Oet Dorp en Marke 2007 - 4

Inhoudsopgave

Van het bestuur
 . Expositie ‘Wonen in … Losser, Overdinkel en Glane’
 . Cultuurprijs gemeente Losser
 . Agenda
Wat er staat is geen waterstaat
 (Georg van Slageren)
Sociale gebeurtenissen in de gemeente Losser in de 18e eeuw
 (Hennie Kok)
Historische kranten in beeld
Smokkelen
 (Thea Evers)
‘De teloorgang van een minister-president’
 (Georg van Slageren)
Mirreweenterhoorns roopt
 (gedicht)
Uitgaven van de Stichting Historische Kring Losser

foto en tekst uit ‘Losser Voorheen en Thans’,C.J.A. van Helvoort, 1926
Foto omslag:
“Ken i-j den woondren klaank, den laank  zik rekkenden toon, dee duur de kloore lucht in disse dage röp, en van verlangen klaagt noa ’t feest van Kersmis, dat koomp?Wie zou het hier niet kennen, het klagend geluid van den midwinterhoorn, dat in zijn weinige tonen een sfeer van wondere wijding schept in de rust van den stillen adventavond en dat als den adem van de Twetsche volksziel trekt over de landouwen, die daar liggen als wachtend op het nieuwe licht en het nieuwe leven bij de herdenking van Christus Geboorte op Kerstmis”.
(foto en tekst uit ‘Losser Voorheen en Thans’,C.J.A. van Helvoort, 1926).

Een mooie foto en een mooie tekst,
waarmee het bestuur van de Historische Kring Losser
u Prettige Kerstdagen en een Voorspoedig 2008 toewenst.

Van het bestuur

Expositie ‘Wonen in … Losser, Overdinkel en Glane’

Wat betreft deze expositie in Galerie ’t Nien-End op Erve Kraesgenberg kan gemeld worden dat half november al bijna 1000 bezoekers de kassa waren gepasseerd. Die kassa is overigens leeg gebleven, want de toegang was gratis. Dat is onder meer mogelijk gemaakt door de gemeente Losser die ons een subsidie van € 500 toekende voor dit project. Uit de tekst van de subsidiebeschikking blijkt waardering voor ons initiatief omdat met het thema van de tentoonstelling actueel werd ingestoken op de landelijke week van de geschiedenis, waardoor het aanbod van de culturele activiteiten in de gemeente Losser gevarieerder is geworden.

Op 15 november werden de foto’s ‘gewisseld’ en vond ook een uitbreiding plaats van door het publiek aangeboden voorwerpen. Al met al werd de variatie daardoor nog groter en wij hopen dat veel Lossernaren nog een keer een kijkje zijn komen nemen.

Met 1000 bezoekers was overigens al het bezoekersaantal gerealiseerd dat voor de duur van de hele tentoonstelling, die tot 30 december loopt, werd verwacht.

Cultuurprijs 2008 gemeente Losser

De gemeente Losser kent een cultuurprijs. Deze prijs wordt eenmaal per twee jaar toegekend aan personen en culturele instellingen/organisaties, die zich bijzonder verdienstelijk hebben gemaakt voor de cultuur in de gemeente Losser. In 2003, toen de prijs voor het eerst werd uitgereikt, waren Herman (onze toenmalige secretaris) en Annie Bourgonje de gelukkige winnaars. Dit jaar waren het Koen en Anneke van Breugel, de initiators en inspirators van het Lossers Kunst Collectief, die deze grote eer te beurt viel.

Aan de Historische Kring Losser werd de tweede prijs toegekend en wel met de volgende motivering:

“Al enkele decennia zet de Historische Kring Losser zich in voor het behoud van het cultuur-historische erfgoed van onze gemeente door het onderzoeken van de geschiedenis van Losser, het vastleggen van deze informatie in boeken en publicaties en het organiseren van lezingen en exposities. Hierdoor blijft de kennis van het verleden actueel, toegankelijk gemaakt voor een breed publiek en bewaard voor het nageslacht”.

Het bestuur wil iedereen die de HKL voor deze prijs (in geld uitgedrukt € 250) heeft voorgedragen hierbij hartelijk bedanken.

Agenda

Hieronder leest u wat wij in het eerste kwartaal van het nieuwe jaar voor u in petto hebben. Alle bijeenkomsten worden gehouden bij Hotel Smit en beginnen om 20.00 uur. De avonden zullen ook nog in de lokale pers aangekondigd worden, maar noteert u de datums nu alvast in uw agenda zodat geen van de interessante bijeenkomsten u ontgaat.

Maandag 7 januari 2008

Op maandag 7 januari 2008 houden wij onze traditionele ‘Niejoarsvisite’. Stien Meijerink presenteert weer de al even traditionele diaquizz. De boerenjong’s en knieperkes worden u aangeboden door het bestuur.

Dinsdag 12 februari 2008

Harry Spies, uit Almelo, zal voor ons de korte geschiedenis (1860-1870) van de Nederlandse en enkele Twentse zouaven schetsen. Als voorbereiding op de lezing schreef hij de volgende tekst.

“In de eerste helft van de 19e eeuw ontstond in Italië een sterk nationaal bewustzijn. Dat kwam tot uiting in een sterk streven naar staatkundige eenheid van het land dat tot dan toe bestond uit allerlei verschillende staten. Voorstanders onder leiding van Garibaldi wilden de pauselijke staat aan het gezag van de paus ontrukken, desnoods met geweld. In 1861 werd het koninkrijk Italië uitgeroepen. In 1866 veroverden Italiaanse troepen onder Garibaldi tweederde van de pauselijke staat. Het overige deel, Latium, bleef voor paus Pius IX behouden door steun van de Franse keizer Napoleon II. In de strijd tegen de Garibaldisten werd de paus bijgestaan door weerbare rooms katholieke mannen uit alle delen van Europa. De zogeheten zouaven. Onder leiding van een Franse generaal vormden zij een leger: het Regiment der Pauselijke Zouaven. Nederland leverde veruit de meeste manschappen. Ze verzamelden zich voor vertrek in het Noord Brabantse Oudenbosch. Romantiek en heldenmoed dreef bijna 4000 Nederlanders naar het slagveld. Ook jongemannen uit Twente trokken naar het verre Italië om de paus te hulp te schieten”.

