolgd door Derk Froen, zoon van ds. Theodorus Froen.

Of er in die tijd een schoolgebouw is geweest, of dat er misschien werd onderricht in kerk of pastorie of in het vicariehuis op de markt is niet bekend.

De inwoners van Losser zijn in dat jaar nog maar net de inval van de vorstbisschop van Münster te boven. De soldaten van Bernard van Galen, bijgenaamd Bommenberend, hadden bij hun inval op 24 september 1665 voor brand, plundering en vernieling gezorgd. De mensen moesten hun huizen weer opbouwen en ook de kerk en de toren. Een jaar later, op 20 september 1666 werd de eerste nieuwe klok al weer gegoten.

Verbecke / Verbeek

In 1722 komt Hermannus Verbecke in beeld, geboren op het oude erve Verbecke ( het huidige Aarnink). Hij werd benoemd tot adjunct-schoolmeester, omdat de bejaarde Derk Froen niet meer in staat was zijn ambt te vervullen. Maar hij deed er nog geen afstand van, omdat hij de inkomsten niet kon missen. Derk Froen bleef tot zijn dood op 17 -11-1727 koster en schoolmeester in Losser. Op het platteland was het meestal de koster die les gaf in lezen, schrijven en zingen. Psalmen, gezangen en andere liederen waren een belangrijk onderdeel van het schoolprogramma in verband met de protestantse gemeentezang.

Adjunct-schoolmeester Hermannus Verbecke was in 1725 ook benoemd tot organist en hij was ook al adjunct-koster. Hierover is het volgende opgetekend:

‘Also door de schoolmeester en coster van Losser Derk Froen vermits synen hoogen ouderdom nu al eenige jaren geen Schooldienst meer gedaan is geworden ende door sekeren Geerling Bent, Schoolmr. in De Lutte en syn soon, dewelke nu mede overleden is, de schole voor ’t wekelijke Schoolgelt hebben waargenomen, so word op de remonstrantie van den Kerkenraad der Gemeente van Losser Herman Verbeke hiermede van mij ondergesr. (ondergeschreven) Landdrost, opdat de jeugd niet ongeleerd blijve, tot adjunct Schoolmeester ende Coster van Losser aangestelt tegen genietinge alleen, so lange Derk Froen leeft, voor ’t wekelijke Schoolgelt. Sullende hij, Herman Verbeke, na de dode van Derk Froen, als Schoolmeester ende Coster van Losser in de opkomsten van Schole en Costerije succederen en in dier voege genieten so en als Derk Froen deselve geprofiteerd ende beseten heeft.

Datum Diepenheim, den 5. October 1722

Onderstond W. Bentinck

Pro vera copia T. Broekhuys, Secr.

Pro vers copia copiae Ant. Borgerink.

Willem Bentinck tot Diepenheim was van 1712-1748 Drost (bestuursambtenaar) van Twente.

De tweede zoon van Hermannus Verbecke, genaamd Henricus (Hendrik) werd eveneens schoolmeester te Losser. Wanneer hij zijn vader als koster, organist en schoolmeester is opgevolgd is niet met zekerheid te zeggen. Waarschijnlijk in 1755 of 1756.

 

Het geslacht Verbecke (Verbeek) kende nog veel meer onderwijzers. In Enschede woonde de geachte schoolmeester, voorzanger en voorlezer Hermanus Verbeek, die op 29 december 1828 overleed, enige maanden na zijn veertigjarig onderwijsjubileum. Hij werd op oudejaarsavond, 31 december, ’s avonds zo laat mogelijk, één uur voor middernacht, begraven in de grote kerk op de Enschedese markt. Vanaf 1 januari 1829 was begraven in de kerken niet meer toegestaan en het was zijn wens om nog in het godshuis zijn laatste rustplaats te vinden. Zo is deze schoolmeester Verbeek de geschiedenis ingegaan als de laatste Enschedese burger die nog in de kerk begraven werd.

Bonke

In Losser gaat een andere onderwijzers- kosters- en organistenfamilie het onderwijs verzorgen, genaamd Bonke.

In 1792 wordt Hermannus Bonke door de hervormde gemeente benoemd als schoolmeester, koster en organist.

Zijn naam staat onder de volkstelling uit 1795. Dorp en Marke Losser tellen dan 202 huisgezinnen en 985 inwoners. Opvallend is dat dan al 67 mensen het beroep van wever uitoefenen. De zogenoemde akkerburgerwoningen, met één ruimte voor mens en dier, hadden vaak een weefkamer. Dit vertrek lag lager, dus dieper in de grond, waardoor het er vochtig was en het garen beter verwerkt kon worden.

In 1825 wordt H. Bonke ook benoemd tot gemeente-ontvanger, een functie die hij blijft vervullen tot 1844.

Op 19 juli 1839 volgt zijn zoon Hermannus Hendrikus hem op als onderwijzer. In een brief van 2 februari 1852, gericht aan de burgemeester van Losser staat vermeld, dat hij in het bezit is van de ‘Acte van den 3en Rang, afgegeven door de prov. Commissie van Onderwijs in Overijssel op 9 April 1834, met een volledige acte tot het geven van onderwijs in de Fransche en Hoog-Duitsche talen, mede afgegeven door dezelfde Commissie den 12 October 1837’. In dezelfde brief is ook te lezen: ‘Het grootste aantal kinderen dat de school te Losser bezoekt, beloopt om de 350’. Of deze kinderen allemaal tegelijk naar school gingen, of dat dit cijfer anders geïnterpreteerd moet worden is niet duidelijk.

