Archief 'Het meisje in de Froenstraat' ...

en andere Lossernaren

het meisje in de Froenstraat Johannes Joachim (Jochem) Damhuis
Foto van de maand april 2008

Onder de titel ‘Het meisje in de Froenstraat’ is de Historische Kring Losser in april 2004 begonnen aan een project dat op 1 november 2005 heeft geleid tot de uitgave van een zeer bijzonder (foto)boek.
In de jaren 1979 tot 1995 maakte ons lid de heer Norbert Klein, destijds actief in de - helaas ter ziele gegane - ‘Hifo’ (Historische Fotoclub Losser), een serie van meer dan honderd portretten van bekende en minder bekende Lossernaren.
Het boek, waarvan in 2 drukken, ruim 900 exemplaren beschikbaar waren was binnen een halfjaar uitverkocht. Daarom tonen wij nu elke maand een andere foto uit het boek, met de bijbehorende tekstpagina.
In het archief zijn de namen van de geportretteerden opgenomen.

In de maand april 2008 was de beurt aan: Johannes Joachim (Jochem) Damhuis

Jochem Damhuis werd geboren op 8 november 1906 te Losser aan de Froenstraat, de huidige Bernhard Leurinkstraat. De familie was afkomstig uit Friesland en als zoveel mensen in die tijd naar Twente getrokken om te gaan werken in de textielindustrie. In zijn jonge jaren was Jochem erg sportief. Hardlopen, boksen en wielrennen hadden zijn belangstelling. Bekend is het verhaal dat hij meedeed aan een wielerwedstrijd in Gronau, waar hij per ongeluk de verkeerde kant op fietste en de wedstrijdleiding omriep: “Der Holländer mit das grosse Rad soll das Parcours verlassen”. Tijdens de grote economische crisis in de jaren dertig van de vorige eeuw, was ook Jochem  werkloos en hij bekwaamde zich toen in het mollen vangen. Hij schijnt een meester in dat vak te zijn geweest. Een vangst van 60 tot 70 mollen op een dag was geen zeldzaamheid en een mollenvel bracht 25 cent op. Later heeft hij in de textiel gewerkt bij de Gebr. Van Heek “Schuttersveld” in Enschede. De kraskamer was zijn arbeidsplaats. Daar werden de vezels van de te spinnen stof met een kras (of kaard)machine ontward en evenwijdig gelegd ter voorbereiding van het spinnen.
Na zijn huwelijk woonde hij aan de Scholtinkstraat, maar het geluk was hem niet welgezind. De geboorte van zijn eerste kind kende een tragische afloop en bovendien overleed zijn vrouw een half jaar later. Jochem is nooit weer een relatie aangegaan en hij trok in bij zijn zwager en schoonzuster aan de Oranjestraat, de familie Bos, waar nog een vrijgezelle broer inwoonde. Hij heeft daar tweeënveertig jaar lang gewoond.
Zijn grote passie was het houden van postduiven en daar wist hij dan ook uitgebreid over te vertellen. Hij kon echter de “h” niet goed uitspreken, waardoor er van tijd tot tijd “avikken” boven zijn “ok” vlogen tot hilariteit van de toehoorders. Hij specialiseerde zich in duiven voor de lange afstand de zogenoemde fondduiven, waarmee hij grote prijzen in de wacht sleepte. Regelmatig kocht hij duiven in België van de bij duivenmelkers in die tijd zeer bekende De Groot. Het was de droom van iedere liefhebber om daar een jonge duif te kunnen kopen. Maar dat was voor de gewone man, en dat waren de meeste duivenliefhebbers, best prijzig. En daar moest de reis naar België ook nog bijgeteld worden. Meestal ging men per trein, want de auto was nog lang geen gemeengoed. Het kwam voor dat men zelfs een piepjong vogeltje meenam en dit onder het overhemd op de blote huid vervoerde om het warm te houden en vervolgens op een nest op het eigen hok grootbracht. De duivensport hoorde echt bij de volkscultuur. De clubs waren verdeeld in zaterdagvliegers en zondagvliegers, afhankelijk van de dag waarop de wedstrijdduif op het hok werd terugverwacht. En wie bij welke club was had vroeger veel te maken met de zondagse kerkgang en de zondagsrust. Gedeeltelijk is dat nu nog zo, maar de scherpe kantjes zijn er af en vaak kiest men nu om heel andere redenen. De zondag is meer een gezinsdag geworden. De postduivensport is aan het begin van de negentiende eeuw ontstaan in België en wordt nu wereldwijd in veertig landen beoefend. Duivenliefhebbers waren elkaar’s concurrenten, maar er was ook een grote band. Voor een liefhebber die geen fondduiven had was het toch heel spannend om bij een clubgenoot de aankomst van de duiven mee te beleven. En wanneer het een overnachtingsvlucht was, zat men in de zomer in alle vroegte wanneer het licht werd al te wachten op de eerste duif. En was het eindelijk zover, dan moest men hopen dat er nergens in de buurt een plas water op het dak lag, omdat de vogel dan eerst een bad nam voordat hij het hok binnen ging. En dat scheelde weer enkele minuten. De eigenaar kon dan niets anders doen dan rammelen met het voerbakje om de duif toch binnen te krijgen zodat hij de wedstrijdring kon klokken.
’s Winters had Jochem op zondagochtend een vast koffieadres bij kennissen. Na de kerk ging hij daar naar toe. Een kind uit dat gezin moest dan voor hem een pakje sigaretten halen bij kapper Achterhuis aan de Gronausestraat die ook rookwaren verkocht. “Miss Blanche”was zijn merk. Dat pakje kostte 75 cent. Het kind kreeg een gulden mee en mocht het resterende kwartje dan houden. Dat was een kapitaal voor een kind in die tijd.
Jochem Damhuis overleed op 9 november 1988.