NB. Kijk ook eens op www.zouavenmuseum.nl. Het Nederlands zouavenmuseum is gevestigd in Oudenbosch! (red.)

Dinsdag 25 maart 2008

Deze avond wordt verzorgd door dr. Coen Hilbrink, tegenwoordig woonachtig in Zutphen. De heer Hilbrink is leraar aan het Twents Carmel College in Oldenzaal en is o.a. auteur van ‘De illegalen. Illegaliteit in Twente en het aangrenzende Salland, 1940-1945’. Het verzet van de Nederlandse bevolking tegen de Duitse bezetter behoort tot de delen van onze geschiedenis die het meest met mythen zijn omgeven. In genoemd boek (uit 1989) heeft de heer Hilbrink zijn kijk gegeven op aspecten van de illegaliteit die voordien in de  vaderlandse geschiedenis nauwelijks aan de orde waren geweest. Wij hopen dat hij een aantal van die aspecten op deze avond met ons wil delen. In de week voorafgaande aan de dag dat wij weer de bevrijding van Losser kunnen herdenken, belooft dit in elk geval een bijzondere avond te worden.

Wat er staat is geen Waterstaat

In deze bijdrage wordt geprobeerd duidelijk te maken dat de protestantse kerk van Losser  ten onrechte vaak een ‘waterstaatskerk’ wordt genoemd. Hetzelfde geldt voor de protestantse kerken die in 1810 in Oldenzaal (al lang gesloopt), Ootmarsum, Denekamp en Tubbergen werden gebouwd.

Inleiding

De Enschedese amateurhistoricus L.A. Stroink publiceerde in 1962 ‘Stad en Land van Twente’. Een standaardwerk waarin hij een veelheid van gegevens, verzameld uit allerlei bronnen, samenvoegde tot een (veel geraadpleegd) naslagwerk. Daarin schrijft hij (op blz. 392) dat de hervormden in Losser de oude Martinuskerk in 1810 terug moesten geven aan de katholieken. Daarna kerkten de hervormden volgens Stroink ten huize van de familie Teylers (het huidige restaurant De Oude Apotheek), tot voor hen een nieuw zgn. waterstaatskerkje werd gebouwd. Met betrekking tot Oldenzaal, Ootmarsum, Denekamp en Tubbergen zijn soortelijke vermeldingen opgenomen, steeds met de toevoeging dat de bouw van deze kerkjes in 1810 plaats vond.

Omdat ik geen oudere bronnen ken waarin de hervormde (tegenwoordig: protestantse) kerk van Losser een waterstaatskerk wordt genoemd neem ik aan dat alle andere auteurs die deze kwalificatie gebruiken zich in feite op Stroink hebben gebaseerd. In dit artikel wil ik duidelijk maken dat deze kerk ten onrechte als waterstaatskerk wordt gekwalificeerd. Dat geldt ook voor de andere genoemde kerken.

Waterstaatskerk Hengelo.JPG

Over de hervormden in Hengelo schrijvend meldt Stroink: “In laatstgenoemd jaar (1839;GvS) werd de Ned. herv. kerk gebouwd aan de Deldensestraat”. Deze kerk geeft hij niet de kwalificatie waterstaatskerk mee terwijl dit, naar mijn mening, juist een heel mooi voorbeeld van een waterstaatskerk is. De kerk is niet meer als zodanig in gebruik maar doet tegenwoordig dienst als aula van de Hengelose muziekschool.

Everhard Jans en Zeno Kolks (inmiddels bekende Twentse cultuurhistorici) noemen het in 1972, in een artikel over verdwenen katholieke waterstaatskerken in Twente, “… interessant, dat ook voor kerkgebouwen die in de strikte zin des woords geen waterstaatskerken zijn, deze term gebruikt wordt.”

De verwarring over het begrip waterstaatskerk doet zich overigens niet alleen met betrekking tot Twentse kerken voor. Ik heb (de woordspeling in) de titel van dit artikel dan ook niet zelf bedacht, maar ontleend aan een artikel van de architectuurhistoricus Thomas H. von der Dunk over katholieke kerkgebouwen in Gelderland.

De ‘restitutie’ der kerken in de Franse tijd

De komst van de Franse revolutie in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in 1795 bracht een ingrijpende verandering in de positie van de kerken. Tot dat moment was er (sinds de Reformatie) een hechte band tussen de (toen nog Gereformeerd genoemde) latere Hervormde Kerk en de overheid. Ook al kon men niet echt spreken van een staatskerk, de overheid trad ten opzichte van de kerk wel op als ‘beheerder’. De overheid stond garant voor de stichting en het onderhoud van kerkgebouwen en voor de instandhouding van de eredienst. De andere kerkgenootschappen mochten wel hun eredienst uitoefenen, maar slechts in kerkgebouwen die uitwendig niet als zodanig te herkennen waren. In steden waren dat gewoonlijk woon- of pakhuizen, op het platteland vaak schuren. In de loop van de 18e eeuw liet men de teugels iets vieren, maar andere dan gereformeerde kerken mochten geen toren en klok hebben. Er zijn veel voorbeelden van deze schuilkerken bekend en in Losser herinnert de naam Schuurkerkstraat nog aan de zeer eenvoudige kerk die op deze plek gestaan heeft.