Naast onderwijzer was Hermannus Hendrikus Bonke vanaf 1845 op zijn verzoek door de kerkvoogden van Losser ook benoemd tot organist, koster, voorlezer en ontvanger van de hervormde gemeente.

 

Deze zandstenen wijzerplaat in de gevel van de protestantse kerk van Losser met het jaartal 1810 en de inscriptie ‘H. Bonke Datum’ (‘Geschonken door H. Bonke’ ) herinnert aan de belangrijke rol die Hermannus Bonke in de hervormde gemeente speelde)

19e eeuw

Maar binnen het onderwijs was inmiddels veel veranderd.

In het jaar 1806, in de Franse tijd, kwam in Nederland de eerste wettelijke regeling voor het onderwijs tot stand.

Tien jaar daarvoor, in 1796, had de Maatschappij tot Nut van het Algemeen het rapport ‘Algemeene denkbeelden over het nationaal onderwijs’ het licht doen zien. Volgens de samenstellers was het met het onderwijs in het land treurig gesteld. Onderwijzers genoten weinig aanzien en waren nauwelijks voor hun taak berekend, vooral omdat ze slecht werden betaald en geen pensioen hadden. Daarom moesten ze bijklussen en gingen de meesten door met lesgeven tot ze erbij neervielen. Bovendien waren de lokalen vaak smerig en ongezond. Ook het lesprogramma was zeer eenzijdig, omdat het voornamelijk draaide om godsdienst- en bijbelkennis. Het leren lezen begon met het Onze Vader en de Tien Geboden en vervolgens kwam de Catechismus aan bod.

Onderwijs was ook een luxe, die een handwerksman of een landarbeider zich niet kon permitteren voor zijn zonen en dochters. Zij moesten al vroeg meehelpen met werken en werden ook wel verhuurd aan een grote boer.

Het analfabetisme in Nederland en dus ook in Losser was zeer groot. De hoofdoorzaak lag, ook nog aan het einde van de negentiende eeuw, in het enorme schoolverzuim. Maar zolang er geen leerplicht was, viel tegen dit nationale kwaad niets te doen. En Nederland behoorde wat de leerplicht betreft niet tot de koplopers. De Kinderwet-Van Houten(1873) had officieel de arbeid voor kinderen beneden de 12 jaar verboden, maar de wet had wijde mazen en er werd niet streng de hand aan gehouden. En de situatie in de arbeidersgezinnen was ook zodanig, dat iedere cent die een kind inbracht, meegenomen was.

De leerplicht kwam er pas in 1901 en ook nog na een lange strijd. De gedachte dat de ‘standen’ door God zijn gewild en de armen tevreden moesten zijn met hun lot, was nog wijd verbreid in ons verzuilde land. Daarbij kwam ook de angst dat, wanneer de armen zich boven hun stand zouden gaan verheffen, er grote onrust zou ontstaan. De Communistische Internationale, en de Parijse Commune, het socialistische bewind van 18 maart tot 30 mei 1871, waaraan een bloedig einde kwam, waren een schrikbeeld voor de gegoede burgerij. Voorstanders van de leerplicht betoogden daarentegen dat het onderwijs juist maatschappelijke deugden kweekt, die de rust waarborgen.

Curieus is dat we de leerplichtwet uiteindelijk te danken hebben aan een paard, een Oldenburgse hengst. Op de dag dat er gestemd moest worden, maakte het conservatieve kamerlid Schimmelpenninck van der Oye een morgenrit. Zijn paard trapte in een molshoop en struikelde. Het kamerlid werd uit het zadel gewipt en moest ziek thuisblijven. En daardoor kon het wetsontwerp worden aangenomen met 50 stemmen voor en 49 tegen.

In ‘Grondstukken en bewoners in dorp Losser omstreeks 1820’, gebaseerd op de kadasterkaart van Dorp Losser, die dateert van omstreeks 1819, staat vermeld bij perceel C 381: ‘School in Vicariëngaarden of Den Hof, ook Klepperhuysstede genoemd, met als eigenaar de gemeente Losser.

In het kerkenrekenboek van de hervormde gemeente staat: ‘Op een gedeelte van dit perceel is in 1807 een school gebouwd, zijnde een opstal waarvoor tot dusverre niets betaald is en waarvoor ook geen titel voorhanden is’.

De school die hier wordt bedoeld, was vermoedelijk gesitueerd aan de huidige Teylersstraat. Van Helvoort zegt in ‘Losser voorheen en thans’ dat deze school gestaan heeft ‘op vicarygrond van de hervormde gemeente waar thans (1925) de autogarage van de heer Jassies is gezet’. (nu Hassing Sport).

De journalist Harm Boom (1810-1885) tekent in zijn boek ‘Mijne reisportefeuille / omzwerving door Overijssel in 1846’ op: ‘Losser heeft eene zeer goede school, die in den zomer door 200 en des winters door 280 kinderen wordt bezocht’.

Dat is dan het resultaat van een vooruitziende blik van het gemeentebestuur, want al in 1834 had zij de wens uitgesproken om een nieuw schoolgebouw te stichten, ter vervanging van het bestaande gebouw, dat wordt omschreven als ‘niet alleenlijk te bekrompen, maar ook te oud en bouwvallig’.

