Archief 'Het meisje in de Froenstraat' ...

en andere Lossernaren

het meisje in de Froenstraat Jan Hogebrink
Foto van de maand oktober 2009

Onder de titel ‘Het meisje in de Froenstraat’ is de Historische Kring Losser in april 2004 begonnen aan een project dat op 1 november 2005 heeft geleid tot de uitgave van een zeer bijzonder (foto)boek.
In de jaren 1979 tot 1995 maakte ons lid de heer Norbert Klein, destijds actief in de - helaas ter ziele gegane - ‘Hifo’ (Historische Fotoclub Losser), een serie van meer dan honderd portretten van bekende en minder bekende Lossernaren.
Het boek, waarvan in 2 drukken, ruim 900 exemplaren beschikbaar waren was binnen een halfjaar uitverkocht. Daarom tonen wij nu elke maand een andere foto uit het boek, met de bijbehorende tekstpagina.
In het archief zijn de namen van de geportretteerden opgenomen.

In de maand oktober 2009 was de beurt aan: Jan Hogebrink

Jan Hogebrink werd geboren op 27 april 1939. Zijn vader Louw, was in 1933 een slagerij begonnen aan de Gronausestraat. Jan had in zijn jeugd twee bijnamen: “grote Jan”, of “Jan van Louw”, ter onderscheiding van zijn neefje en buurjongen. Die werd genoemd: “kleine Jan” of “Jan van Sjoerd” (de kruidenier). Jan Hogebrink ging naar de christelijke school in het dorp, waar meester Snel de leiding had. Als enige jongen in het gezin, was het toen vanzelfsprekend dat hij later de slagerij zou overnemen. Na zijn lagere schooltijd ging hij in juli 1953 helpen in de slagerij en volgde daarbij het leerlingenstelsel in Enschede. In 1957 ging hij naar de slagersvakschool (een dagopleiding in Hengelo) en op 18 augustus 1958 kreeg hij zijn Vakdiploma Runder-varkens- en lamsslager, als de jongste slager van Nederland.

Jan Hogebrink trouwde met Marianne Tip, een slagersdochter uit Denekamp. Hij moest daar wel eens vlees naar toe brengen als ze tekort hadden of hij verkocht een koe. Zo hebben ze elkaar leren kennen.

In 1975 nam hij de slagerij van zijn vader over. Ook Jan bleef net als zijn vader zelf slachten. Hij ging elke dinsdag naar de veemarkt in Doetinchem of Zwolle. ’s Morgens om 4 uur vertrok hij en tegen 9 á 10 uur stond hij weer in zijn witte jas achter de toonbank. Zijn vrouw zorgde dan in alle vroegte alleen voor de winkel en dat was best hectisch, want de drie dochters moesten ook naar school.

De eisen voor slagers die zelf slachtten werden steeds meer aangescherpt. Als gevolg daarvan moesten voortdurend verbouwingen plaats vinden. De keuringskosten werden steeds hoger en er werden ook voorrijkosten in rekening gebracht. Bij slecht weer of dreigende gladheid werd het vee zondags al verzameld, omdat men bang was dat het anders misschien maandagochtend niet om 7 uur klaar zou staan voor de levende keuring. Om 14 uur kwam de keurmeester dan terug voor de geslachte keuring. En zo ging dat ieder maandag, jaar in jaar uit. In de tijd van zijn vader hing er nog een halve koe in de winkel en daar werd dan het vlees afgesneden waar de klant naar vroeg. Maar later moesten alle producten worden uitgestald in een vitrine.

Het was keihard werken voor man en vrouw. Een werkweek van 70 á 80 uur was normaal. Vrije tijd kenden ze nauwelijks. “Twee weken per jaar heb ik vakantie en de snipperdagen neem ik wel op na mijn zestigste”, zei hij eens. Maar ze hadden door dat harde werken samen ook “een goede boterham”.

Voor zijn postduiven nam Jan wel de tijd, want dat was en is zijn grote hobby. Hij is lid van de postduivenvereniging De Snelvlucht. “Ik kan beter een koe doodmaken dan een van mijn postduiven. Met die vogels heb ik een band en ik krijg het absoluut niet voor elkaar om er een de nek om te draaien”. Maar het slachten van beesten hoorde bij zijn werk.

Hij koos er voor een ambachtelijke slager te blijven. Vrijwel alle producten werden zelf gemaakt “zonder toevoeging van kleurstoffen of andere rotzooi”. Zijn klanten kwamen dan ook uit alle uithoeken van deze streek of zelfs van daarbuiten. Hij maakte de ontwikkeling mee dat de consumptie van vlees per hoofd van de bevolking steeds verder verminderde. Ook moest het eten steeds sneller klaar zijn. De moderne huisvrouw heeft geen zin meer om lang in de keuken te staan. Het duurt uren voordat een stukje rundvlees gaar is gesudderd, dus dat gebeurt haast niet meer. En een stukje vet aan het vlees, waardoor het steeds malser wordt bij het braden, werd door de klanten ook niet meer op prijs gesteld. De mensen wilden alleen nog maar “mager”.

Ook de opmars van de diepvries heeft Jan Hogebrink meegemaakt en daar heeft hij als ambachtelijk slager uiteraard op ingespeeld.

Jan Hogebrink stopte met werken in januari 2003. Hij geniet nu samen met zijn vrouw van het leven op de boerderij met zijn postduiven en de zoogkoeien.

De slagerij wordt nu voortgezet door de heer Stegge.