Pict0003.jpg

Ontwerp (1809) door meester timmerman G. Hagels voor de hervormde kerk van Losser. Vanwege het ontbreken van een bouwdossier is het niet bekend waarom het ontwerp niet conform is uitgevoerd.

Op 5 augustus 1796 besloot de Nationale Vergadering van de Bataafse Republiek ‘dat geen bevoorrechte noch heerschende kerk in Nederland meer kan of zal geduld worden’. De katholieken begroetten deze ontwikkeling uiteraard met vreugde, vooral toen in 1798 de eerste grondwet van de nieuwe republiek bepaalde dat alle godsdiensten gelijk gesteld werden en dat de oude kerken binnen drie jaar naar evenredigheid van het aantal leden over de kerkgenootschappen verdeeld zouden worden. Bovendien zou de staat voor vervangende kerkruimte zorgen voor hen die hun kerkgebouw kwijtraakten.

Voordat deze ‘restitutie der kerken’ een feit was zou er echter nog heel wat tijd verstrijken en boven de grote rivieren is er zelfs betrekkelijk weinig van terecht gekomen. Twente is op dit laatste een uitzondering. De oude kerken van Oldenzaal, Losser, Ootmarsum, Denekamp en Tubbergen kwamen (na bijna 200 jaar) weer in handen van de katholieken.

De ‘restitutie’ vond in Twente uiteindelijk plaats op 1 januari 1810, toen de Bataafse Republiek inmiddels was vervangen door het Koninkrijk Holland met Lodewijk Napoleon als monarch. Dat deze ‘restitutie’ niet zonder slag of stoot is gegaan is door meerdere regionale auteurs beschreven.

Koning Willem I

Toen Willem Frederik van Oranje-Nassau  (de latere koning Willem I) in november 1813, na achttien jaar ballingschap in Engeland, weer voet op vaderlandse bodem zette was er dus op het gebied van de kerken veel veranderd. De (nog bescheiden) emancipatie van de katholieken als gevolg van de ‘gelijkschakeling’ had geleid  tot een grote behoefte aan kerkgebouwen, waarin zij zelf wegens gebrek aan financiële middelen niet of nauwelijks konden voorzien. Maar ook de gereformeerden die hun oude kerkgebouw terug hadden moeten geven aan de katholieke meerderheid ter plaatse (zoals in Noord-Oost Twente het geval was) hadden behoefte aan nieuwbouw. Alleen een forse overheidssubsidie kon helpen. Koning Willem I heeft zich persoonlijk vrij intensief met de kerkenbouw bemoeid door schenkingen en volgde daarin een zelfde gedragslijn als Lodewijk Napoleon. Zo verleende deze laatste al in 1810 aan de gereformeerden in Losser voor de bouw van hun nieuwe kerk een subsidie van ƒ 5.000.

Het gebrek aan kerken was groot en het aantal aanvragen nam snel toe. Gezien de grote bedragen waar het om ging wenste ‘Den Haag’ controle op de (kosten van de) bouwplannen en de besteding van de gelden. In het begin volstond men nog met toezicht op afstand, maar al spoedig moest men constateren dat veel van de nieuwe, met royale rijkssubsidies gebouwde, kerken wegens gebrek aan deskundige begeleiding, in bouwkundig opzicht, niet voldeden. De koning greep daarom in en bepaalde in een Koninklijk Besluit  van 16 augustus 1824 dat het niet langer toegestaan was om een kerk te (ver)bouwen zonder toestemming van (één van) de kort daarvoor in het leven geroepen ministeries van Katholieke resp. van Hervormde Eredienst. Deze ministeries wezen meestal ingenieurs of andere ambtenaren van Waterstaat (het ministerie van Binnenlandse Zaken, Openbare Werken en Waterstaat) aan om de bouwplannen voor kerken te beoordelen.

Allengs groeide in het tweede kwart van de 19de eeuw een praktijk waarin veel ontwerpen van kerken werden gemaakt door waterstaatsambtenaren. Zo kwamen er bijvoorbeeld van de kant van de Waterstaat in Noord-Holland bouwkundige richtlijnen, gebaseerd op bestaande ontwerpen van een kerk (te Zevenhuizen in Groningen) met 500, 750 of 1.000 zitplaatsen “welk om derzelver doelmatigheid, beschouwd zijn vatbaar te wezen voor eenen algemeenen grondslag der berekeningen bij den opbouw van kerken en pastorijen …”. Er ontstonden als het ware prototypes die door navolging hebben geleid tot kerken, die je soms moeiteloos als waterstaatskerk herkent. In Gelderland schijnt het kerkje, dat in 1837 in Elden werd gebouwd en gewijd was aan de H. Lucas, model te hebben gestaan voor kerken van de ‘eenvoudigste soort’ en de kerk in Lent (1838) was dat voor de ‘iets luxueuzere klasse’.

Waterstaatskerken

Het is waarschijnlijk dat Rijkswaterstaat al eerder bemoeienis heeft gehad met toezicht op ontwerp en bouw van kerken. Van systematische bemoeienis is echter pas sprake ná het KB van 1824. De benamingen ‘waterstaatsstijl’ en ‘waterstaatskerk’ herinneren dan ook aan de periode ná 1824.