In het jaar 1834, wanneer er voor het eerst sprake is van het bouwen van een nieuwe school, heeft Losser ook een nieuwe burgemeester/secretaris gekregen in de persoon van C.W. Eekhout Jr.

De eerste burgemeester Godefrie Feuilleteau de Bruijn had zijn ambt dusdanig verwaarloosd, dat hij niet voor een herbenoeming in aanmerking kwam, ondanks een verzoek van gemeentebestuur en inwoners om hem te handhaven, omdat men medelijden had met zijn gezin. De familie leefde dan ook nog tot zijn dood in 1872, in ‘kommervolle omstandigheden’ in het dorp.

De nieuwe burgemeester Eekhout en het gemeentebestuur, rekenden voor de bouw van een nieuwe school op de financiële steun van rijk en provincie. Zij zouden elk voor een derde deel moeten bijdragen. Maar die overheden hielden in eerste instantie de hand op de knip.

Pas in 1843 wordt de bouw van een éénmansschool aanbesteed en gegund voor f 3.249, -

Het nieuwe schooltje wordt gesticht aan de andere kant van hetzelfde perceel vicarygrond en op 2 september 1843 in gebruik genomen. In 1874 wordt er een tweede lokaal aangebouwd voor f 4.240, -


De in 1843 nieuwgebouwde school (maar op deze foto al niet zo ‘nieuw’ meer).

Het nieuwe gebouw stond naast het huidige Hotel Smit en op oude ansichtkaarten, genomen vanaf de Teylersstraat is het nog te zien. Het is dan al niet meer als openbare school in gebruik, maar bood onderdak aan de bewaarschool van de hervormde gemeente.

Schoolhoofd Hermannus Hendrikus Bonke overlijdt op 12 september 1861. Vanaf 1792 was de naam Bonke dus verbonden aan het Losserse onderwijs.  

Hij wordt opgevolgd door Bernardus Holst. Ook deze schoolmeester blijft tot zijn dood op 20 oktober 1879 in functie.

Meester Holst

Bernardus Holst werd geboren op 19-8-1831 te Losser. De familie Holst staat als Hulss voor het eerst in Losser in de geschriften in de persoon van Berent Hulss, geboren in 1558. Eind zeventiende eeuw wordt de familienaam geschreven als Holst/Hols.

Bernardus Holst trouwde op 24-6-1864 te Losser met Christina Rijkhof, 29 jaar oud, geboren op 1-11-1834 te Losser, overleden op 22-04-1872, eveneens te Losser op 37-jarige leeftijd.

Het echtpaar Holst had vier kinderen. De jongste was vier maanden oud toen de moeder op zevenendertig jarige leeftijd overleed.

Voordat hij schoolhoofd in Losser werd, had Bernardus Holst al eerder voor de klas gestaan, want in het familiearchief bevindt zich een aanbevelingsbrief van H.J. Lazonder, hoofdonderwijzer in Denekamp, gedateerd 1 juli 1858, waarin hij verklaart, dat ‘de Heer B. Holst gedurende ruim twee en een half jaar in zijn school als hulponderwijzer is werkzaam geweest, en bij een onberispelijk gedrag steeds getoond heeft een ijverig en bekwaam onderwijzer te zijn, zodat de ondergeteekende hem gerust durft aanbevelen’. Uit deze brief is echter niet te herleiden, aan wie hij gericht is.

Vier jaar later, in 1862, is in Losser de post van hoofdonderwijzer vacant.

In het raadsverslag van 19 maart 1862 is te lezen: ‘De Raad der Gemeente Losser gelet op art. 21.22 der wet van 1857 Stbld ( Staatsblad) no. 103 en op voordracht van de beide eenige candidaten, naar den vaccerende post van Hoofdonderwijzer aan de dorpschool te Losser, door Burgemeester en Wethouders in overleg met den schoolopziener ingediend, gelet op de uitslag van het vergelijkend examen, den 15 deze gehouden, besluit te benoemen tot Hoofdonderwijzer aan de dorpschool Losser, den heer Bernardus Holst, thans te Zwolle’. Zo’n vergelijkend examen was in die tijd bij de selectie zeer gebruikelijk.Want hoe moest men anders kiezen, zo was de gedachtegang.

Onderwijzer Holst kwam toen dus uit Zwolle. Het is niet bekend of hij daar gewerkt heeft, maar in zijn nalatenschap bevindt zich wel een handgeschreven afschrift van de ‘Instructie voor de hoofdonderwijzer der scholen voor jongens van het R.K. Liefde Gestichts te Zwolle’, gedateerd 6 december 1861. Het Gesticht van Liefde had in Zwolle al vier scholen voor rooms katholieke kinderen. Twee meisjesscholen, één voor de ‘gegoede stand’ en een armenschool. En ook voor de jongens was er een aparte school voor de betalende leerlingen en voor de armen. De Zusters van Liefde waren in 1832 vanuit Brabant gestart met hun onderwijsinstellingen en zouden in 1902 ook het onderwijs aan de eerste bijzondere lagere school in Losser gaan verzorgen: de Mariaschool  en de Theresia bewaarschool.

Hoofdonderwijzer Holst staat er in zijn nieuwe functie niet alleen voor. In 1863 wordt hij bijgestaan door hulponderwijzer W. Drabbe. Andere namen in latere jaren zijn W.T. Smits (1865), B.J. Schurink (1866-1872) en J. ten Dam ( 1873-1874). Zijn collega aan de school in De Lutte is J. Welhuis.