De beschrijving van deze ‘waterstaatsstijl’ in de literatuur is niet eensluidend.
H.P.R. Rosenberg noemt (in: De 19e eeuwse kerkelijke bouwkunst) als karakteristieke kenmerken van de zogenaamde waterstaatsstijl een tempelachtig zuilenfront met timpaan, witgepleisterde interieurs met boogramen en een veelhoekig torentje op het kerkdak. (Het vooraanzicht dus als het fronton van een Griekse tempel).
Zeno Kolks waagt zich in Jaarboek Twente 2008, schrijvend over de uit 1834 stammende voorganger van de huidige St.-Stephanuskerk in Bornerbroek, aan de volgende omschrijving: “De kerk, zoals die in 1834 vorm had gekregen, was van het bekende, eenvoudige Waterstaatstype. Hieronder dient te worden verstaan een dikwijls door een ingenieur van het Ministerie van Waterstaat of door één van zijn medewerkers ontworpen hervormde of katholieke kerk, met weinig of geen klassieke elementen, met tamelijk grote rondbogige of spitsbogige vensters, en met een houten torentje dat uit het niet steile dak oprijst.”

Waterstaatskerk De Lutte.JPG

De in 1831 gebouwde en terecht als ‘waterstaatskerk’ gekwalificeerde kerk van De Lutte (afgebroken in 1931) vertoont een geheel ander karaker dan de waterstaatskerk van Hengelo (O).>

J.J.F.W. van Agt (in: Honderd jaar religieuze kunst  in Nederland - 1853/1953) is voorzichtiger in zijn beschrijving: “Een algemene typering is moeilijk te geven van de kerken, die zijn gebouwd door de Waterstaatsingenieurs of onder hun invloed. Kenmerkend blijft echter veelal een representatief bedoelde voorgevel, waarboven zelden een kleine klokkentoren ontbreekt”.
De benaming waterstaatsstijl is  volgens Van Agt minder juist omdat “de z.g. waterstaatsstijl geen werkelijke stijl is, maar slechts een manier van bouwen, die onder invloed van de destijds actuele stromingen aan veranderingen onderhevig was”.

Een andere (betere?) benaming voor de bouwstijl van veel openbare gebouwen uit het tweede kwart van de 19de eeuw is ‘neoclassicisme’ of barok classicisme’, een stijl geïnspireerd op de antieke Griekse en Romeinse bouwkunst. Misschien is het nog beter te spreken van ‘eclecticisme’, een verschijnsel in de kunst waarbij een vrije keuze uit allerhande stijlen en technieken werd gedaan. In de bouwkunst vierde het eclecticisme bijna de gehele 19e eeuw hoogtij.

In 1868 werd het Koninklijk Besluit (KB) van 1824 ingetrokken. Sinds de wet van 10 september 1853 waarin de verhouding tussen Kerk en Staat opnieuw was geregeld (en ook de bisschoppelijke hiërarchie was hersteld) was de rechtsgrond van het KB uit 1824 feitelijk komen te vervallen. Het was verouderd en niet in de geest van de grondwet van 1848. Voortaan besliste het gemeentebestuur over de aanvraag van een vergunning tot bouw van een kerk. Na 1868 bleef Waterstaat nog slechts op bescheiden schaal betrokken bij kerkbouwplannen tot hieraan in 1876 definitief een einde kwam.

Conclusie

Waterstaatsstijl is een nogal vage term waar verschillende bouwstijlen onder begrepen kunnen worden, zodat er geen sluitende definitie van te formuleren is en die daarom misschien niet meer gebruikt zou moeten worden.

Van waterstaatskerken is strikt genomen slechts sprake wanneer deze zijn gebouwd onder toezicht van (soms zelfs ontworpen door) ingenieurs of andere ambtenaren van Waterstaat, onder de werking van het Koninklijk Besluit van 16 augustus 1824,  dat in 1868 werd ingetrokken. De in 1810 gebouwde protestantse kerken in Losser, Ootmarsum, Denekamp en Tubbergen zijn dus geen waterstaatskerken. Met andere woorden: Wat er staat is geen waterstaat.

Georg van Slageren

Sociale gebeurtenissen in de gemeente Losser in de 18e eeuw

In het algemeen richt geschiedschrijving zich op personen die op één of andere wijze een zekere mate van macht bezaten. Zo ook in Twente. Gebeurtenissen die de gewone bevolking aangingen werden nauwelijks vermeld. Verheugend is dat er in het rijksarchief Zwolle een dossier aanwezig is waar de rechter Hendrik Jan Bos verslag doet van een aantal voorvallen die in de periode 1758 tot 1773 hebben plaatsgehad binnen het Richterambt Oldenzaal.[i] Negentig gevallen hadden betrekking op de gemeente Losser. Het ging hoofdzakelijk om ruzies, confrontaties met vreemdelingen, diefstallen, overtredingen van zondagsrust, aantasting van eer en goede naam, ongelukken van mens en dier en sociale verplichtingen. Het is natuurlijk zo dat het maar in beperkte mate het werkelijke dagelijkse leven weergeeft; het zijn een soort politierapporten. Maar het geeft tenminste iets weer van het veelal armoedige bestaan in die tijd.
Het merendeel van die rapporten gaat om ruzies binnen de bevolking zelf; meer dan 30 stuks. De meeste resulteerden in handgemeen, waaraan soms een chirurgijn te pas moest komen. In één geval viel er echter een dode te betreuren. Scheldpartijen waren vaak de oorzaak van de vechtpartijen. Het wel of niet betreden van andermans grondgebied was een andere oorzaak. Ook confrontaties met vreemdelingen kwamen veelvuldig voor. Een belangrijke verkeersader, die tussen Amsterdam, Hannover en Berlijn, liep dwars door Twente. Het is niet verwonderlijk dat die landstreek zeer veel te lijden had gedurende de Tachtigjarige Oorlog en tijdens de invallen van ‘Bommen Berend’. Ook in de achttiende eeuw was er relatief gesproken veel verkeer. De hoofdoorzaak was dat in 1714 de koning van Hannover ook koning werd van het toen grootste en belangrijkste land ter wereld: Engeland. Niet alleen trokken de vorsten George I, II en III verschillende keren via de Poppe naar hun residenties in Hannover of Londen maar ook Engelse en Hannoveriaanse troepen trokken door het Twentse land.[ii] Bekend is dat koning George I in 1727 tijdens een dergelijke reis overleed en dat Duitse soldaten een ter dood veroordeelde vrouw hadden ontzet net voordat ze zou worden opgehangen.[iii] Vele vaak zeer arme Joden weken uit naar Nederland omdat ze in landen als Duitsland, Polen en Rusland werden vervolgd. Ze worden Askenazische Joden genoemd. Tijdens de geregistreerde gebeurtenissen van richter Bos woedde er van 1756 tot 1763 de 7-jarige oorlog. Grote delen van Europa werden geteisterd. Hoewel de Republiek (de Zeven Verenigde Nederlanden) en dus ook Twente buiten het krijgsgewoel bleef, was er in onze streken sprake van vele troepenverplaatsingen. Engeland en Hannover waren de bondgenoten van Pruisen, en het toen vijandige Oostenrijk en Frankrijk waren ver weg.

De diefstallen richtten zich op gewassen, linnengoed, vlees, brood en hout. Een bewijs dat de mensen, in deze gevallen ten onrechte, behoefte hadden aan de meest elementaire zaken van het dagelijkse leven.

Dat de Dag des Heren, vooral in de optiek van de Gereformeerde machtshebbers geëerbiedigd diende te worden, werd duidelijk door de controle van de diverse ‘hulpagenten’ van Richter Bos. Kleine werkzaamheden werden beboet en het spelen op een viool op zondag was helemaal uit den boze.

Opmerkelijk was dat, hoe arm de mensen ook waren, de aantasting van hun goede naam als zeer ernstig werd ervaren. Daar waren niet alleen de lieden zelf zeer gevoelig voor maar ook degenen die daarover forse boetes uitschreven.

Meldingen van ongelukken, opmerkelijk zijn de verdrinkingen in de Dinkel, en zaken als plichten om als een soort Bescherming Bevolking op te treden gaven ook aan hoe een dergelijke samenleving toen functioneerde.

De vermelde politierapporten zijn nogal chaotisch wat de volgorde van onderwerpen betreft. Dat is logisch omdat ze in volgorde van de tijd zijn opgesteld. In de volgende bloemlezing heeft de schrijver geprobeerd om de meest interessante voorvallen te vermelden en ook te voorzien van enkele additionele gegevens. Begonnen wordt met een tweetal ‘slagerijen’; één door vrouwen ‘uitgevoerd’ en een andere door mannen.

Vrouwenruzie

Op 23 augustus 1760 liep een vrouwenkransje in de buurschap De Zoeke flink uit de hand. Tenminste een achttal dames was aanwezig in de boerderij van Wensing. Gezina Harberink,   getrouwd met Johannes Luttikhuis alias Boege, zou de vrouw van Willem Swaferink, Geese Meijer, onheus bejegend hebben. Deze liet zich dat niet welgevallen en er ontstond een handgemeen. Volgens vrouw Boege zou ze door vuistslagen, slaan met de klomp en met de bezemsteel afgetuigd zijn. De vijftienjarige dochter van Lucas Loisink, Janna, de bewoonster van de lijftocht van Elferink, Geeske en de vrouw van Hermen Kuipers, Geertken Boerrichter zouden dat kunnen beamen.

De tegenpartij bestaande uit de getergde dame zelf, haar dertigjarige dochter Geese, haar zeventienjarige dochter Geertjen en de dienstmeid van boer Heersche, Hendrina gaven een andere lezing. Het was juist Gezina Harberink die met de bezemsteel op de vrouw van Swaferink was afgestormd. Hendrina had dat belet. De aanvalster had de muts van Geertjen afgetrokken maar haar moeder had daarop de knipmuts van Gezina verwijderd. Dat muts aftrekken gaf Gese Meijer ook toe en ze moest daarom een boete betalen. Vrouw Luttikhuis bleef ontkennen dat ze zelf iets gedaan zou hebben.

Swaferink heeft Velthuis geslagen

Wellicht heeft de ruzie tussen de vrouwen haar sporen nagelaten bij de mannelijke leden van de families Swaferink en Luttikhuis. Jan Luttikhuis alias Boege alias HutJan, wonende in Slots Kotten ofwel Markenkotten dicht bij het voormalige klooster De Glane, overleed op 17 november 1763. Zijn weduwe hertrouwde op 15 december 1765 met Albert Velthuis uit De Lutte.[iv] Op 20 juni 1968 was Albert aan het plaggen maaien op de gemeenschappelijke gronden toen Geertman  (34 jaar), de oudste zoon van Willem Swaferink, in het bijzijn van zijn broer Jan (25 jaar) hem met een eiken stok op het hoofd sloeg. Hij viel neer en bemerkte dat hij een open wond aan zijn hoofd had van ongeveer een vingerdik lang. Volgens hem had hij echter niets gezegd of gedaan. Zijn vrouw en zijn stiefzoon Herman (16 jaar) zouden het voorval ook hebben gezien. Bovendien zou Geertman het slaan zelf verteld hebben aan Jan Wensink (26 jaar) en de  huurder van Wensink, Hermen Vlakesbekke (34 jaar). Bovendien zou de zoon van Loisman, die de schapen hoedde, het ook gezien hebben. Tijdens een verhoor ontkende Geertman Swaferink in alle toonaarden. Dat er sprake was van een ernstige verwonding bleek wel uit het rapport van de chirurgijn Abraham Maguel uit Oldenzaal, een maand later. Hij constateerde dat de verwonding een viertal centimeter breed was en gelegen was aan de linkerzijde van het hoofd boven het oor. Het beenvlies dat de bekleding vormt van de botten van de schedel was ook beschadigd. Het was voor Maguel aannemelijk dat Albert even buiten westen is geweest. Het politierapport vermeldt niet of Geertman beboet of eventueel zelfs gestraft is.