Losser was in 1862 een gemeente met bijna 5000 inwoners. Er waren verkiezingen geweest voor de Tweede Kamer der Staten Generaal en voor de Provinciale Staten: 64 Lossernaren mochten daarvoor hun stem uitbrengen. Ook was er een nieuwe gemeenteraad gekozen en daarbij waren 126 inwoners van de gemeente stemgerechtigd. C.W. Eekhout Jr. is nog steeds burgemeester/ secretaris. Tot maart van dat jaar zijn G. Leurink en G.J. Sanderink  wethouders. Door het overlijden van G. Leurink en de benoeming van G.J. Sanderink tot gemeenteontvanger, worden zij opgevolgd door G. Kellerhuis en J. Lutke Bavel.

Er is nog steeds geen arts, maar de gezondheidstoestand van de ‘menschen en van het vee was over het algemeen goed, geene ziekten van eenig belang hebben er geheerscht’.

Er zijn drie kerkgenootschappen, de rooms katholieke gemeenschap met 2 pastoors en 2 kapelaans en de hervormden met 1 predikant. De hervormde gemeente in het dorp wordt bediend door ds. S.H.G. Hulsken en pastoor van de r. k. kerk, die toen nog op het huidige Martinusplein stond is G. Scholten. Ook wordt er een Israëlitische gemeente vermeld met een voorzanger, ‘maar sedert de maand november is er geene openbare godsdienstoefening meer gehouden daar dien den voorzanger uit de gemeente met der woon naar elders is vertrokken’.

Er bestaat in de gemeente een algemeen armbestuur in het dorp Losser ‘hetwelk jaarlijks in natura ontvangt en uitgeeft 20 mudden rogge’. Het rooms-katholieke armbestuur heeft f 116 besteed en de hervormde diaconie f 61,94. In totaal deden 62 personen een beroep op het armwezen.

De gemeente heeft twee veldwachters en twee nachtwakers. Er zijn twee brandspuiten en er hebben in 1862 ook twee branden plaats gevonden, onder meer door blikseminslag in de schuur van de pastoor G. Scholten

Bernardus Holst moet als schoolhoofd regelmatig verslag uitbrengen aan de schoolopziener. Losser behoorde tot het ‘4e District Oldenzaal’ met als schoolopziener T. de Voogt. Zeker in de negentiende eeuw was zo’n schoolopziener  een waardige man, die ook onverwacht op inspectie kwam en een afgelegen dorp als Losser dan per koets bezocht. Losser was echter niet per reguliere diligence te bereiken, noch vanuit Oldenzaal, noch vanuit Enschede. Ook liep er geen postwagen. Vanuit Oldenzaal ging er voor de post wel dagelijks een ‘voetbode’ heen en weer.

In de nalatenschap van meester Holst bevindt zich een kladschrift, waarin hij zijn verslagen en correspondentie eerst aan het papier toevertrouwde, voordat hij ze verstuurde. Naar huidige maatstaven is het gevuld met een soort (verbeterde) copieën. Daarin zijn ook verslagen te vinden die voor de Onderwijsinspectie bestemd waren.

Hij bericht niet alleen over het aantal leerlingen, maar beantwoordt ook vragen over de staat van het gebouw, waaruit duidelijk wordt hoe het schooltje er uit zag.

Gebouw

Het schoolgebouw is vochtig. De kinderen kunnen in de nabijheid drinkwater krijgen uit een pomp. Het pand ligt op een open terrein, gericht naar het westen en is gelijkvloers. “De toegang geschied door een klein binnenportaaltje (barbiertje genaamd), waarin voor ieder der twee lokalen een deurtje is ter breedte van 0,725 M. Er is geen behoorlijke bergplaats voor de hoeden en petten van de kinderen.

“Het dak is van goten voorzien, doch zij zijn versleten en doen meer schade dan voordeel, dewijl nu het water langs de muren loopt. Een regenbak is er niet. Het water blijft in de nabijheid staan.

Alle kinderen die zich aanmelden worden opgenomen. Er zijn twee lokalen .“Het grootste getal aanwezig in lokaal No. 1 is tachtig (leerlingen) en in No. 2 een honderd en twintig leerlingen tot heden niet overschreden”.

Meester Holst moet ook de inhoud van de lokalen opgeven en bij de berekening letten op een “schuine of koepelvormige zoldering”. Lokaal nr.1 is hoog 6,18 m, de oppervlakte bedraagt 65, 8206 m² en de inhoud is 364,069 m³. Het tweede lokaal is 6,18 m hoog, de oppervlakte is 65,453 m² en de kubieke inhoud 352,281 m³.

De muren zijn gewit, de vloer is van steen met houten gangpaden en tamelijk droog. In ieder lokaal zijn vier vensters. “Het ligt valt in beide lokalen regts en van achteren op de leerlingen”. De ramen zijn 2,82m hoog en 1,515m breed.

Voor de verlichting van de avondschool worden petroleumlampen gebruikt. “De lichten zijn boven de leerlingen opgehangen. “De verwarming geschied door kagchels zonder mantels”. “In lokaal nr.1 is de kagchel aan het einde in den langsten gangpad geplaatst, die in de zuidzijde des lokaals langs den muur loopt. In lokaal nr. 2 staat de kagchel in het midden van den gangpad, die in den Noordkant des lokaals langs den muur loopt”. En er is voor gezorgd dat de “digts bij de stookplaatsen zittenden kinderen geen hinder hebben van de stralende warmte”.