Hennie Kok (De Lutte)
(wordt vervolgd)

http://kranten.kb.nl/index.html

(Historische kranten in beeld)

Eind 2006 is de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag gestart met het project Databank Digitale Dagbladen. In het project worden (vanaf het begin van de 17de eeuw tot eind 20ste eeuw) 8 miljoen (!) historische krantenpagina’s gedigitaliseerd. De eerste resultaten zullen eind volgend jaar via de website beschikbaar komen.

Nu al is (op http://kranten.kb.nl/index.html ) het resultaat van een pilotproject zien. Omdat het om zeer interessant materiaal gaat, heeft de KB besloten dit nu al via de website beschikbaar te stellen voor het publiek. Het gaat om vier landelijke dagbladen uit de periode 1910 tot en met 1945, namelijk Het Centrum, de Nieuwe Rotterdamsche Courant, Het Vaderland en Het Volk. De 76 gepresenteerde jaargangen hebben een omvang van ongeveer 350.000 pagina’s. De pagina’s zijn helaas nog niet afgestemd op raadpleging door grote aantallen bezoekers. Bij raadpleging heb je dus zo nu en dan wat geduld nodig. Aan verbetering wordt volgens de KB hard gewerkt.

Oproep voor vrijwilligers

Dat geduld loont bewijst Thea Evers met de hierna volgende bijdrage over smokkelen, die is gebaseerd op een artikel van 27 oktober 1917 in Het Volk, een socialistische krant.

Op deze manier hebben wij al meer interessant materiaal over Losser gevonden. En we weten zeker dat er nog veel meer moet zijn. Maar 350.00 pagina’s (en over enkele jaren 8 miljoen) is wel wat veel voor onze  redactie om alleen te moeten ‘bewerken’. Daarom zoeken wij vrijwilligers die mee willen helpen om deze en misschien nog andere sites te doorzoeken op voor ons interessante informatie. Het zou helemaal mooi zijn als u na een ‘vondst’ ook nog een aardig artikel voor Oet Dorp en Marke zou schrijven, maar dat kunt u ook aan de redactie overlaten. Om een beetje structuur in het zoekwerk aan te brengen vragen wij vrijwilligers zich te melden bij Thea Evers (053-5382613) of Georg van Slageren (053-5382850). Aanmelding kan ook via info@historischekringlosser.nl.

Smokkelen

Smokkelen is volgens Van Dale ‘verboden goederen, of goederen waarvoor rechten betaald moeten worden, heimelijk vervoeren, m.n. over de grens brengen, in- of uitvoeren’. Verder is het ook nog ‘behendig wegmoffelen’ en dat kwam daarbij natuurlijk goed van pas.

In een grensgemeente als Losser is er veel gesmokkeld, zeker in tijden van grote tekorten en prijsverschillen aan weerskanten van de grens.

De periode van de Eerste Wereldoorlog is daar een goed voorbeeld van. Nederland was weliswaar neutraal, maar de bevolking kreeg wel te maken met de gevolgen van de oorlog in de vorm van schaarste op allerlei gebied. Er werd een distributiestelsel ingevoerd en alles ging op de bon. Aan de grens ontstond dan ook een uitgebreide handel in bijvoorbeeld vetten, boter, koffie en chocola. Want het illegaal gebruik maken van prijsverschil en schaarste leverde geld op. Bovendien waren in Losser veel mensen hun werk kwijt geraakt toen in 1915 de textielfabrieken in Gronau gingen sluiten. Smokkelen was dus een mogelijkheid om het hoofd boven water te houden. Maar door sommigen werd er ook goud aan verdiend.

mokkeltoneelstuk.JPG

Deze foto van een smokkelscène is waarschijnlijk gemaakt in het kader van een toneeluitvoering (in de openlucht in Losser of Overdinkel). Waar en wanneer precies is niet bekend. Ook de personen op de foto zijn niet bekend. Weten onze lezers misschien meer?

Maar soms was de nood wel erg hoog: “Het gebeurt den laatsten tijd nogal eens, dat soldaten van de Duitsche grenswacht bij de boeren die dicht bij de grens wonen een boterham vragen. Dezen morgen waagden een drietal Duitschers zich verder en gingen brood koopen bij den winkelier N. te Overdinkel. Elk met een tarwebrood onder den arm marcheerden ze weer in de richting der grens en trokken nogal de aandacht van het publiek en zoodoende ook van de Hollandsche militairen, die ze opbrachten om te worden geïnterneerd’.

In Het Volk, een socialistische landelijke krant, stond op 27 oktober 1917 onder ‘Gemengd Nieuws’ het volgende bericht over Losser:

Aan de Oostgrens

Een onzer Twentsche korrespondenten schrijft:

‘Wat is Overijssel toch een mooi land. Dat is de indruk die telkens weer gewekt wordt, als je te voet of per fiets je weg door het heerlijke Twente zoekt. Boekelo, Denekamp, Delden, Oldenzaal, waar je ook komt, overal verrast het eene mooie plekje je na het andere. De glooiende bodem, de donkere altijd groene naaldbossen, de kronkelende Dinkel met zijn hooge oevers, de rijke flora, het maakt alles met elkaar het oude Twentenland tot één der mooiste gedeelten van ons overal zoo mooi Holland.

Is het ’s zomers verrukkelijk dwalen door de mooie landstreek, waar je maar zoo weinig menschen ontmoet, nu in herfsttijd gaat het oog te gast aan de fonkelende kleurenpracht van de bosschen.