De tafels en banken zijn nog van het “oude stelsel”, wat wil zeggen dat er geen rugleuningen zijn, maar wel voetsteunen. En de banken zijn wel van verschillende hoogte.

Frisse lucht komt niet alleen door deuren en vensters, maar er bestaat ook een “opzettelijke ventilatie inrigting” bestaande uit luiken in de zoldering “die goed voldoen”. “Tevens zijn in ieder lokaal vier venstertjes, die laag geplaatst zijn en onder schooltijd niet kunnen geopend worden, omdat de tocht daardoor onmiddellijk op de kinderen valt”.

In onze tijd zouden we zegen: een lokaal, volgepropt met kinderen; geen ventilatie, een ondragelijke stank; losstaande banken bij wiebelige tafels; de banken volgepropt met soms 8 of 9 kinderen, hoewel ze voor 6 bestemd waren. Leuningen kwamen landelijk voor het eerst in 1860 en dan ook nog onder protest. Kinderen werden daar lui en gemakzuchtig van. In Losser duurde dat nog langer. Op de vraag of hij tafels en banken heeft van het oude of het nieuwe stelsel, antwoordt hij in 1870: “Het oude stelsel”.

Ook heeft Bernardus Holst andere problemen met zijn meubilair. Op 25 september 1875 schrijft hij aan de burgemeester “dat de aanstaande week geen school is, dewijl de gewone oogstvacantie omtrent den eersten Oct. invalt. Ik neem daarom de vrijheid, UWEd.Achtb. te verzoeken, eenige banken, die te nauw zijn voor de kinderen, iets te willen laten uitzagen, wat met weinig moeite kan geschieden”.

Op dinsdag 20 juli 1874 deelt hij de inspecteur mede, “dat de burgemeester nog hedenmorgen verzocht vacantie te geven en het thans drukkend warm is. De school begint weder heden over 3 weken”. De ventilatie door de luiken in het plafond was blijkbaar niet meer voldoende.

Onderwijs en onderwijzersleven

De school in Losser had op 15 januari 1862 204 leerlingen, 114 jongens en 90 meisjes. 15 juli was blijkbaar een andere teldatum: 118 jongens en 90 meisjes en het onderwijs “wordt aan deze kinderen kosteloos gegeven”. Naast lezen, rekenen en schrijven waren ook geschiedenis en aardrijkskunde verplichte vakken geworden.

Behalve de hulponderwijzer zijn er ook kwekelingen werkzaam.

Uit deze brief blijkt dat in 1870 naamgenoot Hermannus Holst is aangesteld als kweekeling. Dit is de oudste zoon van Bernardus’ broer Johannes.  Deze Hermannus Johannes (Jan Harm) Holst werd geboren in 1857 te Losser en overleed ook te Losser in 1934 ongehuwd, op 76-jarige leeftijd. Hij bleef in het onderwijs werkzaam.

In 1877 verschijnt er een andere kwekeling op het toneel. Dit keer is het ook een naamgenoot en familielid, nu de tweede zoon van zijn broer Johannes. Bernardus Holst schrijft aan de schoolopziener: ‘tevens neem ik de vrijheid UwEd. Bernardus Holst, geb. 11 Mei 1862 ter benoeming als kwekeling voor te dragen, dewijl hij goeden aanleg tot het onderwijzen heeft en de normaallessen te Oldenzaal bijwoont’. Deze oomzegger en kwekeling had de Latijnse school in Oldenzaal bezocht en wilde vervolgens graag voor tandarts studeren. Maar dat was financieel niet haalbaar. Bij nader inzien maakte hij ook geen carrière in het onderwijs. Hij werd de oprichter van de Groothandel in glas, verf en drogerijen Fa. G.B. Holst te Enschede.

In de negentiende eeuw kende men twee onderwijzersopleidingen. Op de eerste plaats waren er de rijkskweekscholen. Er waren er zes, uitsluitend voor jongens en wel in Haarlem, Middelburg, Groningen, Deventer, Maastricht en Nijmegen. En er was er een, uitsluitend voor meisjes te Apeldoorn. Deze scholen werden als voortreffelijk gezien en stonden in hoog aanzien.

Daarnaast bestond er de normaalschool. Het was geen echte school, maar een instelling waar op de vrije woensdag- en zaterdagmiddag en in de avonduren een cursus werd gegeven. Hoewel dit minder in aanzien stond als de kweekscholen, was het toch voor jongeren een eerste sport op de sociale ladder.

Maar tot ver in de negentiende eeuw hadden schoolhoofden ook het recht om persoonlijk jongeren op te leiden en klaar te stomen voor het examen. Het was heel gebruikelijk dat een jongen van zestien jaar twee klassen had van ieder 30 à 40 leerlingen. En in de vrije uren had hij taken als ganzepennen vermaken, brokken krijt in reepjes zagen en aanpunten, de olielampen voor de avondschool poetsen en vullen. En zaterdags de schoollokalen met een bezem reinigen en de meubels met een natte doek afnemen.

Onderwijzers verdienden niet veel. Ze worden wel omschreven als: ‘fatsoenlijke armen’. Maar ze voelden zich wel verplicht om hun stand op te houden en bijverdiensten waren sinds 1806 verboden. Alleen ambten van kerkelijke aard, of die daarmee te vergelijken waren, zijn toegestaan. Gedeputeerde Staten kunnen dan toestemming verlenen. Bernardus Holst dient in 1876 ook zo’n verzoek in ‘tot het uitoefenen der bediening van kerkenpenningmeester bij de R.K. gemeente’.

Hoofdonderwijzer Holst moet in Losser een autoriteit zijn geweest die veel aanzien genoot. In correspondentie over een rechtszaak wordt hij door advocaat en procureur C. Stork uit Almelo (een oudere broer van de Hengelose fabrikant), aangeschreven als ‘Amice Holst’ en ‘Vriend Holst’. De hulp van de advocaat is ingeroepen in verband met een grasverkoop van het erve Luisink. Bernardus Holst heeft in 1867 een zogenoemd garftiende verworven uit het vroegere hofhorige erve Luisink. Op de overdrachtsakte staan de namen vermeld van Johannes Wiggers, grondeigenaar in de gemeente Lonneker, Susanna en Geertuida Leurink, zonder speciaal beroep te Losser en Petrus Osse, winkelier te Losser. Bij een gras- en roggeverkoop in 1872 heeft Bernardus Holst het hem toebehorend deel niet gekregen en de advocaat is hem behulpzaam.

En de weduwe Bonke schrijft hem in een geldkwestie aan als ‘Mijn Heer en Vriend!’ en ondertekend met ‘UEd. Dienaresse’. Maar dat kan ook te maken hebben met het feit dat ze in geldnood zit en hem vraagt om uitstel van betaling van een geleend bedrag.

Maar hij schreef ook brieven voor anderen in allerlei zakelijke kwesties. En gemeenteontvanger G.J. Sanderink ontvangt in een geldinningskwestie van hem het advies ‘Wees nu eens ferm en toont, dat Gij niet bevreest zijt en ook durft, wat ook in lateren tijd goed voor Ued. is, als…nog eens weder bij magte is, anders denkt hij U wel uit het veld te kunnen slaan’.

Meester Holst nam deel aan vergaderingen van de Gewestelijke Vereeniging  Overijsel van het Nederlandsch Onderwijzers-genootschap. In 1872 vergaderden de heren in de Concertzalen te Kampen. Er zijn landelijke wedstrijden uitgeschreven in het schetsen van landkaarten en het schoonschrijven en het oplossen van ‘eenige rekenkunstige vraagstukken’. Maar men staat ook stil bij de vraag of er voldoende samenwerking is tussen leraren bij het middelbaar onderwijs en de onderwijzers aan de lagere scholen.

Er werd op de school in Losser ook avondonderwijs gegeven.

In een schrijven (vermoedelijk aan de inspectie) van maart 1875, brengt Bernardus Holst verslag uit over die avondschool van het jaar 1874.

‘Voor gewoon onderwijs bezochten 18 mannelijke en 2 vrouwelijke leerlingen de school, terwijl buitendien aan het meer uitgebreid lager onderwijs 3 mannelijke en 1 vrouwelijke leerling deelnamen. De onderwezen vakken zijn die vermeld staan bij Art. 1 der wet op het lager onderwijs van a t/m i ( het lezen, het schrijven, het rekenen, de beginselen der vormleer, die der Nederlandsche taal, die der aardrijkskunde, die der geschiedenis, die der kennis van de natuur, het zingen) en de beginselen van het Hoog-Duitsch. Deze school werd alleen in de 3 eerste maanden des jaars gehouden op alle werkdagen uitgezonderd des zaterdags. De school begon in Januari om 5 uur doch in de overige maanden met het donker worden en duurde 2 uur. Wegens de verbouwing van de school was er in de laatste maanden van het jaar geen avondschool. Het te betalen schoolgeld was voor iedere leerling f 1,50 per kwartaal of 12½ cent per week.

Een zelfde soort verslag over 1877 vermeldt dat er in januari op de dagschool 96 jongens en 76 meisjes les krijgen, een aantal dat slinkt naar 81 jongens en 71 meisjes in oktober. Op de avondschool volgen dan 26 mannelijke en 2 vrouwelijke leerlingen gewoon lager onderwijs en 6 mannelijke en 2 vrouwelijke leerlingen worden onderwezen in de beginselen van het ‘Hoog-Duitsch’. De status van de avondschool is veranderd: ‘De avondschool werd vroeger aangeduid als bijzondere, voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs, doch den 15 April j.l. heeft het gemeentebestuur Heren Gedeputeerde Staten opgegeven, als gesubsidieerde bijzondere avondschool, dewijl het schoolgebouw en de leesboeken der gemeente daartoe gebruikt worden’.

Bernard Holst ontvangt dan een jaarwedde van f 600.  Hij krijgt een tegemoetkoming in de huur van zijn huis a f 50,- Voor het jaar 1876 betaalde de gemeente voor iedere leerling per kwartaal 5 cent. Deze premie verviel en de jaarwedde werd verhoogd van f 550 naar f 600.

Opvoeding en onderwijs in die tijd, zijn natuurlijk op geen enkele wijze te vergelijken met de huidige houding tegenover kinderen. De ‘eeuw van het kind’ zoals de twintigste eeuw ook wel genoemd wordt (naar het beroemde boek uit 1900 van Ellen Key, de Zweedse pedagoge, schrijfster en feministe), moest nog beginnen.