Van Enschede ging ik per fiets naar Losser. De ochtendnevels waren opgetrokken, de zon omgoot alles met een gouden glans en ik genoot alsof geen oorlog, geen brandstoffen- of voedselmisère ons leven meer zuur maakte.

In Losser, waar je zo dicht bij de grens bent waar zoo velen gesmokkeld hebben of er van verdacht worden, trekt direkt de oude alleenstaande toren de aandacht. In dien ouden steenklomp, zoo massief daar neergezet, heeft al menig smokkelaar zijn zucht naar aardsch gewin kunnen overdenken, want binnen dezen muren is de eerste pleisterplaats van smokkelaars op den weg via Almelo (rechtbank) naar het interneringskamp voor de klandestiene leveranciers aan Duitschland.

Het is eigenlijk schande, dat menschen daarin (de Oude Toren) enige uren, laat staan dagen doorbrengen, want menigeen zou zich schamen om in dat hok zijn beesten te jagen.

Langzamerhand is er wel eenige verbetering gekomen, want de dokter (J.G. Frederiks) bemoeit er zich nog wel eens mee. Gelukkig, want de burgemeester (G.J.M. Eenhuis) maakt zich niet wonder druk over zulke dingen.

Het spreekt vanzelf, dat ik belangstellend informeerde of er nu nog van beteekenis gesmokkeld wordt. Nu, erg was het niet meer, maar toch gaat er nog wel over de streep. Wat er dan nog wel ging? Zeep, kwatta en den laatsten tijd vooral manufakturen.

Een geliefkoosde truc is het aantrekken van nieuwe onderkleeding en die zoo over de grens vervoeren. Een truc echter, die al lang ontdekt is en die aanleiding geeft dat men druk overweegt, naar mij verteld word, om het ondergoed van hen, die in Duitschland werken gaan, te stempelen.

Er zijn er heel wat, die een stuk brood in Duitschland trachten te verdienen, alleen uit Losser eenige honderdtallen. (Op 10 februari 1917 was één van de fabrieken van Van Delden weer in bedrijf genomen; een uitkomst voor onder meer de arbeiders uit Losser, Glane en Overdinkel, want er kwam weer wekelijks loon binnen).

Bij het overgaan van de grens is het natuurlijk visiteeren en dat heeft al heel wat onaangenaamheden veroorzaakt.

Zouden deze krijgshaftig uitziende grenswachten (van beide zijden van de grens) zich ook bezig gehouden hebben met het ‘ambtshalve’ betasten en bevoelen van - onschuldig uitziende - vrouwen en meisjes?Schande!

Zoo werd voor een poosje geklaagd over het onderzoeken van vrouwen en meisjes of ze ook kontrabande (smokkelwaar) bij zich droegen. Het bevoelen en betasten door mannelijke beambten was eenvoudig een schandaal. Wel is er een visiteuse, die desgevraagd de vrouwen en meisjes onderzoekt, maar hoeveel tijd kost dat, als er wat veel zijn, want dat geheele werk komt voor rekening van één vrouw. Dat onderzoek kost tijd en dus geld en dat kan men waarachtig van het schamel loontje niet missen.

Toen voor kort een ambtenaar ook nog den lust had om tusschen een groepje opdringende vrouwen en meisjes een plomp vuil water te smijten, liep de maat over en heeft één onzer partijgenoten bij den officier van justitie een klacht ingediend en de aandacht op het onkuische onderzoeken gevestigd. Het schijnt wel geholpen te hebben. Maar in plaats van één, een drie- of viertal visiteuses was wel zo goed.

Men smokkelt dus nog, al is het toezicht streng en uitgebreid en ’t betrekken van smokkelwaren uiterst moeilijk. Het toezicht op wat er in eerste linie komt is uiterst streng. Mogen in Almelo b.v. niet meer dan twee stukjes kwatta aan denzelfden kooper geleverd worden, hier is het nog veel moeilijker.

Tenminste de hotelhouder, die aan drie dames een tablet chocolade verkocht, vertelde mij, dat zijn voorraad nu op was en dat het minstens drie weken zou duren, voor hij weer wat kreeg.

Maar krijgt men er wat over, dan loont het ook dubbel en dwars de moeite, want twee à drie mark voor een stukje zeep of een reepje kwatta en even exorbitante prijzen voor wat onderkleeren is niets bijzonders.

Bovendien snijdt vaak het mes aan twee kanten, want men tracht terug te komen met wat spijkers en verfstoffen, terwijl er ook nog wel eens wat kunstmest over de grens komt. Vooral met spijkers is nog wel wat te verdienen, want terwijl hier de prijs fl. 1,80 per K.G. bedraagt vinden de smokkelaars gretig koopers voor hun waar, die zij à fl. 1,20 “verlaten”. Kunstmest is niet zoozeer handelsartikel: dat vindt onmiddellijk zijn weg naar den boer, die vlak aan de grens woont.

Ik ben weggegaan onder den indruk, dat de smokkelarij door schaarschte, streng toezicht enz. niet veel meer te beduiden heeft.

Door den vallenden avond ben ik weer naar Enschede gepeddeld en ik heb genoten van den goudglans waarmee de dalende zon de herfstgekleurde bosschen overgoot. Smokkelarij en oorlogsellende die men bij de arbeiders dezer streken zo nijpend vindt, worden weer voor een poosje vergeten. Tot ik in den trein zat en de circulaire van den minister aan den burgemeesters over het in beslag nemen van voorraden las en op hetzelfde oogenblik van eenige zakenmenschen hoorde, dat iemand, fluisterend werd de naam genoemd, nog 7000 K.G. v. Houten, Bensdorp en Pette had zitten.