In de schoolwet van 1806 was bepaald dat het onderwijs klassikaal moest worden gegeven. Ook was een ‘Algemene Schoolorde’ toegevoegd, die op bordpapier geplakt in ieder school moest hangen. Daar stond onder meer: ‘Op school moet men stil zijn en niemand storen’ en: ‘Men moet oplettend zijn en onthouden wat men in schoolboekjes leest of van de Meester hoort. Orde, tucht en discipline waren zeer belangrijk en werden er ook letterlijk met een (bamboe)stok ingeslagen. Ook andere straffen als knijpen, een kind in de hoek laten staan, knielen waren zeer gangbaar. Maar ook toen waren er strenge en gemoedelijke onderwijzers.

Hoe het er in de klas van meester Holst toeging, daar zijn geen getuigenissen van bekend. Wel is er een brief bewaard gebleven, waaruit blijkt hoe hij tegenover het onderwijzen van arme kinderen stond, een taak die hij in Losser elke dag verrichtte. Tevens blijkt uit dat schrijven, dat hij zeer gesteld was op de ‘goede naam’ van het katholieke volksdeel, in die tijd zeer begrijpelijk, want de katholieke emancipatie was nog maar enkele decennia bezig.

Wat was het geval:

In Enschede is door een schenking van de heer Larink het gelijknamige Gesticht tot stand gekomen (nu nog leefgemeenschap De Wonne). Op 2 juni 1869 werd het instituut geopend, in eerste instantie als een bewaarschool en handwerkschool. In september van datzelfde jaar, is er ook al een school voor jongere meisjes aan verbonden. Het onderwijs wordt verzorgd door rooms katholieke zusters. Bernardus Holst voelt zich op een bepaald moment (datum niet bekend), geroepen om zich met de gang van zaken in deze rooms katholieke school te bemoeien. In die brief spreekt hij eerst uit hoe verheugd men is met deze fundatie in Enschede, omdat daar weer uit blijkt, ‘het heerschende beginsel in den Katholieken Godsdienst is liefde tot God en de daaruit ontkiemende liefde tot den naasten. Zeer verheugde men zich erover, dat de zusters voor dit liefde gesticht bestemd, door hare opoffering en de liefdevolle behandeling aan der hare zorg toevertrouwde kinderen, voornamelijk die van arme menschen, sprekende bewijzen zouden opleveren, wat de liefde tot God vermag, in tegenstelling van hetgeen alléén uit tijdelijk belang geschiedt’.

Met leedwezen en innig smartgevoel heeft hij echter vernomen ‘dat deze zusters arme kinderen, welker ouders in de onmogelijkheid verkeerden voor hen pantoffeltjes te koopen, noodzaakten, om gedurende den schooltijd, zelfs in dezen strengen winter, met bloote voeten te zitten, waardoor reeds eenige ziek geworden waren; eenen maatregel, die eigenlijk dienen zoude tot bevordering der zindelijkheid, maar juist een middel was, om de arme en behoeftige menschen hunne armoede nog meer te doen gevoelen, ja hen nog meer te grieven! Terwijl men daarentegen in de andere bewaar- en burgerscholen aldaar niet zo hardvochtig is om uit zindelijkheid arme kinderen koude voeten te laten lijden!!”

De zusters zullen met hun maatregelen wel goede bedoelingen hebben, maar ze hadden moeten inzien dat dit toch niet kan. Zij brengen zo ‘den Katholieken Godsdienst in minachting, wegens het liefdelooze dat daarin gelegen is’. En omdat de zusters dat blijkbaar zelf niet inzien, acht hij zich verplicht hen daarop attent te maken, met het verzoek, ‘om uit liefde tot den Vader der armen en uit bezorgdheid voor haren en den Katholieken goeden naam spoedig een ergernis te doen ophouden, dat reeds veel te lang geduurd heeft; terwijl hij anders zal genoodzaakt zijn, om de schoolcommissie en den Schoolopziener, als belast met de zorg voor den gezondheidstoestand der schoolen, er kennis van te geven’.

Meester Bouwman

Bernardus Holst wordt na zijn dood in 1879 (op achtenveertigjarige leeftijd) opgevolgd door Hendrikus Jacobus Bouwman. Deze was geboren in Wageningen en trad in 1880 in het huwelijk met Hendrina Grada Weijers, geboren te Wisch.

Meester Bouwman blijft tot 1911, eerst aan school Dorp I en vervolgens aan de nieuwe school Dorp II. In dat jaar wordt hem per 1 augustus op eigen verzoek eervol ontslag verleend.


Van hoofdonderwijzer Bouwman is een schrift bewaard gebleven met een schoolverslag over het jaar 1889, waarin hij met name zijn bezorgdheid uitspreekt over het grote schoolverzuim. Nauwkeurig vermeldt hij van elke leerling hoe groot het verzuim was, om zo zijn betoog te onderstrepen.

Het aantal kinderen dat ’s zomers niet op school kwam was zeer aanzienlijk. Leerlingen uit de boerschop, die alleen winters naar school gingen, noemde men ‘winterkreien’ (kraaien).

Schoolverslag 1889

Ten einde den toestand van het onderwijs op de dorpschool in een helder daglicht te stellen, wil ik bij elke klasse eenige oogenblikken stilstaan en op hare licht en schaduwzijde wijzen.