Wat is de natuur mooi en wat maakt het kapitalisme de menschen leelijk, al koesterde men voor drie jaar de verwachting, dat de oorlog nog gunstig op de moraliteit zou inwerken.

Die fröhliche Krieg, wat heeft hij al desillusies veroorzaakt’.

Thea Evers

‘De teloorgang van een minister-president’

Met niemand is na de bevrijding zo rancuneus omgesprongen als met jonkheer dr. Dirk Jan de Geer, de minister-president, die op 13 mei 1940 met de regering naar Engeland vluchtte. Behalve minister-president was De Geer (1870-1960) ook nog de twee jaar oudere  broer van Lodewijk, predikant van de Hervormde Gemeente Losser, die op 1 september 1904 zichzelf doodschoot nadat hij eerst een jongeman, die een tijdlang bij hem in huis gewoond had, om het leven had gebracht. Deze dramatische gebeurtenis heb ik beschreven in ‘400 jaar Hervormden in Losser’. Ook schreef ik over dominee De Geer in Oet Dorp en Marke 2006/4.

In 1997 publiceerden Hugo Pos en Jan Kuijk  ‘Het averechts handelen. De Geer in Londen. Naïef, wereldvreemd, eigengereid’. Zij hebben geprobeerd te reconstrueren waarom en hoe De Geer precies tot zijn beslissing is gekomen om in 1940, na zijn ontslag door koningin Wilhelmina op dienstreis gestuurd naar Nederlands-Indië,  te ‘deserteren’ en met hulp van de Duitsers naar het bezette Nederland te reizen. Over Dirk Jan de Geer is naast dit intrigerende boekje betrekkelijk weinig gepubliceerd. Daarom was ik blij verrast toen enkele maanden geleden over De Geer een biografie verscheen. De schrijver Henk Van Osch was arts en bestuursvoorzitter van zorgverzekeraar VGZ en laat zien waartoe (sommige) amateurhistorici in staat zijn. Misschien dat artsen op dit gebied wat meer in hun mars hebben dan ‘gewone’ mensen. In onze omgeving kenden we immers de gepensioneerde huisarts B.H.A. te Lintelo, van wiens hand in 1988 ‘Ketters en papen in Twente’ verscheen. Een waardevolle studie over de Reformatie en de Katholieke herleving in Twente, tussen 1580 en 1640.

“Het was voor mij een groot genoegen om deze prachtige, want overtuigende politieke biografie te lezen, vanwege de stijl en de compositie, maar ook vanwege de scherpte van het oordeelsvermogen” (Ik citeer hiermee prof. J. Houwink ten Cate in Historisch Nieuwsblad november 2007, de woorden zijn mij uit het hart gegrepen en ik zou het zelf niet beter kunnen zeggen). Ik heb mijn waardering voor het boek kenbaar gemaakt aan de auteur, waarbij ik natuurlijk vermeldde dat mijn belangstelling voor de familie De  Geer is ontstaan door alles wat ik te weten ben gekomen over de Losserse dominee de Geer.

De belangrijkste reden voor mijn brief was echter een fout die ik in de biografie ontdekte. In het boek staat een overzicht van de kinderen uit het gezin, waaruit Dirk Jan stamt. In dat overzicht komt echter Lodewijk, de latere Losserse dominee en geboren in 1872, niet voor. Wel noemt Van Osch een eerdere zoon Lodewijk, geboren in 1867 en overleden in 1869.  Mijn brief met de informatie uit Losser gaf Van Osch, zo schrijft hij, reden tot ‘bescheidenheid’. Zoals u uit het voorgaande kunt afleiden vind ik dat er weinig reden is tot bescheidenheid als je zo’n prachtig boek geschreven hebt. Van Osch noemt het niet vermelden van de tweede Lodewijk een omissie en een nog grotere omissie is dat hij niet heeft kunnen vermelden dat de familie deze Lodewijk heeft doodgezwegen. Hij is deze Lodewijk wel tegengekomen in een of ander genealogisch overzicht, maar omdat hij in de archieven van de familie geen spoor van hem kon vinden, heeft hij gedacht dat er een foutieve datum was gedrukt en dat Lodewijk, geboren in 1867, bedoeld moest zijn. ”Een tweede Lodewijk, die bovendien nergens werd vermeld, achtte ik niet waarschijnlijk. Ik heb me dus te lichtvaardig bij deze weinig gefundeerde conclusie neergelegd en dat spijt me bijzonder want het is een zeer relevant gegeven. Wat jammer dat ik uw informatie niet had voordat mijn boek verscheen! Als de uitgever ermee instemt, wil ik uw gegevens in een te verwachten tweede druk vermelden”.
Met spanning wacht ik dus de tweede druk van Jonkheer D.J. de Geer. De teloorgang van een minister-president (ISBN  978 90 8506) af.

Georg van Slageren

Mirreweenterhoorns roopt

Heurt! Aower ’t Twentse laand,
van wiedtn en kotbiej,
joolt de mirweenterhoorns
eur oale melodiej.

Van oaldsher kloonk ’t geluud
roond de mirweenterdaagn,
um al wat kwaod kon doon
van hoes en hof te jaagn.

Of um de bliejschop van
de umkeer van de zun,>
waormet veur al wat leaft
weer nieje greui begun.

Ok as ’n vrom gebroek
noar ’t biebelse verhaal,
waorin de Zön van God
op d’eerde is ‘edaald.

De grootnis van ’t Keend,
dat in ne kribbe lea,
dat oonze schoold wol dreagn
en leefde brach en vrea.

Laot zingn dan dee hoorns,
laot heurn wied en zied,
dat ’t Keend ons wis de weg
naor ’n nieje bettre tied.

Uit “’t Krekkel Trumke” van Bert Mutter, 1982.