Met genoegen vertoef ik in den geest bij de laagste klassen. Het schoolverzuim is betrekkelijk gering. De onderwijzer is door veeljarige ondervinding als ’t ware in die klasse opgegaan. Het schoolverzuim kan daar nog bestreden worden door pressie uit te oefenen op de kleinen, die voor huis en veldarbeid toch nog ongeschikt zijn.

Dikwijls voorkomende onzindelijkheid bij die kleinen werkt steeds storend en ontmoedigend op het onderwijs. Vele ouders bekommeren zich om dat punt al zeer weinig. In den winter, wanneer de laagste en de middelste  klasjes zoo sterk bevolkt zijn, wordt er dikwijls geklaagd over het gemis aan ruimte en frisse lucht.

De middelste klasse verkeert niet in die gunstigen toestand. Als hoofdoorzaak moet ik opgeven: gedurige afwisseling van leermeester en schoolverzuim, dat in drukke tijden daar al beteekenend wordt. Begint de jonge onderwijze naar genoegen en dus met vrucht te werken, dan wordt zijn vertrek naar eene andere standplaats aangekondigd.

De toestand van de hoogste klasse is in het algemeen zoo treurig mogelijk. Stilstaan is dubbel achteruitgaan. Een absentie-lijst kan niet meer belast en beladen zijn, dan die der dorpschool in de hoogste klasse. De ouders besluiten helaas zoo spoedig om hunne kinderen thuis te houden, omdat zij niet de overtuiging hebben, dat het schoolonderwijs nuttig, ja onontbeerlijk is. Een feit is ‘t, dat vele leerlingen de meeste schooltijden verzuimen en tegen den winter vergeten zijn, wat ze eertijds gekend hebben.

Met de meeste bereidwilligheid wil ik in overleg treden met het Edelachtbare Hoofd dezer Gemeente, ten einde het grijzende schoolverzuim eenigszins te beperken en alzoo de belangen der jeugd te bevorderen.

Een ontworpen plan wil ik gaarne aan het welwillende oordeel van den Heer Burgemeester onderwerpen.

In ruwe trekken heb ik den toestand van het onderwijs onbewimpeld geschetst, een toestand, die het onderwijs ook onvruchtbaar maakt voor de weinige getrouwe bezoekers, aan wie in dezen stand van zaken, geen geregeld klassikaal onderwijs kan gegeven worden.

Met voorloopigen dank voor eenige medewerking in deze groote zaak, besluit ik dit jaarlijksch verslag.

H.J. Bouwman

Omstreeks 1890 begint het schooltje Dorp I veel te klein te worden, ofschoon de grote trek naar de textielindustrie en dus ook naar Losser nog op gang moest komen. Uitbreiding is niet goed mogelijk en daarom besluit de gemeenteraad op 20 mei 1893 om een nieuwe vierklassige school te stichten, het eerste gedeelte van de later zogenoemde ‘lange school’, die stond aan de huidige Langenkamp. Die nieuwe school is in 1896 al weer te klein. De sterke groei van de bevolking door de immigratie uit de Kop van Overijssel, Drente en Friesland maakt uitbreiding noodzakelijk en er komen drie klassen bij. In 1907 wordt er nog een achtste lokaal aan toegevoegd en in 1910 wordt het naast de school gelegen huisje van de weduwe Deulingh verbouwd tot ambtswoning voor het hoofd van de school.

Voor het oude schooltje naast Hotel Smit, passeren allerlei plannen de revue: verbouwing tot onderwijzers- en veldwachterswoning, cachot en brandspuithuis, verbouwen tot een kazerne en het rijk verzoeken een brigade marechaussees in Losser onder te brengen. Allemaal mooie ideeën, die niet worden uitgevoerd.

In mei 1896 wordt de voormalige school Dorp I verkocht aan de hervormde gemeente voor de som van f 3000. Het ging fungeren als verenigingsgebouw. Maar al snel werd er ook een bewaarschool en zondagsschool in ondergebracht.

Ds. H. Pos maakte in 1899 met de toenmalige kerkenraad al plannen om te komen tot de oprichting van een christelijke bewaarschool en zondagsschool. Zijn opvolger, Jhr. dr. de Geer kon deze plannen verder uitvoeren en als oprichtingsdatum van deze eerste vorm van christelijk onderwijs in Losser geldt 1 juni 1900. Het oude dorpsschooltje kon opnieuw kinderen binnen zijn muren verwelkomen, maar nu alleen van christelijke huize.

Het openbaar onderwijs vervolgde zijn weg in de nieuwe eeuw in school Dorp II aan de Langenkamp.

Geraadpleegde literatuur:

400 jaar Hervormden in Losser / G.W.Th. van Slageren. 1998.

Grondstukken en bewoners in Dorp Losser (1820) en Marke Losser (1832). 1986-1989.

Het erve Verbeck / E. Verbeek. 1988.

Jaarboekje voor de provincie Overijssel. 1832 - .

Losser voorheen en thans / C.J.A. van Helvoort. 1926.

Meester welbedankt / C. Wilkeshuis. 1968.

Stad en land van Twente / L.A. Stroink. 1974.

Uit het land van katoen en heide / J.J.van Deinse. 4e dr. 1975.

Met dank aan: Truus en Hennie Holst en het Gemeentearchief Losser.

Thea Evers


Het begin van het handschrift van meester H.J. Bouwman met het schoolverslag van 1889.